HOOFDSTUK I.
Emigratie.

EMIGRATIE IN HET ALGEMEEN.

Oorzaken der emigratie

De liefde voor zijn land is een ieder aangeboren. Er moeten dus bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor iemand ertoe komt om de plaats zijner geboorte te verlaten, eer hij de streken, waar hij in zijn jeugd heeft gespeeld en gewerkt, de omgeving, waarin hij verkeerde, de personen, die hij heeft lief gehad en die hem hebben bemind, den rug toe keert om elders, vaak in verre oorden, datgene te verkrijgen, wat hem in zijne oude woonplaats ontbrak. We zien in hem denzelfden drang tot verplaatsing wij bij alles wat leeft kunnen opmerken.

De strijd om het bestaan dwingt alles, wat ademt, naar nieuwe, zo het kan ook betere levensvoorwaarden te zoeken. Vogels, visschen en de dieren, die op het land leven, zij allen maken dikwerf groote reizen om voor zich zelven of voor hunne jongen geschikter voeding te vinden; ja, zelfs planten, struiken on boomen verspreiden zich over die gedeelten der aarde, waar het leven voor hen mogelijk is. Alles wat leeft heeft de strekking om zich te vermeerderen, en elke soort van levend wezen zou weldra de geheele aarde voor zich alleen opeischen, indien hare toeneming niet werd geremd door machten sterker dan die soort.

Zoo heeft ook de bevolking neiging steeds te vermeerderen. Wanneer de voor die bevolking beschikbare voedingsmiddelen met hare toeneming geen gelijken tred houden, geraakt zij in een toestand van verarming en zij, die aan die verarming wenschen te ontgaan, verlaten hun oude woonplaatsen.

* Zoo is het steeds toenemen der bevolking de hoofdoorzaak der landverhuizing. Daar landverhuizing op zich zelf, op hoe groote schaal ook toegepast, nimmer de aanwas der bevolking kan stuiten, zal, zoolang niet op andere wijzen de bevolkingstoename wordt tegengegaan, de emigratie een dagelijksch verschijnsel zijn. Slechts voor een klein land kan de emigratie het cijfer der bevolking doen dalen. In Ierland is door haar de bevolking gedaald van 8.179.000 in 1842 tot 4.700.000 in 1891.

Verschillende wijzen van emigratie.

* De moderne landverhuizing heeft een geheel ander karakter dan die in vroegere eeuwen. De nomaden-volkeren trokken eertijds van het eene land naar het andere om voedsel voor hunne kudden vee te zoeken. Het waren de hoofden van familiën die met hunne bloed- en aanverwanten, onderhoorigen en slaven zich in andere oorden nederlieten. In latere tijden kreeg men de verwoestende invallen van barbaarsche stammen, die zich voor korteren of langeren tijd ophielden tusschen de door hen onderworpenen. Nog later zien wij hoe stoutmoedige avonturiers er op uittrekken om goud of andere rijkdommen te bemachtigen, en in nieuw ontdekte streken blijven wonen. Ook verlieten velen om redenen van godsdienst vrijwillig of gedwongen hun land om zich in verwijderde streken daar te vestigen waar zij het dierbare geloof rustig konden belijden.

De tegenwoordige emigratie geschiedt niet meer door eene menigte, die gezamelijk eene onderneming en hetzelfde doel beoogt, maar door een groot aantal personen, die ieder voor zich handelen, zonder in eenige betrekking te staan tot hunne medereizigers.

Wetten en regelingen betreffende de emigratie.

Waar vroeger het recht om te emigreeren met het oog op de landsverdediging dikwerf door vorsten en regeeringen aan de onderdanen werd onthouden, is thans overal het beginsel van de persoonlijke vrijheid erkend. De thans heerschende wetten en regelingen betreffende de emigratie hebben ten doel zooveel mogelijk de emigranten te beveiligen tegen afzetterijen en bedriegerijen van de zijde van hen, die de landverhuizers trachten te exploiteeren. Bovendien geven zij meestal aan op welke wijze de oude nationaliteit wordt verloren en de nieuwe verkregen. Al die wetten en regelingen zijn in vele landen ongeveer gelijk; hoofdzakelijk worden bepalingen gegeven van transport der landverhuizers, en voor het geven van inlichtingen aan hen, die wenschen te emigreeren.

Toch, als wij de wetten omtrent de immigratie met elkander vergelijken, dan zien wij aanstonds ook een groot verschil. Er zijn landen, wier wetten er op gericht zijn, zooveel mogelijk werkkrachten te verkrijgen voor de ontginning van de uitgestrekte, braakliggende terreinen, en er zijn andere, die de immigratie zooveel mogelijk belemmeren, aangezien zij beducht zijn voor het binnenstroomen van ongewenschte, goedkoope werkkrachten, die voor de eigen onderdanen gevaarlijke concurrenten zouden zijn, omdat zij met eenen lageren levensstandaard genoegen nemen.

Als voorbeelden van beide soorten noemen wij hier Argentinië, dat zooveel mogelijk immigranten binnen zijne grenzen haalt en de Vereenigde Staen van Amerika, die alle minwaardige elementen er buiten sluiten.

Argentinië als type der landen die immigratie aanmoedigen.

Argentinië heeft bij de wet van 1876 een departement van immigratie opgericht, dat belast is met het beschermen van de landverhuizers bij hunne aankomst, en zorgt voor de vereischte aanrakingen met de autoriteiten, en het reizen naar de binnenlanden. Bij dezelfde wet werd bepaald, dat er agenten naar Europa zouden worden gezonden om propaganda te maken voor de immigratie naar Argentinië en alle inlichtingen te geven aan hen die naar dat land wenschen te vertrekken. Bovendien werden op staatskosten immigratie-comité's opgericht in de voornaamste steden in de provincies en in de havens van debarkement, om de immigranten te ontvangen, te huisvesten, door te zenden en tevens inlichtingen te geven omtrent de streken waarheen de landverhuizers wenschen te gaan. Ondergeschikt aan het departement van immigratie en de immigratie-comité's werden plaatsings-bureaux opgericht, belast met het ontvangen van aanvragen om werkkrachten, terwijl zij tevens moesten toezien op richtige nakoming van de gesloten contracten door de werkgevers.

De Vereenigde Staten van Amerika als type der landen die minwaardige immigranten uitsluiten.

De Vereenigde Staten van Amerika hebben bij de wet van 3 Maart 1903 de immigratie verboden aan:

  1. 1°. hen, die idioot of krankzinnig zijn, aan vallende ziekte lijden, of een aanval van waanzin hebben gehad in den loop der laatste vijf jaren;
  2. 2°. hen, die behoeftig zijn, en hen, die wegens gezondheidsredenen weldra ten laste van de openbare liefdadigheid zullen vallen;
  3. 3°. hen, die lijden aan afzichtelijke of besmettelijke ziekten;
  4. 4°. hen, die eene veroordeeling hebben ondergaan wegens bedrog of andere delicten, welke eene eerlooze daad in zich bevatten;
  5. 5°. hen, die anarchisten van de daad zijn of theorieën van vernieling prediken, willende door geweld de bestaande regeeringen omverwerpen, hetzij in de Vereenigde Staten, hetzij daarbuiten;
  6. 6°. vrouwen, die zich overgeven aan prostitutie en hunne geleiders;
  7. 7°. hen, die in een tijdsverloop van een jaar voorafgaande aan den datum van ontscheping, wegens overtreding van de Amerikaansche wet zijn uitgezet geworden;
  8. 8°. hen, wier reiskosten betaald zijn geworden door anderen, door een bloedverwant of een vriend, wonende in Amerika. Het is verboden aan elk persoon, elke vereeniging of corporatie op welke wijze ook, de reiskosten naar de Vereenigde Staten voor te schieten, of op welke manier ook het binnenkomen van eenen vreemdeling in het gebied der Vereenigde Staten te vergemakkelijken, indien zulks geschiedt met een aanbod of eene overeenkomst, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, uitdrukkelijk of stilzwijgend, om werk te verrichten.

Zij, die dit verbod overtreden, worden gestraft met eene geldboete van duizend dollars voor elk persoon, in strijd met de wet aangebracht; en deze laatste wordt teruggezonden zonder schadeloosstelling te onvangen van hen, die hem hebben bedrogen, tenzij die personen hebben verzuimd hem te waarschuwen voor het gevaar om te worden teruggezonden. Hieronder volgen eenige cijfers betrekkelijk de emigratie en -unigratie van verschillende streken om eenig denkbeeld te geven van de belangrijkheid daarvan.

Cijfers, aantoonende de belangrijkheid der emigratie uit Europa.

* Volgens Mulhall's Dictionnary of Statistics bedroeg het aantal emigranten uit Europa in 62 jaren tijds n.m. van 1820 tot 1882: 17,133,000, waarvan 8,570,000 Britsche onderdanen, 4,614,000 Duitschers, 708,000 Italianen, 663,000 Scandinaviërs, 441,000 Spanjaarden en Portugeezen, 384,000 Franschen, 172,000 Zwitsers en 1,581,000 van verschillende nationaliteit. De emigratie uit Europa zou dus gedurende deze 62 jaren gemiddeld per jaar hebben bedragen 275,000 zielen.

Van die 17,133,000 emigranten zouden er 11,738,000 naar de Vereenigde Staten van Amerika zijn vertrokken.

Bovengenoemde cijfers zijn uit den aard der zaak slechts bij benadering juist.

Volgens M. Mulhall zouden in de Vereenigde Staten van 1820 tot 1880 zijn geimmigreerd 10,281,000 personen waaronder 4,838,000 Engelschen, 3,212,000 Duitschers, 826,000 Canadeezen, 427,000 Scandinaviërs, 345,000 Franschen, 231,000 Chineezen en 402,000 personen van verschillende nationaliteit.

* Volgens eene Italiaansche Statistiek bedroeg het aantal emigranten uit Europa over de jaren 1899-1905:

Jaren.1899190019011902190319041905
Italië145.440171.735288.947295.443292.033267.249459.349
Oostenrijk56.57462.03065.03893.687102.31679.016123.747
Hongarije42.67754.08071.34982.886119.92186.212163.023
België1.4562.2152.7693.4644.1174.1914.492
Denemarken2.7993.5704.6576.8238.2149.0348.051
Duitschland22.69720.92120.87430.91535.45327.26527.403
Groot Brittanje146.362168.825171.715205.662259.950274.435262.077
Noorwegen6.69910.93112.74520.34326.78422.26421.059
Nederland1.3471.8991.8742.3012.9632.4402.297
Portugal17.54120.86120.43923.88021.29127.92733.318
Rusland44.20156.62646.88858.47472.22384.12078.469
Spanje33.63859.26053.30448.52953.66083.509122.041
Zweden12.02816.43420.46433.47735.979??
Zwitserland1.7012.6502.6983.6174.6693.7273.780

Frankrijk is in de tabel niet begrepen. Gedurende de jaren 1891 tot 1893 had het officieel eene emigratie van 5,500 à 6,200 zielen per jaar. Daarna heeft men geene cijfers meer gepubliceerd.

Opmerkelijk is het, dat de emigratie uit Duitschland, welke in de jaren 1880 tot 1892 ver boven 100,000 personen bedroeg, ja zelfs in 1881 220,902 en in 1882 203,585 zielen telde, sedert zoo sterk is achteruitgegaan.

