HOOFDSTUK II.
De Chineezen buiten China, met uitzondering van Nederlandsch-Indië

De Chineezen in Amerika, Afrika en Australië

Wanneer men de kaart van Zuid-Oost-Azië voor zich neemt, dan ziet men Formosa, de Philippijnen, Borneo, Java, Sumatra, het Maleische schiereiland, Birma, Siam en Indo-China in een wijden boog geschaard, zich in het Noorden aansluiten bij de twee Chineesche provincies Kwantoeng en Foehkiën.

Binnen den kring omzoomd door bovengenoemde landen, beweegt zich de hedendaagsche emigratie der Chineezen nagenoeg geheel.

Eertijds was dit anders. Gedreven door den machtigen drang, dien de godsdienst op sommigen harer belijders bijwijlen weet uit te oefenen, staken reeds in de 5de eeuw na Chr. Chineesche boeddhistische priesters de zee over naar Amerika, waarschijnlijk den weg nemend langs de kust tot aan de Behringstraat, en deze overvarend, in Zuidelijke richting zich tot in Mexico begevend. Doch deze eerst-komende Chineezen werden niet door velen gevolgd en weldra werd Amerika wederom gedurende eeuwen een in China geheel onbekend land.*

Toen evenwel het blanke ras na afschaffing der slavernij zich genoodzaakt zag om op andere wijze te voorzien in goedkoope werkkrachten voor den veldarbeid in tropische landen, verschenen wederom Chineezen op den bodem van het Amerikaansche werelddeel *. In 1844 kwam in Britsch-Guyana het eerste transport van Chineesche koelies aan, en weldra volgden de Spaansch-Amerikaansche koloniën het voorbeeld der Engelsche. Een andere vorm van slavenhandel trad op, waaraan eerst een einde werd gemaakt toen, nadat een Chineesche commissie in 1874 de schandelijke misbruiken in Cuba en Peru had aan het licht gebracht, de Chineesche regeering de emigratie daarheen geheel verbood. Intusschen waren er in de voorafgaande 20 jaren ongeveer een millioen Chineezen daarheen getransporteerd, van wie er slechts weinigen naar hun vaderland zijn teruggekeerd.

De Engelsche regeering had de immigratie in Britsch-Guyana en Trinidad aan zeer strenge maatregelen onderworpen, waardoor de invoer van Chineesche koelies zeer duur werd en weinig plaats vond.

Er bevinden zich thans in Britsch-Guyana 4400 en in Trinidad 2200 Chineezen, in Cuba 90.000 en in Peru 37.000.

Emigratie van Chineezen zonder contract had na de ontdekking der Californische goudvelden in grooten getale daarheen plaats. De immigranten bleven er slechts korten tijd; na eenige jaren harden arbeid keerden zij met hunne spaarpenningen terug. In 1852 bedroeg hun aantal 25000 en hoewel er jaarlijks 9 à 10.000 nieuwelingen kwamen, vertrokken er ook zoo velen, dat in 1880 hun aantal slechts 105.465 bedroeg. De Californische arbeider begon toen in den Chinees een geduchten concurrent te zien, en toen daarop de wetgever tegen de Chineesche immigratie optrad, leidde dit, zooals bekend is, tot eene algeheele uitsluiting der lagere klassen der Chineesche immigranten. Het aantal Chineezen in de Vereenigde Staten bedroeg in 1900 89.863; hiervan woonden er 60.000 in Californië, de rest was overal verspreid, hoofdzakelijk in de grootere steden. In Hawaï waren er in hetzelfde jaar 25.757 Chineezen en in Alaska 3116.

In Canada heeft men getracht de immigratie der Chineezen door een hooge belasting bij aankomst tegen te gaan. Toch is hun aantal van 4383 in 1880 gestegen tot 11000 in 1900. De belasting is derhalve in de laatste jaren van $ 100 per hoofd gebracht op $ 500.

Naar Midden-Amerika en West-Zuid-Amerika is de Chineesche emigratie altijd zeer gering geweest. Men vindt aldaar dan ook niet meer dan 10,000 Chineezen.

In de laatste jaren heeft men evenwel voor de werken aan het Panamakanaal Chineesche koelies ingevoerd, met de bedoeling die koelies na afloop van het werk naar China terug te zenden. Voorloopig wil men hoogstens 2500 Chineesche koelies invoeren *.

Voor de goudmijnen in Zuid-Afrika zijn na 1904 ook duizenden Chineesche koelies aangevoerd, zeer tegen den zin van den blanken arbeider aldaar. De Chineezen zijn daar hun langsten tijd geweest en worden successievelijk terug gezonden. In Januari 1906 werkten er in de mijnen 57,000 Chineesche koelies *.

Naar Australië zijn hoogstwaarschijnlijk reeds in de oude tijden Chineesche handelaren van uit den Oost-Indischen Archipel overgestoken, doch tot eene geregelde emigratie heeft zulks nooit geleid. Eerst na de ontdekking van de goudvelden in Zuid-Australië stroomden de Chineesche koelies in massa's toe. In 1868 werkten in de mijnen van Victoria alleen 15,814 Chineezen, hun aantal in geheel Australië werd geschat op meer dan 50,000. Toen na 1870 de Chineezen in grooten getale voor de suikerriet- en boomwolplantages in Queensland werden ingevoerd, nam de wetgevende macht er maatregelen tegen. Het aantal Chineezen verminderde daardoor zeer en bedraagt volgens Gottwaldt tegenwoordig in Australië, Nieuw-Zeeland en de Zuidzee-eilanden niet meer dan 30,000. De "Colonial Office List" van 1908 geeft de volgende cijfers: In Queensland 9,313, Zuid-Australië 2,562, West-Australië 1,521, Victoria 7,500 Chineezen; totaal 20,896 Chineezen. Voor Nieuw-Zuid-Wales, Nieuw-Zeeland en de Zuidzee-eilanden zijn geen cijfers opgegeven.

 

Waar in bovenstaande regelen kortelijk is vermeld de emigratie der Chineezen naar streken, vroeger voor hen opengesteld, doch sedert voor hen gesloten of weldra te sluiten, zal in de volgende bladzijden in ruimere mate de aandacht worden gewijd aan de Chineezen in die landen, waar zij op economisch gebied nog een belangrijke rol vervullen.

De Chineezen in Azië onder Engelsch gezag.

De Chineezen in de Straitskolonie en de Maleische staten op het Maleische schiereiland.

Algemeene mededeelingen.

Oude betrekkingen tusschen China en het Maleische schiereiland.

* Het Maleische schiereiland was reeds in oude tijden aan de Chineezen bekend. In de geschiedboeken van de Liang-dynastie (502-556) werd Tun-Dun op het Maleische schiereiland reeds als een belangrijke handelsplaats genoemd.

* In het jaar 1409 bracht de keizerlijke gezant Cheng Ho een bevelschrift van den keizer van China en gaf aan den vorst van het "land der vijf eilanden" twee zilveren zegels, een muts, een gordel en een lang kleed. Hij richtte een gedenksteen op, en verhief de plaats tot een stad, waarna het land genoemd werd het koninkrijk Malacca. Van af dat tijdstip dorsten de Siameezen aan Malacca geen geweld meer aan te doen, en het hoofd van de landstreek ging met zijn vrouw naar China om zijn dank te betuigen, en schatting te brengen van de voortbrengselen van zijn land. De keizer zond hem in een Chineesch schip weer naar zijn land terug om dat te besturen. De opvolgende koningen van Malacca bezochten verscheidene malen het hof van China.

Malacca werd herhaaldelijk door Chineesche koopvaardijschepen bezocht; deze schepen moesten bij aankomst tol betalen.

* Toen de Portugeezen in 1508 voor Malacca verschenen vonden zij daar de Chineezen in groote menigte vertegenwoordigd. Onder de Portugeezen en weldra onder de Hollanders beleefde Malacca onrustige tijden. De Chineezen breidden zich van uit Malacca over het geheele schiereiland uit.

Nadat Penang in 1786 door de Engelschen werd bezet, lokten de Engelsche autoriteiten de Chineezen er zooveel mogelijk heen. Reeds in 1794 telde men in Penang 3000 Chineezen.

Penang werd later overvleugeld door Singapore.

Singapore had in1827op eene bevolking van14.000zielen6000 Chineezen.
" "1871" "97.111"54.572 Chineezen.
" "1901" "228.555"164.000 Chineezen.

Voor het geheele schiereiland bedroeg de bevolking in 1902 2.050.000 w. o. 985.000 Chineezen.

Overwegende invloed der Chineezen.

Het Maleische schiereiland kan in economischen zin als eene Chineesche kolonie worden beschouwd. Het belangrijkste deel van de bebouwde gronden zijn met de meest waardevolle mijnen in handen der Chineezen. Verreweg het grootste deel van het handelsverkeer wordt door hen beheerscht.

Het hoofdbestanddeel van de Chineesche bevolking zijn de z. g. n. Malacca-Chineezen, d. z. nakomelingen van de eertijds aldaar geimmigreerde, en naderhand naar Penang en Singapore vertrokken Chineezen. De meesten van hen zijn Britsche onderdanen, welgesteld, en wonen van ouder tot ouder op dezelfde plaats. Velen van hen hebben China nooit gezien, en in vele opzichten verschillen zij, vooral wat betreft vlijt en arbeidzaamheid, van hunne voorvaderen.

In de laatste jaren is de immigratie uit China vrij stationnair gebleven. Voor Singapore, Penang en Malacca bedroeg de immigratie in 1881: 93.524, in 1890: 155.530 en in 1899: 183.334 Chineezen. Aan de vraag naar Chineesche arbeidskrachten kan dan ook op lange na niet worden voldaan.

Snelle ontwikkeling onder Britsch Bestuur.

Hoe snel de ontwikkeling van het Maleische schiereiland onder het Britsche bestuur is geweest, kan blijken uit een boek, dat de gewezen Gouverneur van de Straitskolonie en Hooge Commissaris voor de gefedereerde Maleische Staten, Sir Frank Swettenham, heeft geschreven, hetwelk getiteld is: "British Malaya, an account of the origin and progress of British influence in Malaya" en in Londen in 1907 is uitgekomen.

Enkele cijfers en data mogen hier gegeven worden.

In Januari 1819 bedroeg het aantal inwoners op het eiland Singapore 150, en toen Raffles in 1824, Singapore verliet werd het aantal geschat op ongeveer 10.000.

In 1825 werden de drie settlements Malacca, Penang en Singapore een Presidency van Britsch-Indiën In 1829 werd de Straits geplaatst onder het Gouvernement van Bengalen. In 1851 kwam zij onder de directe controle van de Indische Regeering van Britsch-Indië en in 1867 werd de Straits eene afzonderlijke Kroon-kolonie (blz. 103).

De cijfers voor 1839 zijn: (blz. 82).

Malacca37.706inwoners
Penang en Province Wellesley86.009"
Singapore29.984"

De cijfers van de inkomsten en uitgaven zijn voor de drie settlements gezamenlijk:

In1845inkomsten? 68.590uitgaven? 62.289
 1855"98.541"75.240
 1865"193.937"115.529

Met het binnenland van het Maleische schiereiland bemoeide men zich in den eersten tijd zeer weinig. Er heerschte daar veel wanbestuur, zoodat in 1874 Britsche vertegenwoordigers werden geplaatst in Perak, Selangor en Soengei-Oedjoeng.

Het volgende jaar reeds werd de Resident van Perak vermoord. Dit leidde tot eene straf-expeditie en daarna werd de Britsche bemoeienis intensiever.

In 1879 bedroeg de bevolking van Perak ongeveer 81.000, van Selangor 40.000, van Negri Sembilan 30.000.

1 Juli 1896 kwam de federatie tot stand van de Maleische rijkjes: Perak, Selangor, Negri Sembilan en Pahang. De Gouverneur van de Straits-Settlements kreeg tevens den titel van "High Commissioner for the Federated Malay States". Onder zijn bevelen werd een Resident-General benoemd, die belast was met het toezicht over de vier Residenten (één in elk der zooeven genoemde staatjes).

Perak, dat in 1879 een bevolking had van 8 1.000, telde 10 jaren later 194.800 inwoners. De vier gefedereerde staten hadden in 1891 te zamen 424.218 inwoners, in 1901 678.596 en in 1905 860.000 (blz. 299).

Al de Maleische staten waren voor hunne inkomsten aangewezen op de tin-industrie, en het was de eerste zorg van het Engelsche bestuur om voor goede verkeerswegen te zorgen. Rivieren werden bevaarbaar gemaakt door verwijdering van de, in den stroom gevallen, boomstammen en het opruimen van steenen. Wegen werden aangelegd en daarna spoorwegen gebouwd. Ter voorkoming van waterkwesties werd bepaald, dat elke rivier en waterloop onder de absolute controle van het gouvernement zou blijven. Daar er geen voldoende kapitaal aanwezig was, gaf het gouvernement aan ondernemende Chineesche mijnwerkers en aan landbouwers-immigranten voorschotten. Ter eere der Chineezen dient gezegd te worden, dat alle voorschotten terug betaald zijn.

De Chineezen droegen zeer veel bij tot de ontwikkeling.

Sir Frank Swettenham prijst de Chineezen zeer. Hij zegt: (blz. 231).

"Reeds in 1882 begon eene Fransche maatschappij tin te ontginnen in het Kinta district van Perak, en deze maatschappij heeft sedert haar werkzaamheden uitgebreid over de andere staten. Na dien tijd zijn er andere Europeesche maatschappijen voor hetzelfde doel gevormd. Maar het waren de Chineezen, die de ontginning begonnen, en die steeds hebben doorgezet. Aan de Chineezen is het te danken, dat thans de productie meer bedraagt dan de helft der wereld-productie. Hun energie en ondernemingsgeest hebben de Maleische staten gemaakt tot wat die heden zijn, en het zou onmogelijk zijn de verplichting te overschatten, die het Maleische gouvernement en de bevolking hebben aan deze hardwerkende, bekwame, en aan de wetten getrouwe, onderdanen. Zij waren reeds de mijnwerkers en de handelaren en gedeeltelijk ook de landbouwers en visschers v󳲠de blanke man zijn weg gevonden had naar het Maleische schiereiland. In vroegere tijden verschaften Chineesche energie en vlijt het kapitaal om het aanleggen van wegen en andere publieke werken te beginnen en in alle andere kosten van bestuur te voorzien. Dan waren zij, en zij zijn het nog, de pionieren van de mijnindustrie. Zij hebben hun weg gebaand in verwijderde wildernissen, wouden omgekapt, alles op het spel gezet en dikwijls groote winsten behaald. Zij hebben ook den tol betaald aan een dikwijls doodelijk klimaat. Zij waren de kolenbranders in de dagen toen zij zelf het tinerts moesten smelten; zij waren houthakkers, timmerlieden en metselaars. Als contractanten bouwden zij nagenoeg alle gouvernementsgebouwen en legden zij de meeste wegen, bruggen, spoorwegen en waterwerken aan. Zij brachten het eerste kapitaal in het land, toen de Europeanen de risico niet aandorsten. Zij waren de handelaars en de winkeliers, en het waren hunne stoombooten, die de eerste communicatie onderhielden tusschen de havens van de Straits en de Maleische staten. Zij brachten tienduizenden hunner landslieden in het land, toen het van het verkrijgen van werkkrachten afhing, om de verborgen rijkdommen van een nagenoeg onbekend en met wildernissen overdekt land te ontginnen. Het is de belasting van hun werk, hunne voedings- en genotmiddelen en hunne spelen, die ongeveer 9/10 van de inkomsten hebben opgebracht."

Het aandeel, dat de Maleiers hebben gehad in de evolutie der gefedereerde Maleische staten, is nihil (blz. 233).

Is het nog te verwonderen, dat de schrijver als een der voorwaarden voor de toekomstige welvaart der Maleische staten opnoemt: het aanmoedigen der immigratie? (blz. 342).

De verwonderlijke bloei en opkomst dier staatjes blijkt uit de volgende cijfers: (blz. 300).

Jaar.Inkomsten.Uitgaven.Waarde der Invoeren.Waarde der uitvoeren.Tinrechten.Landelijke Inkomsten.Post en Telegraphie.Spoorwegen.Boschbeheer.
1875409,394---866----
1880881,910794,9442,231,0881,906,052300,30138,844---
18852,208,7092,268,9548,667,4259,691,786831,29491,5174,93223,873-
18904,840,0655,237,27515,443,80917,603,0931,609,401166,05437,742406,032-
18958,481,0077,582,55322,653,27131,622,8053,379,813468,239110,7931,294,390-
190015,609,80712,728,93038,402,58160,361,0457,050,382712,898191,5252,254,742-
190523,964,59320,750,39550,575,45580,057,6549,249,627887,593296,3233,940,599622,009

Bovengenoemde getallen stellen dollars voor welke in 1875 ongeveer 4 s. waard waren en langzamerhand terugliepen tot 2 s. Thans is de Straits-dollar vastgesteld op 2 s. 4 d.

Een bewijs, dat het ingrijpen van het Engelsche bestuur heilzaam is geweest voor de gefedereerde Maleische staten, zien wij in de achter gebleven ontwikkeling van die landen, waar de inmenging veel geringer is geweest, zooals in Kedah, Pahang, Tringganau, Kelantan en Djohor.

Wat de eigenlijke Kroon-Kolonie zelve aangaat, n.l. Singapore, Malacca, Penang, Province Wellesley en de Dindings, deze hebben mede geprofiteerd van de ontwikkeling van het z. g. "hinterland".

De betrekkelijke cijfers zijn voor de Kroon-Kolonie: (blz. 331)

Jaar.Inkomsten in dollars.Uitgaven in dollars.Waarde der invoeren in dollars.Waarde der uitvoeren in dollars.
18681,3018431,19717742,11970837,993856
18702,3787481,25937654,44938847,989953
18751,5388541,80522963,13771662,493328
18853,5080743,593149110,356796100,513222
18954,0483603,782456198,218306172,974953
190410,74651810,1848989383,942088326,193851
De Chineezen leveren het grootste deel van het inkomen der Maleische staten.

Ook de bekende schrijver Ireland erkent het gewichtige aandeel, dat de Chineezen gehad hebben in de ontwikkeling van de gefedereerde Maleische staten. Hij zegt * dat de positie dier staten eene bijzondere is door twee omstandigheden; de eene is, dat deze staten het grootste deel der wereldproduktie van tin opleveren, de andere, dat de inheemsche Maleische bevolking absoluut weigert handenarbeid te verrichten, onder welke voorwaarden ook.

In 1901 bedroeg de waarde van den totalen uitvoer $ 71,350,000, waarvan aan tin alleen voor een waarde van $ 61,689,000, of meer dan 86 % van het geheel. Het totaal inkomen van de staten bedroeg dat jaar $ 20,550,000. Wanneer we van deze som aftrekken de opbrengsten van spoorwegen, post en telegrafie, verschillende retributiën, landverkoop, enz. dan zien we, dat aan eigenlijke belastingen werd opgebracht een bedrag van $ 16,500,000, terwijl de Chineezen hierin bijdroegen voor $ 12,000,000, n.m. $ 8,439,000 aan uitvoerrecht van tin en $ 3,726,000 aan licenties voor opium, dranken en dobbelarijen.

