Herinneringen van Constance
Stans, Stanny van Sandick 1916 - 1986
Na de zeer geslaagde familie reünie november 1975 te Wassenaar waar wij door de familie Strick v.L. (Ludolph Daniël ‘Luud’ Strick van Linschoten 1931 - 2003 en Catharina Anna ‘Cathrien’ SvL - Putman Cramer 1933 - 1995, dochter van Albertus Dithmar PC en Maria Cornelia Anna van Sandick) zo gastvrij zijn ontvangen en na nog eens in het familieboek samengesteld door Jan v.S. te Eindhoven gebladerd te hebben stelde ik Jan v.S. voor eens op te schrijven wat ik mij kan herinneren uit mijn jeugd en van de verhalen die mijn ouders mij hebben verteld, speciaal over mijn grootouders Willem Jan v.S. en Anna Geertruida Losecaat Vermeer en hun drie zonen Leo (Leonard Hendrik Willem 1876 - 1935), Frits (Johan Christiaan Frederik 1877 - 1924) en Wim (Willem Jan 1879 - 1940). Dit te meer daar er in het familieboek over hen weinig staat. Toch hebben zij allen in het begin van deze eeuw geleefd en wellicht is het interessant voor de kinderen van Leo v.S. te Rotterdam. Ik zal dan beginnen met mijn grootouders.
Mijn grootvader leefde van 1842 tot 1909 en ik heb hem uiteraard nooit gekend. Hij voer per zeilschip naar het toenmalige Ned. Indië en begon als tabaksplanter in Deli. De directie van de Mij. waarbij hij werkte verzocht hem inlichtingen te verschaffen over het doen en laten van zijn toenmalige superieuren. Dit weigerde hij en zo was zijn positie moeilijk geworden. Hij vertrok naar Java en kocht in de residentie Rembang een stuk land en begon met de verbouw van copra, koffie en vervaardiging van indigo. Zoals bekend kwam later zijn broer Frederik naar hem toe. Financiële zorgen waren er vrijwel altijd.
Mijn grootvader trouwde bij volmacht op 4 februari 1875 met mijn grootmoeder die hij uit Terborg kende en ook zij ging per zeilschip als “handschoentje” naar Java om zich bij haar echtgenoot te voegen. Vervolgens werden er drie zonen geboren, nl. mijn ooms Leo en Frits en mijn vader Wim als jongste.
Mijn vader vertelde mij dat deze drie jongens op een nacht door hun vader werden gewekt. Hij nam ze mee de tuin in en liet hun de roodgloeiende lucht in de verte zien, waarbij hij zei: “Hier moeten jullie goed naar kijken en voor altijd onthouden want zoiets zullen jullie wel nooit meer in je leven zien.” Het was nl. de uitbarsting van de Krakatau in 1883, een eilandvulkaan tussen Sumatra en Java.
Mijn grootvader was na een verblijf van 20 jaar wel aan een Europees verlof toe en mijn grootmoeder na een paar miskramen zeker. Doch er was weer eens een misoogst en zo stuurde mijn grootvader zijn vrouw en kinderen naar Holland. Hij zou na een jaar volgen.
Zij streken eerst neer te Terborg en later ging ze met de jongens naar Deventer. De geldzorgen op Java bleven aanhouden en zo gebeurde het dat mijn grootvader pas na 10 jaar naar Nederland kwam. Mijn vader vertelde, dat hij op zijn 16e jaar zijn vader weer terugzag en dat deze toen voor hem volslagen een vreemde was.
Doordat mijn grootmoeder zo lang met de jongens alleen was geweest, was er een sterke band tussen hen gegroeid. Zij hebben haar later ook op handen gedragen, zeker ook toen zij konden beseffen dat htet voor haar geen gemakkelijke jaren waren geweest met deze woelwaters en bekend is dat mijn vader wel de ondeugendste was.
Overigens hebben zij een goede tijd gehad in Deventer. Oom Frits en mijn vader waren o.a. lid van de Deventer voetbalclub Go Ahead. Zij behoorden enkele jaren tot de sterren en hadden ook bijnamen. Frits was “juffie”. Hij was wat je noemt een mooie jongen met blozende wangen. Mijn vader was de “kikkerd”. Kort sterk en breedgebouwd en watervlug. Zijn spierkracht was onder de jongelui bekend. Zware gewichten kon hij met gestrekte arm boven zich heffen en houden.