Daarentegen is de emigratie van de Latijnsche rassen met reuzenschreden vooruitgegaan. Italië staat in deze vooraan. Onder de boven opgegeven cijfers van de emigratie uit Rusland zijn niet begrepen de emigranten naar Siberië en Centraal-Azië. Een groot deel der Russische emigranten van de laatste jaren wordt gevormd door de uit Rusland verdreven joden.

* Vergeleken met de bevolkingsdichtheid bedroeg de emigratie naar landen buiten Europa:

Landen.Aantal inw. per KM2.Aantal emigranten naar landen buiten Europa per 1000 inwoners.
190019011902190319041905
Italië1135.318.879.008.838.0113.67
Oostenrijk872.392.463.533.81--
Hongarije592.823.684.236.064.35-
Denemarken641.471.902.763.253.54-
Duitschland1040.400.390.540.61--
Engeland2153.183.424.165.32--
Schotland574.614.665.808.048.09-
Ierland5410.288.759.5310.3213.23-
Noorwegen74.975.719.0811.839.79-
Nederland1590.370.360.500.300.45-
Zweden113.203.976.456.90--
Zwitserland800.800.891.081.351.09-

Bij al de bovengenoemde getallen der emigranten is geen rekening gehouden met hen, die weder naar hun vaderland zijn teruggekeerd. Daaromtrent is geen statistiek aangehouden, doch men kan het aantal der teruggekeerde emigranten schatten op ongeveer een vijfde van het aantal der vertrokkenen.

Dit aantal van één vijfde, door Leroy-Beaulieu aangenomen, is wat de laatste jaren aangaat, niet juist. Er is in den aard van het landverhuizersverkeer eene verandering gekomen. Dit blijkt ook uit een artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 28 Juli 1908, dat we hieronder laten volgen:

Landverhuizing naar Amerika.

Zooals men weet is het landverhuizersverkeer naar Amerika, sedert het uitbreken van de crisis, aanmerkelijk afgenomen. Van welken omvang de vermindering was, is gebleken uit de onlangs door de regeering der Unie openbaar gemaakte gegevens betreffende het landverhuizersvervoer in het op 30 Juni j.l. geeindigde dienstjaar, welke aantoonden dat het aantal personen, die zich in de Vereenigde Staten zijn komen vestigen slechts 687,000 heeft bedragen, tegen 1,300,000 in het voorafgaande jaar, een vermindering dus tot nagenoeg op de helft. De regeering der Vereenigde Staten maakt evenwel geen statistische gegevens openbaar nopens het aantal der uit de Unie naar hun vaderland terugkeerende landverhuizers. Niettemin meent de regeeringscommissaris voor het landverhuizersverkeer te mogen aannemen, dat er zich tijdens het afgeloopen dienstjaar per saldo niet meer dan 100,000 personen uit den vreemde in de Vereenigde Staten zijn komen vestigen. Uit de mededeelingen, door de Transatlantische Stoomvaart-conferentie verstrekt, is intusschen gebleken, dat alleen in de eerste helft van het loopende jaar niet minder dan 390,476 personen in tusschendeksvervoer naar Europa zijn vertrokken. De agenten der stoomvaartmaatschappijen te New-York, hebben zelfs becijferd, dat in het geheele dienstjaar 1907/'08 het aantal personen die uit de Vereenigde Staten naar hun vaderland zijn teruggekeerd, het getal dergenen, die zich in Amerika zijn komen vestigen, nog heeft overtroffen. Daarbij wordt er op gewezen, dat dadelijk na het uitbreken van de crisis in October 1907, een reusachtige uittocht van landverhuizers naar Europa plaats greep en dat in November en December nagenoeg alle uit New-York vertrekkende stoomschepen met tusschendekspassagiers overvuld waren. In die beide laatste maanden van het kalenderjaar daalde het aantal in Amerika aankomende landverhuizers tot 175,492, terwijl van 1 November 1907 tot 1 Juli 1908 in het geheel slechts 369,331 tusschendekspassagiers in de Amerikaansche havens zijn aangekomen. Het aantal naar hun vaderland terugkeerende personen was in November en December j.l. 296,222. Voegt men daarbij het aantal dergenen, die in het eerste halfjaar van 1908 naar hun land teruggingen, dan krijgt men een cijfer van 686,698. Sedert het uitbreken van de crisis is dus het aantal personen, die uit de Unie naar hun land terugkeerden, nagenoeg tweemaal zoo groot geweest als het getal dergenen, die zich in de Unie kwamen vestigen. Wat dat beteekent, blijkt b.v. uit een vergelijking met het kalenderjaar 1906, toen 1,231,146 landverhuizers in de Vereenigde Staten aankwamen en daartegenover slechts 341,368 personen naar hun vaderland terugkeerden.

Uit den geweldigen terugtocht van landverhuizers, welke in den laatsten tijd heeft plaats gegrepen, blijkt wel, dat er in den aard van het landverhuizersverkeer een verandering is gekomen. Het overgroote gedeelte der landverhuizers naar Amerika bestaat niet meer uit personen, die zich in de Nieuwe Wereld gaan vestigen om daar in het Verre Westen in het landbouwbedrijf een toekomst te vinden, maar het zijn thans meer de werklieden in verschillende takken van nijverheid, die, aangelokt in tijden van bloeiende industrie, wanneer er arbeid tegen goed loon te vinden is, naar de Vereenigde Staten trekken om evenwel, zoodra hun diensten niet meer van noode zijn, naar hun land terug te keeren. De N.-Y. Handels-Ztg., die deze opmerking maakt, is van oordeel, dat de Amerikanen die een beperking van deze soort van landverhuizing verlangen, zich daarmede zelf in de vingers zouden snijden, wijl toch de vreemde arbeider alleen maar komt, wanneer men hem in de Vereenigde Staten gebruiken kan, terwijl hij dadelijk weer zijn biezen pakt, wanneer zijn diensten overbodig zijn geworden. Een druk op de arbeidsmarkt oefent hij derhalve niet uit, meent het blad, wel echter biedt hij groote hulp in tijden van gebrek aan arbeidskrachten. En een land, dat een dergelijke goede bron van arbeidskrachten ging dichtstoppen zou dan ook dwaas handelen.

Een door de Atlantische scheepvaartconferentie gepubliceerde statistiek geeft een belangwekkend overzicht van het landverhuizersverkeer naar en uit Amerika sedert 1895, het jaar, toen de gevolgen van de paniek van 1893 nog duidelijk merkbaar waren:

 Aantal
reizen.
1e klas.2e klas.Tusschendeks.
Naar Amerika vertrokken:
1895-65,10149,760329,246
1896-61,02056,490314,426
1897-54,05053,615240,285
1898-46,70553,675274,308
18991,20663,90664,298388,911
19001,20077,05086,321507,755
19011,27773,88282,430549,526
19021,33877,01897,215763,730
19031,48080,415130,906894,926
19041,40680,450126,763767,880
19051,41790,619149,8661,010,345
19061,65398,518191,1781,231,146
19071,759110,118220,3111,387,307
Uit Amerika vertrokken:
1895-62,68839,533154,071
1896-61,14556,092127,760
1897-54,05742,982129,482
1898-46,03738,992124,516
18991,11166,16448,607118,212
19001,08774,32864,056156,320
19011,20670,33854,155142,677
19021,20774,37158,836178,562
19031,37876,62366,395154,220
19041,36980,02170,891374,263
19051,41088,36776,996246,480
19061,46093,08390,074341,368
19071,575101,709109,951580,914

De beambten van den landverhuizersdienst verwachten in het loopende jaar geen noemenswaardige vermeerdering van het aantal aankomende landverhuizers. Zij zijn er intusschen op uit om in dezen stillen tijd de faciliteiten van het Ellis-eiland te verhoogen, ten einde, zoodra de nijverheid in de Vereenigde Staten weder meerdere levendigheid toont en een nieuwe stroom van landverhuizers naar de Unie trekt, beter toegerust te zijn dan voorheen.

Waar de gewone immigratie-wetten niet voldoende waren om ongewenschte elementen uit te sluiten, heeft men voor hen speciale wetten gemaakt. Voorop staat het beginsel, dat elk land gerechtigd is om de immigratie te regelen zooals het zelf verkiest, zoolang het niet door tractaten met andere landen daarin is gebonden.

Speciale wetten tegen immigratie van Chineezen.

* Zoo zien wij dat de Vereenigde Staten van Amerika in 1879 een wet aannemen, waarbij de immigratie der Chineezen kortweg werd verboden, niettegenstaande zij in 1868 een verdrag met China hadden aangegaan, waarin de vrije emigratie en vestiging der wederzijdsche onderdanen was bepaald. De President sprak dan ook zijn veto uit tegen het besluit van het congres. Men verlangde nu eene wijziging van het tractaat met China. In 1880 had die wijziging plaats. De Vereenigde Staten beloofden de Chineesche immigratie niet te verbieden, en de in de republiek aangekomen Chineezen dezelfde behandeling toe te staan als aan de onderdanen van de meest begunstigde natie. China daarentegen stond aan de Vereenigde Staten het recht toe om de immigratie te regelen en tijdelijk te verbieden. Op grond van dit verdrag verbood de Unie in 1882 de immigratie der Chineezen voor een tijdperk van 10 jaren. In dien tijd waren er ongeveer 105.000 Chineezen in de Unie. Deze stonden in Californië aan groote afpersingen bloot, en daarom bood China aan om de emigratie naar Amerika te bemoeilijken.

Toen een daarop betrekking hebbend verdrag, waarover in 1888 werd onderhandeld, niet tot stand kwam, verbood de Unie de verdere toevoer van Chineezen voor den tijd van 20 jaren, en sloot ook de Chineezen uit, die, reeds in Californië gevestigd, juist naar hun vaderland op reis waren.

In 1894 keurde China de door de Vereenigde Staten van Amerika genomen maatregelen goed. Het congres werkte de tegen de Chineezen genomen bepalingen verder uit en deze werden in 1902 voor onbepaalden tijd in werking gebracht.

De handelingen van de Unie vonden navolging in Australië. In 1888 werd reeds bepaald, dat de schepen voor elke 500 ton inhoud, slechts één Chinees mochten ontschepen. Sedert de totstandkoming van het Gemeenebest zijn alle kleurlingen-immigranten uitgesloten. Slechts zij, die eene Europeesche taal kunnen spreken en schrijven, mogen Australië binnen komen.

* Uitzonderingswetten voor de Chineezen-immigratie bestaan verder o.a. in de republieken Columbië, (wet van 29 November 1892) Equador, (decreet van 12 October 1899) Panama (wet van 11 Maart 1904) Costa-Rika, (decreet van 22 Mei 1897, gewijzigd 6 Maart 1904) Mexico.

Verder vinden wij dergelijke bepalingen voor de Philippijnen (Chinese exclusion regulations approved May 3, 1905) de Britsche koloniën in Zuid-Afrika, en Nieuw-Zeeland (An Act to regulate the immigration of Chinese, 1881, n. 47) met de latere wijzigingen, het laatst in 1901).

* Dat ontduikingen plaats hebben, blijkt o.a. uit een bericht uit Ottawa, dat er in Canada voortdurend Chineesche koelies, die fl. 1200 per man moeten betalen om in Canada te worden toegelaten, op valsche stukken als kooplui, die dat hoofdgeld niet behoeven te betalen, het land zijn binnengekomen. Men vermoedt, dat er zoo een 300 Chineezen zijn binnengeslopen.