Wat den Maleier van het Maleische schiereiland aangaat, nergens ter wereld is er zoo'n aartsluiaard. Hij wil noch voor zich zelf, noch voor het Gouvernement, noch voor particulieren werken. Hij bouwt voor zich zelven een huisje van bamboe en atap, plant rijst juist voldoende om het menu aan te vullen, dat de rivieren en de wouden hem verschaffen, en gedurende negentiende der uren, dat hij niet slaapt, zit hij jaar in, jaar uit op een houten bank in de schaduw, en ziet toe, hoe de Chinees en de Tamil wegen en spoorwegen aanlegt, mijnen exploiteert, den grond bebouwt, vee fokt, en belasting betaalt.

De Resident-Generaal schrijft in zijn jaarrapport over 1901 o.a.: "Het is zelfs moeielijk om den Maleier er toe te brengen als politiedienaar te fungeeren. Met het voordeel van een prachtig klimaat hadden de Maleiers rijst kunnen planten voor een willige markt die de Chineesche mijnwerkers vormen; maar ook dit hebben zij niet gedaan, en een groot deel van de visscherij is in handen der Chineezen. Huisbedienden, waschbazen, boodschaploopers, tuinlieden en koetsiers, allen zijn vreemdelingen."

Immigratie van Chineezen.

Geen toezicht op de immigratie tot 1873.

* De immigratie van Chineezen naar de Straits is geruimen tijd geschied buiten bemoeienis van de Straits?-autoriteiten. Toch had Raffles reeds bij ordonnantie van 1 Mei 1823 o.a. het volgende bepaald:

"Het komt herhaaldelijk voor dat vrije werklieden en anderen van China en elders worden aangebracht, hoewel die lieden de middelen niet hebben om hunne passage te betalen. Zij hopen dat personen in Singapore verblijvende, de kosten er van zullen voorschieten, op voorwaarde voor een bepaalden tijd van de diensten der immigranten te mogen profiteeren. Zulke overeenkomsten zijn niet verwerpelijk te achten, indien de betrokkenen als vrije personen aan wal gezet worden; doch in elk geval zal de voor te schieten som niet hooger mogen bedragen dan twintig dollars, waarvoor de betrokkene nooit langer dan twee jaren zal mogen dienen, terwijl elke overeenkomst, door beide partijen ten overstaan van den magistraat vrijwillig aan te gaan, wettelijk moet worden geregistreerd."

Deze ordonnantie kwam later in het vergeetboek en werd niet toegepast.

Petitie van 1871.

De aandacht op die Chineesche immigratie werd weder gevestigd door een verzoekschrift, in 1871 ingediend door verschillende Chineesche kooplieden en ingezetenen, gericht aan den Gouverneur, waarin verzocht werd om een betrouwbaar ambtenaar te belasten met het toezicht op de nieuw-aangekomenen, die anders door gewetenlooze lieden werden geëxploiteerd.

Door de Chineesche onlusten van 1872 werd de behoefte aan regeling der immigratie dringender. Eene commissie werd ingesteld om maatregelen te ontwerpen. Ook de pers vestigde de aandacht op misbruiken, welke voorkwamen bij de immigratie van koelies.

Ordonnantie van 1873.

In 1873 kwam er dan ook eene ordonnantie op de immigratie tot stand, doch, doordat deze ordonnantie van vele kanten werd bestreden, kwam zij nooit in werking.

Petitie van 1874.

In 1874 richtten de ingezetenen van Singapore weer eene petitie aan den Gouverneur (toenmaals Sir Andrew Clarke) waarin betoogd werd dat elke wettelijke regeling van de immigratie belemmerend zou werken op de geregelde toestrooming van immigranten, eene levenskwestie voor de kolonie. Alle misbruiken waren te wijten aan de geheime genootschappen; deze moesten geheel onderdrukt worden, want alle ongeregeldheden te voren in de Straits voorgevallen, waren steeds het gevolg van het werken dier geheime genootschappen. Indien de haven?autoriteiten en de politie beter toezicht hielden op de immi?granten, zouden de misbruiken van zelf verdwijnen.

Commissie van 1876.

De opvolger van Clarke, Sir W. Jervois, benoemde in 1876 eene commissie om den toestand te onderzoeken, waarin de Chineesche werklieden in de kolonie verkeerden. De commissie stelde voor, eene wettelijke regeling van de immigratie in het leven te roepen, benevens instelling van "Protectors of Chinese" te Singapore en Penang, vermoedelijk naderhand ook te Malacca, waartoe benoemd zouden worden Europeanen, bekend met de verschillende Chineesche dialecten, en bijgestaan door respectabele Chineezen, behoorende tot de stammen, die gewoonlijk immigreerden.

In 1877 beschreef de Chineesche tolk Mr. Pickering de schandelijke misbruiken bij den koeliehandel gepleegd. De voor Sumatra bestemde koelies werden door gewapende lieden aan boord der schepen gedreven.

Ordonnantie van 1877.

Op den 23sten Maart 1877 kwam eene tweede ordonnantie op de Chineesche immigratie tot stand. Een Protector en een Assistent Protector der Chineezen werden benoemd, depots voor de ontvangst der Singkehs zouden mogen worden opgericht.

Tegenwoordige ordonnantie.

Deze ordonnantie vertoonde in de praktijk gebreken en werd vervangen door eene geheel nieuwe ordonnantie van 1880, gewijzigd in 1891, welke op haar beurt vervangen werd door de tegenwoordig geldende ordonnantie van 1902, gewijzigd in 1903. Deze ordonnantie vindt men hierachter als bijlage I op blz. 54 vertaald afgedrukt.

Crimping ordinance No. III of 1877.

Nauw verbonden met de kwestie van de immigratie der Chineezen is de ordonnantie van 1877 op het ronselen van koelies. Volgens deze ordonnantie is strafbaar hij, die door bedrog of of andere onwettige overredingsmiddelen iemand verleidt, de kolonie te verlaten, om elders dienst te nemen. Alleen wervers, van eene vergunning voorzien, mogen zulke personen aanwerven, terwijl een schriftelijk contract, te teekenen ten overstaan van den Protector, verplichtend is voor die emigranten, wier over? tochtskosten geheel of gedeeltelijk worden voorgeschoten. Voor hen, die zulke contracten hebben geteekend of voorschotten hebben ontvangen en weigeren die overeenkomsten uit te voeren, zijn strafbepalingen vastgesteld. Ook is verboden het overhalen van werklieden om hunnen tegenwoordigen dienst te verlaten, of een deserteur in te schepen of in dienst te nemen.

---

BIJLAGE I.

STRAITS SETTLEMENTS.
De Chineesche Immigranten-Ordonnantie van 1902.

Ordonnantie, NI. XIX, van 1902 *.
Ordonnantie tot wijziging van de wet betrekkelijk de bescherming der Chineesche Immigranten.

(25 Juli 1902).

(L. S.)     F. A. SWETTENHAM,
Gouverneur en Opperbevelhebber.

De Gouverneur van de Straits Settlements, in overeenstemming met den Wetgevenden Raad, heeft vastgesteld als volgt:

Verkorte naam.

1. Deze Ordonnantie kan aangehaald worden onder den naam van "De Chineesche Immigranten-Ordonnantie van 1902".

Intrekking der Ordonnantie IV van 1880 en der Ordonnantie I van 1881.

2. Door de inwerkingtreding dezer Ordonnantie worden afgeschaft "De Chineesche Immigranten-Ordonnantie van 1880" en "De Ordonnantie van 1891 tot wijziging der Chineesche Immigranten-Ordonnantie".

3. Elk der in deze Ordonnantie voorkomende uitdrukkingen heeft de hieronder vermelde beteekenis.

Onder de uitdrukking "China" zijn begrepen Hongkong, Macao en al het territoir, dat een deel uitmaakte van het Chineesche Rijk op den 1sten Januari 1841.

"Immigrant" of "Chineesche Immigrant" beteekent een inboorling van China (geen eerste of tweede klas kajuit-passagier of een bediende van zulk een passagier of een persoon behoorende tot de bemanning van het schip zijnde), reizende over zee van eene haven in China naar de haven zijner bestemming in de kolonie.

"Chineesche Immigrantenschip" beteekent een schip, dat Chineesche Immigranten overvoert.

"Protector" beteekent Protector der Chineesche Immigranten en omvat ook de Assistent Protectors der Chineesche Immigranten.

"Overtochtsgelden". Hier onder is ook begrepen het geldswaardig bedrag van eenen vrijen overtocht.

"Voorschotten". Hieronder zijn tevens begrepen onderhoud in China, kleeren verstrekt in China, contant geld in China of aan boord afgegeven, onderhoud aan boord, benevens eene som, vijf dollars niet te bovengaande, strekkende om de kosten te bestrijden gemaakt door den persoon, die belast is met het overbrengen van den Immigrant van uit China, en voor passage-kosten.

"Schuldeischer" is de persoon aan wien, in de gevallen hier onder vermeld, de Immigrant bevonden wordt eene schuld te hebben wegens genoten passagegelden of voorschotten en daaronder zal ook worden verstaan des schuldeischer's agent in de kolonie.

"De bevoegde practiseerend geneesheer" is de houder van een diploma, graad of licentie, welke hem vergunt om geneeskunde of chirurgie uit te oefenen in eenig deel van Zijner Majesteit's Bezittingen, of de houder van eenig Europeesch, Amerikaansch of Japansch diploma, graad of licentie, welke is goedgekeurd door den Gouverneur in Rade.

Protectors en Assistent-Protectors.

4. De Protector der Chineezen zal ex-officio zijn de Protector der Chineesche Immigranten bedoeld in deze Immigranten Ordonnantie, en de Assistent Protectors der Chineezen en dergelijke andere personen als de Gouverneur zal benoemen, zullen ex-officio zijn Assistent Protectors der Chineesche Immi?granten.

Depots voor onderzoek.

5. De Gouverneur zal bevoegd zijn:

  1. om depots op te richten in elk der Settlements voor het onderzoek der Immigranten en een tarief vast te stellen van de kosten, die wettelijk gevraagd kunnen worden van een Immigrant voor diens overbrenging van een Chineesche Immigrantenschip naar zulk een depot;
  2. Depots voor interneering.
  3. om depots op te richten en daarvoor licenties af te geven in elk der Settlements bestemd voor het opnemen der Chineesche Immigranten, en een tarief vast te stellen van de onkosten en de prijzen welke betaald moeten worden voor het gebruik maken van zulke depots, en voor het onderhoud der Immigranten, die daarin zijn geinterneerd.
  4. Regels voor depots. Strafbepaling.
  5. om regels vast te stellen voor het beheer van zulke depots. Bij overtreding van een der, in gevolge dit artikel, vastgestelde bepalingen en regelingen, zal de schuldige gestraft kunnen worden met eene boete, de som van 25 dollars niet te bovengaande.
De Gouverneur kan regelingen vaststellen.

6a. De Gouverneur in Rade zal bevoegd zijn regelingen vast te stellen voor:

  1. het aanwijzen van de plaats, waar Chineesche Immigrantenschepen moeten ankeren.
  2. het vaststellen van den tijd waarop, den weg waarlangs, en de wijze waarop Immigranten moeten worden geland en gebracht naar een depot van onderzoek.

b. Al de onder a bedoelde regelingen zullen geheel of gedeeltelijk bij dezelfde, of bij eene afzonderlijke verordening van den Gouverneur in Rade toepasselijk kunnen worden verklaard voor bepaalde klassen van schepen en niet toepasselijk voor andere klassen van schepen, omschreven in zulk eene verordening van den Gouverneur in Rade.

c. Al de ingevolge artikel 6a en 6b uitgevaardigde regelingen zullen zoo spoedig mogelijk na de uitvaardiging ter goedkeuring worden aangeboden aan den Wetgevenden Raad en zullen bij besluit van dezen Raad kunnen worden ingetrokken.

d. Bij overtreding van een der ingevolge dit artikel vastgestelde bepalingen en regelingen zal de schuldige gestraft kunnen worden met eene boete, de som van 500 dollars niet te boven gaande.

Vertrek uit China en aankomst in de kolonie van een immigrantenschip.

7a. Bij het vertrek van een Chineesche Immigrantenschip uit China naar eene haven in de kolonie, zal de agent of geconsigneerde van zulk een schip in die haven van de kolonie, waarheen het schip geconsigneerd is, tevoren den Protector in die haven kennis geven van den vermoedelijken datum van aankomst van zulk een schip en van het aantal Immigranten, dat in die haven aan wal gezet zal worden.

Regels in acht te nemen bij aankomst.

b. De gezagvoerder van elk Chineesche Immigrantenschip zal, bij aankomst in eene haven der kolonie, reeds op eenen afstand, waarbij signaleeren mogelijk is, een signaal hijschen aangevende, dat er passagiers aan boord zijn, tegelijk met eene vlag, aangevende het aantal der Immigranten aan boord, en hij zal die vlag laten waaien totdat al de Immigranten gedebarkeerd zijn. Indien zulk een Chineesche Immigrantenschip een zeilschip is, zal de gezagvoerder bij aankomst daarvan, dadelijk bericht geven aan den Protector en hij zal in elk geval den Immigranten beletten te debarkeeren tot dat een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord zal zijn gekomen, zooals nader geregeld is in het volgende artikel.

Strafbepaling.

c. Een ieder, die zonder wettige redenen verzuimt de bepalingen van dit artikel op te volgen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 250 dollars niet te boven gaande.

Aankomst aan boord van eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen.

8. Bij aankomst van een Chineesche Immigrantenschip op de voorgeschreven ankerplaats, zal een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord komen, aan wien de gezagvoerder verplicht is een lijst af te geven, bevattende al de namen der Chineesche Immigranten aan boord; de gezagvoerder zal tevens verplicht zijn alle inlichtingen te verstrekken omtrent de Immigranten, wat betreft de betaling hunner passage-gelden, de plaats van embarkement, den gezondheidstoestand gedurende den overtocht, den dood of afwezigheid van ieder Immigrant, die aan boord geweest is tijdens of na het vertrek van het schip uit de eerste vertrekhaven in China, benevens alle andere inlichtingen, die redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden naar aanleiding dezer Ordonnantie of de "Ordonnantie omtrent het beschermen van vrouwen en meisjes" van 1896.

Verplichting van den gezagvoerder tot het geven van inlichtingen. Strafbepaling.

De gezagvoerder van een Chineesche Immigrantenschip, die opzettelijk verzuimt de hierboven bedoelde lijsten of inlichtingen te geven, dan wel lijsten of inlichtingen als juist verstrekt van welke hij weet, of redenen heeft te gelooven, dat zij valsch zijn, dan wel weigert te antwoorden op de vragen, die de betrokken ambtenaar redelijkerwijze kan stellen naar aanleiding dezer Ordonnantie, zal, als schuldig aan overtreding van de artikelen 176, 177 of 179 van het Strafwetboek, met de daarbij bedreigde straffen gestraft worden.

De communicatie met het schip is verboden tot dat de immigranten gedebarkeerd zijn.

9a. Niemand, uitgezonderd de hierna genoemde personen, mag aan boord komen van, of in communicatie komen met een Chineesche Immigrantenschip, dat in eene haven is gearriveerd, zoolang geen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord is gekomen en al de Immigranten heeft laten debarkeeren; en geen Immigrant zal van een Chineesche Immigrantenschip debarkeeren of trachten te landen, anders dan op de wijze zooals door deze Ordonnantie is voorgeschreven.

Uitzondering.

b. De volgende personen zullen uitgezonderd zijn van de bepalingen van dit artikel: De Officier van Gezondheid, de Havenmeester, de Protector der Chineezen, het Hoofd der Politie of een der aan hen ondergeschikte ambtenaren; de eigenaar, de agent of geconsigneerde van het schip; de Consul-Generaal, Vice-Consul of Consulaire Agent van de natie, onder wier vlag het betrokken schip vaart, en al diegenen, aan wien door den ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen zal worden vergund aan boord te komen voor het doen debarkeeren der Immigranten.

Strafbepaling.

c. Ieder, die zich aan boord begeeft van, of in communicatie komt of tracht te komen met een Chineesche Immigrantenschip, in strijd met de bepalingen van dit artikel, en elk Immigrant, die van een Chineesche Immigrantenschip debarkeert of zulks tracht te doen in strijd met de bepalingen van deze Ordonnantie of van de uit haar gevloeide regelingen, en ieder, die een Immigrant daarbij helpt of daartoe aanspoort, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 500 dollars niet te boven gaande en, bij in gebreke blijven van betaling, met gevangenisstraf den tijd van zes maanden niet te boven gaande.

Communicatie.

d. Met betrekking tot dit artikel zal een ieder geacht worden in communicatie te zijn met een Chineesche Immigrantenschip, die in een sampan, lichter of eenige andere boot, van welke soort ook, hangt aan, of zijn boot bevestigt aan of brengt binnen eene kabellengte afstand van het Chineesche Immigrantenschip; uitgezonderd in de gevallen waarin zulks geschiedt om de bevoegde personen aan boord te brengen, dan wel om krachtens vergunning van den ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen de Immigranten te doen debarkeeren.

Overbrenging naar een depot voor onderzoek.

10. Wanneer na aankomst van een Chineesche Immigrantenschip een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord is gekomen, kan deze ambtenaar al de Immigranten, die aan boord zijn, of een deel van hen, doen overbrengen naar een depot voor onderzoek der Immigranten, opdat daar door den Protector, of door eenen door den Protector gemachtigden ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen, de Immigrant gehoord kan worden omtrent de betaling zijner passage, de voorschotten, die hij mocht ontvangen hebben, dan wel omtrent eenige verbintenis om de passage-gelden of voorschotten terug te betalen, of omtrent eenig door hem reeds aangegaan of nog aan te gaan werkcontract, omtrent zijn leeftijd en geschiktheid om te werken en omtrent alle andere zaken, die noodig mochten blijken, naar aanleiding van deze Ordonnantie, of de "Ordonnantie betreffende het beschermen van vrouwen en meisjes" van 1896.

Machtiging tot onderzoek.

11. Indien na aankomst van een Chineesche Immigrantenschip de Protector redenen heeft om te gelooven, dat een Immigrant, die met zulk een schip in de kolonie is gekomen, in schuld is bij eenig crediteur voor passagegelden of voorschotten, en zonder vergunning van eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen is binnen gegaan in een andere plaats dan in een volgens deze Ordonnantie daarvoor bestemd depot, zal de Protector of een door dezen schriftelijk gemachtigde ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen bevoegd zijn om elk huis, schip of plaats, waar zulk een Immigrant vermoed wordt te zijn, te doorzoeken en, bij aantreffen, hem tegelijk met alle documenten betrekkelijk zijne schulden, te brengen naar een depot van onderzoek, om daar gehoord te worden, zooals in het vorige artikel is aangegeven.

Strafbepaling wegens weigering naar een depot van onderzoek te gaan ofwel het heimelijk verlaten er van.

12. leder Immigrant, die weigert of verzuimt naar een depot voor onderzoek te gaan om daar gehoord te worden, wanneer zulks door eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen wordt ge멳cht, en leder Immigrant, die heimelijk zulk een depot verlaat of tracht te verlaten, v󳲠zijn onderzoek is afgeloopen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande, of gevangenisstraf van ten hoogste een maand.