Na het verlof van mijn grootvader nam hij zijn vrouw weer mee naar Java en zij is nooit meer in Nederland teruggeweest.
Leo studeerde aan de Indische Inrichting te Delft. Frits en mijn vader kwamen in huis bij Ds. Brocades Zaalberg te Deventer. Mijn vader heeft altijd contact gehouden met deze familie waar zonen waren van zijn leeftijd. Toen ik met mijn ouders voor goed naar Holland kwam in 1927 was bij ons aan boord Willem B.Z., een van de zonen van genoemde dominee met zijn gezin. Zij kwamen bij ons logeren in die strenge winter en Willem B.Z. leerde mij schaatsen. Hij overleed enige jaren terug op 90-jarige leeftijd en ik heb nog steeds contact met zijn vrouw die te Wassenaar woont.
Mijn oom Leo ging zeer jong naar Ned. Indië en trouwde al jong met Fie Bouwens (Sophia Carolina Marina Johanna 1878 - 1935) die hij aldaar ontmoet had. Zij waren in Atjeh gestationeerd tijdens de Atjehoorlog en zo gebeurde het dat hun oudste zoon, mijn neef Ivo (1900 - 1955) het levenslicht zag terwijl de kanonnen in de tuin bulderden. Zij kregen later nog twee zonen (Willem Jan 1902 - 1905 en Frans Hugo 1908 - 1942).
Daar de oudere familieleden mijn tante Fie in Den Haag wel ontmoet hebben toen haar gezondheid reeds geruïneerd was en ze beschouwd kon worden als een zenuwpatiënte zou ik het volgende willen vertellen.
Mijn vader heeft verschillende keren als vrijgezel bij de aanvang van zijn Indische jaren bij zijn broer en schoonzuster gelogeerd. Hij heeft mij verteld dat tante Fie een flinke sterke en vrolijke jonge vrouw was. Sportief, zij kon zwemmen als de beste en had een groot gevoel voor humor, was intelligent en kon uitstekend tekenen. Ik heb nog een tekening van haar die ze voorzien heeft van tekst speciaal voor mij gemaakt. Trouwens ik herinner me nog heel goed dat ik tegelijk met haar bij mijn oom Frits te Bandoeng logeerde. Ik was een tijdje bij hem in huis daar mijn moeder een rustkuur moest ondergaan en ik ging in Bandoeng op een kloosterschool (de beste ter plaatste toentertijd). Mijn verhalen en commentaren over mijn belevenissen op de katholieke school hebben haar menige stiklachbui bezorgd. Vooral als ik zingend door huis gebeden opzei, die ik verkeerd verstaan had. Zo bad ik b.v. over 12 spiegeleieren, doch ik voelde me zwaar beledigd, dat ik kennelijk niet serieus werd genomen.
Doordat oom Leo op afgelegen gebieden werd gestationeerd heeft tante Fie haar zonen zelf onderwijs gegeven zodat zij later in Holland met goed gevolg eindexamen HBS deden (die zonen hebben ook plaatselijke scholen bezocht). Het grote drama in haar leven gebeurde toen zij in Borneo woonden. Het tweede zoontje Willem Jan kreeg zoals volgens later vastgesteld werd diphterie. Het kind was zo ziek dat oom Leo haar ten einde raad met het kind in een prauw zette en haar naar de dichstbijzijnde dokter liet roeien. Na een vreselijke nachtelijke tocht kwam zij ter plaatse aan, waar bleek dat het kind inmiddels was overleden. Deze tragische gebeurtenis is het begin geworden van haar latere geleidelijke aftakeling. Mijn oom Leo was een gelovig man, had een sterk karakter, was zeer bescheiden en bezat een grote blijmoedigheid en heeft daarom zijn taak kunnen volbrengen als echtgenoot en ambtenaar, zeker toen hij later tot hoge posten werd geroepen (Gouverneur van de Molukken, Gouverneur van Sumatra's Oostkust, Lid van de Raad van Indië). Mijn oom Leo (en mijn tante Fie) kwam in de dertiger jaren in den Haag wonen doch vertrok(ken) na enige tijd weer om zich in Bandoeng te vestigen, daar zijn vrouw niet tegen het Hollandse klimaat kon.