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 30 Mei 1908 vond ik het volgende bericht:

Het is bekend, hoe streng de immigratie-wetgeving van de Vereenigde Staten waakt tegen het binnenkomen van Chineesche koelies. Toch trachten voortdurend Chineesche arbeiders het beloofde land binnen te dringen. Om de waakzaamheid der immigratie-beambten te verschalken nemen deze koelies hun toevlucht tot de meest gedurfde kunstgrepen.

Dezer dagen is te Washington bericht ontvangen van een immigratiebeambte te El Paso (Texas), dat 12 Chineezen in kisten per spoor uit Mexico naar een stad binnen de Vereenigde Staten waren verzonden. Maar door een verzuim waren er geen luchtgaten in de kisten aangebracht; en bij opening op de plaats van aankomst bleken alle 12 gesmokkelde mannen te zijn gestikt. Een soortgelijke ramp moet kort geleden zijn voorgevallen. Chineezen die op clandestiene wijze naar de Vereenigde Staten wilden worden gebracht, verstopten zich in een koelruim van een vleeschboot. Toen zij werden ontdekt, waren zij doodgevroren.

Dergelijke smokkelpartijen geschieden met behulp van Chineezen binnen de Vereenigde Staten, die hun op minder-gebruikelijke wijze verzonden landgenooten aan het station van aankomst in ontvangst weten te nemen, zonder dat het de aandacht trekt der autoriteiten.

Tropische landen hebben gekleurde arbeidskrachten noodig.

Wanneer wij den blik wenden naar de tropische landen, waar het eigenlijke veldwerk voor blanken niet mogelijk is, dan zien wij, over het algemeen genomen, dat de landen die gebrek aan arbeidskrachten hebben, eene geheel andere houding tegenover de immigratie van kleurlingen aannemen. Voor die landen is het verkrijgen van kleurlingen-arbeiders dikwerf eene levensquestie. De koloniseerende Europeesche rassen voorzagen in vroegere eeuwen in die behoefte door aanvoer van slaven in grooten getale. Er ontstond een levendige handel in gekleurde menschen.

Slavenarbeid.

* Reeds in 1444 werd voor den slavenhandel in de Portugeesche havenplaats Lagos een compagnie opgericht. De op de Westkust van Afrika bemachtigde negerslaven werden hoofdzakelijk in Madeira voor de suikerindustrie gebruikt.

Spanje gebruikte voor zijne nieuw-ontdekte koloniën in Amerika eerst de inboorlingen van het land zelf. Toen deze voor het zware werk ongeschikt bleken, en in groote massa's stierven, haalde men negerslaven uit Afrika.

Franschen, Engelschen en Hollanders volgden het voorbeeld van de Portugeezen en Spanjaarden.

De volgende cijfers geven een denkbeeld van de uitgebreidheid van den toenmaals bloeienden handel in slaven.

In Jamaika alleen was het aantal negerslaven in 1662 500, in 1698 was dit getal gestegen tot 40,000, in 1775 tot 192,000. Velen stierven van gebrek; van 1709-1775 zijn er totaal 474,700 naar Jamaika vervoerd.

In Virginië bevonden zich in 1755 reeds 100,000 negerslaven.

Naar de Fransche koloniën werden van 1767-1777 gemiddeld jaarlijks ongeveer 30.000 slaven vervoerd. In 1779 werd het aantal slaven in de Fransche koloniën geschat op 478.000. In 1790 waren er alleen op St.-Domingue ongeveer 452.000.

In de negentiende eeuw begon de strijd tegen den slavenhandel hoe langer hoe heftiger te worden; door de publieke opinie gedwongen namen de betrokken regeeringen krachtdadige maatregelen. Vooral Engeland heeft in de afschaffing van den slavenhandel en de slavernij zich met recht een eereplaats verzekerd; het heeft een werkzaam aandeel er in gehad.

Het is wel te begrijpen, dat de koloniën zich zoolang mogelijk verklaarden voor de handhaving van den voor haar in economischen zin voordeeligen toestand, en de maatregelen, tegen de slavernij genomen, met leede oogen aanzagen.

De vrij verklaarde slaven weigerden in vele streken te werken en het daardoor ontstane gebrek aan werkkrachten veroorzaakte dan een crisis, welke, al naar mate in de dringende behoefte door geimmigreerde koelies kon worden voorzien, korter of langer duurde. West-Indië kreeg er een gevoeligen knak door, en wist zich geruimen tijd hiervan niet te herstellen.

Na afschaffing der slavernij, koelie-arbeid gebezigd.

Toen men dus in de koloniën gedwongen werd naar vrije koelies om te zien, sloeg men het oog op Aziaten. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn door de gunstige resultaten, welke men in 1815 in Mauritius had verkregen met het gebruiken van Indische gestraften.

Bovendien waren sedert jaren tal van Indiërs geëmigreerd, vooral na misoogsten. Van deze omstandigheid werd gebruik gemaakt door zooveel mogelijk de Indische landverhuizers te bewegen naar Mauritius te gaan. Van 1843-1860 zijn naar Mauritius alleen geimmigreerd ongeveer 274.000 Indiërs, van welk getal er slechts 49.000 weer weggetrokken zijn. De immigranten werden in den regel voor 5 jaren gehuurd tegen een vast maandelijksch loon van 4 dollars of tegen een bepaald dagloon. Bovendien kregen zij vrijen overtocht. In de jaren 1848-1860 immigreerden ongeveer 18.500 Indiërs in Britsch West-Indië.

De Franschen begonnen na de opheffing van de slavernij gedeporteerden naar Guyana te zenden en de immigratie van blanken in West-Indië van staatswege te bevorderen. Tevens trachtte men koelies uit Pondicherry en China, en negers uit Afrika te betrekken. Om den invoer van Indiërs en Chineezen aan te moedigen, werd aan de scheepskapiteins een premie van 250 francs voor iederen volwassen koelie beloofd. De genomen maatregelen hadden geen voldoende resultaten; Engeland kwam er tegen op en beschouwde de transportschepen van koelies als slavenschepen. De Indiërs en Chineezen kwamen ook veel te duur uit, daar men de premie spoedig moest verhoogen tot 400 en 500 francs.

Om goedkooper aan koelies te komen deed Frankrijk verschillende stappen. In 1861 bewoog het, tijdens de onderhandelingen omtrent een handelsverdrag met Engeland, dit land tot het toestaan van het betrekken van koelies uit Indië. De koelies zouden steeds voor 5 jaren geëngageerd worden, en na afloop van het contract op kosten der Franschen worden teruggebracht. Engeland bedong tevens, dat de koelies per week slechts 6 dagen en per dag slechts 9 1/2 uur behoefden te werken, en dat bij het begin minstens 25 % en daarna meer vrouwen zouden worden mee ingevoerd. Aan de Engelsebe consuls was het recht van toezicht toegestaan.

De Fransche regeering heeft bij de uitvoering van het verdrag verschillende wetten in de koloniën uitgevaardigd, die ten doel hadden de koelies te beschermen. Doch van Engelsche zijde werden steeds klachten aangevoerd over gruwelijke behandeling der koelies. Nadat herhaalde vertoogen vruchteloos gebleven waren, stelde Engeland het verdrag voor Guyana van 1868-1871 voorloopig en daarna in 1878 definitief buiten werking. In 1879 en 1882 geschiedde zulks ook voor Réunion en in 1889 verbood Engeland ook de verdere emigratie van koelies naar de Fransche Antillen.

Frankrijk verscherpte daarop de wetten ter bescherming van de koelies en knoopte nieuwe onderhandelingen met Engeland aan. Het bereikte intusschen slechts bij voorkomende gelegenheden een tijdelijke vergunning om Indiërs uit te voeren, hoewel het in 1893 aan Engelsche commissarissen toestond eene enquête te houden over den toestand der koelies in Réunion.

Aanwerving van koelies in de Engelsche, Fransche en Nederlandsche koloniën, met bestemming elders, verboden.

Wanneer wij nagaan op welke wijze in den tegenwoordigen tijd in de behoefte aan kleurlingen-arbeiders wordt voorzien, dan zien wij, dat, in het algemeen genomen, Engeland, Frankrijk en Nederland den uitvoer van arbeiders uit hunne Indische koloniën hebben verboden. De koloniale staten, welke niet zoo gelukkig zijn bezittingen in Indië te hebben, zijn voor het verkrijgen van werkkrachten aangewezen op Afrika, China en Polynesie.

Verbod van uitvoer van negers.

Nadat, Afrika door de verschillende mogendheden onderling verdeeld werd, is de uitvoer van arbeiders uithunnebezittingen door hen verboden. Slechts bij uitzondering wordt bij bijzondere gelegenheden de uitvoer van de eene kolonie naar de andere toegestaan. In zulke gevallen worden borgstellingen voor de terugbrenging der arbeiders geëischt, en voorwaarden omtrent hunne betaling en behandeling gesteld.

Liberia uitgezonderd.

Alleen van Liberia heeft heden ten dage nog regelmatig een grootere uitvoer van arbeiders plaats. De regeering van Liberia heft een belasting op den uitvoer en heeft maatregelen getroffen voor de betaling en de bijtijdsche terugzending der koelies.

Kanakans.

De werkkrachten die de eilanden der Stille Zuidzee opleveren, werden eerst gebruikt in het Zuidelijk deel van Australië. Hier voldeden zij niet, doch in Queensland waren zij den planters van veel lint, De middelen, die de planters aanwendden om aan die werkkrachten te komen, waren zeer bedenkelijk. Met list en geweld werden de inboorlingen aangeworven op de Nieuwe Hebriden, de Salomonseilanden, en in den Bismarck Archipel. Doordat ook de Fransche koloniën in de Stille Zuidzee, de Fidsji-eilanden en Samoa groote vraag deden naar die inboorlingen, bekend onder den naam van "kanakans", ontstond eromstreeks 1870 een levendige handel in die kanakans, welke gaandeweg het karakter van slavenhandel aannam. Engeland trad hier het eerst tegen op. De transportschepen werden door kruisers geïnspecteerd.

De behandeling der kanakans leverde veel klachten op en derhalve verbood Queensland in het jaar 1885 de verdere aanwerving na 1890. De belanghebbenden in de suikerindustrie ageerden hier zeer krachtig tegen, daar het verbod van aanwerving aan de industrie eene groote schade zou berokkenen. De aanwerving werd in 1892 weer toegestaan, doch op aandringen der blanke arbeiders nam het Australische Gemeenebest in 1901 een besluit, waarbij bepaald werd, dat van af 1 April 1904 de verdere toelating van kanakans zou verboden zijn. Het verzet van Queensland ertegen had geen resultaat.

Thans worden de kanakans nog gebruikt voor de Fransche, Duitsche en Amerikaansche bezittingen in de Stille Zuidzee. Hier bestaan ook bepalingen omtrent de transportschepen, de behandeling der kanakans gedurende de reis en op de plantages.

China, hoofdmarkt van arbeiders voor tropische landen.

Van oneindig meer belang voor het verkrijgen van de noodige werkkrachten in tropische landen is tegenwoordig China.


EMIGRATIE UIT CHINA.

* De immigranten uit China komen uitsluitend uit de provincies Foehkiën en Kwangtoeng. Deze provincies stonden tot aan den val van de Ming dynastie in een soort van vazalverhouding tot het groote Chineesche rijk. De regeerende onderkoningen genoten groote winsten door het handelsverkeer met de Zuidelijker gelegen landen en legden daarom aan de daarmee verbonden emigratie niets in den weg.

Houding der Chineesche regeering in zake emigratie

Toen de Mantsjoe dynastie aan het bestuur kwam weken vele inwoners van Foehkiën en Kwangtoeng uit naar Formosa, en onder aanvoering van Koxinga deden zij vele plundertochten in het Chineesche gebied.