Vrijlating van den Immigrant die niets verschuldigd is.

13. leder Immigrant, die na het hier bovenbedoelde onderzoek bevonden wordt niets schuldig te zijn voor passagegelden of voorschotten, zal op staanden voet het depot voor onderzoek mogen verlaten.

Het naar de kolonie overbrengen van eenen Immigrant middels bedrog.

14. Wanneer na het boven bedoelde onderzoek blijkt, dat de Immigrant naar de kolonie is gebracht met gebruikmaking van bedrog of verkeerde voorstellingen betreffende zijn loon, zijn werk of andere zaken, zal de Protector er onderzoek naar doen en indien blijkt, dat de Immigrant billijke redenen tot beklag heeft, zal de Protector hem vrij laten en met hem handelen als met een Immigrant, die onder de bepalingen van deze Ordonnantie verklaard is bij voortduring ongeschikt te zijn voor arbeid in de kolonie.

De Immigrant, die eene schuld heeft, wordt in het depot aangehouden.

15. Elke Immigrant, van wien na het bovenbedoelde onderzoek blijkt, dat hij eene schuld heeft wegens genoten passage-gelden of voorschotten, kan, tenzij hij blijkt ongeschikt te zijn voor werk, onder toezicht van den Protector aangehouden worden in een der volgens deze Ordonnantie gelicentieerde depots, totdat hij, naar het genoegen van den Protector, schikkingen gemaakt heeft voor de betaling zijner schuld.

Geen Immigrant kan, na zulk eene schuld te hebben betaald, worden aangehouden, of hij moet daartoe zijne toestemming betuigen ten overstaan van den Protector, en dan voor geen langeren termijn dan tien dagen, uitgezonderd in de gevallen voorzien in de artikelen 21, 22, 23 en 24 van deze Ordonnantie.

De tot werken ongeschikte Immigrant.

16. (1) Wanneer een Immigrant na het bovenbedoelde onderzoek, of voor dat hij ten genoegen van den Protector schikkingen heeft gemaakt voor de betaling zijner schuld, blijkt ongeschikt te zijn voor werk tengevolge van ziekte, physieke of psychische zwakte, of indien hij gebrekkig is, of aan de een of andere kwaal lijdt, dan kan hij naar een hospitaal worden opgezonden om geneeskundig te worden onderzocht en behandeld; en hij zal daar op kosten van zijnen crediteur blijven aangehouden, totdat door den Chef van het hospitaal zal worden verklaard:

  1. (a) dat hij ongeschikt is voor werk of voor bepaalde soorten van werk of voor werk op bepaalde plaatsen, in welk geval hij zal worden overgegeven aan den Protector of diens gemachtigde; de Immigrant zal vervolgens onder toezicht van den Protector in een depot worden gedetineerd zooals voorzien is bij artikel 15; of
  2. (b) dat hij ongeneeselijk is of bij voortduring ongeschikt voor werk in de kolonie, in welk geval hiervan bericht zal worden gegeven aan den Protector, die een zoodanigen Immigrant bij de eerste gelegenheid op kosten van zijnen crediteur kan doen terugzenden naar de plaats in China van waar hij werd aangebracht.

(2) Wanneer bij het bovenbedoelde onderzoek of gedurende den bovenbedoelden tijd blijkt, dat een Immigrant beneden de 16 of boven de 45 jaren oud is, kan hij op kosten van zijnen crediteur teruggezonden worden naar de plaats in China van waar hij werd aangebracht.

Strafbepaling.

17. Elk Immigrant, die bij het bovenbedoelde onderzoek bevonden wordt eene schuld te hebben wegens genoten passage gelden of voorschotten en weigert of verzuimt, hetzij naar een hospitaal, hetzij naar een volgens de bepalingen van deze Ordonnantie gelicentieerd depot te gaan, nadat hem zulks gelast is door eenen ambtenaar van het Protectoraat, en ieder Immigrant, die zulk een depot verlaat of tracht te verlaten zonder toestemming van eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen, dan wel een hospitaal zonder toestemming van den betrokken chef verlaat of tracht te verlaten, zal worden gestraft met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te boven gaande, of met gevangenisstraf van niet langer dan eene maand.

Arrestatie van eenen vluchtenden Immigrant.

18. Ieder Immigrant, die in strijd met de bepalingen van deze Ordonnantie, vlucht uit, of weigert te gaan naar, een depot opgericht volgens deze Ordonnantie, dan wel vlucht uit of weigert te gaan naar een hospitaal, kan door eenen politiedienaar of eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen worden gearresteerd en gebracht naar een bureau voor onderzoek, of naar het Protectoraat der Chineezen, of naar een politie-station, waar hij kan worden aangehouden tot hij gebracht kan worden voor den Protector.

Aanzetting tot het zich wederrechtelijk verwijderen van eenen Immigrant.

19. Een ieder, die een Immigrant, welke nog in schuld is voor de bovengenoemde redenen, overhaalt of tracht over te halen, naar eene andere plaats te gaan dan naar een depot opgericht volgens deze Ordonnantie of een depot of hospitaal, waarheen hij is gezonden door eenen ambtenaar van het Protectoraat, zal gestraft worden met eene boete, de som van 50 dollars niet te boven gaande voor elken Immigrant, of met gevangenisstraf van hoogstens twaalf maanden.

Maximum bedrag voor passagegelden en voorschotten.

20. De Protector der Chineezen kan van tijd tot tijd het maximum bedrag vaststellen, dat een Immigrant verschuldigd mag zijn wegens betaalde passage-gelden van eene haven in China naar eene haven in de kolonie, en wegens voorschotten.

Aanhouding van eenen Immigrant die zijne verklaring tot terugbetaling van de passage-gelden niet gestand kan doen.

21. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien bij het bovenbedoelde onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring, dat hij bij aankomst in de kolonie een persoon zal aantreffen, die genegen is de passage-gelden en voorschotten terug te betalen; en die alleen door het aangaan van een werkcontract de verklaring kan gestand doen en niet genegen is zulk een contract aan te gaan, kan naar goeddunken van den Protector, op vrije voeten worden gesteld, naar China terug gezonden op kosten en met toestemming van zijnen schuldeischer. In het laatste geval kan hij, in afwachting van zijn vertrek, op kosten van zijnen crediteur worden gedetineerd in een volgens deze Ordonnantie gelicentieerd depot.

Weigering van eenen Immigrant om de verklaring tot het aangaan van een werkcontract gestand te doen. Strafbepaling.

22a. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft verkregen door het afleggen van de verklaring om bij aankomst in de kolonie een werkcontract aan te gaan, en die zonder behoorlijke redenen weigert binnen tien dagen na zijn aankomst zulk een werkcontract aan te gaan, dan wel de verschuldigde passagegelden en voorschotten terug te betalen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande of met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand. Indien na afloop van de gevangenisstraf, opgelegd wegens bovenbedoelde weigering of het niet voldoen van de boete, de immigrant volhardt in zijne weigering, zal hij wederom gestraft kunnen worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande of gevangenisstraf van hoogstens twee maanden, en na afloop van de straf kan hij met goedvinden van den Protector, op kosten en met toestemming van zijnen crediteur, naar China worden teruggezonden en in afwachting van zijn vertrek op kosten van zijnen crediteur worden aangehouden, in een depot gelicentieerd volgens deze Ordonnantie.

b. Indien na schuldig bevinden de Immigrant eene boete betaalt gelijk aan of hooger dan het bedrag door hem verschuldigd wegens passage-gelden en voorschotten, zal hij dadelijk ophouden onder de bepalingen van dit artikel te vallen.

Aanwending der boete.

c. Elke boete, betaald naar aanleiding van dit artikel, zal in de eerste plaats aangewend worden om den crediteur de som terug te betalen, die de Immigrant dezen schuldig is voor passage-gelden en voorschotten. Hetgeen overblijft na de afbetaling zal gestort worden in 's lands kas.

De Immigrant wordt ongeschikt bevonden voor het aangaan van het beloofde werkcontract.

23. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring om bij aankomst in de kolonie een werkcontract aan te gaan voor een bepaald soort van werk, en die na geneeskundig onderzoek verklaard wordt ongeschikt te zijn voor dat werk, kan naar goedvinden van den Protector:

  1. op kosten van den crediteur teruggezonden worden naar China, en, in af wachting van zijn vertrek, op kosten van den crediteur aangehouden worden in een depot, volgens deze Ordonnantie gelicentieerd;
  2. een werkcontract aangaan voor zoodanig werk als waarvoor hij geschikt verklaard wordt, en voor dit doel gezonden worden naar eene andere haven van de kolonie;
  3. op vrije voeten gesteld worden.
Onmogelijkheid tot het vinden van eenen werkgever.

24(a). Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onderzoek blijkt, dat hij passagegelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring om bij aankomst in de kolonie een contract aan te gaan voor eenig speciaal werk, en voor wien binnen tien dagen na zijn aankomst in de kolonie, de persoon, die hem heeft aangebracht, niet in staat is zulk werk te vinden, kan, naar goedvinden van den Protector, op vrije voeten worden gesteld, of naar China teruggezonden op kosten van zijnen crediteur, en in dit geval, in afwachting van zijn vertrek, op kosten van zijnen crediteur worden aangehouden in een, volgens deze Ordonnantie gelicentieerd depot, dan wel kan hij op kosten van zijnen crediteur naar eene andere haven in de kolonie worden gezonden om zulk werk te vinden.

Aan boord verscholen Immigranten.

(b) Tenzij zij vallen onder de bepalingen van artikel 16 zullen zij, die zich aan boord verscholen houden om vrijen overtocht te genieten, behandeld worden als Immigranten, die passagegelden en voorschotten hebben ontvangen door het afleggen eener verklaring om bij aankomst in de kolonie een werkcontract voor de een of andere soort van werk aan te gaan.

Terugzending van Immigranten naar China.

25. Wanneer een Immigrant naar China teruggezonden moet worden op kosten van zijnen crediteur volgens de bepalingen van deze Ordonnantie, of naar het hospitaal gezonden volgens de bepalingen van artikel 16, of naar eene andere haven in de kolonie volgens de bepalingen van artikel 24, zal de Protector alle daarvoor noodige maatregelen nemen. Al de noodige uitgaven en daarbij komende kosten om zulk eenen Immigrant naar China, of naar het hospitaal, of naar eene andere haven in de kolonie te zenden, zullen van den crediteur van zulk eenen Immigrant kunnen worden terug gevorderd in een "Court of Requests" op verzoek van den Protector, wiens opgave van het bedrag dier kosten als juist zal worden aangenomen.

Aangaan van een werkcontract door den Immigrant met den nieuwen creiteur.

26. De Protector kan van een ieder, die aanbiedt ten behoeve van eenen Immigrant aan diens crediteur de passage?gelden en voorschotten door den Immigrant verschuldigd terug te betalen, vorderen, om met zulk eenen Immigrant een contract aan te gaan.

De depothouder kan commissieloon in rekening brengen.

27. Het zal den houder van een volgens deze Ordonnantie gelicentieerd depot toegestaan zijn om van dengene, die aanbiedt met eenen Immigrant een contract aan te gaan als bedoeld in het vorige artikel, nog een door den Protector goedgekeurd bedrag te eischen boven de passage-gelden en voorschotten door zulk eenen Immigrant verschuldigd, voor het geval, dat de Immigrant bij het werkcontract niet verantwoordelijk wordt gesteld voor eenige som boven zijn passage-gelden en voorschotten.

Het contract moet schriftelijk zijn.

28(a). Elk contract, dat door eenen onder de bepalingen van deze Ordonnantie gelanden Immigrant zal worden aangegaan, moet schriftelijk zijn, en aan den Immigrant worden uitgelegd door den Protector of eenen daartoe bevoegden ambtenaar van zijn departement, en wanneer het den Protector of dien ambtenaar blijkt, dat de Immigrant de strekking en de bewoordingen van het contract begrijpt, zal dit contract geteekend worden door den Immigrant en zijnen werkgever of diens wettig geautoriseerden agent in tegenwoordigheid van den Protector of bovenbedoelden ambtenaar.

(b). Een werkgever, met Europeesche karakters teekenende, wiens handteekening aan den Protector bekend is, behoeft niet te teekenen in tegenwoordigheid van den Protector of bovenbedoelden ambtenaar.

Ordonnantie van 1882.

(c). Elk zoodanig geschreven contract, op de boven bedoelde wijze geteekend, zal beschouwd worden als een bindend contract volgens de "Werkcontracten-Ordonnantie van 1882", doch indien de werkgever het contract geteekend heeft met Europeesche karakters, zal de ambtenaar, ten overstaan van wien het contract geteekend is, niet behoeven te certificeeren, dat het contract uitgelegd is aan den werkgever.

Verschuldigd zegelrecht.

(d). Elk volgens deze Ordonnantie aangegaan contract zal onderworpen zijn aan een zegelrecht van een dollar per Immigrant door den werkgever te betalen, middels plakzegels door den Protector of bovenbedoelden ambtenaar te hechten onder de handteekeningen van beide partijen op het contract gesteld. Het contract moet door den Protector of bovenbedoelden ambtenaar worden gewaarmerkt.

(e). Geen werkcontract zal voor den Immigrant verbindend worden gehouden, indien het niet wettelijk geteekend en gezegeld is volgens voorschrift dezer Ordonnantie.

Van werkgevers voor werk buiten de kolonie kan de Protector zekerheidsstelling eischen.

29. De Protector kan van eenen werkgever, die met eenen Immigrant volgens deze Ordonnantie een contract aangaat voor werk buiten de kolonie, eischen naar genoegen van den Protector zekerheid te stellen voor de richtige nakoming van het contract.

30. De Protector kan eischen:

De Protector kan photografiën eischen.
  1. dat een Immigrant, die een contract aangaat voor werk buiten de kolonie of voor eene plaats gelegen binnen het territoir van de Dindings- of het Christmas-eiland of voor eene plaats gelegen in het Settlement Malacca, gephotografeerd wordt op kosten van den werkgever en dat eene photografie gedeponeerd wordt in het Protectoraat der Chineezen.
  2. Geneeskundig onderzoek.
  3. dat een Immigrant, die een werkcontract wenscht aan te gaan, hetzij voor in, hetzij voor buiten de kolonie, door eenen Gouvernements-geneesheer of eenen bevoegden practiseerenden geneesheer onderzocht wordt wat aangaat zijne geschiktheid voor zulk werk; de werkgever zal voor dat onderzoek eene betaling hebben te voldoen de som van één dollar niet te bovengaande.
Vernietiging van het contract door den rechter.

31 (a). Indien een werkgever, of een persoon die door den werkgever gesteld is over eenen Immigrant, die volgens de bepalingen van deze Ordonnantie een contract heeft geteekend, voor een rechtbank is schuldig bevonden aan eene overtreding jegens den persoon of den eigendom van zulk eenen Immigrant; of indien een magistraat na lezing van het rapport van den Protector en na een volledig onder eede gehouden onderzoek overtuigd is, dat een Immigrant gedwongen is te werken, terwijl hij er ongeschikt voor was, of een slechte behandeling heeft ondervonden van den werkgever of van den over hem, Immigrant, gestelden persoon, kan de rechter of magistraat met toestemming van den Immigrant diens contract verbreken en hem eene redelijke schadeloosstelling toestaan. De rechter of magistraat zal van het verbreken van het contract kennis geven aan den Protector.

(b) Geen contract, onder de bepalingen van deze Ordonnantie aangegaan, zal met onderling goedvinden kunnen worden verbroken, dan in tegenwoordigheid van den Protector of eenen magistraat, die daarvan eene aanteekening zal stellen op het contract.

De Immigrant kan een schriftelijk contract tusschentijds doen eindigen door terugbetaling van genoten voorschotten en tevens voldoen van smartegeld.

32 (a). Een Immigrant, die een contract heeft aangegaan voor eenen bepaalden tijd, zal gerechtigd zijn dat contract ten allen tijde te doen afloopen na een maand tevoren opzegging en na terugbetaling aan den werkgever van alle eventueel aan hem zelven of ten zijnen behoeve verstrekte voorschotten, die de Immigrant bij het contract op zich genomen heeft te zullen terug betalen, benevens de betaling van eene som van 25 dollars bij wijze van smartegeld.

(b) Iedere werkgever zal binnen redelijken tijd na het desbetreffende verzoek van eenen Immigrant verplicht zijn hem eene opgave te verstrekken van de bedragen, die deze den werkgever eventueel verschuldigd is voor genoten voorschotten.

(e) Iedere werkgever, die zonder door hem aan te toonen aannemelijke redenen, weigert of verzuimt zulk eene opgave te verstrekken, nadat hem zulks als hierboven bedoeld verzocht is, dan wel opzettelijk eene onjuiste opgave verstrekt; en iedere werkgever, die, zonder door hem aan te toonen aannemelijke redenen weigert eenen Immigrant, die zijn contract heeft opgezegd, toe te staan zijn dienst te verlaten, zal voor elke overtreding gestraft kunnen worden met eene boete, de som van 100 dollars niet te bovengaande.

Voorwaarden waarop Chineesche Immigranten ingevoerd kunnen worden.

33. Geen Chineesche Immigrant zal in de kolonie mogen worden aangebracht dan op de volgende voorwaarden:

(1) Indien het schip, waarmede hij is aangebracht meer dan 20 Immigranten vervoert, zal gedurende de geheele reis een tot practiseeren bevoegd geneesheer aan boord moeten zijn, belast met de zorg voor de gezondheid van de passagiers en de hygiëne op het schip.

(2) De kapitein zal, bij aankomst van het schip in eene haven in de kolonie, aan den aan boord komenden ambtenaar afgeven een certificaat van de haven van vertrek, geteekend, indien die haven Hongkong is, door den ambtenaar belast met het toezicht op de gezondheidstoestand in de haven, en indien die haven eene Chineesche haven is, geteekend door een daartoe bevoegd door den Britschen Consul aangewezen persoon; in het certificaat moet vermeld zijn:

(a) de reis die het schip zoude maken;

(b) dat tijdens het vertrek van het schip het vereischte aantal officieren en bemanning voltallig was en het schip voldoende ge뱵ipeerd voor de reis;

(c) het aantal Immigranten aan boord; en dat dit getal niet grooter is dan het getal, dat aan boord van het betrokken schip mag vervoerd worden;

(d) dat tijdens het vertrek van het schip een goede en voldoende voorraad aan boord aanwezig was van voedsel, zuiver water en geneesmiddelen voor het gebruik van de Immigranten gedurende de voorgenomen reis;

(e) dat de maatregelen, voor het gemak en de hygiëne der Immigranten gedurende de reis aan boord van het schip genomen, voldoende waren.

Strafbepaling voor wederrechtelijke invoer.

34. (1) Een ieder, die importeert of tracht te importeeren eenen Chineeschen Immigrant in strijd met de bepalingen van artikel 33, en ieder, die behulpzaam is in, aanspoort tot, zijne bemiddeling verleent voor, geïnteresseerd is bij, betrokken is in, of opzettelijk eenig voordeel geniet van het dusdanig importeeren of trachten te importeeren van eenen Chineeschen Immigrant, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 1000 dollars niet te bovengaande, of met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf maanden, of met geldboete en gevangenisstraf tezamen.