Trouw schreef hij elke week mijn vader toen wij in Wassenaar woonden. Soms bevatte een brief slechts vijf regels, doch bericht kwam er. Het moet gezegd, dat mijn vader misschien 4 à 5 maal per jaar antwoordde.
Zo heeft oom Leo maar weinig kunnen genieten van Ivo's jonge gezin. Gelukkig stierf tante Fie eerder dan hij, zodat zij steeds zijn steun en zorg heeft gehad. Intussen was mijn neef Hugo als landbouwkundig ingenieur naar Ned. Indië vertrokken en besloot oom Leo in Bandoeng te blijven.
Over Ivo v.S. is bij de familie genoeg bekend. Na een langdurige en vrolijke studententijd te Delft ontpopte hij zich tot een serieus en kundig ingenieur en wij weten dat ook hem persoonlijke zorgen niet bespaard zijn gebleven.
Van mij neef Hugo is weinig bekend na zijn vertrek naar Ned. Indië. Gedurende zijn studententijd logeerde hij geregeld bij ons in Wassenaar. Hij was een gesloten weinig vlotte jongeman, die naar mij nu voorkomt, met zichzelf vaak overhoop lag en waarschijnlijk een studierichting heeft gekozen geschikt om weer naar de tropen te kunnen gaan. Hij bezat een groot doorzettingsvermogen, huwde volgens beschikbare gegevens een meisje Callenfels (Maria Wilhelmina Antonia Coldenhoff 1914 – 1945) en is helaas tragisch aan zijn einde gekomen door een Japanse overval (vermoord in interneringskamp Tan Toei, Ambon). Ook zijn jonge vrouw kwam om in een Japans kamp tengevolge een Brits bombardement. Zij zou zich op twee weesjes geworpen hebben en redde zo hun leven.
Mijn oom Frits heb ik zoals uit het voorgaande is gebleken goed gekend.
Mijn grootmoeder woonde met mijn vader samen na de dood van haar man. Na het huwelijk van mijn ouders vertrok zij naar Frits en bleef bij hem tot haar dood te Batavia. Ik logeerde daar zeker eens per jaar en ook kwamen zij met Kerst en N.J. bij ons in de bergen logeren. Vaak bleef mijn grootmoeder dan een paar maanden. Ik kan mij haar heel goed herinneren evenals het huis en de tuin te Batavia.
Ik wil nu iets vertellen dat niets te maken heeft met de fam. v.S. doch wat in het leven van oom Frits en mijn vader een grote rol heeft gespeeld.
Mijn grootmoeder had een zuster (tante Trude), die gehuwd was met een bankier Jacob Kalff te Zwolle. Zij hadden een grote villa te Terborg waar zij des zomers 3 à 4 maanden doorbrachten. Tante Trude ontving daar vele familieleden, die voor hun vacantie naar buiten wilden en uiteraard hun kinderen en kleinkinderen. Ook mijn vader en mijn ooms logeerden daar des zomers tijdens hun school- en studentenjaren. De Kalffjes zoals wij ze noemden hadden een zoon en een dochter (Leo en To), neef en nicht dus van mijn vader. Er was een hechte familieband onderling en het geval wil nu dat Frits verliefd werd op zijn nichtje To. Zij was niet ongevoelig voor zijn avances, maar de ouders waren niet zo gelukkig over de gang van zaken. Frits was een charmante, vlotte jongen, maar hij gaf de indruk de eeuwige vrolijke student te zijn en een die geen behoorlijke toekomst kon bieden. Een verbintenis tussen neef en nicht zag men niet graag gebeuren. To tekende en schilderde heel aardig en zo werd zij naar München gestuurd om zich verder te bekwamen in deze kunst. Tenslotte maakte Frits zijn studie af en vertrok naar Indië. To had zich intussen verloofd met één van haar leraren, een zekere Max Obermayer, die een stuk ouder was dan zij. Na hun huwelijk kregen zij twee kinderen nl. Fee en Adolf. Al deze mensen heb ik leren kennen toen wij in 1925 tijdens ons verlof logeerden te Terborg. Trouwens op reis hadden wij deze familie te München reeds bezocht. Toen wij in Wassenaar woonden kwamen zij ook geregeld logeren en Obermayer heeft zelfs bij ons een paar maanden gewoond daar hij als bekend portretschilder verschillende opdrachten had gekregen van mensen die in de Kievit woonden.