Als tegenmaatregel verbood Keizer Shunchi (1644-1662) geheel de emigratie naar Formosa; iedere Chinees, die daarvan terugkwam, moest gevangen genomen en daarna onthoofd worden.

De emigranten lieten, bevreesd om in hun vaderland terug te komen, hunne gezinnen naar Formosa overkomen, waar zij zich blijvend vestigden.

Aan de emigratie naar de Zuidelijk gelegen landen werd niets in den weg gelegd tot in 1718 deze werd verboden door Keizer K'anghi, die tevens gelastte, dat alle in het buitenland vertoevende emigranten onverwijld naar China moesten terugkeeren. In 1728 liet Keizer Yungehing bekend maken, dat een groot aantal trouwe onderdanen teruggekomen was; allen, die in het buitenland waren, bleven van nu af aan voor altijd uit China verbannen en zouden bij eventueelen terugkeer in China met den dood gestraft worden. Blijkens eene bekendmaking van den gouverneur van de provincie Foehkiën van het jaar 1754 werd weder aan alle overzeesche kooplieden in herinnering gebracht, dat zij nog met hunne familieleden konden terugkeeren. De emigratie bleef voortduren en nam zelfs groote afmetingen aan, toen bij het verdrag van Nanking in 1842 o. a. Amoy word opengesteld voor den algemeenen handel.

In theorie werden aan de emigratie geene belemmeringen meer in den weg gelegd sedert artikel 5 van het tusschen China en Groot-Britannië gesloten verdrag van 24 October 1860 bepaalde:

"Zijne Majesteit de Keizer van China zal door een bijzonder edict de Gouverneurs-Generaal van alle provincies gelasten, in hun gebied bekend te maken, dat het aan alle Chineesche onderdanen vrijstaat, naar de Britsche koloniën of andere vreemde landen te emigreeren en met Britsche onderdanen arbeidscontracten af te sluiten."

In de praktijk was het emigreeren evenwel allesbehalve aanlokkelijk daar de emigranten bij hun terugkeer aan allerlei knevelarijen bloot stonden.

Intusschen drong de Chineesche regeering herhaaldelijk er op aan, den koeliehandel te Macao tegen te gaan, aangezien die meer en meer op slavenhandel begon te gelijken. Om aan dien handel een einde te maken werd den 5den Maart 1866 tusschen de gezanten van Groot-Britannië en Frankrijk eenerzijds, en het Tsungli-Yamen anderszijds, een verdrag omtrent de emigratie gesloten, tot welk verdrag later Pruisen, Rusland, de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en in 1873 ook Nederland toetraden.

De Fransche regeering weigerde evenwel de ratificatie en stelde eenige veranderingen voor, die de goedkeuring van Engeland wegdroegen. China protesteerde en de onderhandelingen werden daarna verlegd naar Londen en Parijs, waarop een aldaar uitgewerkt "Règlement International d'Emigration" in 23 artikelen in 1867 naar Peking gezonden werd.

De Chineesche regeering nam met dit reglement geen genoegen, zoodat het niet in werking kwam. Het oorspronkelijke ontwerp werd door haar afgekondigd, doch door den tegenstand der mogendheden, welke met China reeds verdragen hadden afgesloten, zijn de bepalingen nooit opgevolgd. Maar ook de Chineesche regeering zelve hield zich niet aan het door haar afgekondigde reglement *, zooals bleek toen Deli-planters trachtten contract-koelies te krijgen met inachtneming van die vastgestelde bepalingen. En toen in 1874 eene naar Havanna gezonden Chineesche commissie aan hare regeering verslag uitbracht over de zeer slechte behandeling der Chineesche arbeiders in Cuba en Peru, lag het voor de hand, dat bij het sluiten van het Spaansch-Chineesch verdrag van 17 October 1877 de emigratie onder contract uitdrukkelijk werd verboden. Slechts zij, die bij vrijwillig vertrek naar het buitenland, uit eigen middelen de reiskosten betaalden, kregen vergunning te emigreeren.

Deze bepalingen werden nu ook van kracht verklaard voor alle verdragsstaten, doch op de vertogen van de Vreemde Mogendheden, dat China niet zonder hen te raadplegen, de bepalingen van de vroeger met hen gesloten verdragen kon wijzigen, gaf China toe, en de bepalingen van het Spaansch-Chineesch verdrag bleven dan ook alleen gelden voor Cuba.

Met de bedoeling om de Chineezen, die in het buitenland tot rijkdom waren gekomen weer naar hun vaderland terug te halen, werd het in 1728 gegeven verbod tot terugkeer in China bij keizerlijk edict van 13 September 1893 ingetrokken, en den ambtenaren werd gelast, aan de terugkeerende emigranten den meest mogelijken steun te verleenen. De in het buitenland gevestigde, aldaar rijk geworden Chineezen, lieten zich echter niet verlokken om terug te komen.

Op voorstel van den gouverneur van Foehkiën werd bij keizerlijk edict van 24 Mei 1899 eene soort van kamer van koophandel te Amoy opgericht, waarin geene regeeringsambtenaren of beambten zitting mogen hebben, voor welke categoriën van personen de teruggekeerde emigranten eene groote vrees schijnen te hebben.

Op dezelfde wijze werd later te Swatow eene dergelijke kamer van koophandel gevormd, waarvan de openbaargemaakte statuten luiden als volgt:

"De bescherming van de uit het buitenland teruggekeerde emigranten, is de voornaamste taak van de kamer van koophandel. Deze teruggekeerde emigranten worden door hunne landslieden lastig gevallen. Zoodra namelijk zij met hunne spaarpenningen terugkeeren, worden zij van alle kanten aangesproken over schuldvorderingen, die hun geheel onbekend zijn. Ook komen van alle kanten bloedverwanten op hen af met verzoek om geld te leenen. Stelt men die lieden niet tevreden, dan worden tegen de teruggekeerde emigranten allerlei valsche klachten ingediend, waardoor zij allerlei overlast ondervinden, in hechtenis genomen worden, enz. Bovendien worden zij door de koelies, die hen van boord halen, bedrogen en bestolen. Ook de tolambtenaren zetten hen af.

Dit alles nu tegen te gaan, is de voornaamste taak van de kamer van koophandel."

In de eerste jaren moeten werkelijk de beroovingen en afpersingen, naar men zegt, veel minder geworden zijn. Het staat te bezien of dit op den duur ook het geval zal zijn.

Bij keizerlijk edict van 12 October 1899 werd nog aan alle gezanten en consulaten gelast, de Chineezen, die zich bevinden in het gebied waarvoor zij zijn aangesteld, zooveel mogelijk te helpen en te ondersteunen.

Emigratie uit Foehkiën.

De emigratie uit Foehkiën heeft voornamelijk plaats over Amoy. In deze plaats zijn verscheidene Chineesche firma's gevestigd, die zich uitsluitend met de emigratie occupeeren. Tot ver in het binnenland hebben die firma's hunne agentschappen, die zooveel mogelijk koelies trachten te werven en naar de hoofdfirma te Amoy transporteeren. Daar worden zij gehuisvest en, bij voldoende aantal, naar het buitenland vervoerd. Menschenroof wordt met zware straffen bedreigd, en om een aanklacht van de achtergeblevene familieleden te ontgaan, verzekeren de werfagenten zich daarom te voren van de toestemming dier familieleden. Doch hoevele knoeierijen hebben daarbij niet plaats! Menigmaal ziet men dan ook familieleden even voor het vertrek van het schip, dat emigranten zal vervoeren, aan boord komen om naar verdwenen familieleden te zoeken. Herhaaldelijk kan men lezen van gestolen kinderen en jonge vrouwen, die door gewetenlooze werfagenten naar het buitenland worden verkocht.

Ook de emigranten zelf worden dikwijls misleid. Men brengt hen naar geheel andere plaatsen, dan waarvoor zij zijn aangeworven. Onder bedreiging met geweld berusten zij er meestal in, doch soms noodzaken zij den gezagvoerder van een schip om den steven te wenden naar het oord van de hun beloofde bestemming.

Emigratie uit Kwangtoeng.

Hongkong en Swatow zijn de havenplaatsen, waar zich de emigranten uit de provincie Kwangtoeng inschepen. Voor zoover de emigratie van Swatow uit geschiedt, staat zij onder contrôle van de Chineesche regeering, in tegenstelling met de emigratie uit Foehkiën, die geheel buiten bemoeienis van de autoriteiten blijft. De oorzaak van de regeeringsbemoeienis te Swatow is gelegen in het feit, dat in 1888 een emigrantenagent, Siao-A-Kai geheeten, veroordeeld werd wegens ontvoering van een koelie met geweld. De consuls der Vreemde Mogendheden boden toen aan den gouverneur van Kwangtoeng een ontwerp-regeling van de emigratie ter beoordeeling aan, welke door dien gouverneur werd goedgekeurd en afgekondigd.

Volgens deze regeling mogen slechts goed ter naam en faam bekende lieden licentie's tot het houden van emigrantenbureau's bekomen. De licentiehouders moeten eene borgstelling storten, en voor het vertrek der boot moeten zij aan den betrokken ambtenaar eene lijst toezenden, waarop vermeld staan naam, ouderdom en bestemming van elken emigrant. Met deze lijst begeeft zich een Chineesche beambte aan boord en vraagt aan elken koelie of hij vrij willig en door niemand verleid, emigreert.

Op papier is dus de regeling voldoende, maar in de praktijk laat zij veel te wenschen over. De Chineesche ambtenaren zien in deze regeling weer een milde bron van inkomsten, vooral wanneer buitenlandsche mogendheden ongewild de afpersingen bevorderen , door te eischen, dat elke immigrant bij zijne toelating in het bezit moet zijn van een, door het Chineesche bestuur afgegeven, legitimatie-pas, zooals zulks door de Vereenigde Staten van Amerika geëischt werd voor de immigranten die in de Philippijnsche eilanden wilden immigreeren.

Conventie tusschen Engeland en China.

Nog dient vermeld te worden dat in 1904 tusschen het Vereenigd Koninkrijk en China eene conventie werd gesloten inzake het gebruiken van Chineesche werkkrachten in de Britsche Koloniën en Protectoraten. De vertaling van die conventie vindt men afgedrukt als bijlage B van dit hoofdstuk op blz. 33.

Cijfers omtrent de emigratie van Chineezen.

* De uitvoer van koelies geschiedt nagenoeg uitsluitend over zee. De koelies uit de provincie Foehkiën emigreeren via Amoy, die uit Noordelijk Kwangtoeng via Swatow, uit Zuidelijk Kwangtoeng via Hongkong. De koelies uit het eiland Hainan emigreeren via Kiungtschou.

Van 1876-1901

 emigreerdenkeerden terug
via Amoy 1.629.947 1.309.787
via Swatow 1.794.298 1.307.744
Kiungtschou 298.772 296.233
Hongkong 1.130.000 1.090.000
  4.853.017 4.003.764

De emigratie had plaats:

 via Amoy.via Swatow.via Kiungtschou.Totaal.
naar Hongkong83.525408.424116.691608.630
Straitssettlements1.011.581908.367116.3972.036.345
Siam-252.226-252.226
Manilla228.294--228.294
Cochin China-47.2672.14849.415
Saigon12.084--12.084
Bangkok--56.85856.858
Kustplaatsen-97.9876.678104.665
Sumatra-79.750-79.750
Java7.131--7.131
Elders287.332277-287.609
1.629.9471.794.298298.7723.723.017

De cijfers zijn door Gottwaldt ontleend aan de jaarlijks verschijnende "Returns of Trade and Trade Reports" van de Chineesche douanedienst.