(2). Elk schip, dat gebruikt is voor den invoer, of poging tot invoer, van eenen Chineeschen Immigrant in strijd met de bepalingen van artikel 33, kan verbeurd verklaard, vastgelegd en aangehouden worden door het Hoofd der politie totdat de uitspraak bij rechterlijk vonnis gevallen is.

(3) De maatregelen ter uitvoering van de in beslagname, bedoeld bij dit artikel, kunnen genomen worden in naam van den Procureur-Generaal volgens "Het Reglement op de Strafvordering" van 1876.

(4) Na de aanhouding van een schip volgens het bepaalde sub. 2 zal de Gouverneur gerechtigd zijn om zulk een schip vrij te laten, hetzij onder eene door hem als voldoende geachte borgstelling, hetzij zonder borgstelling.

Wijze van afdoening der overtredeingen.

35. Alle overtredingen van de bepalingen van deze Ordonnantie zullen summierlijk afgedaan kunnen worden door eene Politie- of eene gewone rechtbank.

De Gouverneur kan de hem bij deze Ordonnantie toegekende bevoegdheden delegeeren.

36. De Gouverneur zal bevoegd zijn om gedurende zijne afwezigheid van een der verschillende settlements Singapore, Penang of Malacca de verschillende, hem bij deze Ordonnantie toegekende bevoegdheden te delegeeren, respectievelijk aan den Kolonialen Secretaris te Singapore en de Resident Councillers te Penang en Malacca.

Tijdstip van in werkingtreden.

37. Deze Ordonnantie zal in werking treden op den eersten Januari 1903.

Gearresteerd op heden den 25sten Juli 1902.

A. W. S. O'SULLIVAN, Secretaris.    

 

Naturalisatie van Chineezen.

Aangezien vele Chineezen in de Straits-Settlements zich als Britsche onderdanen laten naturaliseeren, vooral indien zij tijdelijk naar China wenschen terug te keeren, om aldaar onder bescherming te staan van den Britschen consul, is het wellicht van nut de bepalingen omtrent die naturalisatie te weten.

Derhalve volgt hieronder de:

WET No. VIII VAN 1867.
Wet van den 15den Mei 1867 tot wijziging van de wet betreffende de naturalisatie van onderdanen.

HARRY ST. GEORGE ORD,
        Gouverneur en Opperbevelhebber.

 

Overwegende, dat het wenschelijk is de wet op de naturalisatie van onderdanen in deze kolonie te wijzigen,

heeft goedgevonden en verstaan, dat door Zijne Excellentie, den Gouverneur van de Straits-Settlements, in overeenstemming met den Wetgevenden Raad, worden vastgesteld de navolgende bepalingen:

Afschaffing.

1. Deze nieuwe wet schaft voor de Straits-Settlements kolonie af de wet van den Wetgevenden Raad van Indië op de naturalisatie van onderdanen, van 1852, No. 30.

Wie verzoekschriften kan indienen.

2. Een ieder, die in de kolonie werkelijk verblijf houdt, kan aan den Gouverneur in Rade een verzoekschrift indienen, inhoudende het verzoek ter verkrijging van de voorrechten, verbonden aan eene naturalisatie.

Inhoud van het verzoekschrift.

3. In het verzoekschrift moet rekwestrant naar beste weten opgeven zijnen ouderdom, zijne geboorte- en woonplaats, zijn beroep, bedrijf of ambacht, den tijd, dien hij in de kolonie heeft gewoond, hetzij voorgoed, hetzij tijdelijk, met het voornemen er zich voorgoed te vestigen; het verzoekschrift moet door den rekwestrant eigenhandig worden geschreven en onderteekend en vergezeld zijn van eene be륤igde verklaring, dat hij de gedane opgaven naar waarheid heeft gedaan.

Verdere informaties.

4. De Gouverneur in Rade kan na ontvangst van het verzoekschrift alle inlichtingen inwinnen, hetzij middels be륤igde verklaringen, hetzij op elke andere door hem wenschelijk geachte wijze, ter aanvulling van de opgaven door rekwestrant in zijne be륤igde verklaring gedaan.

Inwilliging van het verzoek. Eed van trouw.

5. Indien zulks na een dergelijk onderzoek wenschelijk wordt geacht, kan de Gouverneur in Rade het gedane verzoek inwilligen, waarna rekwestrant binnen den termijn van 14 dagen zal worden opgeroepen ter aflegging van den door deze wet voorgeschreven eed van trouw.

Bewijs van naturalisatie.

6. Nadat de eed op de voorgeschreven wijze zal zijn afgelegd, zal de ambtenaar, met de afneming van den eed belast, een bewijs van naturalisatie afgeven, waarin opgenomen zijn de in het verzoekschrift vermelde daadzaken, de verklaring dat de eed van trouw is afgelegd, en aldus alle rechten, privileges en bevoegdheden van een genaturaliseerd Britsch onderdaan volgens de bepalingen van deze wet aan den rekwestrant zijn toegekend, met uitzondering van die rechten, privileges en bevoegdheden, die uitdrukkelijk zijn vermeld, indien er ten minste dergelijke uitzondering gemaakt wordt.

Onderteekening. Deponeering van het afschrift.

7. Het bewijs van naturalisatie zal, na teekening door den Gouverneur, afgegeven worden aan den rekwestrant, maar een afschrift daarvan zal gezamenlijk met het verzoekschrift en alle daarop betrekking hebbende documenten, als verklaringen enz., gedeponeerd worden in het bureau van den Kolonialen Secretaris.

Na verkrijging van het bewijs van naturalisatie en aflegging van den eed, verkrijgt rekwestant voorrechten.

8. Na ontvangst van het bewijs van naturalisatie, en aflegging en onderteekening van den voorgeschreven eed, zal rekwestrant binnen genoemde kolonie geacht worden te zijn een in bedoelde kolonie geboren onderdaan van Hare Majesteit, en hij zal alle rechten, privileges en bevoegdheden genieten, die een in bedoelde kolonie geboren onderdaan van Hare Majesteit geniet, met die uitzonderingen, die wellicht in het bewijs van naturalisatie speciaal zijn vermeld.

Inwilliging nietig verklaard, indien de eed niet binnen 14 dagen wordt afgelegd.

9. Indien rekwestrant niet binnen 14 dagen na gedane oproeping verschijnt en den eed van trouw aflegt, zal het bewijs van naturalisatie van rechtswege van nul en geener waarde zijn.

Herroeping van het afgegeven bewijs.

10 *. Indien eenige daadzaak, door rekwestrant in zijn verzoekschrift vermeld, blijkt niet overeenkomstig de waarheid te zijn, kan de Gouverneur in Rade, schriftelijk verklaren, dat het bewijs van naturalisatie, ingevolge het verzoekschrift afgegeven van nul en geener waarde (nietig) is, en na zulk eene schriftelijke verklaring zullen alle rechten, privileges en bevoegdheden, aan het bewijs van naturalisatie verbonden, van rechtswege vervallen.

Publicatie in het offieele nieuwsblad.

11. Elk volgens de bepalingen van deze wet verleend bewijs van naturalisatie en zijne eventueele nietig-verklaring, zullen in het officieel nieuwsblad van de kolonie worden gepubliceerd.

Belastingen.

12 *. De Gouverneur in Rade kan ten allen tijde de belasting bepalen welke verschuldigd is voor het verkrijgen van het bewijs van naturalisatie; de terzake betaalde belasting komt ten bate van de algemeene inkomsten van de kolonie.

Korte titel.

13. Deze wet kan aangehaald worden onder den titel van de Wet op de Korte titel. naturalisatie van 1867.

 

BIJLAGE.

EED.

Ik, N. N. (volgt eene nadere aanduiding van den persoon) zweer (of, indien zij een persoon is, die volgens de wet in civiele zaken in stede van het zweren van den eed volstaan kan met eene verklaring, verklaar) dat ik wil zijn een getrouwe en oprechte onderdaan van Hare Majesteit Koningin Victoria.

(w. g.) N. N.

d. Werkcontracten voor werklieden van alle nationaliteiten.

Nog dient melding gemaakt te worden van de verordening betreffende de werkcontracten van 1882 * welke geldt voor werklieden van alle nationaliteiten. Door deze ordonnantie verviel de Indian Act XIII van 1859, welke alleen betrekking had op contracten aangegaan onder genot van voorschot, terwijl ze ophield met op de contracten betrekking te hebben, zoodra het voorschot terugbetaald was. Hiervan waren moeilijkheden het gevolg.

De voornaamste bepalingen van de verordening van 1882, gewijzigd bij ordonnantie III van 17 April 1883, en bij ordonnantie XXI van 1889 toepasselijk verklaard op huisbedienden, zijn als volgt:

Mondelinge contracten kunnen aangegaan worden voor niet langer dan een maand, en een mondeling contract kan ten allen tijde door elk der partijen worden be멮digd na een maand te voren opzegging, dan wel met vergoeding van een maand loon. (Voor huisbedienden is de termijn van opzegging of loonvergoeding 14 dagen en wel volgens ordonnantie XXI van 1889).

Schriftelijke contracten, hetzij met of zonder voorschot, kunnen zoowel in als buiten de kolonie worden aangegaan voor werkzaamheden in de kolonie te verrichten, maar moeten binnen een bepaalden tijd ten overstaan van een magistraat worden geteekend als ze zijn aangegaan buiten de kolonie, doch als ze zijn aangegaan binnen de kolonie, dan kunnen ze ook ten overstaan van den vrederechter worden geteekend. Zulke contracten kunnen tusschentijds alleen be멮digd worden met onderling goedvinden of tengevolge van onvermogen van een der partijen. Het solidariteitsstelsel, waarbij een aantal personen zich aansprakelijk stellen voor het in gebreke blijven van een hunner, is verboden. Wettelijk is voorzien in het beslissen van geschillen; contractbreuk wordt gestraft, evenals afwezigheid en andere overtredingen. Voor het betalen van loon, het opvatten van deserteurs enz. zijn de in dergelijke contracten gewone voorzieningen getroffen.

Speciale bepalingen voor Chineezen, werkende op landbouwondernemingen.

Voor de Chineezen, werkende op landbouwondernemingen, gelden nog speciaal de bepalingen vervat in "The Chinese Agricultural Labourers' Protection Ordinance 1891", in werking getreden 1 Januari 1893.

De voornaamste bepalingen van deze ordonnantie zijn:

Art. 3. Waar niet uitdrukkelijk in deze ordonnantie is voorzien, gelden voor de contracten de bepalingen van "The Labour Contracts Ordinance 1882."

Art. 4. Voor die contracten, die schriftelijk aangegaan worden, is een model op straffe van nietigheid voorgeschreven.

Geen contract kan worden aangegaan langer dan voor 12 maanden of voor een daarmede overeenkomend taakwerk.

Art. 5. De werkgever is verplicht den arbeider, die tegen hem een klacht wil indienen, toe te staan zich naar den magistraat te begeven, op straffe van eene boete van hoogstens 100 dollars met 25 dollars extra voor elken dag langere verhindering. Is de klacht ongerechtvaardigd, dan kan de arbeider tot eene schadevergoeding worden veroordeeld van ten hoogste 10 dollars.

Art. 6. Indien de werkgever den arbeider aanklaagt voor den magistraat, en de klacht blijkt ongegrond, dan kan de werkgever tot eene schadevergoeding veroordeeld worden van ten hoogste 10 dollars.

Art. 7. Een voortvluchtige arbeider kan na zijne arrestatie, behalve tot de daarop staande straf, ook nog tot eene schadevergoeding aan den werkgever worden veroordeeld van ten hoogste 15 dollars voor gemaakte opsporingskosten.

Art. 8. Onder de werking van één contract kan den Chineesche arbeider hoogstens 24 maanden gevangenisstraf worden opgelegd.

Art. 9. De werkgever moet, als hij meer dan 20 arbeiders in dienst heeft, daarvan opgave doen aan den Protector of Chinese op straffe van 100 dollars boete.

Art. 10. De werkgever, die meer dan 20 arbeiders in dienst heeft, houdt van hen een register aan, waarin vermeld worden alle sterfgevallen, deserties, ontslag of be멮diging van het contract, op straffe van hoogstens 100 dollars boete voor elke opzettelijk verkeerde opgave.

Art. 11. De Protector of zijn gemachtigde heeft het recht om ten allen tijde op de onderneming de arbeiders, hunne woningen en werkplaatsen te inspecteeren.

Art. 12. Indien de Protector of diens gemachtigde zulks 48 uren te voren aanvraagt, is de werkgever verplicht hem al zijne boeken, registers, contracten enz. betreffende de arbeiders te vertoonen op straffe van eene boete van hoogstens 200 dollars voor elke overtreding van dit artikel, hetzij door weigering, hetzij door elke andere ongemotiveerde handeling, tenzij hij aantoont redelijke gronden daarvoor te hebben.

Art. 13. Zoolang de arbeider met een schriftelijk contract zijne voorschotten niet heeft aangezuiverd, blijft het contract in kracht, al wordt de termijn van een jaar daardoor overschreden. Hiervan moet de werkgever den Protector schriftelijk kennis geven.

Art. 14. Per dag mag niet langer dan 9 uren gewerkt worden, en elke maand geniet de arbeider twee vakantie-dagen boven de gewone Chineesche feestdagen, met behoud van vol loon.

Art. 15. Voor elke onderneming kan de Protector vaststellen hoeveel taakwerk gelijk staat met een dagtaak van 9 uren. Het vastgestelde wordt, in de Engelsche en Chineesche taal geschreven, overal op de onderneming aangeplakt, opdat alle arbeiders er mede bekend zijn.

De werkgever mag kiezen of hij den arbeider taak- of dagwerk zal opleggen, doch in geen geval zal ook bij taakwerk de arbeider langer dan 9 uren per dag mogen werken.

Art. 16. Een arbeider kan, na een maand tevoren opzegging, en na aanzuivering van alle voorschotten benevens 25 dollars smartegeld, zijn voor een bepaalden tijd aangegaan contract ten allen tijde doen eindigen.

Art. 17. Ten genoege van den Protector moet de werkgever zorgen voor huisvesting der arbeiders, voor watervoorziening, medicijnen enz. Indien de Protector zulks eischt moet de werkgever zorgen, dat er een hospitaal en een geneeskundige op de onderneming aanwezig is, op straffe van hoogstens 100 dollars boete en 25 dollars voor elken dag uitstel na ingebrekestelling.

Art. 18. Wordt een arbeider in een Gouvernementshospitaal verpleegd, dan komen de kosten ten laste van den werkgever.

Art. 19. Blijkt een arbeider aan besmettelijke ziekte te lijden, dan zal hij dadelijk in het daarvoor bestemde hospitaal worden opgenomen.

Art. 20. Een arbeider, die volgens verklaring van den geneeskundige onbekwaam is tot werken, hetzij door ziekte of door andere oorzaken, kan op kosten van den werkgever in het hospitaal worden opgenomen, doch geniet zoolang geen loon.

Art. 21. Blijft de arbeider wegens ziekte langer dan 30 dagen onbekwaam tot werken, dan zal de Protector, op verzoek van den werkgever, hiervan op het contract aanteekening houden, en in geval de ziekte volgens verklaring van den geneeskundige aan eigen schuld van den arbeider te wijten is, wordt ook van elken dag van niet werken binnen den termijn van 30 dagen aanteekening gehouden. De dagen, waarvan aanteekening gehouden is, tellen niet mede voor de berekening van den bij het contract bepaalden termijn van dienstneming.

Art. 24. Wordt een arbeider wegens een of andere overtreding door den rechter veroordeeld, dan wordt hiervan op het contract teekening gehouden.

Art. 25. Na afloop van de straf wordt de arbeider weder aan den werkgever overgegeven.

Art. 26. Alle overtredingen van de bepalingen van deze ordonnantie worden summierlijk afgedaan door een magistraat of een rechtbank van twee magistraten.

Art. 27. Een ieder, die beschuldigd is van overtreding dezer ordonnantie, kan het voorstel doen hem in zijn belang te hooren, en aan zijn dan afgelegde verklaringen wordt dezelfde rechtskracht verleend als aan die van elken anderen getuige.

Art. 28. (1) De Gouverneur in Rade is bevoegd regelen te geven omtrent de ondervolgende zaken:

a. de registers door den werkgever te houden;

b. de modellen voor de aan te gane contracten;

e. de dagen die beschouwd moeten worden als te zijn Chineesche feestdagen;

d. de periodieke inspectie van de ondernemingen en de arbeiderswoningen;

e. alle andere zaken, die voor de uitvoering dezer ordonnantie noodig zijn.

(2) Op overtreding van de door den Gouverneur in Rade gegeven regelen kan hij eene boete stellen van hoogstens 100 dollars en na ingebrekestelling van den overtreder bovendien met 10 dollars boete voor elken dag dat de overtreding voortduurt.

(3) De door den Gouverneur in Rade gegeven regelen hebben na publicatie in het Officieele nieuwsblad dezelfde kracht als deze ordonnantie, tenzij een besluit van den Wetgevenden Raad de regelen vernietigt.

Art. 29. Het bedrag der gelden, die een arbeider met een schriftelijk contract volgens de artikelen 5 of 7 aan zijnen werkgever moet betalen, zal door den rechter op zijn contract worden aangeteekend en die gelden zullen worden beschouwd als te zijn voorschotten, door den werkgever aan den arbeider gegeven, terwijl artikel 13 daarop van toepassing zal zijn.

e. Chineezen als inwoners der gemeenten.

In de gemeenteverordeningen der Straits-kolonie, die aan de gemeenten vele bevoegdheden schenken, wat aangaat het maken van regelingen betreffende hare inwendige huishouding, vindt men nergens bepalingen omtrent het verplichte wonen der Chineezen in wijken, dan wel iets, dat op ons passenstelsel gelijkt.

Voor de wet zijn allen gelijk, alleen bepaalt art. 8 van "The Municipal Ordinance 1896" dat men, om tot raadslid gekozen te kunnen worden, o. a. moet voldoen aan den eisch van te zijn Britsch onderdaan, terwijl men ook de Engelsche taal moet kunnen spreken en lezen.

Evenwel is de eisch van Britsch onderdaanschap niet voorgeschreven voor die raadsleden, die door den Gouverneur worden benoemd (art. 9, sub. 2). Volgens art. 9 sub. 1 wordt de helft van het aantal raadsleden, of, indien het getal raadsleden oneven is, de helft van het eerstvolgende even getal, gekozen door kiezers, en de rest benoemd door den Gouverneur.

Van de door den Gouverneur benoemde leden moet er minstens een zijn, die niet in Gouvernementsdienst is, of betaling van het Gouvernement geniet.

Kiezer is hij, die op de kiezerslijst geplaatst wordt. Voor het zijn van kiezer gelden voor de Chineezen dezelfde bepalingen als voor ieder ander, doch daar art. 11 het zijn van kiezer verbindt aan de betaling van eene belasting van minstens 6 dollars voor een eigendomsperceel, of het bewonen van een huis met eene jaarlijksche huurwaarde van minstens 150 dollars, dan wel het bewonen van een gedeelte van een huis, waarvoor hij 20 dollars aan maandelijksche huur betaalt, vallen duizenden koelies buiten het kiesrecht.