Tante To en mijn moeder konden goed met elkaar opschieten. To echter stierf te Napels voor de W.O. II. Fee studeerde medicijnen en trouwde met een zekere Dr. Hepp. Zij waren beiden hartstochtelijke skiërs. Hepp werd gevraagd als arts een Hymalayaexpeditie te begeleiden. Helaas zijn op die tocht drie mensen verongelukt waaronder Hepp. De film die van deze tocht werd gemaakt werd na de laatste oorlog pas vrijgegeven en met mijn moeder heb ik deze gezien in de Cineac.
Fee die met een zoontje van 2 was achtergebleven huwde later een Oostenrijkse edelman. De zoon Adolf hielp in de oorlogsjaren joden en vluchtte naar Zweden. Na de oorlog was alle contact verbroken. Ook met Jaap Kalff, de zoon van Leo de enige van de fam. Kalff die nog in leven was.
Wie schetst mijn verbazing toen ik enige jaren geleden in de krant las dat de nieuwe West-Duitse Ambassadeur in Nederland dr. A.M. Obermayer zijn geloofsbrieven had overhandigd. Uit het bericht over zijn antecedenten kon ik zeker zijn dat ik te maken had met mijn achterneef. Na enige aarzeling vatte ik de pen op en schreef hem. Per kerende post kreeg ik antwoord en na enige tijd ontving ik een uitnodiging ter bijwoning van een ontvangst op de ambassade. Ik werd met open armen ontvangen. Zijn vrouw, een Zweedse spreekt ook vloeiend Nederlands, leidde mij rond door het mooiste patriciërshuis van Den Haag aan de Lange Vijverberg. In juli 1976 op zijn afscheidsreceptie gaf ik hem nog oude foto's van Terborg.
Nu weer terug naar oom Frits. Hij maakte zoals bekend in korte tijd carrière (hoofdinspecteur Staatsspoor- en Tramwegen in Ned.-Indië, lid Volksraad). Vaak kreeg hij bezoek van moeders met hun huwbare dochters, doch hij vreesde dat hij aantrekklijk was om zijn positie en hij vertrouwde mijn moeder toe, dat er maar één vrouw was waar hij mee had willen trouwen en dat was To. Er zullen wel vrouwen in zijn leven zijn geweest, maar hij is niet tot een huwelijk kunnen komen. Mijn ouders maakten zich echter zorgen over zijn gezondheid. Hij was rheumatisch en mijn moeder drong er erg op aan dat hij nu eens na 20 jaar met Europees verlof zou gaan. Bij de Staatsspoor moest echter gereorganiseerd worden en er moesten ontslagen vallen. Hij wilde dat zelf regelen en trok zich veel aan van andermans misère. Een hartaanval maakte een einde aan dit zo ambitieuze leven. Op de begraafplaats leek het of half Bandoeng aanwezig was.
Over mijn vader te schrijven is wel het moeilijkst. Het lijkt mij beter wat over ons gezinsleven te vertellen.Een groot gedeelte valt in een periode die voor Nederlanders voor goed voorbij is.
Mijn grootouders waren na de verkoop van de onderneming Plosso Paree stil gaan leven te Malang. Het klimaat is daar niet zo warm en veel renteniers die niet meer naar Europa terug wilden vestigden zich aldaar. De toekomst van de zonen lag in Ned. Indië, er was geen reden naar Holland te gaan. Mijn vader solliciteerde naar de positie van administrateur van een plantage. Nu zou men kunnen zeggen directeur of manager. Hij werkte korte tijd op Oost-Java alvorens later naar Midden-Java te gaan. Afgelegen wonend trok hij geregeld naar de soos om te kegelen. Het zullen wel de wilde jaren geweest zijn. Eens reed hij met paard en wagen de trappen van de soos op. Ook kreeg hij pleuris en hij was zo ernstig ziek dat de dokter hem zei zijn leven te danken aan de niet aflatende verzorging door zijn "djongos" die op een matje voor zijn bed sliep. Dagen heeft hij liggen ijlen en zijn hart heeft door de ziekte zeer geleden. Zulke jonge vrijgezellen zochten vaak contact en gezelligheid bij jonggehuwden en zo bezocht mijn vader geregeld de fam. de Stoppelaar. Mevrouwtje de Stoppelaar - s'Jacob, grootmoeder van Florentien v.S. te R'dam, deed in die dagen aan spiritisme en mijn vader woonde menige seance bij. Bekende persoonlijkheden “kwamen door”, zoals Koningin Victoria, toen nog niet zo lang geleden overleden. Nadat er op een nacht een tafeltje in zijn slaapkamer ging kloppen was hij zo van zijn stuk, dat hij op hield met het spiritisme. Op het huwelijk van Florentien en Leo sprak ik met Mevr. de Stoppelaar daar nog over. Gelachen !!!