Voor de emigratie via Hongkong waren geen gegevens voorhanden; het cijfer 1.130.000 bovenvermeld, is bij benadering verkregen. Men kan aannemen dat meer dan de helft er van naar Singapore vertrok.

De emigratie neemt in de laatste jaren zeer weinig toe en voorziet op lange na niet in de behoefte aan Chineesche koelies.

Slechts uit een klein deel van de geheele Chineesche bevolking heeft er emigratie plaats. Wel emigreeren uit de Noordelijke provincies van China een aantal Chineezen naar Mantsjoerije en naar Mongolië, doch uit de dicht bevolkte provincies van Centraal China heeft geen emigratie plaats. Indien ook die provincies aan de emigratie gaan deelnemen, zullen nog millioenen Chineesche werkkrachten voor tropische landen beschikbaar komen.

Van de 4.85 millioen emigranten van 1876-1901 zijn er ongeveer 4 millioen naar China teruggekeerd. Wanneer men er 8% voor sterfgevallen aftrekt, dan blijkt, dat er ongeveer 450.000 of 10 % in het buitenland zich hebben neergezet. Hoofdzakelijk is dus de emigratie der Chineezen slechts van tijdelijken duur, en vertoont in karakter veel overeenkomst met de landverhuizing uit Europa naar Amerika in de laatste jaren.

In het centraal bureau voor de statistiek te 's-Gravenhage raadpleegde ik de bovenbedoelde "Returns of Trade and Trade Reports" en vond voor de jaren 1902-1907 de volgende cijfers:

Aantal Chineesche emigranten uit Amoy.

Jaren.190219031904190519061907Totaal.
naar Formosa6.3915.7975.4154.8975.1265.63033.256
Kusthavens5.0537.40916.2615.9177.5289.95852.126
Hongkong5.3995.5975.6436.3376.7338.24637.955
Straits76.89669.09369.58753.72967.51273.191410.008
Saigon1.3362.319487-160324.334
Manilla7.4315.1545.0805.3924.6383.40031.095
Elders101.665475573092.246
Totaal102.51697.034102.94876.32991.727100.466571.020

Aantal Chineesche emigranten uit Swatow.

Jaren.190219031904190519061907Totaal.
naar Kusthavens5.2224.7674.2544.0764.6247.65330.596
Hongkong16.21715.06213.24513.73812.74214.33685.340
Saigon8.56011.4905.8214.4364.7906.28941.386
Bangkok27.34234.53825.06423.50942.56865.227(a)218.248
Straits43.16261.29352.55445.58043.24149.239295.069
Sumatra en Biliton8.9846.9686.4597.8828.95110.22448.968
Elders5303595283698572.121
Totaal109.492134.421107.45699.249117.285153.825721.728
a) De groote toename van het aantal emigranten naar Bangkok is een gevolg van de zeer verlaagde tarieven van overtocht.

Aantal Chineesche emigranten uit Kiungtschou.

Jaren.190219031904190519061907Totaal.
naar Hongkong3.8213.1172.7942.5283.2005.54221.002
Singapore16.25215.38514.63310.62211.87826.22994.999
Elders6.5763.9276.4847.3227.1828.93040.421
Totaal26.64922.42923.91120.47222.26040.701156.422

Gedurende de jaren 1902 - 1907 keerden terug: via Amoy 349.928, via Swatow 566.018 en via Kiungtschou 114.001 emigranten. Over die drie havenplaatsen te zamen emigreerden dus van 1902 1907 1.449.270 Chineezen en keerden terug 1.029.947 Chineezen.

Singapore handhaaft zich nog steeds als de voornaamste markt voor het verkrijgen van Chineesche arbeidskrachten; in 1902 - 1907 kwamen aldaar 800.076 Chineesche emigranten aan van de drie bovengenoemde havenplaatsen. Hierbij kan men nog voegen ± 225.000 Chineezen, zijnde de helft van het aantal emigranten via Hongkong, voor 1902-1907 te schatten op 450.000.

Uit China emigreerden dus van 1902 - 1907 totaal ± 1.900.000 Chineezen, of gemiddeld per jaar ± 317.000 Chineezen. Zooals boven reeds is opgemerkt, komen de emigranten uitsluitend uit de provincies Foehkiën en Kwangtoeng, met eene gezamenlijke bevolking van ± 55 millioen zielen * in 1894. In 1907 werd die bevolking geschat op 52 millioen (vide "Returns of Trade" enz. Part 1 blz. 40). De emigratie bedroeg dus jaarlijks ± 6.1 per 1000 inwoners van Foehkiën en Kwangtoeng; dus nog niet de helft van de overzeesche emigratie van Italië in 1905 (zie blz. 7) waarmede de Chineesche emigratie, wat karakter aangaat, zoo vele overeenkomsten vertoont.

Vrouwen-emigratie.

* In de Chineesche statistieken wordt geen onderscheid gemaakt tusschen mannelijke en vrouwelijke emigranten. Uit de cijfers door het protectoraat der Chineezen in Singapore gepubliceerd blijkt, dat er in het jaar 1899 te Singapore immigreerden 107.604 mannen en 5514 vrouwen = 5% van de mannen. De herkomst der immigranten was als volgt:

Uit Hongkong38.688 mannen en 4.390 vrouwen = 11%
"Amoy53.075"2.342"4%
"Swatow31.911"966"3%
"Kiungtschou11.235"19"0,2%

De meeste vrouwelijke emigranten uit Hongkong zijn bestemd voor de bordeelen in de Straits en elders. In Singapore alleen bevinden zich ongeveer 7-8000 Chineesche prostitué's.


Bijlage A (zie blz. 18).

In den loop van het jaar 1908 heeft de heer van Kol aan den minister van Buitenlandsche zaken in de Tweede Kamer de volgende vraag gedaan: "Kan de minister aan de Staten-Generaal eene vertaling verschaffen van de voornaamste Chineesche wetten of decreten, die het sluiten van koeliecontracten en het geven van voorschotten regelen in die provincies van het Chineesche rijk, waaruit Nederlandsch-Indië werkkrachten trekt?"

Naar aanleiding dezer vraag herinnerde de minister er aan, dat reeds in een in April t. v. ter griffie der Kamer gedeponeerde nota werd medegedeeld, dat in China geen enkel koeliecontract gesloten wordt. Overlegging der door den heer Van Kol bedoelde wetten of decreten, gesteld dat deze bestaan, kon derhalve als overbodig worden beschouwd.

Op de in Nederlandsch-Indië gesloten koeliecontracten, alsmede op het geven der daarbij bedongen voorschotten, ook al worden die in China verstrekt, zijn toch uit den aard der zaak uitsluitend de Nederlandsch-Indische wettelijke bepalingen van toepassing. Voor zooveel noodig zij hieraan nog toegevoegd, dat de Chineesche regeering elke werving binnen het rijk van Chineesche arbeiders voor het buitenland verbiedt, tenzij tot die werving machtiging is verleend door de besturende ambtenaren.

De werving in Zuid-China voor Deli berust op een door de Chineesche overheid verleende toestemming, terwijl een deel der mijnwerkers in Billiton, zonder bepaald in Zuid-China geworven te zijn, geheel uit eigen beweging vandaar is vertrokken en de aanwerving van Chineesche werkkrachten voor andere ondernemingen in Nederlandsch-Indië thans geschiedt in Hongkong en Singapore en dus onttrokken is aan de rechtsmacht van de Chineesche overheid.

---

Met verwijzing naar de bovenstaande vraag van den heer Van Kol en het antwoord van den minister daarop, laat ik hieronder volgen het oude:

Reglement voor de aanwerving van arbeiders in China, om onder contract voor een bepaalden tijd, veld- of fabrieksarbeid te verrichten in Nederlandsche koloniën.

Conventie tot regeling der aanwerving van Chineesche emigranten
Authentieke vertaling van den Chineeschen tekst.

Art. 1. Wanneer iemand in een der voor den buitenlandschen handel geopende havens van China een etablissement tot het werven van arbeiders wenscht op te richten, en hij reeds bij zich zelven heeft uitgemaakt wat voor contracten hij met de arbeiders wenscht te sluiten en op welke wijze hij de Chineesche arbeiders in zijn etablissement wenscht te behandelen, dan moet hij een concept van dit contract en van de bepalingen voor de behandeling der arbeiders in zijn etablissement, aan den Consul ter onderzoek aanbieden.

Daar voorts de voorschriften op het voeren van passagiers, voor de schepen van verschillende rijken niet dezelfde zijn, zal zulk een persoon bewijzen moeten geven dat hij aan de voorschriften te dezen opzichte voldaan heeft, bij gebreke waarvan de Consul zijne aanvraag niet in behandeling neemt.

Art. 2. Wanneer de Consul zulk eene aanvrage heeft ontvangen, zal hij zich overtuigen van de solvabiliteit en vertrouwbaarheid van den aanvrager en vervolgens het concept-contract en de voorgestelde bepalingen voor de behandeling der arbeiders in het etablissement in overweging nemen en zoo noodig veranderen, waarna hij die stukken kan doorzenden aan de Chineesche plaatselijke authoriteit, die, na zich vergewist te hebben, dat ze naar behoeren zijn ingericht, dadelijk eene vergunning tot het oprichten van een emigratie-etablissement zal afgeven.

Deze vergunning, alsook het contract en de regulaties, zullen geregistreerd worden in het Consulaat.

Art. 3. Wanneer zulk eene vergunning eenmaal is uitgereikt mag ze niet zonder reden worden ingetrokken; wanneer er echter een reden daarvoor bestaat, moet de plaatselijke authoriteit met den Consul in overleg treden en wanneer beiden van hetzelfde gevoelen zijn kan het etablissement gesloten en de werving gestaakt worden zonder dat de betrokken persoon het recht zal hebben eenige schadevergoeding te eischen.

Art. 4. Modellen van het contract en van de bepalingen voor het etablissement zullen door den werver voor de deur van het etablissement en in de kamer der arbeiders worden opgehangen, opdat deze gelegenheid zullen hebben den inhoud er van geheel en al te leeren kennen.

Wanneer het contract en de bepalingen voor het etablissement door de plaatselijke authoriteit en den Consul goedgekeurd zijn en de werver daarna er nog iets in wenscht te veranderen, mag hij daartoe het verzoek doen, maar zoolang beide genoemde authoriteiten hunne toestemming niet hebben gegeven, zal het hem niet vrij staan op eigen gezag, zulk eene verandering te maken.

Als de werver andere personen wenscht uit te zenden, om voor hen arbeiders te zoeken, kan hij exemplaxen van het contract en van de bepalingen van zijn etablissement, door den Consul en de plaatselijke authoriteit laten waarmerken, en die vervolgens door zijne zendelingen in de verschillende plaatsen der provincie laten verspreiden.

Art. 5. Wanneer een werver met Chineesche arbeiders eene overeenkomst heeft aangegaan, zal hij te zijner tijd elke bepaling daarvan stipt moeten nakomen; indien hij in eenig opzicht de overeenkomst niet nakomt, zal alleen de werver zelf daarvoor kunnen worden aangesproken en zal de zaak berecht worden overeenkomstig de wetten van zijn eigen land.

