Afscheidswoord als hoofdredacteur

door
ir. R. A. van Sandick.

In het laatste nummer van De Ingenieur, waarvan ik gedurende 31 jaar, als verantwoordelijk hoofdredacteur, de leiding had, is het mij een behoefte een kort woord te richten tot lezers en medewerkers.

De fusie van het Kon. Instituut van Ingenieurs met de Nederlandsche Vereniging van Werktuig- en Scheepsbouwkundigen en met die voor Electrotechniek in 1899 had tot gevolg de stichting van 2 vakafdeelingen in het Instituut op ingenieursgebieden, die tot dusverre niet rechtstreeks tot den werkkring van het Kon. Instituut van Ingenieurs hadden behoord. Het Instituut werd daardoor veelzijdiger. En het slaagde er in de uitgave van De Ingenieur, sedert 1886 in het licht gegeven door de Vereeniging van Burgerlijke (nu Delftsche) Ingenieurs van haar over te nemen. Ik werd door beide vereenigingen aangewezen als hoofdredacteur, als opvolger van jhr. ir. J. van Heurn. In mijn openingswoord, in jaargang 1900, deed ik een beroep op de samenwerking, aangeduid als „het tooverwoord der aanstaande eeuw".

Dit tooverwoord heb ik steeds in mijn hart gedragen. En als ik iets bereikt heb, heeft dat tooverwoord voor mij de bronnen aangeboord, die zijn opgeweld.

Een omstandigheid kwam daarbij ter hulp. In Mei 1899 verscheen het eerste nummer van een nieuw tijdschrift, naar buitenlandschen trant ingericht: Veenstra's Technisch Weekblad, onder redactie van drie zeer jonge, maar enthousiaste ingenieurs: ir. W.H.M. de Gelder, scheepsbouwk. ing., ir. Wouter Cool, ing. bij de Gemeente Rotterdam en jhr. ir. C. E. W. van Panhuys, ing. van den Waterstaat. Dat blad heeft ons tot voorbeeld gediend. Nadat het 1/2 jaar bestaan had, trok de Gelder zich terug. Ik slaagde er in hem als vasten medewerker aan ons blad to verbinden. Het weekblad gaf na een kortstondig bestaan van slechts een jaar den geest. De twee overgebleven redacteuren lichtten in een afscheidswoord den doorzichtigen sluier op, die hun gelaat omhulde. Cool schreef onder den schuilnaam Loco, en beide redacteuren gezamenlijk onder den pseudoniem Duo. Maar ik had het geluk hen te kunnen overhalen mijn medewerkers te worden. Van Panhuys had juist een voordracht gehouden over het Emms-Dortmund-kanaal en de haven van Emden in het Instituut, een heele praestatie, want zelfs in Duitschland was nog nimmer iets over die havenwerken verschenen. Nu werd deze voordracht door het Instituut natuurlijk niet in De Ingenieur, maar in het Tijdschrift (Notulen) gepubliceerd. Maar dat was toch aanleiding, dat al spoedig De Ingenieur ook de publicatie van de Instituutsvoordrachten kreeg en de Afdeelingen volgden dien weg, hetgeen aan de degelijkheid van den inhoud ten goede kwam.

Cool begon zijn medewerkersschap op den dag, dat ik het laatste nummer van den eersten jaargang van Veenstra's Weekblad weemoedig in De Ingenieur uitluidde, met het eerste nummer van zijn serie Brieven uit Parijs (het was toen juist aldaar Wereldtentoonstelling).

En nu is het toch merkwaardig, dat meer dan 30 jaar later Wouter Cool mij opvolgt als leider van De Ingenieur, waarin ik zijn eerste artikelen in 1900 met zooveel sympathie mocht begroeten. En Van Panhuys is steeds niet slechts een zeer gewaardeerd medewerker gebleven, maar hij heeft, sedert 1922, als lid der Commissie van Toezicht op De Ingenieur, vertegenwoordiger in de Commissie van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, den hoofdredacteur steeds ter zijde gestaan.

Tegelijk met mijn optreden als hoofdredacteur, werd de toen kersversche hoogleeraar in de werktuigbouwkunde, ir. J. C. Dijxhoorn, als vertegenwoordiger van den Raad van Bestuur der Polytechnische School, als lid van de Commissie van Redactie (later van Toezicht) benoemd en toen de P. S. werd tot T. H., vertegenwoordigde hij den Senaat der T. H. in die commissie en trad sedert 1922 als haar voorzitter op. Drie jaar geleden wilde hij zich niet meer herkiesbaar stellen. Maar ik ben er trotsch op, dat ik hem heb kunnen overhalen , om een herbenoeming aan te nemen en niet vóór mijn aftreden als hoofdredacteur zijn taak neer te leggen.

Zijn arbeid in de Commissie gedurende 31 jaar is de aanleiding geweest, dat hij eergisteren in de Instituutsvergadering te Delft is benoemd tot eerelid van het Instituut.

De Commissie van Toezicht is in die 31 jaar betrekkelijk stabiel geweest. De eerste voorzitter was ir. W. F. Leemans, die in 1916 als zoodanig werd opgevolgd door den secretaris, E. H. Stieltjes, den eersten hoofdredacteur van De Ingenieur van 1886-1892.

De tegenwoordige secretaris van de commissie, dr. ir. G. W. van Heukelom, is, sedert 1916, de vertegenwoordiger van het Instituut in de commissie. Aan hem mijn dank voor de nog steeds betoonde welwillendheid en steun in moeilijke gevallen.

Bij mijn optreden als hoofdredacteur stond ik geheel alleen met één uitzondering. J. F. van der Vlis, die van de oprichting in 1886 als vaste medewerker werkzaam was, is ook thans nog aan de redactie verbonden. Hij heeft alle jaarregisters en de vier tienjarige registers vervaardigd en is bezig met de voorbereiding van het 5de 10-jarig register, dat in 1936 het licht zal zien.

Als plaatsvervangend hoofdredacteur herdenk ik hier met eerbied C. J. Hudig, die van 1901 tot 1927 zooveel arbeid heeft verricht, en tot zijn 80ste jaar in functie bleef. Na zijn uittreden heb ik de Redactie weer eenige maanden alleen gevoerd met behulp van Van der Vlis tot ik sedert 1927, werd bijgestaan door een jongere kracht, ir. H. Sangster. In 1928 kwam een belangrijke wijziging tot stand. De firma F. J. Belinfante v/h. A. D. Schinkel, die het blad vanaf 1886 had uitgegeven en met wiens chef, ir. H. J. Belinfante, ik in onafgebroken sympathie had samengewerkt, werd als uitgever vervangen door de N.V. A. Oosthoek's Uitgevers Maatschappij te Utrecht. Het formaat werd verkleind, scilicet, genormaliseerd en het blad werd, eenigszins een voorbeeld nemende aan het Zweedsche Teknisk Tidskrift, het periodiek van Svenska Teknologföreningen, gesplitst in een Algemeen Gedeelte (A), dat elke week verschijnt en in 6 Afdeelingen, ingedeeld naar de hoofdvakken der ingenieursstudie, met uitzondering van de technische scheikunde, die, zoowel in het Instituut als in de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, betrekkelijk schaars vertegenwoordigd is. De scheikundige ingenieurs in Nederland schijnen zich meer chemici dan ingenieurs te gevoelen en zijn over 't algemeen aangesloten bij de Ned. Chemische vereeniging.

Deze belangrijke wijziging in de uitgave van De Ingenieur is, mijn inziens, een groot succes geworden. De doorvoering van het, oorspronkelijk door mij geopperde, denkbeeld der differentiatie is tot stand gebracht door ir. Sangster, die daarvoor den dank der geheele ingenieurswereld verdient.

Voor elke Afdeeling wordt de redactie bijgestaan door vaste medewerkers, die onder andere de rubriek „Korte Technische Berichten" verzorgen.

In den loop der tientallen van jaren heeft de Redactie geregeld een beroep moeten doen op deskundigen, voor het uitbrengen van een advies omtrent al of niet wenschelijkheid van opname, al of niet met wijzigingen, van aangeboden bijdragen. Hun namen blijven gewoonlijk geheim. Maar zij, die dit lezen en tot deze categorie behooren, mogen overtuigd zijn van de groote diensten, die zij aan de Redactie bewezen.

Het personeel van het Instituut, dat aan het administratieve deel van den arbeid medewerkt, wijlen P. L. A. Mondt, die met Van der Vlis tezamen zooveel correctiewerk heeft verricht, Mej. M. Visser, mej. W. Kuiper, mej. H. Hogevorst, W. J. van Kreuningen, sedert 1901 secure expediteur en H. J. Scholten, kan ik niet met stilzwijgen voorbij gaan. Ook mej. M. van Erpecum, de rechterhand van ir. Sangster, onvermoeide werkster, die haar talen zoo beheerscht, en den stijl helpt kuischen, verdient waardeering.

Persoonlijk heb ik voor het stellen van artikelen nimmer tevergeefs een beroep gedaan op mijn trouwe medewerkster, mej. C. Ch. G. Burck, hoofdcommies bij het Kon. Instituut van Ingenieurs, zonder wie ik de redactie moeilijk had kunnen blijven waarnemen.

En nu den lezer heil! en mijn goeden vriend Wouter Cool, hartelijk gelukgewenscht met mijn opvolging, die ik aan niemand liever zou zien toevertrouwd.

Bij de wisseling van Hoofdredacteur. Aan Rudolf Adriaan van Sandick,

civiel ingenieur
honorair-adviseur en eerelid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs

Geboren 6 December 1855 te Terborg (gem. Wisch; Gelderland).

Foto Polygoon, Haarlem

 

De fakkellooper heeft zijn licht overgegeven, aan mij is de taak de vlam brandende te houden.

Ik doe zulks gaarne, doch wensch eerst een blik te werpen op hem, die mij de fakkel reikte. Het woord, dat ik daarbij spreek, zal naar den eisch van den huidigen tijd en volgens Van Sandick's verzoek, sober wezen, trouwens er zijn van die oogenblikken, dat bijna elke uiting te veel is en men zou willen volstaan met een simpelen handdruk en een verder zijn eigen weg gaan.

Doch thans mag dit niet; alle lezers van De Ingenieur, wier tolk ik heden ben, zijn U dankbaar voor wat ge in 31 jaar van dit blad "gemaakt" hebt, en hun gevoel van erkentelijkheid dwingt tot getuigen.

Het was op 6 Januari 1900, Ge herinnert er zelve aan in Uw hartelijk "Afscheidswoord als hoofdredacteur" 1), 1) De Ingenieur 1931, n°. 52, blz. A 537.
2) De Ingenieur 1900, n°. 1, blz. 1.
dat Ge, onder het opschrift: "Samenwerking" 2), Uw redactioneele loopbaan opendet.

Gij schreeft toen o. a.:

"Wij willen den weg van evolutie, niet van revolutie inslaan. Voortbouwen willen wij op de fundeering, die de achtereenvolgende redactie van E. H. Stieltjes en J. van Heurn zoo alleszins stevig gelegd heeft.

"Wij weten het en wij zijn er trotsch op: men heeft groote verwachtingen van dit blad.