Later ging mijn vader naar Melambong in de Vorstenlanden (Midden-Java) een koffie- en theeland later ook kina. Na de dood van mijn grootvader kwam mijn grootmoeder naar Melambong. Op een slechte dag viel ze en brak haar heup. Voor de naverpleging zocht mijn vader een verpleegster-gezelschapsdame.
Mijn moeder heeft geen prettige jeugd gehad als oudste dochter van een gezin van 9 kinderen en een tiran als vader. Ze trok er vroeg op uit zoals ze later allemaal deden. Ze werd leerlingverpleegster op de Prinsengracht te A'dam. Het beroep kon ze niet volhouden en ze schreef op een advertentie van een zekere Pijnacker Hordijk die een verpleegster voor zijn dochtertje uit zijn eerste huwelijk zocht, die een open halsje had na diphterie. Ze kwam overeen voor 3 jaar mee te gaan. Na 3 jaar kon mijn moeder niet schriftelijk bewijzen dat hij de terugreis naar Holland zou betalen. Zij zocht dus werk op Java en kwam aldus op Melambong aan. Zo ontmoetten mijn ouders elkaar. Na hun huwelijk in 1915 vertrok mijn grootmoeder naar Frits.
Na vijftien tropenjaren was mijn vader wel aan een verlof toe. Ze vertrokken en het gevolg was dat ik het levenslicht in Holland mocht aanschouwen. 6 weken oud voer ik alweer met mijn ouders naar Java. Tengevolge van de W.O. I voeren zij om Schotland, Ierland en de Kaap Goede Hoop, 56 dagen lang.
Mijn moeder had plezier in het buitenleven op een plantage met een prachtig bergklimaat. Zij liet een stier komen uit Friesland om beter vee te fokken. Er kwam een centrifuge en ze bereidde zelf boter. Verschillende soorten kippen waren er en een broedmachine. Ze wekte groente uit de tuin en droogde vanillestokjes. Ze was een goede propagandiste voor de thee en koffie die ze zelfs in Wassenaar nog zelf brandde. Gelukkig voor haar hield ze niet van het uitgaansleven en mijn vader ging nog 1 x per week kegelen in de soos te Salatiga met de garnizoensofficieren. Soms echter waren er verplichtingen die nagekomen moesten worden. Melambong lag in het vorstenland Soerakata en menigmaal moesten mijn ouders naar de kraton te Solo wanneer daar b.v. een prinselijk huwelijksfeest plaats vond. Zij moesten dan in avondkleding en jaquet naar de hitte in Solo. Zo herinner ik me dat de Soesoehoenan met 70 vrouwen op bezoek kwam. Hij wilde de nieuwe waterleiding bezichtigen die mijn vader vanaf een bron op de berg had laten aanleggen. Wij hoefden toen het drinkwatrer niet meer van te voren te koken.
Vele familieleden en vrienden kwamen een “koude neus” bij ons halen. Ik weet nog goed de bezoeken van mijn oudoom Rudolf v.S. (1855 - 1933), Onno (vS 1892 - 1982) en verschillende broers en zusters van mijn moeder, familieleden Losecaat Vermeer etc. Mijn zusje Kiek (Fréderique 1920 - 1968) en ik hebben een heerlijke vrije jeugd gehad.
Op 6-jarige leeftijd werd ik in huis gedaan bij een dame die meer kinderen in huis had om de school te kunnen bezoeken. Pas later toen mijn vader een tweede auto had werden wij met andere ondernemingskinderen naar school gereden.
Mijn vader deed alles om de onderneming te moderniseren. Er kwamen twee duitse ingenieurs die een nieuwe theefabriek en een kabelbaan, waar langs de theezakken van de hoger gelegen hellingen werden getransporteerd, bouwden. Een fotoreportage door mijn vader geeft er een duidelijk beeld van (copie in familiearchief).