Art. 6. Wanneer de persoon die arbeiders aanwerft Chineezen wenscht uit te zenden, om voor hen arbeiders te zoeken, zullen deze personen vooraf moeten voorzien worden van eene schriftelijke vergunning, door de plaatselijke authoriteit afgegeven; indien dergelijke personen, met of zonder opzet, tegen de bepalingen handelen, zullen alleen zij zelf daarvoor aansprakelijk zijn en voor de plaatselijke authoriteiten terecht staan.

Art. 7. Het Chineesche gouvernement zal speciaal ambtenaren aanwijzen om toezicht te houden op de aanwerving van arbeiders, en wanneer er Chineezen zijn, die zich als arbeiders wenschen te verbinden kunnen zij naar het wervingsetablissement gaan, waar de werver, in tegenwoordigheid van zulk een ambtenaar, hunne namen in een register zal opteekenen; hierna kunnen deze lieden, al naar zij zelf goedvinden, naar hun huis terug gaan of in het etablissement wachten tot dat er een schip zal zijn, om hen naar het buitenland te vervoeren.

Art. 8. Het contract dat de Chineesche emigrant sluit, hetzij voor zijn eigen persoon, hetzij voor zich en zijn huisgezin, moet de volgende punten inhouden:

  1. De plaats van bestemming en den tijd waarvoor hij zich verbindt;
  2. De som, die na ommekomst van zijn verband, aan hein, en eventueel aan zijne familie, voor de terugreis zal worden gegeven;
  3. Het getal werkdagen en getal uren per dag;
  4. Het loon, de kleeren en het voedsel die hij ter plaatse zijner bestemming zal ontvangen, alsook welke andere voordeelen hij genieten zal;
  5. Verzekering van vrije geneeskundige behandeling;
  6. Hoeveel van zijn loon hij jaarlijks of maandelijks wenscht te laten inhouden, om te voorzien in de behoeften zijner familie in China;
  7. Afschrift der artikelen 8, 9, 10, 14 en 22 van dit reglement. Al wat buiten deze 7 artikelen in het contract wordt opgenomen en tegen de verzekerde belangen van den arbeider strijdt, al is het met zijne toestemming, zal als van onwaarde beschouwd worden.

Art. 9. De tijd waarvoor een arbeider zich bij contract verbindt mag vijf jaren niet te boven gaan, en als hij, na ommekomst van dien tijd, naar zijn land wil terugkeeren, zal de in het contract voor de terugreis bepaalde som in haar geheel worden uitbetaald.

Als de emigrant, na het verstrijken van zijn verband, niet naar China wenscht terug te keeren, staan hem twee wegen open: hij kan met toestemming der overheid aldaar blijven wonen, in welk geval de bij contract voor zijne terugreis bepaalde som hem voor zijn eigen gebruik wordt uitbetaald, of hij kan zich wederom door een contract verbinden, wanneer de helft der som, in zijn eerste contract voor de terugreis bepaald, hem voor zijn eigen gebruik wordt gegeven; dit tweede contract mag wederom voor niet meer dan vijf jaar zijn, en na verloop van dien tijd heeft hij recht op dezelfde som voor zijne terugreis, als bij het eerste contract bepaald was.

Wanneer de Chineesche emigrant, na zijne aankomst ter plaatse zijner bestemming, door ziekte ongeschikt wordt tot den arbeid, zal men niet wachten tot dat de bepaalde tijd verstreken is, maar men zal hem, voor dien tijd, het voor de terugreis bedongen bedrag moeten uitbetalen; weigert men hieraan te voldoen, dan kan hij eene vordering daartoe bij de rechtbank instellen.

Art. 10. Omtrent den werktijd der emigranten wordt bepaald, dat zij in elke zeven dagen een rustdag hebben, en per dag niet langer dan negen en een half uur behoeven te arbeiden, tot meer dan dit zal men hen niet mogen dwingen.

Wanneer echter een arbeider genegen is om ook buiten dien bepaaldentijd te werken of om werk bij taak aan te nemen, kan hij omtrent de betaling daarvoor met zijn meester overeenkomen.

Het oppassen van vee en diensten van dagelijksche noodzakelijkheid zullen ook, buiten den tijd voor den arbeid bepaald, zonder extra belooning moeten worden verricht.

Art. 11. Wanneer een Chinees onder de 20 jaar zich als emigrant wenscht te verbinden, zal hij een bewijs moeten overleggen, dat zijne ouders hem veroorloven te gaan, gewaarmerkt door de plaatselijke authoriteit; bij gebreke zijner ouders zal een bewijs der plaatselijke overheid voldoende zijn, maar zonder zulk een bewijs zal men hem niet mogen laten vertrekken.

Art. 12. Ten minste vier dagen nadat de namen der Chineesche arbeiders in het register zijn opgeteekend, wordt, in tegenwoordigheid van den Chineeschen ambtenaar voor het opzicht voor de werving aangewezen, het contract duidelijk aan de arbeiders voorgehouden en hun afgevraagd of ze al of niet wenschen te gaan; wanneer zij toestemmend antwoorden, laat men hen het contract teekenen.

Art. 13. Als het contract eens geteekend is, mag de arbeider niet anders dan met toestemming van den werver het emigratie-etablissement verlaten.

Tegen den tijd van inscheping zal de Chineesche ambtenaar voor het toezicht aangewezen, in persoon naar het emigratie-etablissement gaan, opdat elke emigrant zijne handteekening op het contract als echt erkenne, waarna de Consul die contracten op zijn bureau zal registreeren.

Vierentwintig uur voor het schip vertrekt, zullen de Inspecteur van het Tolkantoor (Tautai) en de Consul hetzij zelf naar boord gaan, hetzij iedereen hunner ambtenaren zenden om de emigranten te monsteren, en wanneer daarbij alles in orde wordt bevonden, wordt de lijst door den genoemden Inspecteur en door den Consul geteekend en in het bureau van elk hunner geregistreerd.

Wanneer een emigrant na de monstering berouw krijgt over zijn contract en niet wil vertrekken, moet hij voor elken dag dien hij in het wervingsetablissement heeft doorgebracht, als eene vergoeding voor zijne voeding, een tiende thail betalen; kan hij die niet betalen, dan wordt hij aan de plaatselijke overheid overgegeven en volgens de wet gestraft.

Art. 14. Alle geld dat de Chineesche emigrant voor zijn vertrek van den werver ontvangt, zal beschouwd worden als eene premie voor het aangaan der verbindtenis en mag niet teruggeëischt worden. Alleen wanneer de emigrant wenscht te voorzien in de behoeften van zijne familie, kan de werver hem een voorschot geven, waarvoor later een dollar 's maands op zijn loon kan worden ingehouden; zulk een voorschot mag niet meer bedragen dan zes maanden loon, en de Consul zal middelen in het werk stellen om te zorgen dat dit geld werkelijk voor het onderhoud zijner familie wordt besteed, en niet voor eenig ander doel gebruikt wordt.

Andere voorschotten mogen niet gegeven worden en evenzeer is het streng verboden hem aan boord van het schip of na zijne aankomst ter plaatse zijner bestemming, geld, of goederen voor te schieten, onder beding dat hij daarvoor werken zal na expiratie van zijn contract. Wanneer het contract verstreken en de tijd daar is om naar China terug te keeren, zal de schuldeischer op grond van zulk eene vordering niet kunnen eischen dat de Chineesche arbeider worde aangehouden.

Art. 15. Gedurende den tijd dat de emigrant zich ophoudt in het wervingsetablissement zal hij zich moeten onderwerpen aan de bepalingen voor het inwendig beheer daarvan, zooals die zijn goedgekeurd door den Consul en de Chineesche plaatselijke authoriteit.

Art. 16. Wanneer een Chineesche arbeider in het wervingsetablissement ongeregeldheden begaat, of zich op andere wijze misdraagt, dan zal hij dadelijk worden opgesloten, in afwachting dat de Chineesche ambtenaarvoor het toezicht op de werving aangewezen, de zaak opneemt en behandelt, maar de werver of zijne handlangers zullen niet zelf eenige straf mogen opleggen.

Art. 17. De Chineesche en buitenlandsche authoriteiten belast met het toezicht op de werving zullen, te allen tijde, het recht hebben het wervingsetablissement binnen te treden en de emigranten voor eenig doel te ondervragen, verder zullen zij toezicht houden dat de families en de vrouwen afzonderlijk wonen en niet vermengd onder de anderen, en dat de kamers in een zindelijken toestand, zooals de gezondheid dit eischt, gehouden worden.

Bij het teekenen van het contract en het aan boord gaan, zullen genoemde authoriteiten eveneens aanwezig zijn en als het schip hun voorkomt niet in goeden staat te zijn of ongeschikt voor het opnemen der emigranten, zullen zij de inscheping tijdelijk kunnen doen uitstellen en eerst door een geneesheer of door experts onderzoek laten doen.

Wanneer er aan boord emigranten zijn die aan eene besmettelijke ziekte lijden, zullen zij die dadelijk naar den wal doen zenden.

Art. 18. Voor iederen emigrant die ingescheept en door de Chineesche authoriteit gemonsterd is, zal de werver de som van drie dollars betalen in de bank van het tolkantoor, om te voorzien in de onkosten van het toezicht.

Art. 19. Indien voortvluchtige Chineesche misdadigers zich als arbeiders hebben verbonden, zal de Chineesche plaatselijke authoriteit hunne uitlevering aan den Consul verzoeken, die dadelijk bevelen zal geven voor de overgave van zulke personen aan genoemde authoriteit.

Voor elken dag dien zulk een misdadiger in het wervings etablissement heeft doorgebracht, zal eene schadevergoeding van een tiende thail worden betaald, terwijl het geld, de kleederen enz. die hij volgens de boeken van het etablissement heeft genoten, eveneens zullen worden vergoed.

Art. 20. Voor de schepen die passagiers vervoeren bestaan bij elke natie vaste voorschriften omtrent de inrichting van de verblijven der passagiers, de laadruimte, de provieciën en de maatregelen voor de zindelijkheid. Wanneer nu een persoon die Chineesche arbeiders heeft aangeworven, deze naar het buitenland wenscht te vervoeren, zal hij eerst den Consul moeten verzoeken zich te overtuigen, dat er aan deze voorschriften voldaan is, waarna hij de toestemming voor den overvoer krijgen kan.

Indien, nadat de Consul zijne toestemming gegeven heeft, de beambte, aangewezen voor het toezicht op de werving van meening mocht zijn, dat er nog iets aan de inrichting van het bedoelde schip ontbreekt, dan doet hij hiervan mededeeling aan de plaatselijke authoriteit, opdat het schip de haven niet verlate en het tolkantoor kan tijdelijk het uitklaringsbewijs aanhouden, totdat hieromtrent een nader onderzoek zal zijn ingesteld, of totdat de zaak voor den vertegenwoordiger van het betrokken rijk gebracht en door hem, in overleg met de Chineesche regeering, beslist is.

Art. 21. De monsterrol der aan boord gebrachte Chineesche arbeiders wordt in duplo opgemaakt, een exemplaar blijft ter plaatse der inscheping, en het andere wordt door den gezaghebber van het schip medegenomen.

Zoodra het schip op de plaats van bestemming aankomt, neemt de gezaghebber die monsterrol, waarop hij vooraf de sterfgevallen, geboorten en -ziekten, gedurende de reis in margine heeft aangeteekend en laat die door den Consul zijner natie, alsook door de plaatselijke overheid aldaar viseeren; vervolgens zendt hij dit stuk naar China terug en zoodra het daar is aangekomen, dient de werver het in aan zijnen Consul, die het dadelijk aan de Chineesche plaatselijke authoriteit ter kennisname doorzendt.