"Eischen, die we niet onbereikbaar achten, wier verwezenlijking echter slechts kans heeft door toepassing van het tooverwoord van de aanstaande eeuw: samenwerking."

"Toch is één koudwaterstraal noodig. Men verwachte niet alles op eens en men wachte zich voor het schaap met vijf pooten. De jacht op dat monstrum heeft reeds menig slachtoffer gemaakt; wij wenschen het aantal van die slachtoffers niet te vergrooten."

Gij noemdet bovendien als Uw program artikel 2 van "onze Grondwet", t. w.:

"De vrije uiting van gedachten te bevorderen over alle onderwerpen, die de technische wetenschappen, zoomede de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid en de maatschappelijke belangen der technici raken."

Hoe hebt gij het plan, in 1900 ontwikkeld, vervuld en langs welke banen De Ingenieur geleid?

Het antwoord werd een kwarteeuw later vastgelegd 3), 3) De Ingenieur 1923 n°. 17 en no. 18 en 1925, n°. 1. primo door den, zoo wars van vleierij zijnden, sympathieken oud-President van het Instituut, prof, ir. S. G. Everts in de volgende omschrijving:

"Zijn veelzijdige kennis, zijn helder verstand, een gelukkige gave om den aard en de beteekenis van moeilijke gevallen of van geschillen te doorzien en op te lossen, zijn beminnelijke persoonlijkheid, die verschil van meening waardeert, zonder eigen meening prijs te geven, zijn voor een belangrijk deel oorzaak van het succes van het weekblad De Ingenieur.

Een tweede getuigenis leverde het met U gelijktijdig opgetreden en, na tientallen jaren, vertrekkend lid, en voorzitter, der Commissie van Toezicht, prof. ir. J. C. Dijxhoorn, toen deze boekstaafde:

"De som van arbeid, welken hij in deze kwarteeuw voor ons weekblad heeft verricht door de artikelen van zijn welversneden pen over de meest uiteenloopende onderwerpen en door de wijze, waarop hij heeft nagestreefd de verschillende richtingen, waarin de zich zoo snel ontwikkelende ingenieurswetenschappen steeds meer hebben gedifferentieerd, tot haar recht te laten komen, heb ik, als lid van de Commissie van Toezicht, gedurende dit tijdsverloop ten volle leeren waardeeren."

".... De Ingenieur is een blad van gezag geworden, niet alleen in het binnenland, maar ook onder vooraanstaande technici in het buitenland, ondanks de bezwaren, die onze taal uit den aard der zaak voor hen oplevert."

"Dat dit bereikt is geworden, danken wij in de eerste plaats aan Van Sandick."

Deze zinsneden werden onlangs herhaald, toen prof. ir. Dijxhoorn en ir. Van Sandick afscheid namen van de Commissie van Toezicht en de beide andere leden dr. ir. G. W. van Heukelom en jhr. ir. C. E. W. van Panhuijs in niet minder waardeerende woorden hun vriendschap en hoogachting voor beide heengaanden deden blijken.

Het Instituut heeft, als geheel genomen, zijn eerbied voor uw arbeid, waarvan het Hoofdredacteur-deel zeker niet het minste was, meerdere malen betoogd en dit in concreten vorm gebracht door de aanbieding van het „eere-lid"maatschap in 1923 en in zijn jongste samenkomst te Delft door de benoeming tot „honorair-adviseur", een functie, voegde president ir. Damme typeerend er aan toe, welke het Reglement niet kent, doch waaraan men voor U behoefte gevoelde.

De band, die door uw aftreden geslaakt zou worden, blijft nu gelukkig bevestigd en velen vleien zich met de hoop nog jaren lang een beroep op uw uit nemende voorlichting en uw stalen geheugen te mogen doen, wetend, dat gij antwoorden zult met de rijpe en schoone wijsheid, die gave is van uw leeftijd en van uw karakter, verblijd door uw opgewekten aard, die het immer een genoegen doet wezen naar u te luisteren in vroolijke en in zorgelijke omstandigheden.

Talloozen, ouderen en jongeren, zijn tot U gekomen met hun vragen en met hun nooden, zij bewaren U onverflauwd in de "ongeschreven boeken der herinnering."

Zoo ook zal Uw opvolger zich menigmaal tot zijn "vaderlijken vriend" wenden, niet alleen om Uw geesteskinderen plaatsruimte in deze kolommen aan te bieden, maar tevens om raadgeving, ten einde te trachten de veeleischende taak, die op hem is komen te rusten, naar behooren te vervullen.

Hij zal hierin vaak, bij U vergeleken, achterblijven.

Ik denk bijvoorbeeld aan de bewonderenswaardige, ja onnavolgbare wijze, waarop ge de collega's, die henengingen, een onverwelkbaren herinneringskrans weet te vlechten. Ik denk aan nog zooveel andere zaken, waardoor Ge allerwege geworden zijt een geziene figuur, mede in internationale kringen.

Ik denk aan ... doch volg ik verder dezen weg dan zou mijn groet een te ruimen omvang verkrijgen. Bovendien zal Uw a. s. afscheidsreceptie op 2 Januari aan wijden kring gelegenheid schenken Uw verdiensten en vriendschap in haar groote waarde te loven.

 

Ik wend mij thans tot de:

a. Commissie van Toezicht,

die ik de verzekering geef, dat ik, in overleg met haar, er naar zal streven, den inhoud van De Ingenieur in overeenstemming te doen wezen met de wijze, waarop de leden van het College persoonlijk de technische wetenschappen dienen;

b. Lezers van De Ingenieur,

De aanvang van het nieuwe jaar 1932, waarin U voor Uw werk en voor degenen, die U dierbaar zijn, het beste wordt gewenscht, brengt mede mijn verantwoordelijkheid voor den inhoud van dit, ons, weekblad.

Ik noem uitdrukkelijk, het bezittelijk voornaamwoord, wijl ik vertrouw, dat U allen wilt wezen "medewerkers" aan het onderwerpelijk orgaan, niet alleen door Uw belangstelling te schenken en den inhoud regelmatig te volgen, doch ook door eventueel ongevraagd, Uw bijstand te leveren met woord, daad, raadgeving en advertentie.

Het spreekt vanzelf, dat ik in den geest van ir. Van Sandick zal voortgaan en dat ik te goeder tijd daaraan ook een eigen persoonlijk element hoop te kunnen toevoegen.

Ter zake wil ik echter geen programma ontvouwen, de uitoefening van mijn werk zal mij moeten leeren in hoeverre wenschen en verlangens practisch te vervullen zijn, in hoeverre de ongunst der tijden op het redactioneele gedeelte haar invloed zal uitoefenen en in hoeverre in ons land, hier en over zee, samengevoegd kan worden, wat bij elkaar behoort en nu te veel verspreid is.

 

Voorts reik ik gaarne de vriendschapshand naar mijn Collega's in de technische en gewone Pers van Binnen- en Buitenland.

Ik moge eindigen met te verklaren, dat ik mij van het „Noblesse oblige" als Hoofdredacteur van De Ingenieur ten volle bewust ben en mij dien overeenkomstig wensch te gedragen.

Ir. R. A. VAN SANDICK's afscheid

op 2 Januari 1932.

Het was geen afscheid.

Het was een optrekken van de leden eener zelfde groote technische familie, gekomen van dichtbij en van heinde en verre om een der stamvaders hulde te brengen en te eeren.

Er waarde geen weemoed, maar er heerschte vreugde in de harten der aanwezigen, omdat Van Sandick zoo gezond was, zoo opgeruimd, zoo geestig, zoo eenvoudig, zoo onvermoeid op dreef, en er was ook groot geluk in het hart van den ontvangende zelf, dit bleek telkenmale.

Om half drie werd de deur van het monumentale huis, 23 Prinsessegracht, opengezet en ononderbroken stroomden de bezoekers, sommigen met hun dames, binnen.

Uren hield de stoet aan.

Wat al remarkabele figuren traden in de rij, van iederen leeftijd, van onderscheiden posities, allen saamhoorig door hun sympathie voor Hem, die daar met zijn Echtgenoote, kinderen, behuwdkinderen, andere verwanten plaats genomen had in de groote zaal, temidden van groen en bloemen, omringd door de leden van den Raad van Bestuur, van het Bestuur der Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, van Curatoren en van den Rector-Magnificus en Secretaris der Technische Hooge School te Delft, van de Eereleden van het Instituut, van de leden der Commissie van Toezicht op de Redactie van De Ingenieur en tal van andere deputaties als van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, van den Verein deutscher Ingenieure, van de Vereeniging van Indische Waterstaatsingenieurs, van de Vereeniging het Wegencongres, van de A.N.W.B., van de Vereeniging het Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres, van den Raad van Toezicht voor Gemachtigden in Octrooi-aangelegenheden,

van de Hoofdredactie van De Indische Gids, van de Nederlandsche Vereeniging voor Woordkunst, enz., enz.

Op tafels ter zijde werden brieven, telegrammen, huldeadressen, bloemstukken en geschenken opgetast uit vele landen ter wereld, van zusterorganisaties en van persoonlijke vrienden.

Toen dit alles bekroond was door de zoo hooggeschatte komst van den Beschermheer van het Instituut, Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden, vergezeld door zijn Adjudant, den Luitenant t.z. 1e kl. J. W. Termijtelen, ving de president ir. M. H. Damme aan met zijn gloedvolle, voor de vuist uitgesproken rede, welke als volgt kan worden weergegeven:

De aanleiding, welke de aanwezigen hier samenbrengt en mij het woord doet richten tot ir. Van Sandick, is, dank zij de beslissing, welke in de laatste algemeene vergadering is genomen. en het gevolg, dat ir. Van Sandick daaraan wil geven, niet een afscheid. Het gaat hier ook niet om een jubileum in levens- of dienstjaren, maar toch gevoelen allen, dat een drempel wordt overschreden, welke, als hij gepasseerd wordt, iets doet afsluiten, iets van zoo groote beteekenis, dat zulk afsluiten niet mag worden tegemoet gegaan zonder daarbij een wijle te toeven.

Ir. Van Sandick worde dank gezegd voor het feit, dat hij, hoewel het voor hem in zekeren in een opoffering is, de gelegenheid schenkt nog eens mét hem een terugblik te werpen. Het is een drempel zeide ik zooeven en als men dien overgaat, sluit men iets af. Men zou het ook kunnen noemen een mijlpaal in het leven van ir. Van Sandick en in de geschiedenis van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Als er straks weer iemand is - hetgeen ongetwijfeld het geval zal zijn - die, gelijk ir. Van Sandick dat met vaardige pen heeft gedaan, de lotgevallen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs bij een volgend jubileum verhaalt, zal hij bij het aanwijzen van mijlpalen, zooals ir. Van Sandick die vroeger zelf heeft vermeld, zeer zeker ook den dag van heden noemen.

Eergisteren heeft ir. Van Sandick de beide belangrijke functies van Algemeen Secretaris en van Hoofdredacteur van De Ingenieur, neergelegd en op zich genomen de eenigszins bescheiden, doch niet minder eervolle functie van Honorair-Adviseur. Dit feit is van bijzondere beteekenis, niet alleen voor ir. Van Sandick, maar ook voor het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Het doet mij genoegen hierbij op den voorgrond te kunnen stellen, dat allen bij deze Corporatie betrokkenen het belangrijke van deze gebeurtenis beseffen en de behoefte hebben gevoeld om, voor zoover het hun mogelijk was, daarvan te doen blijken.

