Van Sandick Archief
Chinezenprobleem Buiten China
Omdat ik een kleinzoon ben van een lid van de Raad van Indië trok het artikel van Willem van Kemenade “Chinezenprobleem Indonesië deels door Nederlands beleid” mijn aandacht. Mijn grootvader had zich immers sterk geïnteresseerd voor de aanwezigheid van Chinezen in Indië. Toen hij nog controleur bij het Binnenlandsch bestuur op de bezittingen buiten Java en Madoera was schreef hij “Chineezen buiten China”. Dit boek was de uitwerking van een voordracht welke hij had gehouden onder de titel “Het Chineezenvraagstuk in Nederlandsch-Indië”. Ik zou mij tot het lezen van Van Kemenade's artikel beperkt hebben zonder naar de pen te grijpen ware het niet dat deze kop bij dit artikel een drang tot tegenspraak, waaraan ik lang weerstand heb geboden, deed losbarsten.
Waarom toch moet "het Chinezenprobleem" nu ook weer toegevoegd worden aan de vele zelfverwijten die de Hollanders zich maken ten aanzien van Indonesië? Mij ontbreekt de kennis om zelf te beoordelen of er thans een chinezenprobleem in Indonesië bestaat. Mijn indruk is dat in ieder geval een aantal chinezen vooraanstaande posities in de Indonesische maatschappij bekleden, daarin hoog gewaardeerd worden en zich thuis voelen.
Maar ik wil iets zeggen over de toevoeging "deels door Nederlands beleid". Hollanders hebben aandacht aan het chinezenprobleem in het toenmalige Nederlandsch-Indië gegeven. De meningen over de wijze waarop het beleid gevoerd moest worden liepen nogal eens uiteen. Bovendien was de situatie niet overal dezelfde: de positie van de chinezen op Java en Madoera verschilde van die elders in de Archipel.
Het is zeer wel mogelijk dat achteraf geconstateerd moet worden dat het beleid dat uit die verschillende inzichten tenslotte werd gevormd - en dat ook wel eens verschillende accenten gehad zal hebben - niet in alle opzichten geslaagd genoemd kan worden. Er zullen wel fouten bij dit beleid zijn gemaakt zoals bij menig ander beleid van de Hollanders in Indonesië. In het verleden is ook in Holland menigmaal een beleid gevoerd dat achteraf beschouwd minder gelukkig genoemd moet worden. Maar welke zin heeft het nu deze kop aan dit artikel mee te geven?
Mijn indruk is dat die kop werd geboren uit een instelling waaraan ik mij al zo vaak ergerde: "wij Hollanders moeten ons verschrikkelijk schamen voor de onmetelijke schade die wij in Indonesië hebben aangericht".
Zelfkritiek kan mooi zijn, maar niet wanneer zij berust op de ondertoon "ziet eens hoe eerlijk ik voor mijn fouten uitkom; wat ben ik toch goed". Kritiek krijgt eerst waarde - en vooral zelfkritiek ook waardigheid - wanneer het niet blijft bij het signaleren van de oorzaak van een probleem, maar vervolgens ook, 'lering trekkend uit gemaakte fouten, een oplossing wordt voorgesteld en een poging wordt gedaan het in de toekomst anders - hopelijk beter - te doen. Dat mis ik maar al te vaak in artikelen waarin de zelfkritiek van de Hollanders ten aanzien van Indonesië wordt uitgesproken.
Wij mogen ons er best eens rekenschap van geven hoeveel goeds de Hollanders in Nederlandsch-Indië hebben gedaan. Ook daarvan zijn nu nog sporen te vinden; belangrijke aanknopingspunten waar in positieve zin op voortgebouwd kan worden.
"Chineezen buiten China" wordt ingeleid met een onderzoek naar de oorzaken van de emigratie van chinezen. Emigratie wordt als een verwonderlijk verschijnsel gezien en het boek vangt aan met de zin: "De liefde voor zijn land is een ieder aangeboren". Het viel buiten het thema van dat boek om er bij stil te staan, maar was het niet zo dat vele Hollanders een warme liefde voor Indië koesterden en daaraan hun beste krachten hebben gegeven? En is het niet zo dat nog steeds velen in Holland diezelfde gevoelens koesteren?
Van de Nederlander die in 1980 naar Indonesië gaat kan meer begrip en liefde voor land en volk verwacht worden dan van welke andere vreemdeling ook. De verhoudingen zijn natuurlijk fundamenteel veranderd. Degene die daar geen open oog voor heeft, kan beter thuisblijven. Bovendien zal de Nederlander die nu naar Jakarta gaat moeten weten dat van hem wordt verwacht dat hij kennis en ervaring, al dan niet voortbouwend op het werk dat Hollanders vroeger in Batavia deden, moet doorgeven aan Indonesiërs. Indonesië is een zelfstandig land. Bij iedere overdracht van kennis en ervaring past respect en genegenheid. Daarbij zijn geduld en bereidheid tot wederzijds luisteren nodig. Maar dat kan. Probeert niet iedere ouder - ook bij een bijna of net meerderjarig kind - op kleine schaal hetzelfde te doen?
Kennis van het verleden en een oprechte wil om verder te bouwen op het goede daarvan is hier volop aanwezig. Indonesië is een schitterend land, rijk aan bodemschatten. De Nederlander die nu nog een steentje bij mag dragen aan de ontwikkeling van dit land zal dankbaar zijn voor die gelegenheid. Ik hoop dat wij verder bespaard zullen blijven voor zelfkritiek zoals ik die hierboven aan de kaak stelde. Laat ons niet te veel op die wijze terugblikken noch - de ogen sluitend voor de gemaakte fouten - ons te veel op de borst slaan met "daar wérd wat groots verricht". Waar het om gaat is dat er wat groots verricht wórdt en laten wij blij zijn als wij daarbij mogen zijn.
L.H.W. van Sandick,
Rotterdam.