De groote gemeenten zijn verdeeld in wijken, en daar elke wijk zijne vertegenwoordigers kiest, vermoed ik wel, dat de Chineezen voor hunne wijken hunne speciale vertegenwoordigers hebben, immers al zijn zij niet verplicht tot het samenwonen in een bepaalde wijk, hun volkskarakter brengt hen er toe zooveel mogelijk bij elkander te wonen.

f. Een Chinees in de "Legislative Council."

De wetgevende raad der Straits-settlements bestaat uit den Gouverneur als Voorzitter en 15 leden, n.ml. 8 leden van de "Executive Council" en 7 door den Gouverneur benoemde leden, niet ambtenaren. Van deze 7 leden worden er 2 voorgedragen door de Kamers van Koophandel te Penang en Singapore. Van de overige 5 door den Gouverneur benoemde leden, niet ambtenaren, is er gewoonlijk één Chinees.

De Chineezen in Britsch Noord-Borneo *.

In 1865 verkreeg de Amerikaansche consul voor Broenei van den Sultan aldaar een groot stuk land. Voor de exploitatie daarvan vormde hij de "Amerikaansche Handel-Maatschappij van Borneo". Deze Maatschappij slaagde er niet in het land te exploiteeren en verkocht daarom in 1877 al hare territoriale rechten aan twee kooplieden in Hongkong, de heeren Alfred Dent en Baron van Overbeck. Zij stichtten de "British North Borneo Company", welke maatschappij 1 November 1881 een Koninklijk Charter verkreeg. In 1881 werd door Engeland een protectoraat over dat gebied afgekondigd.

De voornaamste bepalingen ten opzichte der maatschappij luidden:

  1. De maatschappij moet Britsch blijven in karakter en domicilie; alle directeuren, zoowel als de hoofdvertegenwoordiger der maatschappij in Borneo, moeten Britsch onderdaan zijn.
  2. De maatschappij is niet bevoegd eenige harer rechten over te doen aan anderen zonder uitdrukkelijke toestemming van het Britsche Gouvernement.
  3. Buitenlandsche betrekkingen moeten geleid worden door het Britsche Gouvernement of volgens Hare aanwijzingen.
  4. Aan alle personen, in het grondgebied der maatschappij wonende, zal volkomen vrijheid van godsdienst worden gewaarborgd.
  5. Indien de Britsche Minister van Buitenlandsche Zaken met de maatschappij van gevoelen verschilt over zaken met betrekking tot de inheemsche bevolking van Borneo en bezwaren maakt, is de maatschappij verplicht zijn aanwijzingen ten deze op te volgen.
  6. Er zullen geene handelsmonopolies worden ingesteld.
  7. De benoeming van den Gouverneur van Britsch Noord-Borneo is onderworpen aan de goedkeuring van het Britsche Gouvernement.

Binnen de hierboven genoemde grenzen bleef de maatschappij volkomen souverein.

De toekomst van het land hangt af van de Chineezen.

Heeft de "British North Borneo Company" de toegestane vrijheid van handelen goed gebruikt? Neen, zegt Ireland (blz. 58), en, als een bewijs van het met weinig doorzicht handelen der Directeuren, haalt hij aan (blz. 51) het uitgevaardigde invoerrecht van rijst, waardoor de Chineezen zich gekrenkt gevoelen en afgeschrikt worden te komen immigreeren, terwijl toch de toekomst van het land er geheel van afhangt, of het Gouvernement er in slaagt eene groote Chineesche bevolking in het leven te roepen. In de tachtiger jaren heeft men getracht eene Chineesche immigratie van uit Hongkong en de kusthavens van China in het leven te roepen en er zijn ook wel een paar duizend koelies het land binnen gekomen, maar door de slechte behandeling keerden velen terug. Daarbij kwam nog dat velen geen werk konden vinden, en de maatschappij verzuimde de overtollige koelies aan openbare werken te werk te stellen, zoodat de koelies teleurgesteld naar China terugkeerden. Britsch Noord Borneo kreeg een slechten naam bij de Chineesche immigranten en dit had voor het land ongelukkige gevolgen, want toen de maatschappij daarna groote wegen en andere openbare werken wilde aanleggen, ging dit met groote moeiten gepaard, daar er geen koelies te krijgen waren. Te onbegrijpelijker is de houding der maatschappij ten opzichte der immigratie, aangezien het toch wel bekend is, dat een toevoer van Chineezen zeer gunstig werkt op de opbrengst van de opium- en de speelpacht, en in Britsch Noord Borneo deze twee middelen het één derde van de totale inkomsten uitmaken. Het gebrek aan werkkrachten is ook oorzaak, dat vele ondernemende particulieren het land den rug toekeeren.

Beperkende bepalingen voor de Chineezen.

Sir Spencer St. John deelt omtrent de Chineezen in het gebied van de "British North Borneo Company", het volgende mede: *

"Ook in Britsch-Borneo bestaan er voor het verkeer der Chineezen in de binnenlanden beperkende bepalingen. Het heet dan dat de Chineesche handelaren de bevolking zullen afzetten, maar feitelijk zijn die belemmeringen, evenals in Serawak, het gevolg van de adviezen der inlandsche hoofden, die er op uit zijn zelf den handel te monopoliseeren, en daarom den Engelschen ambtenaren aanraden den Chineezen niet toe te staan de binnenlanden in te gaan."

De schrijver zou ieder geheel vrij laten in zijne bewegingen, en dit zou niet alleen het aantal handelaren doen toenemen, maar ook de uitvoer zou belangrijk vermeerderen.

De Compagnie zal voor vermeerdering van bevolking in haar gebied afhangen van de Chineezen, en wellicht ook van de Japanners. Deze lieden zijn bekend als harde werkers en de vele millioenen in China en Japan kunnen overvloed van koelies leveren. Het zou echter gevaarlijk zijn alleen te willen steunen op deze hardwerkende, maar woelzieke lieden, en daarom zou invoer van Javaansche en Britsch-?Indische koelies naar het oordeel van den schrijver, zeer gewenscht zijn *.

Statistische gegevens.

Ten slotte eenige statistische gegevens, ontleend aan de Colonial Office List for 1908 (blz. 400):

De oppervlakte van het gebied der British North Borneo Company bedraagt 31,000 vierkante Engelsche mijlen (ongeveer zoo groot als Schotland) met eene bevolking van 120,000 zielen, waaronder 200 Europeanen en 16,000 Chineezen.

De inkomsten waren: De uitgaven waren:
in 1896 $ 407,207met inbegrip van
Laboean
in 1896 $ 313,807
in 1905 $ 959,540in 1905 $ 535,965
in 1906 $ 896,186zonder Laboeanin 1906 $ 497,745

De Chineezen in Broenei.

* Broenei ligt tusschen Britsch Noord-Borneo en Serawak. Vroeger een machtige staat, gezagvoerende over een groot deel van Noord?-Borneo en van de Philippijnen, is dit rijk thans ingekrompen tot een staatje van 4000 vierkante Engelsche mijlen met eene bevolking van 30,000 zielen. In 1888 sloot Engeland met den Sultan eene overeenkomst, waarbij bepaald werd dat de buitenlandsche betrekkingen door Engeland zouden worden gevoerd. In 1905 werd nader overeengekomen, dat een Britsch resident den Sultan zou adviseeren en bijstaan in zake het bestuur van zijn land.

Zooals vermeld wordt in hoofdstuk V "De Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo" dankte Broenei veel van zijn vroegeren bloei aan den handel met China. Ook thans is de handel in hoofdzaak in handen van de Chineezen. De handel wordt gedreven via Laboean.

De Chineezen in Laboean.

* Het eiland Laboean, nabij Broenei gelegen, werd in 1846 door den Sultan van Broenei aan Engeland afgestaan en is sedert een kolenstation geworden. Verschillende maatschappijen volgden elkander op in de ontginning der kolenmijnen. Sinds 1902 geschiedt de exploitatie door de "Labuan Coalfields Company Limited".

Van 1889 tot 1905 was de Gouverneur van Britsch Noord Borneo tevens Gouverneur van Laboean. In 1906 werd de Gouverneur van de Straits-Settlements tegelijk belast met de functiën van Gouverneur van Laboean. Sedert 1 Januari 1907 behoort Laboean administratief ook tot de Straits-Settlements.

Volgens de telling van 1901 bedroeg de bevolking 8,411 zielen waarvan 51 Europeanen en 1,615 Chineezen. De Chineezen hebben den geheelen tweedehandshandel in handen.

De Chineezen in Serawak.

De ontdekking van goud lokt vele Chineezen.

In 1882 waren er in het tegenwoordige Serawak (toenmaals een onderdeel van het Sultanaat Broenei) nog slechts een 30-tal Chineezen gevestigd *. Toen kort daarop goud en antimonium werd, stroomde er een massa Chineezen heen van de kongsi Santikioe uit Sambas, volgens Brooke 3000, maar dat cijfer lijkt zeer overdreven. De Broeneische regeering, begeerig uit beide vondsten munt te slaan, zond een harer leden, pangeran Indra Makota, met een talrijke bende Broeneiers naar Serawak, om het recht van den souverein op alle delfstoffen des rijks en op den arbeid zijner onderhoorigen te doen gelden *. De er reeds gevestigde Maleische hoofden weken uit naar Siniawan, aan den rechterarm der Serawakrivier, versterkten zich daar, en sleepten de Dajaks van den omtrek mede. Hun volk vermoordde eenige Chineezen, wat eene zoo gewenschte immigratie dier lieden dreigde te zullen afschrikken. Makota riep de hulp in van zijn vriend sjarief Sahib, wonende aan de Sadongrivier, en van de kongsi der Chineezen. De Chineezen verloren in de volgende gevechten 300 à 500 dooden en vloden naar Sambas terug. Een onderwerping der Maleische hoofden werd niet bereikt *.

Op den 11den Augustus 1839 verscheen James Brooke voor de eerste maal in Serawak, waar hij eenige maanden bleef en vele connecties aanknoopte *.

Op den 29sten Augustus 1840 verscheen hij voor de tweede maal in Serawak *. Pangeran Hassim, oom van den Sultan van Broenei, die er het gezag voerde, ontving hem met open armen. Het verzet der Maleische datoes te Siniawan duurde nog steeds voort. Met behulp van Brooke werden de vijanden verslagen en op de vlucht gedreven.

Daar de Chineezen goede hulp hadden verleend, kregen zij van Hassim vergunning tegen betaling van één reaal per man 's jaars, goud en antimonium te graven aan den rechterarm der Serawakrivier, doch met verplichte levering aan hem wat het antimonium betrof *.

Brooke verwacht veel van de Chineezen.

James Brooke vatte het plan op voor goed te Serawak te blijven. Financieel verwachtte hij daarbij veel van de Chineezen, die hem dringend verzocht hadden zich als hun heer te Serawak te vestigen *. Door zijn grooten persoonlijken invloed, geholpen door bijzondere omstandigheden, o. a. een bezoek van een Engelsch oorlogschip te Serawak, slaagde hij er in, om Hassim te bewegen den 24sten September 1841 een akte te doen teekenen, waarbij hij het gansche gezag in het district Serawak aan Brooke opdroeg, als leenman van den Sultan van Broenei *.

Immigratie van Chineezen bevorderd.

Brooke volhardde bij zijn grootsche verwachtingen omtrent de immigratie van Chineezen, zoodra er een behoorlijk bestuur zijn zou. *. Zij zouden dan in zoo'n groot aantal komen, dat zelfs een betaling van slechts fl. 2 per hoofd 's jaars de bestuurskosten en moeite ruim zou vergoeden. Gaarne dan ook bewilligde hij in het verzoek der kongsi Sinboh uit Sambas, vroeger onder Taikong, om zich met 3000 man te Serawak te vestigen. Aan de Sinbohkers werd de linkerarm der rivier tot werkveld aangewezen: getal onbekend. Santikioe protesteerde zeer luidruchtig tegen die toelating van mededingers, maar onderwierp zich, toen Brooke, met eene gewapende macht, den oproerigen aanzeide, dat zij eene nieuwe akte moesten teekenen of het land verlaten. De Kongsi-Sinboh leidde een kwijnend bestaan en verdween. *

Brooke als bestuurder.

Zeer veel last had Brooke van Soeloesche zeeroovers. De Engelsche marine hielp hem krachtdadig om hen te bestrijden. Voor marine station werd het eiland Laboean uitgekozen, dat vervolgens bij tractaat van 27 Mei 1847 door Broenei aan Engeland werd afgestaan. Brooke had hiertoe veel bijgedragen. Hij was in Maart 1847 aangesteld als H. M. Commissioner and Consul General in Borneo met eene jaarwedde van ? 500. * In November 1848 werd hij benoemd tot Governor and Commander in chief of Laboean and its dependencies, op eene jaarwedde van ? 2000 met den titel van Excellency. Voor Laboean werd een Lieutenant-Governor bestemd. Kort daarop werd hem zijn neef (zusterskind) John Brooke Johnson, sedert hernaamd Brooke Brooke toegevoegd; deze nam weldra zijn ontslag als kapitein bij het Britsche leger en vestigde zich als aangewezen troonsopvolger te Serawak, waar hij in de wandeling genoemd werd de Captain. *

In 1852 kwam te Serawak de jongere broeder van John Brooke Johnson, Charles, die later radja zou worden. In 1863 veranderde hij zijn geslachtsnaam in Brooke. *

Groote toestroming van Chineezen in 1850.

Onderwijl was het aantal Chineezen, dat in 1848 op omstreeks 600 zielen werd geschat, in 1850 door instrooming van vele uitgewekenen van Sambas, gestegen tot 4 à 5000 zielen. Brooke's ambtenaren (hij zelf was afwezig) ontvingen hen als welkome belastbare gasten; meer dan 1000 tegelijk werden op staatskosten onderhouden. Maar de Dajaks, reeds door de aanwezige Chineezen gehinderd in de beschikking over land en water, klaagden. In October 1850 teruggekeerd, zon de radja op regelingen om de tegenstrijdige belangen te verzoenen. Het best scheen, de Chineezen zooveel mogelijk te doen wonen aan zee, en hen overigens in groepen te verspreiden over weinig bevolkte streken, waar zij konden toenemen zonder aan het vereischte bestuur te ontwassen. Tot hoever dit denkbeeld verwezenlijkt werd, blijkt niet. *

Contract met de Chineezen.

Te Bau, 3 uren van Siniawan, toen de voornaamste Chineesche vestiging, sloot hij persoonlijk met de kongsi eene overeenkomst, ongeveer van dezen inhoud. Hij zou een Europeeschen en zij een Chineeschen kapitan benoemen om samen het oppertoezicht op de zaken en de handelingen der kongsi in de binnenlanden te voeren. De kongsi erkende onvoorwaardelijk de overheid van Siniawan; zou dus geen belasting heffen, ende tot nu toe van Chineezen gehevene aan den radja overdragen, alleen over twisten onder, en geringe overtredingen van hun eigen volk rechtspreken, alle opgevorderde misdadigers aan het bestuur uitleveren; geen gronden van Dajaks in bezit nemen, noch eenige mijn openen zonder vergunning. Daarbij verwittigde hij haar, dat hij in geen geval aan Chineezen wilde toestaan om in het binnenland gronden te pachten. Den 20sten November was de benoeming der kapitans geschied, en werd het contract geteekend.

In December 1850, naar aanleiding van bewegingen der Chineesche genootschappen te Singapore en elders, verbood Brooke het oprichten van of deelnemen aan zulke genootschappen in Serawak. In de volgende maand werden eenige lieden uit Singapore, die er leden voor kwamen werven, met vrij hooge boeten, een paar met een dozijn rottingslagen en gevangenis, gestraft; allen onder bedreiging met den dood bij herhaling.

De Chineezen worden overmoedig.

In 1851 en 1852, toen de radja naar Engeland was, nam de weerspannigheid der kongsi jegens de Serawaksche ambtenaren toe, terwijl zij al meer oorlogsbehoeften kocht; naar het heette tot zelfverdediging tegen vijandige Dajaks.

In November 1852 werd een opgevorderd misdadiger eerst uitgeleverd nadat Brookes vertegenwoordiger met een indrukwekkende Maleische macht en eenige Europeanen naar het binnenland was gerukt. Thans werd aan de Chineezen tot straf het bouwen eener sterkte te Berlida opgelegd, die tegen hen zou kunnen dienen. Daarna benadeelde de kongsi de staatskas aanmerkelijk door een voorspoedigen sluikhandel in opium uit Singapore over de Nederlandsche Natoena-eilanden.

In 1856 eindelijk betrapt, kwam zij er af met eene boete van ? 150.

Inmiddels waren de geheime genootschappen weder bijzonder werkzaam. Boden uit hun hoofdkwartieren te Singapore en Malacca kwamen de Chineezen in Serawak tegen de Europeanen ophitsen, o. a. vertellende van nederlagen der Engelschen in China, hooge prijzen aldaar op elken geleverden Engelschman gesteld, en Brookes volstrekte ongenade bij de Britsche regeering.

Brooke werd gewaarschuwd door zijne ambtenaren, dat de houding der mijnwerkers onrustbarend was en die lieden een aanval op de hoofdplaats Koetjing beraamden, doch Brooke hechtte aan die waarschuwingen geen waarde.

Chineesche opstand van 1857.

Den 18den Februari 1857 voeren 600 gewapende Chineezen uit Bau de rivier af. Tegen middernacht bevonden de muitelingen zich te Koetjing, waar alles in diepe rust was. De opstandelingen vermoordden twee Europeesche ambtenaren en twee kinderen; de overige Europeesche ambtenaren en hun vrouwen ontkwamen, een paar zwaar gewond. Aan de niet besturende Europeanen: een geestelijke, een koopman en een agent der Borneo Company werd beduid, dat zij niets te vreezen hadden. Voorts verbrandden zij de woningen van radja Brooke, die gewond nog had weten te ontkomen, en die van zijn twee eerste Europeesche ondergeschikten, plunderden deze en andere huizen, de kerk en het tuighuis, waar zij goed geschut en 200 uitmuntende geweren vonden.

Den 19den ontboden de aanvoerders de 3 Europeanen die geen ambtenaren waren en een der datoes in het gouvernementshuis, dwongen hen om op Chineesche wijze trouw aan de kongsi te zweren, en stelden hen aan als haar beambten over de vreemdelingen en inlanders te Koetjing: de binnenlanden zou de kongsi rechtstreeks besturen. Daarna trokken zij derwaarts. Later echter, vernemende dat de Maleiers te Koetjing tegenweer beraamden, keerden zij in grooter getal terug en verbrandden de Maleische wijk.