Een buitengewoon voorrecht is het mij onder die "allen" te mogen noemen de Beschermvrouwe van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, Hare Majesteit de Koningin, die Haar handteekening heeft willen beschikbaar stellen en daardoor de herinnering aan dezen dag heeft willen bevestigen op een wijze, welke straks nog nader zal worden aangeduid.

Dezelfde hulde danken wij aan den Beschermheer van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik der Nederlanden, die het Instituut bovendien bevoordeelt door hier tegenwoordig te zijn en aldus relief geeft aan dit gebeuren en aan dezen dag. Onze hartelijke dank worde daarvoor gesproken.

Men kan zonder overdrijving verklaren, dat allen, die deel uitmaken van het Instituut, dezen dag zullen gedenken. Verschillende leden van het Instituut - er zijn er, die zich op grooten afstand bevinden, en er zijn er, die De Ingenieur niet geregeld kunnen volgen - weten misschien niet wie tegenwoordig hun president is en uit welke leden de Raad van Bestuur bestaat, maar er is geen één lid, waar deze ook toeft, die niet weet, dat ir. Van Sandick met de waardigheid van Algemeen Secretaris van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs belast is en dat heden voor hem aan de vervulling van die functie een einde komt.

Ir. Van Sandick is, als men het zoo noemen mag, inderdaad de plaats geweest, waar het hart van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs klopte, vanwaar de polsslag van het Instituut uitging, op een wijze, waarvoor alle leden hoog respect hebben en waarvan zij allen den gunstigen invloed hebben ondervonden.

Ir. Van Sandick heeft vele jaren den post van Algemeen Secretaris bekleed; men zou kunnen zeggen, dat van de 84 jaren, dat het Instituut bestaat, er 32 komen voor zijn rekening, een rekening intusschen, welke allerminst met een nadeelig slot sluit, maar integendeel een groot overschot toont.

In de vele voorbijgegane jaren zijn er van tijd tot tijd oogenblikken geweest, waarop men zich rekenschap heeft gegeven van het vele, dat door den Algemeen Secretaris verricht werd, en waarop men blijk heeft gegeven van de groote waardeering, welke men voor hem koesterde. Dit is o.a. geschied, toen ir. Van Sandick zijn zilveren ambtsfeest herdacht. De president van dien tijd heeft in een desbetreffende rede gezegd, dat hij niet voldoenden tijd had om alles te vermelden wat belangrijk was in den levensloop van den jubilaris en daarom slechts het voornaamste wilde naar voren brengen. Men heeft toen de groote verdiensten van ir. Van Sandick in vasten vorm gegoten, door hem te benoemen tot eerelid van het Instituut.

Velen zullen zich dit herinneren en zullen weten wat er aan toegevoegd is, toen ir. Van Sandick zijn 70sten verjaardag vierde. Ook toen is gebleken welken grooten eerbied men hem toedroeg.

Op dit oogenblik is er uiteraard geen tijd op een en ander verder in te gaan en zoo moet ik mij bepalen tot het noemen van enkele zaken. In de eerste plaats zij er op gewezen, dat het Koninklijk Instituut van Ingenieurs weliswaar ouder is dan ir. Van Sandick, doch deze toch de eerste Algemeen Secretaris was, en dit beteekende niet alleen een naamsverandering van een vroegere functie, maar het duidde aan, dat het Instituut belangrijk uitgroeide boven hetgeen tot dusverre bestond. Dit was een gevolg van de vereeniging, welke plaats vond met een paar vereenigingen, welke ook de studie van de techniek trachtten te bevorderen en welke tot dusverre buiten het Instituut waren gebleven. Welk aandeel ir. Van Sandick in het slagen van de samensmelting heeft gehad, zal ik niet in het bijzonder releveeren, maar wel wil ik onderstrepen, dat de beteekenis van de positie van Algemeen Secretaris in sterke mate is gewijzigd.

Oorspronkelijk was het terrein van het Instituut betrekkelijk beperkt en mochten de president en de leden van den Raad van Bestuur in vele gevallen geacht worden te zijn de personen, die de geheele ingenieurswetenschap overzagen en daarvan als het ware de corypheeën vormden. Zij waren, veel meer dan nu mogelijk is, de spits van alles.

Ik meen, dat in die jaren het Instituut van minder beteekenis is geweest, maar sedert de totstandkoming van de fusie en sedert de uitbreiding van het terrein van het Instituut is het Algemeen Secretariaat gewichtiger geworden en kon het niet anders, of de president en degenen, die naast hem stonden, konden slechts ten deele de eminente figuren zijn op het volledig terrein, waarop het Instituut zich bewoog.

Er kwam bij, dat de ingenieurswetenschap zich aan alle zijden ontwikkelde en het was de taak van den Algemeen Secretaris te zorgen, dat het Instituut, hetwelk een hoogen naam had, die ontwikkeling kon meemaken en zijn plaats behield, ja, desnoods een hoogere kon bereiken. Met genoegen kan worden vastgesteld, dat ir. Van Sandick in de vervulling van dien plicht buitengewoon is geslaagd.

Verder heeft ir. Van Sandick immer het navolgenswaardig bewijs geleverd van de stelling, dat de ingenieur ook buiten de grenzen van zijn meer speciaal terrein moet zien en van belangstelling op ander gebied moet blijk geven. Van den eersten tijd af heeft hij gevoeld, dat eenzijdigheid in deze niet kon strekken tot bevordering van den ingenieursstand.

Aldus heeft ir. Van Sandick de ingenieurswetenschap hoog gehouden en den ingenieursstand gebracht op het peil, dat beide in de maatschappij hebben bereikt.

In de derde plaats wijs ik erop, dat ir. Van Sandick altijd oog heeft gehad voor het bijzondere detail, wat onmisbaar is om levendige belangstelling te wekken voor belangrijke vraagstukken, welke zoo vaak uit details zijn opgebouwd. Hij heeft in dat geval getoond het besef te bezitten, dat in de kleine zaken ook moet worden gevonden het deel van het geheel en door het feit, dat hij steeds het kleine element wist aan te wijzen en dat kleine element wist te maken tot iets interessants voor degenen, die hem aanhoorden, zijn niet alleen zijn doorwrochte studies belangrijk, maar ook zijn gesprekken. Hij wist immers allerlei kleine aangelegenheden in een licht te stellen, dat ze in beteekenis deed winnen en de aandacht van de hoorders wekte.

Aan de ruime waarde, die zijn discours had, en aan de beteekenis van hetgeen zijn heldere geest tot uiting bracht, is het te danken, dat hij zoo vele vrienden in het buitenland heeft gekregen, die op dit oogenblik aan ir. Van Sandick denken en voor hem belangstelling toonen.

Ik wil verklaren de overtuiging te hebben, dat de woorden, waarin ik getracht heb duidelijk te maken hoe groot de aanwezigen ir. Van Sandick zien, niet zijn gesproken als een onderling gesprek, maar dat ik de tolk ben van allen, die lid van het Instituut zijn. Velen zullen ongetwijfeld straks ir. Van Sandick de hand komen drukken, maar ook velen zullen daartoe niet in de gelegenheid zijn, en ook zij zullen de gesproken woorden als de hunne beschouwen.

 

De Raad van Bestuur heeft gemeend, dat het toch ook gewenscht was een blijvend aandenken aan te bieden, waardoor ir. Van Sandick de gelegenheid zou hebben de herinnering aan dezen dag nog sterker levendig te houden dan anders het geval zou kunnen zijn.

Twee middelen zijn daartoe aangegrepen.

Vooreerst het uitreiken der medaille van het Instituut.

Dat eeremetaal is vroeger soms als belooning voor meer bescheiden diensten bestemd geweest, maar dit valt in zoo lang vervlogen dagen, dat daaraan nu geen beteekenis meer kan worden gehecht.

De medaille is intusschen op een veel honger plan gekomen, omdat zij de laatste decennia uitsluitend verbonden is geweest aan de toekenning van de Conrad-Premie, welke immers te beschouwen is als een der belangrijkste eerbewijzen, waarover het Instituut beschikt. Aldus is het onderscheidingsteeken gebracht op het niveau, waarop het steeds behoorde te staan en waarop het ook gerekend wordt bij andere genootschappen, waar de uitreiking evenzeer is het hoogste eere-loon voor degenen, die zich tegenover de betrokken organisatie verdienstelijk hebben gemaakt.

In dien gedachtengang heeft de Raad van Bestuur den gouden penning voor ir. Van Sandick laten slaan, vertrouwende, dat deze hem welkom zou wezen als blijvende herinnering, als iets, dat voortkwam uit het Instituut en daaraan ten nauwste verbonden blijft. Elk ander aandenken zou naar het oordeel van den Raad van Bestuur van minder beteekenis zijn geweest.

De medaille als zoodanig kan niet overhandigd worden, omdat zij is opgenomen in het tweede souvenir, dat het Instituut aan ir. Van Sandick wil overhandigen, n.l. een album, bevattende de handteekeningen van hen, die er prijs op hebben gesteld individueel van hun belangstelling te doen blijken. De Instituutsleden zijn zeer verspreid en vele onderteekeningen zullen nog volgen en opgenomen worden.

Voor de uitvoering van dit geschenk heeft de Raad van Bestuur het voorrecht genoten der waardevolle en kameraadschappelijke medewerking van een der leden van het Instituut, ir. E. van Konijnenburg, zoodanig, dat allen daarop trotsch zijn en ir. van Sandick gewis volkomen bevredigd zal wezen.

In dat album treft in de eerste plaats de handteekening van de Beschermvrouwe en die van den Beschermheer van het Instituut, een zeldzame gave, welke ir. Van Sandick ongetwijfeld op hoogen prijs zal stellen.

Voorts trekt een oorkonde de aandacht, waarin vastgelegd wordt de benoeming van ir. Van Sandick tot honorair-adviseur van het Instituut; de auteur, ingenieur Van Konijnenburg, heeft zich bereid verklaard een korte toelichting te verstrekken. Ik wil thans besluiten met het uitspreken van den wensch, dat deze rede en die, welke nog zullen volgen, in het gemoed van ir. Van Sandick de overtuiging zullen vestigen, dat de 32 jaren, gedurende welke hij Algemeen Secretaris van het Instituut is geweest, zegenrijke en productieve jaren waren, waarop een ieder, die arbeid, goede en edele eigenschappen kan waardeeren, met trots zal wijzen en waarom ir. Van Sandick zal worden benijd.

Ik hoop, dat nog heel lang deze heerlijke gedachte bij ir. Van Sandick zal mogen voortleven.

 

Een luid applaus, vertolkend aller instemming, was nauw verstomd of de toegesprokene nam zelf het woord, en richtte zich aldus tot de aanwezigen:

 

In de eerste plaats bedank ik Zijne Koninklijke Hoogheid, den Prins der Nederlanden, voor Zijn tegenwoordigheid. Ik heb reeds verschillende malen bewijzen van Zijn vriendschap mogen ontvangen. Als een van de redenen daarvan mag ik zeker wel noemen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid een zeer belangstellend lid is en zelfs voorzitter was van het Institut Colonial International, waartoe ik ook behoor.