Art. 22. Wanneer Chineesche arbeiders op de plaats hunner bestemming aankomen, zal men echtgenooten niet op verschillende plaatsen mogen te werk stellen en kinderen onder de vijftien jaar niet van hunne ouders mogen scheiden.

Indien een Chineesche arbeider zich eenmaal verbonden heeft voor iemand fabriek of veld-arbeid te verrichten, en later het land of de fabriek van eigenaar verandert, zal de emigrant ook voor den nieuwen eigenaar moeten arbeiden, maar wanneer dit land of de fabriek in dezelfde handen blijft, zal de emigrant niet bij een anderen meester behoeven te gaan, tenzij met zijne eigene toestemming.

Nadat de bovenstaande artikelen in gemeenschappelijk overleg zijn vastgesteld, wordt nog opgemerkt dat, terwijl aan de gewone emigratie van Chineesche onderdanen naar het buitenland, zonder dat zij worden aangeworven, door de Chineesche regeering volstrekt geene bezwaren in den weg zullen worden gelegd, het, wanneer men werkelijk arbeiders wenscht aan te werven, ten strengste verboden is, zich niet aan deze bepalingen te houden en op andere wijze Chineesche onderdanen te werven voor arbeid op contract in het buitenland; zullende elke poging hiertoe ten strengste worden gestraft.

Verder komt het voor, dat er Chineesche onderdanen zijn, die hun land niet wenschen te verlaten, maar dat er personen zijn, die hun, door geweld of bedrog, er toe brengen; op dit misdrijf (kid napping) is op voordracht van het Departement van Justitie, bij eene nieuwe ordonnantie, de doodstraf gesteld.

Eindelijk moet men in het oog houden dat, hoewel nu voor de aangelegenheld der emigratie duidelijke bepalingen zijn vastgesteld en het geoorloofd is in elke voor den buitenlandschen handel geopende haven wervings-etablissementen op te richten, de plaatselijke authoriteiten toch nog steeds met den Consul in overleg moeten treden omtrent het toezicht er op en de leiding er van, en dat eerst dan de emigratie volgens deze bepalingen kan plaats hebben; maar dat in die havens, waar geene gelegenheid voor zulk een gezamelijk overleg bestaat, het niet vergund is eene emigratie-etablissement op te richten.

Deze drie punten zijn eveneens vastgesteld en de ambtenaren en onderdanen van China en het buitenland moeten deze even goed opvolgen als de twee-en-twintig voorafgaande artikelen.

De bovenstaande bepalingen voor het werven in China van arbeiders voor het buitenland, door het Tsung-li-Yamen en de Vertegenwoordigers van Engeland en Frankrijk ontworpen, werden den 5den Maart 1866 door de Chineesche regeering vastgesteld, en daarop de goedkeuring van den Keizer van China gevraagd en verkregen; waardoor deze bepalingen in China kracht van wet hebben en door de onderdanen van alle Tractaat-Mogendheden, die in China Chineesche onderdanen als arbeiders voor het buitenland wenschen te werven, moeten worden opgevolgd. Hiervan werd mededeeling gedaan door het Chineesche Departement van Buitenlandsche Zaken (Tsung-li-Yamen) in hunne missive dato 26 Juli 1873 aan den Vertegenwoordiger van Nederland, in antwoord op zijn voorstel, om eene Conventie te sluiten voor de aanwerving van Chineesche arbeiders voor Suriname.

Krachtens deze mededeeling der Chineesche regeering vormen de bovenstaande bepalingen van 5 Maart 1866, het Reglement waarnaar de aanwerving van Chineesche arbeiders om onder contract voor een bepaalden tijd veld- of fabrieksarbeid in de Nederlandsche Koloniën te gaan verrichten, in China plaats moet hebben.

Peking, 26 Juli 1873.
De Diplomatiek-Agent der Nederlanden,
J. H. FERGUSON.

Nota betreffende de werving te Macao.

De Chineesche regeering heeft herhaaldelijk, bij schrijven van Z. K. H. Prins Kung, aan de Vertegenwoordigers der Tractaat Mogendheden verzocht, om geene Chineesche arbeiders te Macao te laten aanwerven of toe te staan, dat door schepen van hun land, van Macao Chineesche arbeiders worden vervoerd.


Bijlage B (zie blz. 21).

Conventie tusschen het Vereenigd Koninkrijk en China in zake het gebruiken van Chineesche werkkrachten in de Britsche Koloniën en Protectoraten.

Geteekend te Londen, 13 Mei 1904.

Aangezien op den 24sten October 1860 tusschen Hare Majesteit Koningin Victoria en Zijne Majesteit den Keizer van China te Peking eene conventie is gesloten, waarbij in artikel 5 Zijne Keizerlijke Majesteit de Keizer van China toestemde Chineesche onderdanen, die dienst wenschen te nemen in de Britsche Koloniën of andere overzeesche streken, toe te staan, met Britsche onderdanen contracten aan te gaan, en zich met hunne families in de opengestelde havens van China op Britsche schepen in te schepen, met inachtneming der regelingen door de beide Regeeringen ter bescherming van dergelijke emigranten gezamenlijk te maken.

En aangezien bovenbedoelde regelingen tot nog toe niet zijn vastgesteld, zijn door Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië, en door Zijne Majesteit den Keizer van China de volgende plenipotentiarissen benoemd, te weten:

Door Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië,

Henry Charles Keith Petty-Fitzmaurice, Markies van Lansdowne, Zijner Majesteit's Eerste Minister van Buitenlandsche Zaken; en

Door Zijne Majesteit den Keizer van China, Chang Têh-Yih, Luitenant-Generaal-titulair van het Chineesche Keizerlijke leger, Zijner Majesteit's Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister aan het hof van Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië;

En de bovengenoemde plenipotentiarissen hebben in hunne samenkomst elkander hunne volmachten vertoond, welke in den vereischten vorm werden bevonden, en hebben met wederzijdsch goedvinden de volgende artikelen vastgesteld.

Art. 1. Aangezien de regelingen welke onder de bepalingen van het bovenbedoeld tractaat van een algemeenen aard zouden zijn, wordt hierbij overeengekomen, dat bij elke gelegenheid, dat emigranten onder contract gevraagd worden voor een bepaalde overzeesche Britsche Kolonie of Protectoraat, Zijner Britsche Majesteit's Gezant hiervan kennis zal geven aan de Chineesche regeering, met opgave van den naam van de bepaalde Kolonie of het Protectoraat, waarvoor de emigranten gevraagd worden, den naam van de tractaathaven, waar zij geëmbarkeerd zullen worden, en den tijd waarvoor en de voorwaarden waarop zij geworven zullen worden; de Chineesche regeering zal daarop zonder meerdere formaliteiten te eischen, de lokale autoriteiten in de opgegeven tractaathaven dadelijk aanschrijven al het noodige te verrichten om de emigratie te vergemakkelijken. De hierboven bedoelde kennisgave zal voor elke Kolonie of Protectoraat slechts één keer vereischt worden, uitgezonderd het geval, dat de emigratie onder contract naar die Kolonie of dat Protectoraat van uit de opgegeven tractaathaven in de laatste drie vooraf gegane jaren niet heeft plaats gehad.

Art. 2. Na ontvangst van de bovenbedoelde aanschrijving zal de Taotai in de havenplaats onmiddellijk een ambtenaar aanstellen met den titel van Chineesche Inspecteur, die gezamenlijk met den Britschen consulairen ambtenaar aldaar of diens gedelegeerde, bij proclamatie en door middel van de inlandsche pers, de tekst van het contract bekend zal maken, dat de emigrant zal hebben te teekenen, en alle bijzonderheden van het land waarheen de emigrant zal vertrekken en van de daar geldende wetten, waarvan de kennis voor den emigrant noodig wordt geoordeeld door den Chineeschen ambtenaar.

Art. 3. De Britsche consulaire ambtenaar in de haven of diens gedelegeerde, zal in overleg treden met den Chineeschen Inspecteur omtrent de plaats en de inrichting van de kantoren en andere noodige gebouwen van het door en op kosten van de Britsche regeering op te richten emigratie-agentschap, dat belast zal zijn met het inhuren en verschepen van de emigranten en waarin aan den Chineeschen Inspecteur en diens beambten eene geschikte gelegenheid zal worden gegeven om hunne plichten te vervullen.

Art. 4. 1. Overal zullen in het emigratie-agentschap, en vooral in dat gedeelte, dat den naam draagt van depot, bestemd voor de ontvangst van aanstaande emigranten, op zichtbare plaatsen afschriften van het door den emigrant te sluiten contract worden aangeplakt, in de Chineesche en Engelsche talen, tegelijk met afschriften van de speciale verordening, zoo die bestaat, omtrent de immigratie in de bepaalde Kolonie of het Protectoraat, waarvoor de emigranten gevraagd worden.

2. Er zal een register worden aangehouden in het Engelsch en het Chineesch, waarin de namen van de aanstaande contract-emigranten zullen worden ingeschreven, in welk register niet zal mogen worden ingeschreven den naam van iemand beneden de 20 jaren, tenzij hij het bewijs heeft geleverd toestemming tot emigreeren te hebben verkregen van zijn ouders of wettige voogden, of bij gebreke van hen, van den magistraat van het district waartoe hij behoort. Nadat hij het contract op de Chineesche wijze heeft geteekend, zal de emigrant het depot vóór zijn vertrek niet meer mogen verlaten, zonder voorzien te zijn van een pas, geteekend door den Chineeschen Inspecteur, en mede onderteekend door den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde, tenzij hij door tusschenkomst van den Chineeschen Inspecteur zijn toestemming tot het sluiten van het contract heeft ingetrokken en zijn naam uit het register van emigranten is geschrapt.

3. Voor het vertrek van het schip zal elke emigrant zorgvuldig worden onderzocht door een daartoe bevoegden geneesheer, aangewezen door den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde. De emigranten zullen voor den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde en den Chineeschen Inspecteur of diens gedelegeerden worden gebracht, en door dezen worden afgevraagd met het doel zich te vergewissen van hunne volkomen bekendheid met het contract.

Art. 5. Alle schepen gebezigd voor het overvoeren van contract-emigranten uit China onder de bepalingen van deze conventie mogen hen alleen in een tractaathaven opnemen, terwijl die schepen zullen hebben te voldoen aan de bepalingen vervat in de hier achter gevoegde bijlage, welke deel uitmaakt van de conventie.

Art. 6. Ter betere bescherming van den emigrant en van elken anderen Chineeschen onderdaan, die wellicht verblijf houdt in de Kolonie of het Protectoraat, waarheen de emigratie zal plaats hebben, zal de Keizer van China bevoegd zijn om een consul of vice-consul te benoemen om over hunne belangen en welzijn te waken, en zulk een consul of vice-consul zal alle rechten en privilegies hebben, die aan de consuls van andere natiën zijn toegestaan.