Middelerwijl had Brooke eenige mannen om zich verzameld. Maar onder de inlanders ter hoofdplaats heerschte een zoo algemeene paniek, dat hij de herwinning van het gezag voorshands niet mogelijk achtte. Hij nam dus nadere voorzorgen. Den 23sten verscheen onverwachts goede hulp, een stoomer van de Borneo Company kwam aan. Met dezen als basis regelde de radja terstond zijne krijgsverrichtingen. Door een aantal Maleiers niet alleen, maar ook door honderden Dajaks besprongen en nagezet, vluchtten weldra de opstandelingen en andere Chineezen, ten getale van ruim 3500, al strijdende naar de grens van Sambas; maar slechts 2000, waaronder 1000 vrouwen en kinderen, bereikten die; 1500 mannen verloren het leven. *

Hoe onontbeerlijk de Chineezen waren bleek wel hieruit, dat van de in 1857 gevluchtte Chineezen allengs velen met verlof terugkeerden, terwijl te midden der krijgsbedrijven eenige honderden andere Chineezen uit het Nederlandsch gebied aankwamen. Toch werd de Chineesche bevolking van Serawak in 1862 op niet boven de 3000 zielen geschat en was er nog gebrek aan werkvolk. *

Serawak als onafhankelijken staat erkend.

In 1863 erkende de Britsche regeering Serawak als onafhankelijken staat. *

James Brooke verliet in September 1868 voor goed Serawak, en stierf in 1868 in Engeland. Hij werd opgevolgd door zijn neef Charles, die in werkelijkheid al het land te voren als radja had bestuurd. Captain Brooke, die te voren tegen zijn oom was opgestaan, was reeds in 1863 als radja moeda afgezet en van alle rechten beroofd. Zijn gevolgde verzoening met James Brooke veranderde aan die zaak niets. *

Overeenkomst met Engeland.

* In 1888 werd door de Engelsche regeering met den radja van Serawak eene overeenkomst gesloten, waarbij Engeland een protectoraat over Serawak vestigde. De Engelsche regeering verbond zich zich niet te bemoeien met de binnenlandsche aangelegenheden, doch kreeg eene beslissende stem in kwesties, die mochten ontstaan over de erfopvolging. Engeland controleert thans volgens die overeenkomst de buitenlandsche betrekkingen, en heeft het recht om overal in het rijk consulaire ambtenaren te plaatsen. Britsche onderdanen moeten als onderdanen van de meest begunstigde natie worden behandeld en geen gebied van het rijk mag worden vervreemd zonder toestemming van de Engelsche regeering.

Serawak is ? 40,000 vierkante Engelsche mijlen groot, met eene bevolking van ? 150,000 zielen. Er bevinden zich thans eenige duizenden Chineezen, waarvan een groot deel in de goudmijnen werkt. De handel wordt hoofdzakelijk met Singapore gedreven en is voor het belangrijkste deel in handen van Chineezen.

De inkomsten en uitgaven waren in 1896 respectievelijk 493,760 en 444,200 dollars en bedroegen in 1905 respectievelijk 1,353,477 en 1,240,523 dollars.

De Chineezen onmisbaar voor de schatkist.

De Chineezen dragen het meeste tot de inkomsten bij. Aan opium-, speel-, arak- en pandhuispacht brachten zij in 1905 op 404,200 dollars, terwijl in dat jaar de Maleiers en Dajaks aan hoofdgeld opbrachten 72,808 dollars.

Een belangrijk deel der inkomsten wordt ook verkregen uit de in- en uitvoerrechten, in 1905 tot een totaal bedrag van 462,429 dollars. Ook hiervan leveren de Chineezen het grootste deel. Men kan dus gerust beweren, dat de Chineezen onmisbaar zijn voor de schatkist.

Immigratie aangemoedigd.

Geen wonder, dat de immigratie dier lieden zooveel mogelijk wordt aangemoedigd. In de Serawak Gazette van 1 April 1901 (blz. 73) vinden we de mededeeling, dat de schoonvader van Dr. Lim Boan Keng te Singapore eene overeenkomst had aangegaan met het bestuur van Serawak om binnen 2 jaren tijds 2000 Chineesche landbouwers te importeeren. Deze lieden zouden zich occupeeren met den rijstbouw, doch zoo noodig kon het Gouvernement van hunne diensten gebruik maken. Toen ter tijd waren er al 600 man uit Foochow aangekomen.

Sir Spencer St. John, die als secretaris onder James Brooke gediend heeft, verklaart in zijn werk "Rajah Brooke" omtrent de Chineezen het volgende: *

"De Chineezen zullen ongetwijfeld langzamerhand de verschillende districten van Serawak vullen, maar er zal veel tijd mede gemoeid zijn. Zij schijnen over het algemeen niet veel van Borneo te houden, waarschijnlijk omdat de loonen laag zijn. In vele dorpen echter, waar het aan hen vergund is te verblijven, worden Chineesche handelaren gevonden, die den naam hebben van een minder eerlijken handel te drijven, omdat zij dikwijls valsche gewichten gebruiken, ten einde meer dan de gewone marktprijs te kunnen betalen, en daardoor concurrentie tegen hen onmogelijk te maken.

Ik heb nooit kunnen begrijpen, waarom dikwijls beperkende bepalingen worden gemaakt omtrent hunne vestiging tusschen de verschillende volksstammen in de binnenlanden, behalve waar de Dajaks zelf niet op hunne tegenwoordigheid gesteld zijn. Het is waar, dat ze niet zeer eerlijk zijn, maar in mijn tijd waren de inboorlingen aan hen gewaagd; deze toch waren gewoon steenen te doen in de groote stukken gutta-percha.

Zooals verwacht mag worden van de lage klasse der Chineezen, die in Serawak immigreeren, vormen die lieden de grootere helft der gevangenisbevolking."

De Chineezen in Hongkong.

* Het eiland Hongkong, 11 Engelsche mijlen lang en 2 à 8 mijlen breed, met heuvels bedekt, die tot eene hoogte van bijna 2000 voet reiken, werd in 1841 door China aan Engeland afgestaan. Deze afstand werd bij het tractaat van Nanking in 1842 bekrachtigd. In 1861 werd het tegenoverliggende schiereiland Kow-loon aan Groot-Britannië afgestaan bij tractaat door Lord Elgin met China gesloten. Dit gebied werd bij Hongkong gevoegd. In 1898 kreeg het gebied van Hongkong eene belangrijke uitbreiding, doordat China een groot stuk land om Kow-loon gelegen (370 E. M.2) voor den tijd van 99 jaren aan Engeland verpachtte. Het daarbij gemaakte voorbehoud, dat in de stad Kow-loon zelf de jurisdictie aan China bleef, verviel in het jaar 1899.

Hongkong was van weinig beteekenis tot de ontdekking van goud in Australi렩n 1851 en de daarop plaatsgrijpende Chineesche emigratie. De opening van het Suez-kanaal en het geleidelijk openstellen van China voor den Europeeschen handel, brachten eene groote ontwikkeling voor Hongkong mede.

Hongkong is eene vrijhaven met een reusachtig scheepvaartverkeer. Naast de verschillende dokken van Europeesche maatschappijen, bestaan er vele scheepstimmerwerven in handen van Chineezen.

Voor het handhaven van rust en orde zorgt een corps gewapende politiedienaren, in 1906 bestaande uit 133 Europeanen, 410 Britsch-Indiërs en 501 Chineezen.

Het grootste deel der inkomsten leveren de Chineezen. Een derde van de totale inkomsten wordt verkregen uit het opium-monopolie.

De inkomsten en uitgaven waren in 1898 respectievelijk 2,686,914 en 2,611,409 dollars en stegen voortdurend. In 1906 bedroegen ze respectievelijk 7,035,011 en 6,832,610 dollars. De bevolking bestond in 1906 uit 12,174 Europeanen, 306,130 Chineezen en 8,657 personen behoorende tot leger en marine.

Het bestuur wordt uitgeoefend door een Gouverneur, bijgestaan door een "uitvoerende raad" van 6 ambtelijke en 2 niet-ambtelijke leden. Deze raad wordt evenals de "wetgevende raad" voorgezeten door den Gouverneur. De wetgevende raad bestaat uit 7 ambtelijke en 6 niet-?ambtelijke leden. Van de niet-ambtelijke leden worden er 3 benoemd door de Kroon op voordracht van den Gouverneur; van die 3 zijn er gewoonlijk 2 Chineezen. Van de overige niet-ambtelijke leden wordt er een door de vrederechters benoemd uit hun midden, en een door de Kamer van Koophandel. De niet-ambtelijke leden worden voor den tijd van 6 jaren benoemd.

De stad is een depot van de voortdurend komende en gaande Chineesche immigranten en emigranten. In 1906 was hun totaal aantal 211,637 personen, hoofdzakelijk van en naar de Straits. Zie verder omtrent die emigratie en immigratie het daarover medegedeelde in Hoofdstuk I, blz. 22 en vgd.

De Chineezen in Wei-Hai- Wei.

* Wei-Hai-Wei werd in 1898 door Engeland van China gepacht. Directe aanleiding hiertoe was de afstand in pacht van Port-Arthur aan Rusland na den Japansch-Chineeschen oorlog. In het verdrag met Engeland stond dat Engeland Wei-Hai-Wei zou bezetten, zoolang Port?-Arthur in Russische handen bleef. Doch nu Port-Arthur in Japansche handen gekomen is, wordt van een teruggeven aan China van Wei-?Hai-Wei nog weinig gemerkt.

Het gebied bevat 310 dorpen met eene Chineesche bevolking van 150,000 zielen. Het bestuur berust bij een Commissioner. De Chineesche dorpen zijn zooveel mogelijk gelaten in het genot van zelfbestuur.

Wei-Hai-Wei is finantiëel nog een lastpost. In 1906 bedroegen de inkomsten 76,777 en de uitgaven 160,973 dollars.

De Chineezen in Birma.

* Met Birma heeft China dikwijls op gespannen voet gestaan, en herhaaldelijk oorlog gevoerd. Toch was het handelsverkeer vrij belangrijk. De Chineezen werden ook hooger geacht dan de overige vreemdelingen; zij mochten b. v. onbelemmerd het geheele land doorreizen , hetgeen den anderen vreemdelingen verboden was.

Nadat Birma onder Engelsch bestuur kwam, ontwikkelden zich de handelsbetrekkingen van dit land met China zeer. De immigratie van Chineezen nam daardoor ook toe. Men schat het aantal der in Birma wonende Chineezen thans op 40,000, waarvan 21,000 in Rangoen, 10,000 in Mandalay en de rest over het geheele land verspreid. Op commercieel gebied nemen zij thans de eerste plaats in; toch kan de bewering van Sir Lepel Griffin aan de Engelsche regeering gedaan, als zoude de toekomst van Birma aan de Chineezen toebehooren, wel wat overdreven geacht worden.

De Chineezen in Azië onder Amerikaansch gezag.
De Chineezen in de Philippijnen.

Oude betrekkingen met China.

* Het is wel opmerkelijk, dat de Chineesche geschiedboeken pas op een betrekkelijk laat tijdstip voor het eerst melding maken van de Philippijnsche eilanden; immers van de aangrenzende, iets Zuidelijker gelegen landen, wordt al vrij vroeg gewag gemaakt. De Molukken b.v. worden al genoemd in de annalen van de T'ang-dynastie (618-906) en Borneo in de geschiedboeken van de Sung-dynastie (960-1279); we moeten toch wel aannemen dat de zeevaarders op hunne tochten daarheen Palawan of een der eilanden van de Soeloe-archipel zullen hebben gepasseerd. Hoe dit ook zij, eerst in de geschiedboeken van de Ming-dynastie wordt van de Philippijnen melding gemaakt. In het vijfde jaar van de regeering van Hungwu (1373) kwam het eerste gezantschap van de Philippijnsche eilanden met schatting in China aan. Uit het feit van dit zenden van een gezantschap valt intusschen wel af te leiden, dat er te voren reeds een vrij beduidende handel tusschen beide landen moet hebben bestaan.

* In hoe ver de politieke invloed der Chineezen zich heeft uitgestrekt over de Philippijnen, daarover zijn slechts weinig gegevens voorhanden. De annalen der Ming-dynastie vermelden, dat in 1405 de Keizer Yung-lo een voornaam ambtenaar zond naar Luzon om dat land te besturen. Hoe lang die ambtenaar op Luzon bleef en welke functies hij er uitoefende, daarvan wordt niets verteld. Wel is het resultaat van zijn zending, dat in het jaar 1406 de Inlandsche vorst zijn opwachting maakte bij den Chineeschen keizer.

De Chineezen onder Spaansch bestuur.

Men kan uit het boven vermelde gerust aannemen, dat reeds voor de komst van de Spanjaarden de Chineezen een drukken handel op de Philippijnen dreven *. Legazi, de eerste Spaansche gouverneur, bevorderde zooveel mogelijk dien handel, en stichtte eene zoogenaamde Chineesche wijk. De toevloed der Chineezen werd daarna zoo groot, dat men tegenmaatregelen nam.

De Spanjaarden traden daarbij tegen de Chineezen zeer ruw en onoordeelkundig op. Om de gevolgen, die er aan verbonden waren, vermeld ik hier de handelingen van den Gouverneur Don Perez Gomez das Marinaz *. Hij had een groot leger klaar staan om de Molukken te veroveren, maar had geene roeiers genoeg voor zijne galeien. Hij nam derhalve een 250-tal Chineezen uit het Chineesche kamp gevangen, en ketende hen vast aan de roeibanken. De meeste gevangenen waren vreedzame handelaren en handwerkslieden. Bovendien dwong hij een aantal Chineezen, die pas met jonken uit China waren aangekomen, als soldaten tot zijn leger toe te treden. Onderweg werden verscheidenen met de zweep doodgeranseld en ten slotte werd de Gouverneur door de in wanhoop gebrachte gevangenen in den nacht van 25-26 October 1593 gedood.

Bovenstaande gebeurtenis maakte diepen indruk op de Chineezen en nam hen zeer tegen de vreemde Westerlingen in. De voortdurende harde behandeling der Chineezen door de Spanjaarden (zie hieronder) was voor de Chineesche regeering een voorbeeld, hoe men vreemdelingen behandelen moet. Dit wordt uitdrukkelijk geconstateerd door een Engelschen schrijver, die vijf en zeventig jaar geleden schreef (Chinese Repository, 1834, vol. II, p. 350): "Dat de Chineesche autoriteiten niet geheel onbekend zijn met den toestand hunner landslieden te Manilla leiden we af uit het wel geconstateerde feit, dat de behandeling welke zij steeds getracht hebben toe te passen op de vreemdelingen hier (in China) afgezien is van het Spaansche Gouvernement. Een voorname Chinees met name Phan-keh-koa *, zag hoe de Spanjaarden de Chineezen zeer hard behandelden om hen in onderwerping te houden, en na zijn terugkeer te Canton, gebruikte hij zijn grooten invloed om op de vreemdelingen in China dezelfde behandeling te doen toepassen, welke de Spanjaarden toepasten op de Chineezen."

* In 1603 werden bij eenen volksoploop meer dan 25000 Chineezen doodgeslagen. In 1605 werd bij de wet vastgesteld, dat het hoogste aantal der Chineezen in de kolonie 6000 zou zijn; hieraan werd niet de hand gehouden en in 1639 werden er bij eene nieuwe uitbarsting der volkswoede weder eene kleine 30000 Chineezen omgebracht. Dergelijke moorden op groote schaal herhaalden zich in 1662, 1709 en 1820.

* In 1747 kwam er een koninklijk bevel uit Madrid om alle Chineezen uit Luzon te verbannen, doch dit bevel werd niet uitgevoerd. Toen in 1762 de Engelschen Manilla veroverden en de overgave van de Philippijnen eischten, sloten de Chineezen zich dadelijk bij hen aan. De Gouverneur, Senor Anda, gaf toen bevel om alle Chineezen op het eiland op te hangen. Dit bevel werd nauwkeurig uitgevoerd. Toen de Engelschen bij de vrede Manilla weer aan de Spanjaarden teruggaven, verlieten vele Chineezen, die intusschen in Manilla waren gekomen, de stad. Niettegenstaande de bevelen uit Madrid om geen Chineezen meer te Manilla toe te laten, waren er binnen een paar jaren weer velen daar gevestigd.

De geheele Spaansche kolonie op de Philippijnen leefde tot aan de 19de eeuw van den Chineeschen handel. Veracht, gehaat en gevreesd, waren de Chineezen toch onontbeerlijk voor de eilanden, en zij waren er uit een economisch oogpunt de meesters.

*In 1886, toen eene handelscrisis de kolonie teisterde, word er weder ernstig aan gedacht de Chineezen de kolonie uit te zetten, maar de regeering trad voor hen op, daar bij de luiheid der ingeborenen en de geringe ondernemingsgeest der Europeanen, zij als kooplieden onontbeerlijk waren. Meermalen hebben de Chineezen van hun kant getracht de Spanjaarden te verdrijven, maar steeds te vergeefs.

* Volgens de volkstelling van 1876 waren er 31000 Chineezen op de Philippijnen; in 1888 waren er 51000 en in 1897 55000. Deze ambtelijke telling moet ver beneden de werkelijkheid zijn. J. Foreman (in zijn werk: The Philippine Islands, blz. 118) schatte het aantal op 100.000.

Talrijk zijn de wetten geweest die de Chineezen-immigratie op de Philippijnen hebben geregeld. De voornaamste zijn die van 1679, 1776, 1804 en 1851. De eene regeling verwierp de andere; bij afwisseling word de immigratie begunstigd en tegengegaan. Tot 1804 mochten de Chineezen zich niet buiten Manilla vestigen. Hoofdzakelijk waren de Chineezen dan ook handelaars en handwerkslieden. Later trachtte men van hen landbouwers en mijnwerkers te maken; in 1851 stelde men de landbouwers en mijnwerkers met de inheemsche bevolking gelijk, en behoefden zij ook niet meer dan deze belasting te betalen. Dit alles had geen resultaat daar de Chineezen de vijandige gezindheid der bevolking vreesden en liever dicht aaneengesloten in de steden woonden, waar zij zich beter tegen onverwachte aanvallen konden verdedigen.

Sedert 1828 bestaat er eene bijzondere belasting voor de Chineesche kooplieden, welke in 1852 verder is uitgebreid. Sedert 1867 moeten de handelsboeken door hen in de Spaansche taal worden gehouden *. Door omkooperijen der ambtenaren wordt deze bepaling evenals verscheidene andere ontgaan. De Chineezen vormen eigen gilden, hebben eigen rechtbanken voor kleine zaken, en er is zelfs reeds onder het Spaansche bestuur sprake van geweest voor hen uit China eigen consuls te ontbieden. Thans is er een te Manilla.

De Chineezen worden in de Philippijnen zwaar belast. Sedert 1885 hebben zij bij aankomst een hoofdgeld te betalen van 10 dollars, later verhoogd tot 20 dollars; hun "Cedula Persoinal" kost 9.40 dollars per jaar, afkoop van heerendiensten aan de wegen kost hun 3 dollars per jaar en het toltarief is z󳠩ngericht, dat de goederen, die alleen bij Chineezen aftrek vinden, zwaar belast zijn. In 1897 werd door de Chineezen aan directe en indirecte belastingen meer dan 1 1/2 millioen dollars opgebracht.

De Chineezen onder Amerikaansch bestuur.