Nooit zal ik dan ook vergeten, dat ik eens op de Laan Copes van Cattenburch in den regen op een tram stond te wachten; er kwam een auto aan, die voor mij stopte en ik werd uitgenodigd mede te rijden naar het Kurhaus, waar een diner van het Institut Colonial International plaats zou vinden. Iets dergelijks was mij nog nimmer overkomen, maar wie zat nu in den auto? Z. K. H. de Prins der Nederlanden!

Ik haal dit aan als een bewijs, dat Zijne Koninklijke Hoogheid als hooggeplaatst persoon toch aan mij als mensch vriendschap heeft bewezen en ik stel dat op hoogen prijs, zoodanig, dat ik daarvoor nog eens hartelijk dank zeg.

De president heeft mij zooeven zoo in de lucht gestoken, dat hij het mij niet euvel moet duiden, als ik daarop niet kan antwoorden. Trouwens, wat zou ik over mij zelf nog kunnen zeggen, dat niet door den president naarvoren is gebracht.

Ik wil slechts één punt releveeren. De bekende theoloog-musicus-medicus Albert Schweitzer heeft eens gezegd, dat het zoo jammer was, dat de menschen na hun dood zoo werden geprezen en dat zij daarvan bij hun leven niets hoorden. Als waar is wat de theosofen zeggen, dat de ziel vastzit aan het lichaam en dat het astraallichaam reeds verbonden is aan het aardsche lichaam, dan heeft dit gezegde weinig beteekenis. Intusschen is mij het geluk beschoren de vriendelijke woorden te hooren, welke de president en velen in binnenland en buitenland tot mij hebben gericht en die woorden zullen mij in de dagen, welke nog resten, bijblijven.

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Technische Hoogeschool in 1893 heb ik een artikel geschreven, getiteld „Place aux Jeunes", waarin werd gezegd, dat de ouderen moesten weggaan en plaats maken voor de jongeren.

Een vriend van mij, ir. Heyning, zeide toen tot mij: „San, van dat stuk zal je later verdriet hebben!"

Ik kan echter verklaren er nooit spijt van te hebben gehad en ik ben nog overtuigd, dat de ouderen plaats moeten maken voor de jongeren, omdat het de jeugd is en de geest en de gezondheid van de jeugd, welke het Instituut moeten groot maken. Dit neemt echter niet weg, dat voor de ouderen het scheiden niet altijd gemakkelijk valt.

Ik stel het op prijs, dat ik door de welwillendheid van de leden van het Instituut 11 jaren na den wegvloeiingsleeftijd voor de ambtenaren, tot wie de meeste leden van den Raad van Bestuur behooren, mijn functie heb mogen blijven waarnemen. Dit is een voorrecht, dat ik niet genoeg kan apprecieeren.

Bij gelegenheid van een vergadering van het Instituut heb ik meegemaakt een bezoek aan de Landbouwschool te Wageningen. Een van de docenten gaf een demonstratie van het leven van de bijen; hij liet zien hoe een bijenvlucht, waar van alle dieren gemerkt waren, uitvloog. Als zij terugkwamen, ving hij ze op en ging hij na welke verdwenen waren. Na zekeren tijd was het grootste gedeelte vervangen door andere dieren. De bijen hadden er zelf niets van bemerkt. De bulk was dezelfde gebleven; ook daarbinnen ging alles op gelijke wijze door. Ik heb altijd het gevoel gehad, dat het met het Instituut ook zoo is geweest, maar toch is het mij op dit oogenblik alsof al de leden van het Instituut, die ik gekend heb en die ik gaarne mocht lijden, die ik in mijn functie van „doodgraver van het Instituut" na hun verscheiden heb herdacht en bewierookt, voor mij herleven. Ik zie weer vóór mij al de bekende menschen, die een rol hebben gespeeld in mijn leven en in wier leven ik wellicht zelf een kleine rol heb vervuld. Met weemoed denk ik terug aan de afgestorvenen.

Er zijn in het leven oogenblikken, welke men nooit vergeet, en een van die momenten was toen ik bij een uitbarsting van de Krakatau mij niet verre vandaar op een schip bevond, op het punt te vergaan. Alle opvarenden waren van meening, dat hun laatste uur zou slaan. Op zulk een moment komt het onderbewustzijn tot bewustzijn en ik weet nog precies, dat mijn geheele leven als in een vertraagde film langs mij heenging, dat ik vóór mij zag alle tafereelen daaruit. Hetzelfde is thans het geval; als in een vertraagde film zie ik de gebeurtenissen, die saamgeweven zijn met het bestaan van het Instituut, vóór mijn geestesoog.

Ik wensch ten slotte te releveeren een feit, waarover de president niet heeft gesproken. Na vijf jaren werkzaam te zijn geweest bij den Waterstaat in Indië, ben ik daar nog twee keer terug geweest, het laatst in 1920. De tegenwoordige president van het Instituut was toen voorzitter van de Afdeeling Indië en tevens voorzitter van het Algemeen Ingenieurs-Congres, hetwelk in dat jaar met zooveel succes werd gehouden. Ik heb bij die gelegenheid de veelzijdigheid en de groote werkkracht van ir. Damme leeren bewonderen; hij had een drukke betrekking, was van het Congres vervuld, maar opende er tusschendoor nog de Jaarbeurs te Bandoeng. Door de banden, welke in Indië werden gelegd, ben ik er in geslaagd een nieuwe regeling te maken tusschen de Afdeeling -, later de Groep Nederlandsch-Indië en het Moeder-Instituut. Dit is van al de herinneringen een dergenen, welke mij het liefst zijn.

In dien tijd heb ik ook kunnen omgaan met Wouter Cool, die eveneens een leidend deel uitmaakte van het bestuur van dat Ingenieurscongres en omtrent wien ik in mijn laatste artikel in De Ingenieur reeds schreef, dat het mij zoo'n genoegen deed hem als mijn opvolger te mogen zien.

Ik kan slechts dankbaar zijn voor hetgeen mij vandaag overkomt.

Het is, zooals gezegd, altijd moeilijk de ure te vinden, waarop men weggaat, waarop men gevoelt, dat het niet anders kan.

Ik weet, dat voor mij dat oogenblik niet verschoven kan worden, ja, dat het misschien reeds al te lang is uitgesteld.

Ik beveel mij aan in de vriendschap van de leden van het Instituut en ik spreek de hoop uit, dat het Instituut in bloei zal blijven toenemen, zooals dat de laatste 32 jaren het geval is geweest.

 

Toen het enthousiasme over deze beantwoording, waarbij de oogen vaak guitig glinsterden achter de brilleglazen, geheel in overeenstemming met de glundere gelaatstrekken, geluwd was, trad ir. E. van Konijnenburg naar voren, ten einde uitleg te geven van het zoo artistiek door hem ontworpen en samengestelde gedenkboek.

Hieromtrent zal in de volgende Ingenieur-aflevering aan de hand van afbeeldingen, welke voor dit nummer niet gereed konden wezen, nader bericht worden.

 

De Groep Nederlandsch-Indië verkreeg vervolgens het woord via de radio. In de „roode" kamer waren, naast een lafenis biedend buffet, een 30-tal luistertelefoons geïnstalleerd, dank zij de goede zorgen van de irs. H. J. Boetje en J. Tj. Visser, resp. chef en ingenieur van den technischen dienst der telegrafie en telefonie.

Dit onderdeel van de receptie slaagde volkomen en Van Sandick verplaatste zich in gedachten onmiddellijk uit de roesemoezige omgeving van de ontvangruimten naar de stilte van den verren tropenavond in zijn onvergetelijk Indië.

 

De wnd. President van de groep, ir. W. J. Burck wilde uitdrukking geven aan de gevoelens van hooge waardeering en groote erkentelijkheid, welke de leden van de Groep Nederlandsch-Indië jegens ir. Van Sandick koesteren en in de langdurige periode, gedurende welke deze het Algemeen Secretariaat heeft vervuld.

Spr. herinnert aan het vele, dat ir. Van Sandick in het belang van de Groep en voor de Indische ingenieurs heeft gedaan. Zij hebben groot respect voor zijn veelzijdige kennis, zijn karaktereigenschappen en zijn arbeidskracht.

Vervolgens bracht spr. naar den voorgrond de bezoeken, welke ir. Van Sandick, als vertegenwoordiger van het Instituut, aan Indië heeft gebracht, o. a. bij gelegenheid van het te Batavia gehouden Algemeen Ingenieurs Congres in 1920, over welke samenkomst door hem een zeer uitvoerig en duidelijk verslag werd gepubliceerd. Ook de aanwezigheid bij de opening van de Technische Hoogeschool te Bandoeng was niet vergeten.

De Indische ingenieurs hebben, zooals gebleken is, meer dan één reden, om ir. Van Sandick te loven, laatstelijk nog wegens zijn aandeel, regelende de financieele verhouding tusschen de Groep en het Instituut.

Ir. Burck sprak tenslotte de hoop uit, dat het ir. Van Sandick gegeven mocht worden nog vele jaren getuige te zijn van een voortdurenden bloei der Vereeniging, waaraan hij zooveel jaren zijn beste gaven schonk.

 

Ir. Van Sandick, bij den microfoon gezeten, waardeert de vriendelijke woorden, welke namens het Bestuur van de Groep Nederlandsch-Indië van het Instituut tot hem werden gericht, welke woorden nog zijn versterkt door het telegram, dat spr. hedenmorgen mocht ontvangen naast het aantrekkelijke bloemstuk, dat hem aan de rijke Indische flora deed denken. De Groep heeft altijd zijn sympathie gehad en hij is er blijde om, in staat te zijn geweest de onderlinge banden hechter te doen wezen en te bestendigen. Spr. uit de beste wenschen voor den bloei van de Groep met zijn verschillende kringen en leden, in het bijzonder voor ir. Burck, die op dit oogenblik het voorzitterschap vervult. Het doet hem tevens genoegen in zijn onmiddellijke nabijheid te zien ir. Menschaar, den president van de Groep Nederlandsch-Indië, die met verlof in Nederland aankwam.

Spr. herhaalt nogmaals zijn dank, onder toevoeging, dat ook in de toekomst al de verlangens, welke de Groep Nederlandsch-Indië koestert, voorzoover zij voor verwezenlijking vatbaar zijn, van de zijde van het Moeder-Instituut zullen worden vervuld.

Degenen, die dit radio-intermezzo niet konden bijwonen en omtrent de daden en woorden van ir. Van Sandick nadere details wenschten te vernemen, mochten ten volle uitsluitsel bekomen in de „blauwe" kamer van het Instituut, waar mej. Burck haar origineel denkbeeld had uitgevoerd, van samen te brengen een collectie schrifturen, teekeningen, medailles e. a., alle betrekking hebbend, niet alleen op de technische werkzaamheden van den heer Van Sandick, doch ook op zijn arbeid van anderen aard in Indië en in Nederland, kortom een historische tentoonstelling.