Heerlijk waren de bootreizen van en naar Indië. Tijdens het verlof in 1925 werd ik in huis gedaan bij een oom van mij te Zwolle. Bij mij in de klas zat Miesje Kalff die tijdens onze vacantie te Terborg overleed na een blindedarmoperatie. Wat een consternatie en verdriet!!
Enige jaren later werd mijn vader tijdens een wandeling in de koffietuinen onwel. Helaas kwam hij geen Javaan tegen om hulp te halen en hij sleepte zich naar huis. De onderneming begon nu juist goede winst te maken en kon behoorlijke tantièmes geven. Het was de bedoeling nog een paar jaren goed te sparen alvorens voor goed naar Holland te gaan. Doch de doktoren raadden aan eerder te repatriëren. Mijn vader was zeer bescheiden, goeiig en geen goede financier. De voorwaarden die hij accepteerde van de Mij. bij zijn vertrek waren onder de maat. Hij kon moeilijk weigeren als iemand geld wilde lenen. Kiek en ik hebben later menige schuldbekentenis gevonden, waarop hij zelf had geschreven “Waardeloos”. Mijn ouders vestigden zich te Wassenaar en Kiek en ik bezochten scholen te Leiden. Er heerste een harmonieuze sfeer in ons gezin. Ik geloof dat naar buiten toe de indruk werd gewekt dat mijn moeder de boventoon voerde, doch wij wisten wel beter. Een week voor de Duitse inval in 1940 overleed mijn vader door een hartaanval. Hij had die inval trouwens wel voorspeld.
Het is merkwaardig dat Kiek en ik die uit een goed huwelijk voortkwamen, zelf daar niet gelukkig in zijn geweest.
Mijn moeder was muzikaal en speelde piano, maar verder was ons gezin van elke artisticiteit ontbloot. Daarom zal de man die ik trouwde (Johannes van den Ende 1907 – 1988) mij wel getrokken hebben. Op het onrealistische gedrag ben ik tenslotte stuk gelopen. Ik acht mij gelukkig dat er een innige band tussen mij en mijn kinderen en ook onderling, heerst.
Vrijzinnig en liberaal opgevoed probeer ik met mijn tijd mee te gaan en de hedendaagse opvattingen en maatschappelijke veranderingen als een ontwikkeling van de geschiedenis te aanvaarden.
Frédérique of wel mijn zuster Kiek was een zeer gesloten persoonlijkheid en een knappe vrouw. Ze was muzikaal en ging door voor de pianostudie. Ze trouwde een buurjongen (v.d.Hoeven) (Gijsbert Leonard 1917 - ????) waarschijnlijk uit een soort trouw daar ze hem al van haar vijftiende jaar kende. Beschermd als we waren opgevoed beleefde ze tijdens de oorlogsjaren in België allerlei avonturen, ook in de Maquis, waardoor haar huwelijk stuk liep. Met Dikkers (Adolf Arend Azuerus 1919 - 1999) uit Twente vertrok ze naar Calcutta. Hij werd door Philips uitgezonden. Ook dit huwelijk liep fout. Ze zocht echter altijd de fout bij haar zelf.
Kiek had geen mensenkennis. Echte slechte mensen bestonden er niet behalve Hitler. Als ze haar hoofd weer eens gestoten had kon ze dat moeilijk toegeven. Na de dood van mijn moeder vestigde zij zich in Wassenaar in ons ouderlijk huis (Prinsenweg) tezamen met haar derde echtgenoot de Engelsman Mounter (Francis Walter 1913 - ????). Een buitengewoon geestig en onderhoudend causeur maar iemand ook zonder mensenkennis, een slecht zakenman en financier. Ik geloof dat in die zeven jaar dat zij er gewoond hebben, er vijf maal weer een firma werd opgericht. Iemand met een zwak karakter, die wel dol was op Kiek en die nadat zich haar ziekte (kanker) openbaarde, haar verpleegd heeft op een manier die een verpleegster hem niet had kunnen verbeteren. Kiek is op tijd gestorven. Zij had haar liefde, gezondheid en geld gegeven en is voor nieuwe ontgoochelingen bespaard gebleven.
Mijn oudste zoon zei even voor Kiek's begrafenis: “Tante Kiek heeft niet veel geluk gekend, hè Mam?” Toch geloof ik dat zij zelf het niet zo zag. Zij heeft uiteindelijk haar leven en dood geaccepteerd.
Constance v.S.
Den Haag, juli 1977