Toen Amerika in het bezit van de Philippijnen kwam, werd de immigratie der Chineezen eerst binnen bepaalde grenzen gebracht en daarna geheel verboden. Het aantal Chineezen zal dus gaandeweg wel verminderen. Amerika wil trachten de Philippijnen tot ontwikkeling te brengen door de inheemsche bevolking tot meerdere activiteit aan te sporen. Wanneer het Amerikaansche kapitaal zich meer voor de Philippijnen gaat interesseeren en de vraag naar arbeiders grooter wordt, staat het te bezien of de eischen der practijk niet zullen noodzaken de immigratie van Chineezen weer toe te staan.

* Ook moet men bedenken, dat de Amerikaansche occupatie van de Philippijnen een snelle prijsstijging van alle artikelen met zich medebracht, niet uit noodzaak of tengevolge van de wet van vraag en aanbod, doch alleen omdat de Amerikanen er behagen in schepten de vastgestelde prijzen te verhoogen. De arbeidsloonen, de prijzen der levensmiddelen en de huren der huizen stegen enorm. Het leven in de kolonie kost thans driemaal duurder dan in den Spaanschen tijd. Generaal Leonard Wood rapporteerde, dat de groote stijging hoofdzakelijk het gevolg was van de onzinnig hooge loonen door de leger-autoriteiten betaald.

Daarbij kwam nog dat in Februari 1902 de Philippino's een "Labour Union" stichtten om de loonen op hoogen peil te houden, doch aangezien de leiders van deze vereeniging zich aan onwettige handelingen schuldig maakten, werden zij gearresteerd en de "Labour Union" ging te niet. Er waren ongeveer 100,000 leden, die, als zij hunnen gang hadden kunnen gaan, weldra een macht in den staat zouden hebben gevormd.

Het arbeidersvraagstuk is nog een moeilijk probleem, want het is de gewoonte van den Philippino om met werken uit te scheiden als hij geld op zak heeft. De meerderheid der particuliere ondernemers zou ongetwijfeld gaarne de Chineesche koelies weder het land zien binnenkomen, wat door het Gouvernement verboden is, zeer tot genoegen van den Philippino, die wel weet, dat de vlijtige Chinees de loonen zal omlaag doen gaan en den Philippino tot werkzaamheid zal dwingen, wil hij blijven bestaan.

De consul-generaal Wildman te Hongkong rapporteerde in 1900 aan het "State Departement" te Washington, dat in het afgeloopen jaar kapitaal uit Hongkong te Manilla was belegd, maar dat het de algemeene opinie was, dat voor mijnindustrie en voor landbouw geene groote kapitalen zich zouden beschikbaar stellen, zoolang de invoer van Chineesche arbeidskrachten niet alleen werd toegelaten, doch ook aangemoedigd.

Bepalingen van de "Chinese Exclusion Act" van 1902.

Art. 4 van de "Chinese Exclusion Act" van 1902 bepaalt, dat elke Chineesche arbeider, die tijdens de tot standkoming van die Act op wettige wijze zijn verblijf had gevestigd op een der eilanden, behoorende tot het territoir van de Vereenigde Staten (Hawai uitgezonderd), binnen een jaar tijds een vergunning tot verblijf zou verkrijgen en in geval hij dan niet in het bezit zou zijn van zoo'n vergunningsbewijs, zou worden uitgezet. Aan de Philippijnsche Commissie werd opgedragen de noodige regelingen te maken om die bepaling voor de Philippijnen toe te passen.

Als uitvloeisel van bovengenoemde Act vaardigde het bestuur der Philippijnen de verordening van 27 Maart 1903 uit. De voornaamste bepalingen hiervan zijn:

De Chineezen mogen de eilanden verlaten en daar terugkeeren, zoo zulks geschiedt binnen den termijn van een jaar. Zij moeten bij vertrek voorzien zijn van een pas, en gefotografeerd worden. Bij terugkeer op de Philippijnen moeten zij voorzien zijn van een pas van vertrek uit de inscheephaven (gewoonlijk China) met bestemming naar de Philippijnen. Gedurende het jaar eindigende 30 Juni 1902 kwamen 10,158 Chineezen te Manilla aan en vertrokken er 11,432 met terugkeerpassen. De Chineezen, die op de eilanden verblijf houden, moeten geregistreerd worden.

Gedurende langen tijd heeft men op groote schaal smokkelhandel gedreven in Chineezen, waarin te Manilla ambtenaren der in- en uitvoerrechten en in China hooge landsdienaren aldaar betrokken waren. Ten slotte werd de smokkelhandel ontdekt en er een einde aan gemaakt.

De bepalingen van de Exclusion Act worden zoo streng gehandhaafd , dat het den testament-executeur van een rijken Chineeschen koopman, die op de Philippijnen stierf, niet werd toegestaan slechts tijdelijk aldaar te verblijven om de zaken van den overledene af te wikkelen.

Groote invloed van den Chineeschen consul op zijne landslieden.

De sociale positie der Chineezen, die op de Philippijnen mogen verblijven, is na de inbezitneming door de Amerikanen geheel anders geworden dan voorheen. Toen was er nog geen Chineesche consul zooals er thans een te Manilla gevestigd is. Diens verhouding tot de Chineezen is eene geheel andere dan die der Europeesche consuls tot hunne landslieden. Zijne wenken en raadgevingen worden stipt opgevolgd, de verhouding is ongeveer als die van een vader tot zijne kinderen. Hij heeft zijne landslieden duidelijk gemaakt, dat de Chineezen thans eene hoogere positie in het maatschappelijke leven innemen dan vroeger onder het Spaansche regime was toegestaan. Zij bewegen zich nu vrijelijk onder de blanke bevolking en zitten in de schouwburgen tusschen haar in, wat zij onder de Spaansche regeering niet zouden hebben gedurfd.

Nadeelige gevolgen van de uitsluiting der Chineezen.

Ook andere schrijvers betreuren de strenge uitsluiting der Chineezen.

De geheele toekomst der eilanden, zegt Ireland *, ligt in de oplossing van het arbeidersvraagstuk; en het vooruitzicht is niet bemoedigend. Er is heel wat geschreven over den Philippino als arbeider, en de meest van elkaar afwijkende meeningen bestaan er omtrent hem; volgens sommigen is hij een vrij goed werkman, volgens anderen kan hij in het geheel niet in aanmerking komen als een factor, waarvan men medewerking verwachten mag aan de ontwikkeling der Philippijnen.

Wanneer men die afwijkende meeningen nader beschouwt, dan blijkt het, dat alle gunstige beoordeelingen, op eene enkele uitzondering na, komen uit de steden, en de ongunstige van het platte land. In de steden worden Philippijnsche arbeidskrachten hoofdzakelijk gebruikt en goed betaald door het Gouvernement, het leger, en door personen belast met het vervoerwezen. In de binnenlanden, waar geplant moet worden voor de buitenlandsche markt, kan aan den Philippijnschen arbeider niet veel meer betaald worden, dan het gewone loon, dat de arbeiders en koelies op Java en Sumatra genieten; anders kan de Philippijnsche planter niet met succes concurreeren met zijn collega's elders, daar de produktiekosten te hoog zouden worden. Doordat in de steden dus hooger loon betaald wordt dan op het platte land, trekken alle goede arbeidskrachten naar die steden, waardoor slechts de onbruikbare elementen in de binnenlanden beschikbaar zijn, en dan nog in hoogst onvoldoend aantal.

De veronderstelling, dat Chineesche koelies ingevoerd zouden mogen worden, ontmoette in de Vereenigde Staten eene hevige tegenkanting. Hoewel de Commissie, belast met het bestuur over de Philippijnen, officieel zich verklaard heeft tegen den invoer van Chineesche koelies, waren twee Inlandsche en een Amerikaansch lid overtuigd, dat alleen door Chineesche immigratie men eenige hoop voor de ontwikkeling der eilanden kan koesteren. Doch de volstrekte onmogelijkheid om officiëel die meening te doen uitspreken, was oorzaak, dat die leden niet bij hun gevoelen stand hielden.

Wat het resultaat is der strenge uitsluiting van Chineezen, moge blijken uit het volgende voorval, door een der leden van de Commissie voor de Philippijnen aan den schrijver Ireland medegedeeld.

Eenigen tijd geleden kwam een kapitalist te Manilla en vroeg aan de Commissie vergunning aldaar een groote scheepstimmerwerf te mogen oprichten. Hij zou een groot droogdok bouwen, dat in staat zou zijn, de grootste schepen op te nemen. Tevens zou hij werkplaatsen oprichten voor scheepsmachineriën. Daar er in de Philippijnen slechts zeer weinig arbeiders te krijgen zouden zijn, die voor bovengenoemde doeleinden te gebruiken waren, vroeg de kapitalist vergunning om eenige duizenden Chineezen in te voeren, onder voorwaarde, hen na zekeren tijd weer het land uit te brengen. Hij beloofde naast elken Chinees ook een Philippino in dienst te nemen, en den Chinees uit het land te voeren, zoodra de Philippino in staat zou zijn het werk van den Chinees te doen. Na eenige jaren zou dus een groote industrie zijn gevestigd en eenige duizenden Philippino's tot bekwame fabriekswerklieden zijn opgeleid.

Toen den kapitalist werd duidelijk gemaakt, dat de wet den invoer van Chineezen niet toestond, zag hij van zijn plan af.

Door zulk handelen komt vreemd kapitaal het land niet in, en het bovengemeld voorbeeld zou met nog vele andere te vermeerderen zijn.

Statistische gegevens omtrent de Philippijnen *.

Bevolking

Sterkte der bevolking, staande op zekeren trap van beschaving6,987,786 zielen
Sterkte der bevolking, behoorende tot wilde volksstammen647,740
Totale sterkte der bevolking7,635,426 zielen

Indeeling der bevolking, staande op zekeren trap van beschaving, naar het geboorteland

Aantal zielen geboren in de Philippijnen6,931,548
" Ver. St. v. Amerika8,135
" overig Amerika83
" Spanje3,883
" overig Europa1,648
" China41,035
" Japan921
" elders433
Totaal6,987,686

Statistiek der verschillende beroepen

MannenVrouwen
Landbouwers1,163,77790,286
Onderwijzers, geneesheren, rechtsgeleerden, enz.23,3582,279
Huisbedienden en personen in dienst van anderen431,388140,567
Handelaren en personen bij het verkeerswezen betrokken150,98975,566
Werkzaam bij de fabrieksnijverheid en technische bedrijven243,081716,589
Zonder beroep of wier beroep onbekend is1,484,0592,465,747
Totaal3,496,7523,491,034

Indeeling der bevolking, staande op zekeren trap van beschaving, naar de huidskleur

Bruin6,914,880 zielen
Gemengde kleur15,419 "
Geel 41,071 mannen en 1,026 vrouwen42,097 "
Blank 11,450 " 2,821 "14,271 "
Zwart1,019 "
Totaal6,987,686 zielen

Uit het medegeelde onder B. en D. volgt, dat er van het gele ras op de Philippijnen zelf geboren zijn 42,097 - (41,035 + 921) = 141 zielen, terwijl het aantal aldaar geboren blanken bedraagt 14,271 - 13,749 = 522 zielen.

De Chineezen in Azië onder Fransch gezag.
De Chineezen in Indo-China.

Geschiedenis.

* Tonkin, Annam, en Cochin-China hebben dezelfde soort van bevolking. Eene lichamelijke bijzonderheid, de uitwijking van den grooten toon, is het kenmerk er van. Dit volk heeft gedurende ongeveer duizend jaren onder de heerschappij van China gestaan. De Chineesche zeden, philosofie en literatuur hebben op dit volk een overwegenden invloed uitgeoefend, welke nog na de afscheiding van China heeft nagewerkt. De definitieve afscheiding van China had plaats in 941 na Chr. Te voren had men korte perioden van zelfstandigheid gehad van 39 tot 42, 186 tot 226 en van 540 tot 603 na Chr.

Het Annammitische rijk breidde zich geleidelijk uit.

In het einde der 18de eeuw barstte er een opstand uit tegen het regeerende huis van de Nguyen's. De koning vluchtte naar China en de opstandelingen maakten zich meester van het geheele rijk. Een der afstammelingen van het huis der Nguyen's had de wijk genomen in Siam. Door tusschenkomst van een Fransch priester sloot die afstammeling met Frankrijk een tractaat te Versailles op den 28sten November 1787. Het Fransche Gouvernement zou den pretendent Nguyen-An helpen diens rijk te heroveren tegen afstand van de baai van Tourane en het eiland Poelau?Condore. Dit tractaat werd door geen der beide partijen opgevolgd. Doch door bemoeien van bovenbedoelden Franschen priester, die van uit Pondicherrie twee schepen en enkele officieren medebracht, slaagde Nguyen-An er in zijn rijk te heroveren. Hij maakte zich vervolgens meester van Cochin-China (1792) en van Tonkin, en liet zich in 1802 tot koning kronen onder den naam van Gia-Long.

Deze koning deed veel goeds voor Annam en trachtte zooveel mogelijk Europeesche inmenging te beletten. Hij stierf in 1820. Zijn politiek werd nagevolgd door zijne opvolgers Minh-Mang (1820-1841), Thieu-tri (1841-1847) en Tu-Duc (1817-1883). De Fransche zendelingen werden herhaaldelijk vermoord, en het zoo nu en dan verschijnen van een Fransch oorlogschip had niet het minste resultaat.

Onder de regeering van Tu-Duc werd in 1856 de Fransche gezant onheusch ontvangen; Frankrijk besloot in vereeniging met Spanje tot krachtig optreden. Ondertusschen kreeg Frankrijk ook oorlog met China, en dit was oorzaak, dat de strijd tegen Annam niet krachtig werd doorgezet. Eerst in 1862 werd de vrede met Annam gesloten, waarbij een groot deel van Cochin-China aan Frankrijk werd afgestaan. Door het stoken der Annamsche autoriteiten werd weder een oorlog noodzakelijk, en in 1867 veroverde de gouverneur van Fransch Cochin-China in vijf dagen tijds de overblijvende drie andere, aan Annam toebehoorende, provincies van Cochin-China.

 

Ten Noorden van Cochin-China lag het rijk Cambodja, sedert lange jaren bij afwisseling afhankelijk van Siam en Annam, totdat bij de in 1841 te Oudong gesloten akte Cambodja aan Siam en Annam gelijke rechten gaf en die twee landen zou erkennen als te zijn "zijn vader en zijne moeder."

Reeds in 1853 trachtte Cambodja zich onder bescherming van Frankrijk te stellen. Eerst in 1863 vestigde Frankrijk een protectoraat over Cambodja, doch de koning van dit laatstgenoemd rijkje erkende eenige maanden later tevens de suzereiniteit van Siam, waardoor een diplomatieke strijd ontstond met Siam, totdat bij het Fransch-Siameesch tractaat van 1867 Siam het Fransche protectoraat over Cambodja erkende, terwijl de provincies Battambang en Angkor, welke Cambodja tot haar gebied rekende, aan Siam bleven.

 

In 1872 kreeg een te Tonkin gevestigde Fransche handelaar aldaar moeilijkheden. Er werden twee kanonneerbooten heen gezonden, en de bevelvoerder maakte zich door een coup-de-main meester van Hanoi. Een strijd met Annam volgde, die door Frankrijk niet krachtig werd gevoerd en door het verdrag van 1874 werd beeindigd. Dat verdrag was bijna geheel in het voordeel van Annam. Dit rijk zocht nu toenadering tot China, waaraan het in 1876 en 1880 schatting bracht.

In 1883 ontstond er weder strijd tusschen Frankrijk en Annam, naar aanleiding van ongeregeldheden door de beruchte zeeroovers, bekend onder den naam van Zwartvlaggen, gepleegd, in welken strijd China gemengd werd. In 1885 werd de vrede met China gesloten, terwijl Annam in hetzelfde jaar geheel onder daadwerkelijke controle van Frankrijk kwam.

 

Sedert 1887 kwamen Tonkin, Annam, Cochin-China en Cambodja onder één Gouverneur-Generaal van Indo-China, en wordt het Fransche bestuur steeds intensiever.

Onder den Gouverneur-Generaal van Indo-China ressorteeren Laos en bovendien het in 1898 voor den tijd van 99 jaren door China aan Frankrijk in erfpacht afgestane Kwang-tschou-wang.

Beoordeelingen van Indo-China.

Girault laat zich over Indo-China als volgt uit:

"Indo-China is het mooiste deel van ons koloniaal rijk. Onze vestiging aldaar is noodzakelijk voor ons prestige en onzen in?vloed in het verre Oosten. Dank zij Indo-China kunnen wij hopen, dat onze handelsrelatiën met Zuid-China steeds zullen vermeerderen. Indo-China is voor ons vooral van groote waarde door den rijkdom en den graad van beschaving der bevolking aldaar. In dit opzicht is Indo-China ongetwijfeld nummer één van al de Fransche bezittingen, Algiers en Tunis niet uitge?zonderd" *.

Leroy-Beaulieu beoordeelt de kolonie anders. Volgens hem kost de kolonie aan het moederland veel te veel, minstens 26 à 27 millioen francs per jaar en dit zal niet veranderen, indien geen ingrijpende maatregelen plaats hebben. Bovendien is het bezit precair. Wel heeft het tractaat, in 1907 tusschen Japan en Frankrijk gesloten, eene agressieve politiek van Japan voorloopig belet, maar de bevolking zal toch zonder de hulp van eene Japansche of Chineesche vloot wel in staat zijn den Franschen het behouden van Indo-China op buitensporig zware offers te staan doen komen, daar gewapende Chineesche benden de bevolking heimelijk zullen steunen. Het is daarom noodzakelijk, de douanerechten belangrijk te verlagen, om niet het misnoegen op te wekken der bevolking zelve en van de twee Aziatische Groote Mogendheden, Japan en China. Indien volhard wordt met de politiek om Indo-China alleen als debouch頶oor de moederlandsche industrie te gebruiken, zal die kolonie onvermijdelijk voor de Franschen verloren gaan, evenals de Spanjaarden Cuba verloren hebben.

Het bezit van Tonkin werd in de eerste tijden na de verovering zeer gewaardeerd, omdat men meende van daar uit het Chineesche rijk te kunnen binnendringen. Doch de tijden zijn nu voorbij, dat de Europeesche mogendheden door bedreiging of geweld hun wil aan China kunnen opleggen. Wil men China diep binnendringen, dan moet men de genegenheid zien te winnen van eene bevolking die, over het geheel genomen, vredelievend en arbeidzaam is. *

Immigratie van Chineezen.

* In vroegere tijden moet de landverhuizing van Chineezen naar Indo-China al zeer groote afmetingen hebben aangenomen.

Reeds in 214 v. Chr. moeten er ongeveer 500,000 Chineezen Tonkin en Cochin-China zijn binnengekomen, en millioenen zullen daarna nog gevolgd zijn. Al kan thans nog niet met zekerheid worden bewezen, dat de Annammieten een volk zijn, ontstaan door de vermenging van Chineezen met de oorspronkelijke bewoners van het land, toch is het niet te ontkennen, dat veel Chineesch bloed door hunne aderen vloeit. We hebben hier te doen met het in de geschiedenis van de Chineesche landverhuizing alleenstaande feit, dat de geimmigreerde Chineezen geheel in de oorspronkelijke bevolking zijn opgegaan, doch niet zonder tevens die bevolking in hooge mate te ver-chineezen. Het Chineesche schrift, de Chineesche zeden, godsdienst enz. zijn door de bevolking overgenomen.