Deze bescheiden illustreerden zijn enorme veelzijdigheid; riep vooral bij tal van oudere leden van het Instituut goede souvenirs aan vroolijke en ernstige tijden, van saam-doorleefde uren en dagen wakker. Ter zake mag niet onvermeld blijven de aanwezigheid vau ir. A. C. Nieuwenhuijs, oud-hoofdingenieur van den Waterstaat in N.I., de eenig overgebleven clubgenoot en medelid van het Dispuutgezelschap O.K.W. uit den studentijd.

 

De rij der sprekers werd na de onderbreking geopend door den Rector-Magnificus der Technische Hoogeschool, prof. ir. H. ter Meulen, die verklaarde:

dat de Technische Hoogeschool er behoefte aan gevoelt zich te scharen bij de velen, die ir. Van Sandick op dezen dag hulde willen brengen. Het is spr. bijzonder aangenaam de verzekering te kunnen geven, dat de Technische Hoogeschool in hooge mate waardeert het werk, dat hij in de beide functies, welke hij zoo juist heeft neergelegd, heeft verricht.

De Delftsche onderwijsinstelling en het Instituut zijn nauw met elkander verbonden. Het grootste deel daarvan wordt gevormd door de oud-leerlingen van de Technische Hoogeschool en het Bestuur juicht het zeer toe, dat de afgestudeerde ingenieurs niet rondgestrooid worden over de maatschappij en daar een geïsoleerd bestaan voeren, maar dat zij een krachtige organisatie vinden, welke hen samenbindt.

Wie de geschiedenis van het Instituut kent, weet welk een groot aandeel ir. Van Sandick heeft gehad in het maken van het Instituut tot een tehuis voor alle categorieën van technici. Het zijn niet alleen de civiel ingenieurs, die er hun vakgenooten vinden, maar ook de werktuigkundige, de scheepsbouwkundige, de electro-technische, de bouwkundige en de mijnbouwkundige, zoowel uit het moederland als uit Indië, en geheel in dien geest is het ook, dat De Ingenieur zich onder de voortreffelijke leiding van ir. Van Sandick heeft ontwikkeld tot het algemeen technisch wetenschappelijk weekblad voor Nederland.

Het is een verheugend feit, dat de band, welke bestaat tusschen ir. Van Sandick en het Instituut, niet wordt verbroken en dat de scheidende Algemeen Secretaris in zijn nieuwe functie van honorair-adviseur zijn ervaring, zijn kennis en zijn energie nog in zoo ruime mate ter beschikking blijft stellen. Van harte wenscht spr. namens het Bestuur van de Technische Hoogeschool èn ir. Van Sandick èn het Instituut toe, dat de relatie vele jaren zal mogen blijven bestaan.

Ir. R. A. Van Sandick is prof. Ter Meulen en prof. Grutterink, de laatste secretaris van het College van Rector-Magnificus en Assessoren der Technische Hoogeschcol, zeer erkentelijk voor de vriendelijke woorden, welke namens dat Bestuur tot hem zijn gericht. Inderdaad is de bloei van de T. H. verbonden aan dien van het Instituut. Prof. Ter Meulen heeft alle categorieën van ingenieurs opgenoemd, die bij het Instituut een welkom vinden, maar hij heeft daarbij uit groote bescheidenheid een belangrijke categorie niet genoemd, n.l. de scheikundige ingenieurs, die helaas altijd buiten het Instituut zijn gebleven.

Verder wil spr. nog opmerken, dat hij prof. Ter Meulen aanziende, gaarne terugdenkt aan het jaar 1904, toen deze hoogleeraar door de Maatschappij van Nijverheid met prof. Dijxhoorn en den helaas overleden prof. Franco, naar Amerika was afgevaardigd ter vertegenwoordiging op een congres, hetwelk te St. Louis werd gehouden. In soortgelijke functie vertoefde spr. te genoemder plaatse namens het Instituut. Het was in die warme dagen, dat zij elkander te San Louis zagen en spreker leerde waardeeren de wijze, waarop prof. Ter Meulen zijn taak opvafte.

 

De forsche figuur van ir. A. H. W. van der Vegt, zich alsnu een weg banend door de opgepakte schare, is woordvoerder der Vereeniging van Delftsche Ingenieurs

die behoefte gevoelt om bij dit afscheid uiting te geven aan gevoelens van bijzondere waardeering, welke voor ir. Van Sandick gekoesterd worden in verband met al hetgeen door dezen voor de Vereeniging werd verricht, voor den steun en de medewerking, gedurende een zoo groot aantal jaren en in zoo ruime mate van hem ondervonden.

Ir. Van Sandick heeft zijn betrekking van hoofdredacteur van De Ingenieur 32 jaren geleden aanvaard, toen de overeenkomst was totstandgekomen tusschen het Instituut en de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, waarbij de uitgave van De Ingenieur aan het Instituut werd overgedragen. Zooals ir. Van Sandick in zijn afscheidswoord in het meer genoemde weekblad heeft gezegd, was die nieuwe regeling noodig in het belang van de ontwikkeling daarvan. Er bestond geen oogenblik twijfel of de periodiek zou onder de leiding van ir. Van Sandick een tijdperk van groote ontwikkeling tegemoet gaan en dat zulks is gebeurd, behoeft spr. niet te zeggen - iedereen weet het -. Voor de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs ontstond echter het feit, dat zij beroofd was van haar eigen orgaan en dat zij meedeed aan een nieuw, hetwelk door het Instituut werd beheerd en aan ir. Van Sandick als redacteur, maar tevens Algemeen Secretaris van het Instituut, werd overgegeven. Het Bestuur had een onuitgesproken vrees, dat de Vereeniging haar zelfstandigheid eenigermate zou verliezen, maar dadelijk na het optreden van ir. Van Sandick was die angst verdwenen en kreeg men de overtuiging, dat het totstandkomen van de overeenkomst door de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs niet behoefde te worden betreurd.

Het Bestuur zag met genoegen, dat de berichten der Vereeniging in De Ingenieur zorgzaam werden opgenomen en dat ir. Van Sandick immer met ruimen blik en met open oog voor de toekomst er toe heeft medegewerkt, dat de Vereeniging haar arbeidsveld zelfstandig kon bewerken.

De verhoudingen hebben gedurende de 32 jaren, dat ir. Van Sandick de Beide meergenoemde functies heeft waargenomen, nooit aanleiding gegeven tot eenige opmerking; het feit, dat de Vereeniging haar bureau in dit gebouw heeft gevestigd, bewijst, dat met medewerking van ir. Van Sandick de goede samenwerking is bestendigd. Nu ir. Van Sandick ons gaat verlaten, wil de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs het niet bij woorden laten, maar biedt zij, als blijk van waardeering, hoogachting en dankbaarheid, aan ir. Van Sandick een stoel aan, in de hoop, dat hij, als hij die benut, nog eens zal terugdenken aan de dagen, waarin hij met de Vereeniging in aanraking is gekomen.

 

Ir. R. A. Van Sandick verklaart getroffen te wezen door de vriendelijke woorden, zooeven vernomen. De Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, vroeger de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs, heeft indertijd een belangrijken stap gedaan, toen zij de uitgave van haar blad overgaf. Spr. begrijpt, dat zij dat met zekeren schroom deed, met de vrees, dat zij haar eigen orgaan zou missen.

De Vereeniging is de band tusschen de afgestudeerde ingenieurs uit Delft en het Instituut vormt den band tusschen verschillende ingenieurs, onder wie velen zijn, die niet zijn afgestudeerd. De verhouding tusschen de Vereeniging en het Instituut is altijd goed geweest en het eigenaardige is, dat als vertegenwoordiger van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs op dit oogenblik in de Commissie van Toezicht op de redactie van De Ingenieur zitting heeft een lid van den Raad van Bestuur van het Instituut, n.l. ir. Van Panhuys. Zoo hebben de beide organisaties altijd met elkander gemuteerd en zich beschouwd als vormende één groote gemeenschap. Spr. twijfelt niet of de goede verhouding, welke altijd heeft bestaan tusschen het Instituut en de Ver eeniging, in de toekomst zal worden bestendigd.

Thans verkreeg het Eerelid prof. ir. J. C. Dijxhoorn, juist afgetreden, tientallen jaren voorzitter der Commissie van Toezicht van het weekblad De Ingenieur, de aandacht en zegt namens die Commissie:

dat ir. Van Sandick heden als het ware staat aan liet einde van een lange gang, leidende langs vele kamers.Hij is die gong ingetreden, toen de gangdeur van zijn ambtsvoorganger, den heer Tideman, door zijn heengaan was gesloten. Hij is toen door den Raad van Bestuur in de eerste kamer rechts met open armen ontvangen. Die kamer dreigde te eng te worden en het licht, dat er scheen, kwam in hoofdzaak van eene zijde. Dit deed vele andere ingenieurs aarzelen er in binnen te treden. Hij heeft den tijd mede gemaakt, dat er communicatie werd gemaakt met vele andere kamers, sommige reeds bestaande, waarin een goede gezondheid heerschte; andere kamers werden nieuw toegevoegd. Ende zij noemden deze kamers Afdeelingen. Al de bewoners nu behoorden tot het gemeenschappelijk huis en het vereischte van hem veel organisatietalent, dat al die zeer uiteenloopende bewoners zich daarin thuis zouden gevoelen. Uit de ramen van de eerste kamer had men het uitzicht gehad op vele wegen, ook spoorwegen, op rivieren, kanalen, bruggen en andere groote werken. Maar naarmate zich de andere kamers uitbreidden, kregen zij meer uitzicht in verschillende richting, op fabrieken met machines, op schepen, op electriciteitswerken, op telefooncentrales, op vliegvelden en op allerlei werkplaatsen met hun lief en leed en op hun bedrijfsinrichtingen.

Aan de linkerzijde van de gang was een bureau niet liet opschrift „Weekblad". Dit bureau behoorde oorspronkelijk aan een anderen eigenaar, maar men was met hem bevriend en men werd het eens, dat ir. Van Sandick ook dit bureau zou gaan beheeren.

Hij heeft dit sedert 1900 voortreffelijk gedaan.

Er kwamen dan bewoners uit de kamers aan de overzijde met allerlei voortbrengselen, die zij uit hun ramen hadden gezien, of die zij in hun eigen tuin hadden gekweekt en al die voortbrengselen werden in zijn bureau tot een goed geheel verwerkt.

Sedert hij daar de leiding had, werd hij door drie heeren, waaronder ook spreker, geregeld bezocht. Sommigen dachten wellicht, dat deze daar toezicht zouden houden, maar dat hebben zij eigenlijk nooit gedaan, zij hebben wel eens goeden raad gegeven.

In den aanvang moesten zij vooral wel eens bemiddelend optreden, wanneer bewoners van het gebouw met zonderlinge pakjes waren kamen aandragen, die door hem werden geweigerd.

Het bureau werd steeds uitgebreid en zij gaven wel eens bescheiden raad over de richting van uitbreiding.