Art. 7. Elk contract, dat onder de bepalingen van deze artikelen wordt aangegaan, moet eene duidelijke gespecificeerde opgave bevatten van den naam van het land waarvoor de arbeider verlangd wordt, den duur van zijn contract en, zoo dit hernieuwbaar is, de voorwaarden waarop dit kan geschieden, het aantal werkuren per arbeidsdag, den aard van het werk, het bedrag der loonen en de wijze van betaling, de rantsoens, de kleeren, het toestaan van vrijen overtocht, en indien daarin wordt voorzien, ook een vrijen overtocht terug naar de haven van inscheping in China voor zich zelf en zijn familie, het recht op vrije geneeskundige behandeling en medicijnen, zoowel in de Kolonie of het Protectoraat, als op reis van en naar de haven van inscheping in China, en alle andere voordeelen waarop de emigrant recht zal hebben. Het contract kan ook bepalen, dat de emigrant, zoo dit noodig wordt geoordeeld door de geneeskundige autoriteiten, bij aankomst in het depot zal worden gevaccineerd, en voor het geval zulk eene vaccinatie zonder resultaat is geweest, gerevaccineerd aan boord van het schip.

Art. 8. Het contract zal geteekend, of bij onmogelijkheid hiervan, gewaarmerkt worden, op de Chineesche manier, in tegenwoordigheid van den Chineeschen Inspecteur of diens gedelegeerde, en den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde, die aan hunne respectievelijke regeeringen er voor verantwoordelijk zullen zijn, dat, alvorens het contract door den emigrant geteekend wordt, de bepalingen ervan duidelijk aan dezen zijn uitgelegd. Aan elken emigrant zal een afschrift van het contract worden afgegeven, geschreven in de Chineesche en Engelsche taal. Zulk een contract zal niet als definitief of onherroepelijk worden beschouwd, dan na de inscheping van den emigrant.

Art. 9. In elke Britsche Kolonie of Protectoraat, waarheen Chineesche contract-emigranten vertrekken, zullen een of meer ambtenaren worden benoemd, wier taak het zal zijn, er voor te zorgen, dat de emigrant zich vrijelijk tot den rechter kan wenden ter verkrijging van herstel voor gepleegd onrecht op zijn persoon of zijn goed, zooals dat door de plaatselijke wetten aan een ieder, onafhankelijk van zijn ras, wordt verzekerd.

Art. 10. Zoo lang de emigrant in de Kolonie of het Protectoraat, waar hij te werk gesteld is, verblijf houdt, zal hem alle mogelijke faciliteiten worden gegeven in zake het briefverkeer met zijn geboorteland, en in zake het overmaken van gelden aan zijne familie.

Art. 11. Indien de emigrant en zijne familie repatrieert, hetzij wegens expiratie van het contract, of een andere wettige reden, hetzij wegens invaliditeit door ziekte of onbekwaamheid, zal zulks nooit anders geschieden dan per gewone scheepsgelegenheid tot aan de inscheephaven in China, terwijl betaling in geld aan den emigrant instede van het verleenen van passage niet toegestaan is.

Art. 12. In geen enkel contract, onder de bepalingen van deze artikelen tot stand gekomen, zal aan den werkgever het recht worden toegekend, den emigrant zonder diens toestemming en de goedkeuring van zijn consul of vice-consul aan eenen anderen werknemer over te doen; en indien zulk eene overdracht of overwijzing plaats heeft, zal zulks in geen enkel opzicht te niet doen de rechten of privilegiën van den emigrant bij het vorige contract verkregen.

Art. 13. Voor elken contract-emigrant, verscheept onder de bepalingen van deze conventie, zal aan de Chineesche regeering eene tegemoetkoming worden betaald voor de onkosten der inspectie, maar geene betaling hoegenaamd zal geschieden aan den Chineeschen Inspecteur of eenig anderen ambtenaar in dienst van de Chineesche regeering in de haven van inscheping. De bovenbedoelde tegemoetkoming zal aan het kantoor der in- en uitgaande rechten en accijnzen worden voldaan vóór de uitklaring van het schip, en zal berekend worden naar den volgenden maatstaf: 3 Mexicaansche dollars per hoofd, indien het aantal emigranten het getal 10.000 niet overschrijdt, en twee dollars per hoofd bij een aantal van meer dan 10.000 indien in het laatste geval zij allen in dezelfde tractaathaven zijn ingescheept, en er niet meer dan twaalf maanden zijn verloopen sinds den datum der laatste inscheping.

Indien eene andere inscheephaven gebezigd is of eene tijdsruimte van meer dan twaalf maanden verloopen is sinds den datum der laatste inscheping, zal het bedrag der tegemoetkoming voor de inspectie 3 Mexicaansche dollars per hoofd zijn.

Art. 14. De Engelsche en Chineesche tekst van deze conventie zijn zeer zorgvuldig met elkander vergeleken, doch indien er eenig verschil bestaat, zal de beteekenis der Engelsche tekst als de geldende worden beschouwd.

Art. 15. Deze conventie zal in werking treden op den dag harer onderteekening en gerekend van af dien datum vier jaren in kracht blijven; na dien termijn van vier jaren is elk der Hooge Contracteerende Partijen bevoegd haar te doen eindigen na één jaar te voren opzegging.

Ten bewijze waarvan de plenipotentiarissen deze conventie hebben onderteekend en voorzien van hunne zegels.

Gedaan te Londen in viervoud twee in de Engelsche en twee in de Chineesche taal, op heden den dertienden Mei 1904.

(L. S.)   (Was geteekend) LANSDOWNE.
(L. S.)   ( " ) T. Y. CHANG.

---

Bijlage.

---

Regelingen.

Schepen, gebezigd voor het vervoer van contract-emigranten uit China onder de bepalingen van deze conventie, moeten zeewaardig en zindelijk zijn, voorzien van eene goede ventilatie en ten opzi chte van het ondervolgende zooveel mogelijk voldoen aan dezelfde voorwaarden als die, welke in Britsch-Indië van kracht zijn met betrekking tot de emigratie van inboorlingen van Britsch-Indië:

Accommodatie aan boord vereischt (vide paragraaf 57 van de "Indische emigratie-verordening van 1883").

Slaapgelegenheid, bestaande uit houten britsen op het dek of verhoogde slaapsteden (vide de bepaling "ijzeren dekken" zooals die den 16den Augustus 1902 in Bijlage "A", behoorende bij de bepalingen van de "Indische emigratie-verordening van 1883", is verbeterd).

Bepalingen omtrent de ruimte aan boord (vide paragraaf 58 van de "Indische emigratie-verordening van 1883").

Het aan boord zijn van een bevoegd geneesheer met de noodige genees- en verbandmiddelen.

Voorraad van drinkwater (vide artikel 113, zooals dit gewijzigd is den 24sten Februari 1903 van de "Indische emigratieverordening van 1883").

Aanwezigheid van goede distilleer-toestellen (vide Bijlage "C" van de bepalingen der "Indische emigratie-verordening van 1883").

 

Het dagelijksch rantsoen van elken contract-emigrant gedurende zijn verblijf aan boord zal zijn als volgt:

Rijst, niet minder dan1 1/3 pond
  of meel of brood, niet minder dan1 1/2 "
Visch (gedroogd of gezouten) of vleesch (versch)0 1/2 "
  of geschikte versche groenten1 1/3 "
Zout1 ons
Suiker1 1/2 "
Chineesche thee0 1/3 "
Chineesche kruiderijen in voldoende hoeveelheid
Water, om te drinken en te kooken 1 gallon (= 8 kan)

of zulke andere voedingsartikelen in plaats van elk der in de bovenstaande opgave gespecifieerde artikelen, die door den aan boord bescheiden dokter als daarmede gelijkwaardig worden geacht.

 

Wisseling van nota's tusschen den Markies van Lansdowne en Chang Ta-jên, 13 Mei 1904.

 

Ministerie van Buitenlandsche Zaken, 13 Mei 1904.

Mijnheer.

Bij artikel 6 van de conventie, te sluiten tusschen GrootBritannië en China omtrent Chineesche onderdanen, die de tractaathavens van China verlaten onder contract voor een dienst in de Britsche Koloniën of Protectoraten is bepaald dat:

"Ter betere bescherming van den emigrant en van elken anderen Chineeschen onderdaan, die wellicht verblijf houdt in de Kolonie of het Protectoraat, waarheen de emigratie zal plaats hebben zal de Keizer van China bevoegd zijn om een consul of vice-consul te benoemen om over hunne belangen en welzijn te waken, en zulk een consul of vice-consul zal alle rechten en privilegies hebben, die aan de consuls van andere natiën zijn toegestaan."

Zijner Majesteit's regeering acht het van bijzonder gewicht, dat de, voor het genoemde doel tot de betrekking van consul of vice-consul te benoemen personen, bekwame ambtenaren van Chineesche nationaliteit zullen zijn, en uitsluitend in dienst van den Keizer van China, en dat voor elk geval de naam van den uitgezochten persoon zal worden medegedeeld aan Zijner Majesteit's regeering, die hare goedkeuring zal hebben te verleenen aan de benoeming.

Ik heb de eer te informeeren of de Chineesche regeering genegen is aan de wenschen van Zijner Majesteit's regeering in deze zaak tegemoet te komen. Zoo ja, en voor het geval gij mij het bevestigende antwoord doet toekomen, dan zouden deze nota en uw antwoord aan de conventie gehecht kunnen worden om de gesloten overeenkomst officieel te bevestigen.

Ik heb, enz.
(was geteekend) LANSDOWNE.

Chang Ta-jên, enz., enz., enz.

---

Chineesche legatie, 13 Mei 1904.

Mylord de Markies.

In antwoord op de nota van Uwe Lordschap gedagteekend heden, heb ik de eer te constateeren, dat de Chineesche regeering geheel in overeenstemming is met Zijner Britsche Majesteit's regeering omtrent het groote gewicht, dat zij eraan hecht, dat de consuls en vice-consuls die volgens artikel 6 van de tusschen de twee regeeringen te sluiten conventie benoemd moeten worden, mannen zullen zijn van groote ondervinding, en zij zal het als een plicht, den emigrant verschuldigd, beschouwen, de keuze van die ambtenaren te beperken tot hen, die in alle opzichten voldoen aan de wenschen, genoemd in de hierboven bedoelde nota, welke nota tegelijk met dit antwoord, met wederzijdsch goedvinden, ten bewijze van het overeengekomene, aan de genoemde conventie zal worden gehecht.

Ik heb, enz.,
(was geteekend) T. Y. CHANG.

Aan den Markies van Lansdowne, K. G., enz., enz.


Noten.

  1. Zie Mr. N. G. Pierson, dl. 2, blz. 181.
    Zie Wörterbuch der Volkswirtschaft, blz. 278 en vgd.
  2. Zie M. Luigi Bode, blz. 555 en vgd.
  3. Zie P. Leroy-Beaulieu: "De la colonisation chez les peuples modernes", dl. 11, blz. 459.
  4. id. id. blz. 467. - Overgenomen uit de Statistica della Emigrazione italiana per l'estero negli anni 1904 e 1905, e Notizie sull' Emigrazione da alcuni aliri Stati.
  5. Zie P. Leroy-Beaulieu, dl. II, blz. 472.
  6. Zie Dr. Alfred Zimmermann, blz. 171.
  7. Zie: "Elenco di leggi decreti e regolamenti circa l'émigrazione enz.",
  8. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23 September 1908.
  9. Zie: Dr. Alfred Zimmermann, blz. 141-173.
  10. Zie H. Gottwaldt, blz. 1-13.
  11. De officieele vertaling van het reglement is opgenomen op blz. 27 in de bijlage A van dit hoofdstuk.
  12. Zie H. Gottwaldt, blz. 38.
  13. Zie E. H. Parker, blz. 192. Volgens S. Wells Williams (blz. 264) was de bevolking dier twee provincies in 1882 ± 35 millioen.
  14. Zie H. Gottwaldt, blz. 44-51.