De bureaux zijn hun verschillende producten tenslotte gescheiden gaan afleveren, zóó, dat ze toch in dezelfde verpakking pasten, maar voor de bewoners van verschillende kamers smakelijk waren. Bovenop kwam dan altijd iets te liggen uit hun gemeenschappelijke zaal. Zoo kreeg elkeen toch wat hem het meest aantrok.

Het geheel is een succes geweest en dat de zoo uiteenloopende lichten, die in het huis schijnen, elkander nooit hebben gehinderd en dat steeds door veel frissche lucht de gezondheid is bevorderd, dat hebben wij grootendeels aan hem te danken.

Dit wilde spreker, nu hij als leider van de drie raadgevende bezoekers terzijde is getreden, hem nog eens zeggen en hem daarbij toewenschen, dat wanneer hij nu uit deze lange gang naar buiten is getreden, hij daar een aangenaam en gemakkelijk pad zal vinden langs, vele rozen en met prettige banken, waar hij kan rusten en zich koesteren in de avondzon. En wanneer hij dan nog dikwijls binnen zal gaan kijken, dan hoopt spreker, dat hij zich altijd zal verheugen, dat de planten ook dáár blijven groeien, hetgeen vooral te danken zal zijn . aan de goede zorgen, die hij er aan heeft besteed, toen zij nog jonger waren.

 

Ir. R. A. Van Sandick dankt prof. Dijxhoorn voor de het gemoed treffende woorden. De verhouding tusschen de redactie en de Commissie van Toezicht is steeds heel prettig geweest en, als spr. nu aftreedt, zal hij oppassen om zich in de toekomst niet te veel te bemoeien met de zaken van De Ingenieur. Hij was eens in Amerika bij een secretaris van een Instituut van Ingenieurs; hij had diens voorganger gekend en vroeg naar hem; hij kreeg ten antwoord: die is honorair-secretaris geworden, hij zit boven in een kamer en hij zegt tegen een ieder, die hem komt bezoeken, dat het in zijn tijd beter was en de menschen van tegenwoordig minder zijn. Spr. heeft dat verhaal ter harte genomen en zal zich daarvoor wel wachten.

De Commissie van Toezicht is nu gedeeltelijk vernieuwd; Prof. Feldmann is in de plaats van prof. Dijxhoorn benoemd. Spr. verheugt zich over deze keuze; gezien het voorbeeld van zijn Amerikaanschen vriend, wacht spr. er zich wel voor om ongevraagd advies te geven. Indien hem echter raad wordt gevraagd, dan zal hij dien gaarne verstrekken, maar hij heeft terzake als wethouder van den Haag de volgende ervaring opgedaan. Toen zijn voorganger Mouton wegging, vroeg hij dezen of hij zoo noodig een beroep mocht doen op zijn medewerking en kreeg ten antwoord: te allen tijde", maar hij heeft Mouton nooit opgezocht. Toen spr. zelf wegging, zeide men tot hem: de Gemeente heeft zooveel verplichting aan U, mogen wij nog eens bij U komen, als wij het noodig oordeelen? Spr. heeft in bevestigenden zin geantwoord, maar hij heeft er nooit meer iets over vernomen.

Ten slotte verheugt spr. zich er over, dat de opengevallen plaats van zijn vriend prof. Dijxhoorn is ingenomen door prof. Feldmann, een der kundigste en meest coulante personen die hij kent.

 

Ir. J. J. Stieltjes, voorzitter van de Vereeniging Het Nederlan.dsch Wegencongres, plaatst naast de fraaie bloemenhulde der Vèreeniging, de herinnering aan de omstandigheid, dat haar geboorte te danken is aan de samenwerking tusschen den A.N.W.B. en het Instituut en dit feit sindsdien zich o.a. hierin uit, dat het Instituut twee leden van het Bestuur der Vereeniging aanwijst. Een van die twee is op dit oogenblik spr. en volgens een soort traditie is tevens aan een van die, beide leden het presidium toegewezen.

Spr. wenscht melding te maken van de aangename samenwerking, welke „Het Nederlandsch Wegencongres" altijd heeft gehad met het Instituut en ir. Van Sandick hulde te brengen voor hetgeen hij in het belang van die Vereeniging heeft gedaan.

 

Ir. R. A. Van Sandick weet nog heel goed, dat, toen het eerste Wegencongres werd georganiseerd, hij de leiding heeft gehad bij de voorbereiding. Er was toen een president van het Instituut, die met 31 December zou aftreden, en spr. heeft toen met heel veel pleizier de voorbereiding van het Congres op zich genomen - ir. Steffelaar, hier aanwezig, kan dit bevestigen -- maar aan de organisatie heeft hij niet veel kunnen doen, en daarom treft hem te meer het bewijs van sympathie, dat ir. Stieltjes in woord en bloem hem schonk.

 

Na deze redevoeringen treedt een andere vorm van huldiging op den voorgrond, te weten de hulde-adressen van nationale en internationale genootschappen, te talrijk om op te nemen in dezen tekst, maar daarom toch niet minder gewaardeerd door ir. Van Sandick en degenen die hem in famille of werk nabijstaan.

De in de bescheiden vervatte woorden van genegenheid en uitingen van hoogachting zullen onvergetelijk blijven, evenals de oorkonde, die de Verein Deutscher Ingenieure zond en waarvan den inhoud bij monde van prof. P. Meyer in klare zinnen voorgedragen werd.

 

Ir. R. A. Van Sandick stelt het bijzonder op prijs, dat het juist prof. Meyer is, die hem namens den Verein Deutscher Ingenieure toespreekt.

Bij verschillende gelegenheden heeft spr. het Instituut vertegenwoordigd bij diens Verein, de eerste maal in 1902 gedurende het 50-jarig bestaan, toen prof. Dijxhoorn er ook was, doch namens de Technische Hoogeschool. Sedert dien heeft spr. prettige herinneringen behouden, o.a. aan de opening van het Duitsche Museum te Miinchen, toen prof. Meyer hem onder zijn machtige bescherming nam en hem bracht bij de menschen, bij wie hij moest wezen.

De vriendschap, welke de Verein hem persoonlijk heeft bewezen, stelt hij op hoogen prijs.

 

Ir. P. J. Ott De Vries, wenscht als vertegenwoordiger in Nederland van de Vereeniging van Waterstaatingenieurs in Nederlandsch-Indie aan het vele, dat ir. Van Sandick hedenmiddag reeds heeft moeten aanhooren, nog iets toe te voegen. Het was, meent spr., niet van algemeene bekendheid, vooral bij de jongeren, dat ir. Van Sandick zijn loopbaan als ingenieur is begonnen in dienst van den Indischen Waterstaat.

Spr. zegt „was", want in zijn antwoord op de toespraak van den president heeft ir. Van Sandick het zelf even gensemoreerd, wellicht vreezende dat anders niemand hierop zou doelen.

De scheidende heeft ook gezegd, dat hij in 1893 als devies heeft aangewezen: Place aux jeunes, maar spr. wil er de aandacht op vestigen, dat ir. Van Sandick dit devies reeds tien jaren eerder in toepassing heeft gebracht; immers hij is in 1878 afgestudeerd en heeft daarna 5 jaren Indischen dienst vervuld, zoodat hij ten aanzien van het „plaats" maken reeds vroeg consequent handelde.

De klacht werd weleens vernomen, dat de Nederlandsche ingenieur te weinig aandacht schonk aan hetgeen zijn Indische collega ginds onder veel moeilijker omstandigheden had totstandgebracht, maar sedert 1898, na het optreden van ir. Van Sandick als Algemeen Secretaris van het Instituut, is die klacht in toenemende mate verminderd. Spr. mag wel zeggen, dat zij practisch geheel is verdwenen en dat zulks te danken is geweest aan het contact, dat ir. Van Sandick met vrienden in Indië heeft onderhouden. Verschillende bewijzen zou spr. kunnen aanhalen voor de groote belangstelling, welke ir. Van Sandick steeds in Indische waterstaatsaangelegenheden heeft gehad, maar het zou hem te ver voeren, als hij dat deed, en daarom bepaalt hij zich tot het constateeren van het feit. Vooral hebben de talrijke artikelen, welke ir. Van Sandick in De Ingenieur heeft geplaatst, hetzij van zijn eigen hand, hetzij met zijn aansporing van de hand van anderen, getuigenis afgelegd van die toenemende interesse.

Spr. acht het hier niet de plaats om uiting te geven aan strikt persoonlijke gevoelens van hoogachting, van waardeering en van dank, maar toch valt het hem hard om in dit opzicht te zwijgen. Als kenmerkend voorbeeld van de wijze, waarop ir. Van Sandick steeds de jonge Delftsche ingenieurs heeft aangemoedigd om naar Indië te gaan, kan dienen de manier, waarop hij 40 jaren geleden spr. heeft weten te bewegen om een betrekking, welke hij in een ander deel van de wereld had aangenomen, op te zeggen en naar Indië te gaan. Ir. Van Sandick weet, dat spr. hem daarvoor erkentelijk is, en spr. zal hem dit daarvoor altijd blijven, evenals voor de wijze, waarop hij in het Institut Colonial International bij voortduring de ingenieursbelangen naar voren heeft gebracht. Aan hem was daar het belangrijke irrigatie-vraagstuk toevertrouwd.

In het antwoord aan prof. Dijxhoorn heeft ir. Van Sandick herinnerd aan zijn aanwezigheid in Amerika in 1904; na afloop van het Algemeen Ingenieurs Congres te St. Louis, heeft Van Sandick een studie gemaakt van de Amerikaansche irrigatiewerken in het westen en spr. moet belijden, dat de mededeelingen, welke daarover werden verstrekt, voor spr. en andere waterstaatsingenieurs een openbaring waren. Zij hebben aanleiding gegeven tot een nadere bestudeering van het vraagstuk en spr. heeft de eer gehad die opdracht uit te voeren. Hij kan ir. Van Sandick verzekeren, dat hij van Amerikaansche ingenieurs heeft gehoord, welke aangename herinneringen zijn verblijf daar heeft achtergelaten.

Verder wijst spr. er op, dat de belangstelling van ir. Van Sandick in Indische waterstaatsaangelegenheden ook is gebleken door het nemen van het initiatief tot oprichting van een afdeeling Nederland van de Vereeniging van Indische Waterstaatsingenieurs. Namens de Indische Waterstaatsingenieurs zegt spr. ir. Van Sandick dank voor al hetgeen hij voor hen heeft gedaan en hij spreekt de hoop uit, dat spr. en zijn medeleden de sympathieke persoonlijkheid en de sympathieke verschijning van ir. Van Sandick nog vele jaren in hun samenkomsten zullen mogen aantreffen.

 

Ir. R. A. Van Sandick moet helaas wegens den snel verloopenden tijd, met een enkel woord volstaan. Spr. heeft ir. Ott De Vries niet als jong ingenieur „overgehaald" om naar Indië te trekken, maar hem een beetje „belust" gemaakt ons dat te doen. Ir. Ott De Vries heeft er nooit berouw over gehad, dat hij gegaan is, en spr. heeft er ook nimmer berouw over gehad, dat ir. Ott De Vries zijn raad heeft opgevolgd. Hij is de oprichter geweest van de Vereeniging van Waterstaatsingenieurs en hij was in Indië Directeur van Openbare Werken, te zelfder tijd, toen spr. in 1920 in Indië vertoefde. De ondervonden vriendschap is aan spr. altijd heel dierbaar geweest en voor de wijze, waarop Ott De Vries nog steeds met spr. handelt, heeft deze veel achting en sympathie. Spr.'s stem zou hem begeven, indien hij daarover gng uitweiden, en daarom zal spr. er zich toe bepalen slechts hartelijk dank te zeggen.

 

Prof. ir. E. J. F. Thierens, zal twee onderwerpen aanroeren en alzoo in tweeërlei opzicht dank betuigen aan ir. Van Sandick.

Vooreerst gevoelt hij zich als voorzitter van de Afdeeling voor Electrotechniek gedrongen hulde te brengen voor de wijze, waarop deze de kolommen van De Ingenieur heeft opengesteld, ook voor andere zaken dan civiele. In den tijd, toen spr. van De Ingenieur begon kennis te nemen - dit is 25 jaren geleden - bewoog het overgroote deel van hetgeen gepubliceerd werd zich op waterstaatskundig en civiel gebied, maar ir. Van Sandick heeft, ofschoon hij volbloed civiel ingenieur is, niet geschroomd stof te halen uit alle mogelijke andere vakken. Spr. is overtuigd ook namens alle andere Afdeelingen van het Instituut te spreken1),1) Ir. G. L. Tegelberg, die namens de Vakafdeeling voor Werktuig- en Scheepsbouw zou spreken, werd hierin zeer tot zijn leedwezen, door gebrek aan tijd verhinderd. (Hfd. Red.). wanneer hij ir. Van Sandick dank zegt voor die bereidwilligheid en ook voor de wijze, waarop hij de ingenieurs aanmoedigde om ook op ander gebied artikelen in De Ingenieur te doen opnemen.

Spr. komt thans tot het persoonlijke. Ir. Van Sandick heeft hem sterk aangemoedigd om op electrotechnisch gebied iets te publiceeren. Een verhandeling over electrische sleepers langs kanalen is het begin geweest van alles wat spr. heeft geschreven en ook het begin geweest van zijn technische loopbaan.

In dit opzicht staat spr. echter niet alleen. Vele jonge ingenieurs hebben geprofiteerd van den steun en de hulp van ir. Van Sandick.

Spr. geeft ir. Van Sandick als blijk van dankbaarheid een ets. Zij is op het oogenblik niet zoo kostbaar, misschien dat de schilder, welke haar heeft vervaardigd, later beroemd wordt, maar spr. meent ir. Van Sandick die ets te moeten geven ten einde hem, als hij er op ziet, in herinnering te brengen het feit, dat hij zoovelen heeft geholpen. Het is een beeld uit het goede stedeke. waar ir. Van Sandick eenige jaren heeft vertoefd en als hij het aanschouwt, zal hij misschien terugdenken aan de jaren, welke liggen vóór die, waarover heden zooveel is gesproken. Dit gezicht vanaf de Boterbrug moge spr. ir. Van Sandick overhandigen als een bewijs van persoonlijke dankbaarheid.

 

Ir. R. A. Van Sandick is zeer getroffen door de vriendelijke woorden. Hij moet echter nog eens zijn verontschuldiging aanbieden Over iets, dat in zijn leven is gepasseerd en waarop hij reeds eerder doelde bij een feest van de Afdeeling voor Electrotechniek. Spr. is namelijk tien jaren, van 1883 tot 1893, leeraar in de electrotechniek geweest aan de burgeravondschool te Deventer. Als hij bedenkt wat hij aan die „jongens" heeft verteld en hoe weinig hij van dat vak afwist, dan schaamt hij zich nu nog een weinig over zich zelf. Later heeft hij weleens van die pupillen gesproken en dan zeiden deze tot hem: dat vak was er toen nog niet, er was alleen electriciteitsleer; en deze uiting was hem een troost.

Toen de Afdeeling voor Electrotechniek van het Instituut werd opgericht heeft spr. groote moeilijkheden gehad met de medwerkers, die, zooals meer gaat, veel strijd onder elkander voerden. Al de inenschen, die in het electrische vak medewerkten, kwamen steeds in botsing. Het was zoo sterk dat spr., als er zoo iemand bij hem kwam, zeide: laat hem wachten! Spr. dacht dan: als hij een kwartiertje heeft gerust, dan is hij in dien tijd wel tot zich zelf gekomen en dan is hij lang niet slecht.

Tot de menschen, met wie spr. moeite heeft gehad, heeft prof. Thierens nimmer behoord en spr. denkt nog altijd terug aan de belangwekkende wijze, waarop prof. Thierens een en ander heeft verteld over zijn tocht naar de randstaten voor het Instituut. Het doet spr. genoegen, dat prof. Thierens voorzitter is geworden van de Afdeeling voor Electrotechniek van het Instituut.

Ir. H. Sangster rekent het zich een groot voorrecht om ir. Van Sandick den dank te betuigen van de ambtenaren en het personeel van het Instituut, dat zooveel met hem heeft gewerkt. Deze zijn het immers die ir. Van Sandick in het bijzonder van nabij hebben leeren kennen en zijn zeer speciale eigenschappen in hem hebben leeren waardeeren, n.l. zijn groote menschelijkheid, en zijn meelevende hartelijkheid. Die eigenschappen waarmee hij allen aan zich heeft gebonden hebben gemaakt, dat met groote eensgezindheid en in aangename samenwerking in het Instituut wordt gearbeid.

In het overvolle maatschappelijke leven komen die eigenschappen steeds minder voor. Ine mensch kan zich zelf niet aan het mechanisatieproces onttrekken en mechaniseert zelf mede.

Daarom doet het zoo weldadig aan een persoonlijkheid als die van ir. Van Sandick te ontmoeten, en zijn werkelijke belangstelling en hartelijk medeleven te ondervinden.

Dit is bij hem geen frase, geen formule; het is echt en waar. In de vele jaren, gedurende welke het personeel dagelijks met ir. Van Sandick te maken had, heeft liet grooten eerbied kunnen krijgen voor zijn juist inzicht en zijn sterk geheugen, voor zijn kennis en voor zijn ervaring, maar vóór alles heeft het een dankbare herinnering aan zijn groot-menschelijke eigenschappen.

Spr. wil hieraan een persoonlijke herinnering toevoegen. Toen, na zoovele jaren, de reorganisatie van De Ingenieur tot stand kwam, heeft spr. groote waardeering gekregen voor de soepelheid, waarmede ir. Van Sandick wijzigingen tegemoet trad, en als het hem maar eenigszins mogelijk was, ging hij mede met gedane voorstellen. Daarin heeft hij zich ook in zijn grootheid getoond.

Toen het personeel vernam, dat ir. Van Sandick zijn functies neerleggende, als honorair adviseur aan het Instituut verbonden zou blijven, was dit voor hen een reden tot groote blijdschap. Het zou geen afscheid zijn, en zij zouden nog vaker zijn raad kunnen inroepen, en zijn medeleven ondervinden.

Het personeel heeft uitgekeken naar iets, dat het werk van ir. Van Sandick zou kunnen verlichten, in de dubbele beteekenis van het woord. Immers onnoemelijk groot is het aantal woorden, dat zijn corrigeerend oog heeft moeten nagaan, zoowel van hem zelf, als van anderen.

Tot de ontdekking komende, dat ir. Van Sandick geen bureau-lamp bezat, heeft spr. een bureau-leeslamp gezocht welke een geconcentreerd licht verspreidt.

Spr. biedt deze aan ir. Van Sandick aan als een dankbare hulde van het personeel van het Instituut, met de verwachting, dat hij hierdoor zooveel langer zijn werk zal kunnen verrichten en met den wensch, dat zij hem nog vele jaren in het schijnsel van deze lamp op de hen zoo bekende plaats aan zijn bureau zullen blijven zien.

 

Ir. R. A. van Sandick verklaart, dat de woorden, welke ir. Sangster heeft gesproken namens de „kinderen van het huis" hem bijzonder hebben goed gedaan, omdat het zeker is, dat de verhouding tusschen hem en het personeel van het Instituut is geweest als die van het hoofd tot de leden der familie. Zij hebben altijd getracht elkander te begrijpen en spr. heeft niet geschroomd om, als iemand een fout beging, die voor zijn rekening te nemen. De ambtenaren en beambten hebben dat op prijs gesteld.

Spr. heeft met heel weinig verschillende menschen samengewerkt, want het instituut schijnt de staat van permanentie te zijn, als men b.v. bedenkt dat Van Der Vlis er reeds in 1886, lang vóórdat spr. kwam, aan verbonden was.

Ir. Sangster is een van de jongsten onder het personeel. Spr. en hij zijn weleens tegen elkander gebotst, hetgeen zijn oorzaak vindt in het verschil van kijk, welken een jongere en een oudere op hetzelfde onderwerp kunnen hebben. Echter heeft spr. altijd bewonderd in ir. Sangster diens rechtschapenheid, diens eerlijkheid, diens onverschrokkenheid om voor zijn meening uit te komen, drie goede eigenschappen.

Spr. heeft ir. Sangster leeren kennen in Frankrijk, toen spr. in 1919 even na den wapenstilstand deel uitmaakte van een Commissie, welke door Nederland was benoemd, om aan Frankrijk steun te bieden. In verband met het verleenen van technische hulp was er een ingenieur aan de Commissie toegevoegd. In dien tijd had ir. Sangster van de Regeering de opdracht ontvangen om te Lens een Hollandsch dorp te bouwen en zag zijn verdiensten beloond met zijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, maar een soberheid, welke ongetwijfeld van doopsgezinde herkomst moet zijn, heeft er toe geleid, dat spr. dat sieraad door Sangster nooit heeft zien dragen. Het verheugt spr. dus te meer, nu hij heden in het knoopsgat het roode lint ziet. Spr. raadt hem voorts aan niet te veel toe te geven aan de eigenschap om zich zelf terug te trekken, er steekt geen kwaad in zich meer te laten gelden en bij navraag te zeggen, dat men de onderscheiding verdiend heeft door het bouwen van een Hollandsch dorp te Lens.

Ir. Sangster heeft veel veranderingen aangebracht in de redactie van De Ingenieur. Spr. hoopt, dat het alle verbeteringen zijn geweest.

Spr. heeft Sangster ook leeren hoogachten als mensch en geeft hem daarvoor gaarne de hand.

Dr. ir. J. Versluys mag wellicht namens de Koninklijke Akademie van Wetenschappen de meer persoonlijke sprekers onderbreken, om ir. Van Sandick te huldigen, die in zijn beide functies veel voeling heeft gehad met de wetenschap,en waarbij hij heeft gezorgd, dat de ingenieurs niet alleen technische, maar ook theoretische vakken beoefenden. Dit heeft geleid tot het verschijnen van artikelen van verschillenden aard in De Ingenieur.

De Koninklijke Akademie van Wetenschappen en het Instituut zijn dikwijls met elkander in aanraking geweest en van de zijde van eerstgenoemde is dat altijd aangenaam gevonden, wat te danken is geweest aan de welwillendheid van ir. Van Sandick.

Spr. wenscht er nog persoonlijk aan toe te voegen, dat hij op de H.B.S. wiskundeles genoten heeft van den man, die nu vóór hem zit. Hij is daar trotsch op en herinnert zich die lessen evenzeer gaarne om de opgewekte wijze, waarop zij gehouden werden, gekruid vaak met Indische herinneringen.

Zoo heeft ir- Van Sandick op vele menschen een beteekenenden invloed uitgeoefend.

 

Ir. R. A. van Sandick verheugt zich over hetgeen dr. Versluys zeide en het doet spr. genoegen dezen dag te mogen hooren dat de jongens, die op de Amsterdamsche hoogere burgerschool waren, zoo goed met hem omgingen. Spr. heeft hen' altijd aangespoord om een loopbaan te kiezen, welke voor hen geschikt was, en de heer Versluys is zeker wel een voorbeeld hoe men daarin slagen kan.

Spr. verzoekt zijn dank over te brengen aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen.

 

Ir. Wouter Cool besluit met enkele zinsneden het „woordkunstfestijn" van den middag. Onder aanbieding van een kussen waarop bevestigd is de zilveren sleutel van het Instituutsgebouw, legt hij verband tusschen de werkelijke, overdrachtelijke en symbolische beteekenis van deze voorwerpen om te eindigen met de woorden: Gezegend, waart gij tot zegen; waarop ir. Van Sandick in gelijkgestemden zin zijn opvolger hartelijk beantwoordt.

 

Wat verder volgde?

Een langzaam wegebben van de receptiegangers medenemend de herinnering aan een schoonen middag; Van Sandick en de zijnen achterlatende in de beste omstandigheden en uiterst dankbaar voor de gewisselde handdrukken en goede woorden; hopend op een herhaald weder-ontmoeten.

Naklanken.

Zooals in de vorige aflevering van De Ingenieur blz. A 13 bericht werd, zou, mede aan de hand van foto's, nader teruggekomen worden op het door ir. E. van Konijnenburg ontworpen en uitgevoerde Handteekeningenboek, door den president van het Instituut op 2 Januari l.l. aan ir. R. A. van Sandick overhandigd.

De beschrijving en toelichting van deze gave, door den schepper geleverd op den aangeduiden gedenkwaardigen middag, begon met de verklaring, dat, indien enkele teekeningen niet zoo zijn uitgevallen, als men gaarne had gezien, dit een gevolg was van de haast, waarmede moest gewerkt worden, en niet veroorzaakt werd door gebrek aan sympathie voor de taak, welke spreker op zich had genomen; integendeel, zijn sterk vriendschapsgevoel tegenover ir. Van Sandick heeft hem aangevuurd.

De band (fig. 1) van het album is vervaardigd van perkament, eenvoudig en deftig, sober versierd in gouden lijnen. Er staat alleen op Rudolf Adriaan van Sandick. Men spreekt toch ook niet van „mijnheer" Napoleon! Er is slechts één Van Sandick.

Boven den naam staat het familiewapen. Met dubbel genoegen heeft spr. dat geplaatst, omdat er een rad in voorkomt; niet omdat Van Sandick het vijfde wiel aan den wagen zou beduiden of dat zijn werk te maken zou hebben met het rad van avontuur; neen, het is een „stuur"rad, symbool van de groote stuwkracht, welke van Van Sandick is uitgegaan, van de leiding, welke hij aan het weekblad De Ingenieur heeft gegeven, en van de voortreffelijke wijze, waarop hij het secretariaat heeft bekleed.

Slaat men het boek open, dan ziet men het schutblad, samengesteld uit een mengeling van kleur en lijn, om van den sober gehouden band over te gaan tot de versiering der bladen. Een veelheid van kleur en motief als symbool van den rijken geest van ir. Van Sandick.

Op bladzijde 1 vindt men de groote tijgerlelie, waarin staat: Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Kon het anders? De tijger, omdat er van Van Sandick altijd kracht uitging, als er gevochten moest worden, en de lelie als symbool van de vriendschap en van de waardering, die hem allerwege wordt betoond.

Op de tweede pagina treft men het portret van Van Sandick aan met zijn sympathiek uiterlijk. Er is een eenvoudige randversiering van anemonen aangebracht, stemmig van kleur in overeenstemming met de beeltenis, en om op dit laatste de volle aandacht te vestigen.

Voorts volgt „de opdracht" (fig. 2), dat ir. Van Sandick is benoemd tot honorair-adviseur van het Instituut.. Rondom is een versiering aangebracht met de passiebloem, welke gekozen werd, wijl ir. Van Sandick in zijn functie van Algemeen Secretaris getoond heeft, een sterke passie voor zijn werk te bezitten en die functie tot een groote hoogte heeft weten op te voeren.

Spr. komt dan tot het onderdeel, (fig. 3), waarop, in het midden, is gebracht de gouden medaille van het Instituut, welke ir. Van Sandick zoo juist werd toegekend. De penning is omringd en geschraagd door de twee tenanten van het familiewapen van VAN SANDicK, om tot uitdrukking te brengen, dat ir. Van Sandick zijn positie en het vak van den ingenieur boven het normale peil heeft weten te brengen.

Het symbool van de „hulde" treft men verder gaande aan. De witte banden in de daarop aangebrachte teekening, die alle voeren naar het woord ,.hulde", zijn het symbool, dat deze uit alle hoeken van de wereld is toegevloeid. Het reeds genoemde stuurrad bekroont het geheel.

Ir. Van Sandick zal daarna zien wat voor hem nog meer en grooter waarde bezit (fig. 4), n.l., de handteekeningen van ons doorluchtig Vorstenhuis, van Hare Majesteit de Koningin en van Z. K. H. den Prins der Nederlanden, respectievelijk als Beschermvrouwe en Beschermheer van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Alles is gehouden in oranje en blauw, de vorstelijke kleuren, in lichten toon uitgevoerd, ten einde handteekeningen, welke zulk een groote beteekenis hebben, des te duidelijker te doen uitkomen.

Het laatste blad kondigt aan, de leden van den Raad van Bestuur, de Commissie van Toezicht op de redactie van De Ingenieur, de eere-leden en de leden van het Instituut.

Aan het eind 1)1) De nog niet geplaatste handteekeningen met die, welke uit de Nederlandsche Koloniën en overige vreemde werelddeelen onderweg zijn, zullen in een tweeden band verzameld worden en aan ir. Van Sandick uitgereikt. Ook dit werk c. a. hiervan zal toevertrouwd worden aan de firma J. Brandt & Zn. te Amsterdam, die op zoo uitnemende wijze haar medewerking schonk. prijkt een vignet, waarop spreker's naam voorkomt. Hij heeft dit aldus gedaan, opdat ir. Van Sandick, als hij het album bekijkt, zal denken aan iemand, die zich in zijn vriendschap blijft aanbevelen.

Spr. hoopt tenslotte, dat Van Sandick het geheel zal willen beschouwen als een kleine hulde, door spreker aan hem gebracht op dezen voor allen zoo merkwaardigen dag.

 

Aldus sprak collega Van Konijnenburg en nauw had ir. Van Sandick hem de hand gedrukt of „de groep Nederlandsch-Indië", werd aangekondigd, zij kon niet wachten; en .... „Een in het hart bewaarde rede, die op de lippen gesmoord werd" was geboren; zij trede thans in het volle licht.

„Door een van de wonderen der techniek werd ik op de afscheidsreceptie plotseling uit het midden der mij met zooveel vriendschap en sympathie omringende Nederlandsche schare weggeroepen naar Indië om de hartelijke woorden van den voorzitter der mij zoo na aan het hart liggende groep Nederlandsch-Indië in ontvangst te nemen. In Europa teruggekeerd, sneller dan met het vlugste vliegtuig, werden mij, nauwelijks ook met mijn gedachten weder in Nedeil ind aangeland, van verschillende zijden zoovele vriendelijke woorden toegevoegd, die zoo velerlei emoties bij mij wakker riepen, dat ik geen gelegenheid had, terug te denken aan hetgeen plaats vond even vóór mijn uitstapje naar Indië, namelijk de bloemrijke, pakkende toelichting, die ir. E. van Konijnenburg gaf bij de demonstratie van het wondermooie album. Eerst aan het einde van den middag, toen wij, in beperkter kring, het boek nogmaals bewonderden, drong het tot mij door, dat ik hier in gebreke was gebleven. Ik heb het tegen Van Konijnenburg persoonlijk gezegd en wij kennen elkaar te goed, dan dat ik behoef te vreezen, dat hij een oogenblik zou denken aan gemis van waardeering mijnerzijds voor hem of voor zijn onvolprezen werk, „hoe snood ondankbaar zou ik wezen!"

„Maar vrede heb ik er niet mee, daarom is het mij een behoefte hier openlijk mijn hulde en dank te uiten.

 

„Waarde vriend Van Konijnenburg, het is wel een uiterst zeldzame combinatie, dat iemand, die zulk een grooten naam heeft als waterstaatsingenieur, tevens een fijnzinnig uitvoerend grafisch kunstenaar is; Uw verwantschap met Uw naamgenoot WILLEM van Konijnenburg, wiens schilderijen zoo verrassend uw mooie woning te Ismaïla tooiden, toen ik aldaar in 1920 mocht vertoeven, na een bezoek aan de uitvoering van de havenwerken van Suez, door de onder uw leiding staande Entreprise Bos. Gijzelf waart toen afwezig voor een technische reis naar Palestina.

„Verschillende malen heeft de technische wereld gelegenheid gehad uw artistieke talenten te bewonderen, de eerste maal bij de verluchting van het Gedenkboek van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1847-1897, dat werd ingezonden op de Wereldtentoonstelling te Parijs 1900. In 1906 hebt Ge het fraaie album vervaardigd, dat ir. G. van Diesen op zijn 80sten verjaardag werd aangeboden. „Onzen ingenieur-artiest" noemde ik u toen in het Van Diesen-Feestnummer van De Ingenieur.

„In de lange reeks van jaren, dat de ingenieur Van Konijnenburg den naam van de Nederlandsche waterbouwkundigen hielp hooghouden in Egypteland, trad de artiest voor ons op den achtergrond. Weinig heb ik kunnen vermoeden, dat deze, te mijner eere, uit zijn tent zou worden gelokt.

„Ik weet niet wat ik het meest bewonderen moet, de dichterlijke gedachte in zoo mooi gevonden symbolen gedemonstreerd of de schitterende uitvoering, maar het meest heeft mij in het hart gegrepen de vriendelijkheid en de toewijding, waarmee Gij dit groote werk voor mij hebt willen doen en daarom zal het bescheiden slotvignetje, dat Uw naam draagt, voor mij steeds hooge waarde hebben."

Zoo dacht en zoo schreef ir. R. A. van Sandick.

Ir. Wouter Cool.

instituut, Ingenieur, Vereeniging, Commissie, algemeen, president, delft, java, krakatau, hoofd redacteur, beteekenis, voorzitter, Dijxhoorn, secretaris, Sangster, Stieltjes, Waterstaat ingenieur, Wegencongres, Hoogeschool, herinnering, weekblad, bureau, vertegenwoordiger, electrotechniek, werktuig bouw kunde, honorair, koninklijk, prins, hendrik,