De inboorlingen van Indo-China zijn goede landbouwers, doch even zorgeloos en lui als de Philippino's. Zij hebben niet de vlijt en arbeidzaamheid der Chineezen overgenomen. Veel vruchtbare grond ligt nog braak. In 1896 is te Saigon gesticht het "Syndicat des Planteurs Europ饮s de Cochin-Chine." Dit syndicaat wenschte Chineezen als arbeiders in te voeren, doch stuitte op de tegenwerking der koloniale regeering, die opmerkte, dat de inboorlingen in voldoende mate aan de vraag naar arbeidskrachten konden voldoen.

Eene sterke vermeerdering van Chineesche arbeiders in Indo-China was vroeger uitgesloten, zoolang de regeering hare houding niet had veranderd.

Er zijn op het oogenblik ongeveer 150,000 volbloed Chineezen in Indo-China aanwezig. Zij monopoliseeren bijna het geheele handelsverkeer en vormen het welvarendste deel der bevolking.

Reglementen op de immigratie.

* De Chineesche immigranten in Indo-China zijn reeds langen tijd verplicht geweest bij aankomst in de kolonie eene vergunning tot verblijf aan te vragen, welke vergunning aan iedere autoriteit op verzoek moest worden vertoond; bovendien moesten zij een hoofdgeld betalen. Hiertegen hadden zij geen bedenkingen, doch toen de koloniale regeering, een beter toezicht op de immigranten willende uitoefenen, hen bij aankomst onderwierp aan het door Dr. Bertillon uitgevonden identificatiesysteem, welk systeem in Frankrijk alleen toegepast wordt op lieden, die in handen van de justitie vallen, protesteerden de immigranten. De Chineesche regeering trad voor hen op en beklaagde zich bij de Fransche, met het resultaat, dat door M. Beau, Gouverneur-Generaal van Indo-China, op 10 Maart 1906 een besluit werd uitgevaardigd, waarbij van af 10 Mei d. a. v. de identificatie volgens het Bertillonsche systeem werd afgeschaft. Tevens werd er een commissie ingesteld om ontwerpen in te dienen voor een meer vrijzinnige wetgeving voor de Chineezen in Indo-China verblijvende.

De immigratie zelf is voor elk onderdeel van het Gouvernement van Indo-China afzonderlijk geregeld.

* Zeer eigenaardig is het nieuwe reglement op de Chineesche immigratie in Cambodja, hetwelk ten doel heeft om 讠de bevolking, 讠de oppervlakte van ontgonnen grond te vermeerderen. De immigranten moeten allen ongetrouwd zijn; zij zijn verplicht te huwen met inlandsche vrouwen; hunne kinderen moeten op de in Cambodja gebruikelijke wijze worden opgevoed en kunnen op hun beurt alleen weer met Cambodjaneezen huwen. Een eerste bezending van 25 Chineezen heeft men reeds gezonden naar de provincie Soairieng om een dorp te stichten.

* Voor Cochin-China is de immigratie geregeld in een "Arr괩 du 16 Octobre 1906 r觬ementant le service de l' immigration asiatique en Cochin-Chine."

Hoofddoel is om de immigratie van Chineezen zooeveel mogelijk te bevorderen, van daar dat men de leeftijdsgrens van belastingplichtigheid van 15 jaren heeft gebracht op 18 jaren, en het passenstelsel, vroeger bij het zich verplaatsen voorgeschreven, heeft afgeschaft.

* Voor Tonkin wil men hetzelfde toepassen als in Cochin-China reeds ingevoerd is.

Statistische gegevens omtrent Indo-China *.

Oppervlakte in KM2.Bevolking.Aantal inwoners per KM2.
Cambodja96.0001.237.86413
Cochin-China56.9002.843.66750
Annam135.0005.565.59741
Laos255.000346.4871,3
Tonkin119.2005.688.58948
Kwang-tschou-kwang, Chin. pachtgebied700176.310252
Totaal663.70015.858.514 (a)

(a) waarvan

Annammieten? 14.500.000
Cambodjaneezen en Maleiers1.500.000
Chineezen300.000
Europeanen10.000
Laos (bergstammen)1.500.000
Andere stammen50.000

Volgens deze verdeeling zou het totaal zijn 17.860.000, dus ruim 2 millioen meer dan het totaal der afzonderlijke landen, wat niet juist kan zijn.

Girault (blz. 361-362) geeft een andere opgave. Volgens hem is de totale bevolking van Indo-China 18.000.000.

waarvan

Annammieten15.000.000
Cambodjaneezen1.000.000
Chams150.000
Chineezen300.000
Europeanen11.000
Andere stammenonbepaald.

De Chineezen in Azië onder Duitsch gezag.

De Chineezen in Kiautschou.

* De inbezitneming van de baai van Kiautschou door Duitschland had op 14 November 1897 zonder bloedvergieten plaats door een landingscorps groot 30 officieren en 687 man van het eskader van den vice-admiraal von Diederichs. Aanleiding tot deze inbezitname was de moord gepleegd op 2 missionarissen in Shantung. Duitschland zond dadelijk versterkingen om zoo noodig het veroverde gebied krachtdadig tegen Chineesche aanvallen te verdedigen.

Tot vechten kwam het niet. Na eenig aarzelen sloot de Chineesche regeering 6 Maart 1898 een verdrag met Duitschland, waarbij een strook land om de bocht van Kiautschou voor den tijd van 99 jaren in pacht werd afgestaan. Hiermede had Duitschland wat het al eenigen tijd begeerde, namelijk een steunpunt voor zijn steeds toenemenden handel met China.

* Het pachtgebied is 540 vierkante Kilometer groot, en telt eene bevolking van 150,000 Chineezen. * Deze wonen verspreid in dorpen van 2 à 3000 zielen elk. In het pachtgebied bevindt zich ook de vrijhaven Tsingtau. Door de groote uitgaven, die de Duitschers aan de verbeteringen der haven hebben ten koste gelegd, neemt het scheepvaartverkeer steeds toe, vooral ook door den aanleg van een spoorweg naar het zwaar bevolkte achterland.

Veel stelt men zich voor van de ontginning der in het pachtgebied liggende kolenvelden. Een groot voordeel hierbij was, dat men vroeger voldoende Chineesche koelies kon krijgen om in de mijnen te werken tegen een goedkoop dagloon van 60 pf. à 1 Mark, maar in de allerlaatste jaren is daarin verandering gekomen. Zoo nu en dan houden de koelies werkstakingen, en bovendien verlaat de Chinees zonder reden de mijnen, omdat hij het werken als landbouwer verre prefereert. De betrokken mijnbouwmaatschappij heeft daarom woningen voor 600 arbeiders gebouwd en het dagloon verhoogd in verhouding tot de plaats gehad hebbende stijging van de prijzen der levensmiddelen.

Sedert 1902 worden jaarlijks 60 Chineesche jongens in een cursus van 4 jaren op een ambachtsschool opgeleid. Die jongens worden na be멮diging hunner opleiding tewerk gesteld op de scheepstimmerwerven.

De Duitsche handelaren gaan zeer gemoedelijk met de Chineesche bevolking om en vertoonen in het geheel niet de zekere hooghartigheid der Engelsche en Amerikaansche handelaren. Dat deze karaktertrek een der redenen is van het succes van den Duitschen handelsman, is wel aan te nemen.

De Chineezen op de Samoa-eilanden.

* Met de eenige jaren geleden ingevoerde Chineesche koelies (800) heeft men gunstige resultaten gehad. Vermoedelijk zullen ook in de overige aan Duitschland toebehoorende eilanden in de Stille Zuid-Zee Chineesche koelies moeten worden ingevoerd, aangezien de bevolking weinig arbeidzaam is, en bovendien steeds in getalsterkte achteruitgaat.

De Chineezen in Azië onder Portugeesch gezag.

De Chineezen in Macao.

* De Portugees Rafael Perestrello voer in 1516 van Malacca in een jonk naar China en was de eerste, die een schip onder Europeesche vlag in de wateren van China bracht. Verscheidene landgenooten volgden hem na. In 1537 vestigden de Portugeezen zich te Macao, onder voorgeven dat zij daar hutten wilden oprichten voor het drogen der goederen, die bestemd waren om als tribuut aan den Keizer van China te worden opgebracht, doch door stormen gedurende de zeereis nat waren geworden. In 1573 sloten de Chineezen Macao met een muur van het overige China af. In 1587 werd er in Macao zelf een Chineesche magistraat aangesteld om de in de stad wonende Chineezen te besturen.

Behalve te Macao waren de Portugeezen ook gevestigd op enkele andere plaatsen op de kust van China, o. a. te Ningpo. In 1544 werden zij evenwel uit Ningpo verdreven, omdat zij zich herhaaldelijk schuldig maakten aan het rooven van Chineesche vrouwen en meisjes uit de omliggende dorpen.

Ter bevordering van den handel zonden de Portugeezen 4 keeren gezantschappen naar Peking, doch steeds zonder resultaat, niettegenstaande de leden dier gezantschappen zich op allerlei manieren vernederden. De invloed en de handel der Portugeezen in China verminderden steeds.

In de 19de eeuw kwam Macao weer op door den smokkelhandel in opium, en later door den koeliehandel. Die koeliehandel werd op de schandelijkste wijze gedreven; allerlei lieden werden door de koelieronselaars gevangen genomen en in de barakken te Macao opgesloten om van daar verder te worden verscheept. Toen eene Chineesche commissie de slechte behandeling der koelies op Cuba en in Peru aan het licht bracht, drong Engeland er op aan den koeliehandel te Macao te sluiten. Dit geschiedde in 1875, niettegenstaande de protesten der belanghebbenden.

De Chineezen hebben nooit het schiereiland, waarop Macao ligt, aan den Portugeeschen kroon afgestaan, al waren ze onmachtig om de export van koelies te beletten. In 1862 sloot de Gouverneur Guimareas te Peking een tractaat met China, ,waarbij de suprematie van de Portugeesche autoriteiten over het stuk grond binnen de afscheidingsmuur meer stilzwijgend werd erkend, dan wel openlijk verklaard. In art. 9 werd immers wederzijds het recht toegekend consuls te benoemen. De Chineezen kwamen evenwel op de gedachte, dat zulks zoude medebrengen eene erkenning van de onafhankelijkheid der kolonie, en weigerden de bekrachtiging van het tractaat, indien niet uitdrukkelijk hunne bezitsrechten op het schiereiland werden erkend. Het tractaat is daarom nooit bekrachtigd *, doch dit heeft niet belet dat de handel zijn gewonen gang gaat. Het aantal Chineesche inwoners neemt langzaam toe en bedraagt thans ongeveer 73,000 zielen. Bovendien wonen er in Macao 7000 Portugeezen en lieden van andere nationaliteit.

Sedert de vermoording van hunnen Gouverneur in 1849, hebben de Portugeezen aan China niet meer de 600 tails jaarlijksche grondbelasting betaald. In dat jaar is ook voor de Chineezen te Macao eene aparte wetgeving ingevoerd, doch deze wetgeving verschilt slechts zeer weinig van de voor de Portugeezen zelven geldende.

De opkomst van Hongkong heeft Macao veel afbreuk gedaan. Vele rijke Chineezen hebben toen Macao verlaten.

Dat vele Chineezen nog steeds vasthouden aan het denkbeeld, dat Macao staat onder suzereiniteit van China, blijkt ook uit het hieronder volgende bericht, overgenomen uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 3 April 1909:

De Macao-quaestie.

Te Kanton is een vergadering gehouden, georganiseerd door de Kantonsche vereeniging voor zelfbestuur, ter behandeling van de Macao?quaestie. De vergadering besloot, zich tot de centrale regeering te Peking te wenden met het verzoek, het Chineesch-Portugeesche traktaat regelende de betrekkingen van Macao tot Portugal en China, in te trekken; voorts van Portugal de teruggave te eischen van Macao aan China of - indien dat laatste niet bereikbaar zou zijn - althans aan te dringen op een jaarlijksche schatting, door Macao te betalen aan China, als een bewijs van China's suzereiniteit over het Macao-gebied.

Voorts vond de Kantonsche Vereeniging voor zelfbestuur, dat er maar krasse maatregelen moesten worden genomen voor het geval, dat Portugal de door China te stellen eischen niet zou inwilligen.

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 April 1909 komt het volgende bericht voor:

China en Portugal liggen al eenigen tijd met elkaar overhoop over een grenskwestie in de Portugeesche kolonie Macao. China beweert, dat Portugal daar meer grondgebied bezet dan het toekomt. Om Portugal te dwingen, zoo verneemt de N. Y. Herald, gaat China nu ten N. en ten Z. van Macao een vrijhaven openen. Hung-tsjou, op 15 K.M. ten N.O., is Donderdag geopend. Ten Z.W. zal, op 65 K.M. afstand, binnenkort de andere worden geopend. Zoo denkt China Macao dood te drukken.

Ten slotte eene verklaring van den naam Macao. Oorspronkelijk had men dichtbij die plaats een afgodsbeeld, bekend onder den naam van "Ama." Ama-kau beteekent "de haven van Ama". De Portugeezen schreven Amacao, later verkort tot Macao.

De Chineezen onder Russisch gezag.

* Toen de Mongolenvorst Dzengiskhan bij de uitbreiding van zijn gebied in aanraking kwam met de nomadenvolkeren ten Noorden van den Kaukasus, en hen bestreed, kwamen de Russen die volkeren te hulp. Zoo had in 1223 voor de eerste maal een samentreffen plaats tusschen Mongoolsche en Europeesche troepen. De aanvankelijk overwinnende Russen werden ten laatste verslagen; de Grootvorst van Kijew zelf geraakte in gevangenschap. De Mongolen zetten evenwel hun krijgstochten niet voort.

In 1227 stierf Dzengiskhan en werd opgevolgd door zijn zoon Ogdai. Deze breidde zijn rijk uit in de richting van China, waar, in het Noorden, toen de Nü-chen-dynastie heerschte, doch nog maar weinig macht had. De provinciën Petsjili, Shantung, Shansi en Liaotung waren reeds in het bezit der Mongolen. Deze laatsten sloten een verbond met de Sung-dynastie van Zuid-China. In 1234 werd de laatste N? keizer door het vereenigde Mongoolsche-Zuid-Chineesche leger verslagen. Shensi werd aan de Mongolen toebedeeld, Honan aan de Sung-dynastie.

Deze verovering van Noord-China was voor de Mongolenstammen van veel beteekenis. Hierdoor kwamen zij in nauwere aanraking met Chineesche beschaving, en veel werd door hen overgenomen, wat zeden en gewoonten betreft. Ook het staatsbestuur werd op Chineesche leest geschoeid.

Na de verovering van Noord-China wendden de Mongolen zich naar het Westen. In de jaren 1235-1241 veroverden zij Rusland en drongen door tot in Hongarije; wellicht zouden zij nog verder zijn doorgetrokken, indien zij niet op het bericht van den dood van Ogdai naar Rusland waren teruggetrokken.

* De verschillende Russische Grootvorstendommen bleven na de groote Mongolenoorlogen van 1235-1241 onder de heerschappij van het gele ras. Drie eeuwen duurde de Mongool-Tartaarsche heerschappij. Deze was niet drukkend, daar van de overwonnen volkeren alleen hooge tribuutbetalingen werden gevorderd, doch overigens in vrij onafhankelijken toestand werden gelaten. De Grootvorst van Moskou werd als eerste erkend en aansprakelijk gesteld voor het binnenkomen van de schattingen door de overige Grootvorsten op te brengen.

Toen na het einde van de 13de eeuw de Mongool-Tartaarsche en Turksche stammen tot den Islam overgingen, werd hunne overheersching van de Russen steeds drukkender, die niet meer zoo vrij in godsdienstzaken werden gelaten. Iwan III voelde zich in 1468 sterk genoeg om de tribuutbetaling te weigeren en zijn tweede opvolger Iwan IV, de Verschrikkelijke, onderwierp de Tartarenrijkjes Kazan in 1552, Astrakan in 1556. Hiermede werd de veroveringspolitiek van het Czarenrijk ingeluid.

In 1598 werd een nakomeling van Dzengiskhan, Kozumkhan genaamd, die zich keizer van Siberië noemde, nabij Tobolsk verslagen en naar Turkestan verdreven. Slechts eenige jaren daarna trokken Kozakken als jagers en avonturiers verder oostwaarts, aangelokt door den voordeeligen pelshandel. Kolonisten volgden vrijwillig en gedwongen. In 1607 werd de streek van de Jenisseisk bereikt, in 1628 Krasnojarsk, in 1639 de zee bij Ochotsk, terwijl in 1648 de Behringstraat door den Kozak Deschnew werd ontdekt. (Naderhand, in 1740, is de straat nogmaals ontdekt door den in Russischen dienst staanden Deenschen kapitein Behring. Het bericht van de ontdekking van Deschnew was in Irkutsk blijven liggen.)

Ongehinderd voeren de Kozakken de Amoer af tot aan hare monding. Zij overschreden in het jaar 1653 de waterscheiding tusschen het Baikalmeer en de Amoer, het Joblonowy-gebergte en kwamen tot in de streek van het tegenwoordige Tschita.

De Mantsjoes waren in dien tijd te veel met China bezig om de noodige aandacht te wijden aan de herhaalde grensschendingen. Nadat China geheel onderworpen was, sloten de Mantsjoes in 1688 te Nertschinsk een verdrag met de Russen, waarbij deze laatsten alle annexatiën, door de Kozakken in het Amoergebied gedaan, moesten teruggeven; alleen het land, gelegen tusschen het Baikalmeer en het Jablonowy-gebergte bleef aan Rusland.

Gedurende de eerstvolgende 170 jaren hield de offensieve beweging van Rusland naar het Oosten op. Doch na de aanvallen van Engeland en Frankrijk op het Chineesche rijk, in het midden van de 19de eeuw, hervatte Rusland zijne voorwaartsche beweging. In Centraal-Azië nestelden de Russische troepen zich in 1853 in Syr Daria; in 1866 werd Taschkent, in 1668 Samarkand, in 1873 Chiwa veroverd en in 1871 het vruchtbare, aan China toebehoorende, Kuldscha bezet. De Russen hadden Kuldscha bezet om dit uit handen te houden van den Mohammedaanschen vrijbuiter Jakub Beg, die de Chineezen in 1865 uit Oost-Turkestan verdreven had, en zich te Kaschgar had gevestigd. Jakub Beg wees in 1872 eene toenadering van Rusland af, doch sloot een handelsverdrag met de Engelsch-Indische regeering.

In het jaar 1876 naderde, detachementsgewijze door de Gobi-woestijn voortrukkend, een Chineesch leger van 30-40,000 man om Oost?-Turkestan en Kuldscha te hernemen. Jakub Beg werd in 1877 vermoord en daarna Oost-Turkestan heroverd.

Op het verzoek van China om Kuldscha aan haar af te staan, antwoordde Rusland ontwijkend. De gevolmachtigde afgezant van China Chungow, sloot daarop te Petersburg een tractaat met Rusland, waarbij een groot deel van Oost-Turkestan aan dat land werd afgestaan, terwijl bovendien Rusland nog eene schadeloosstelling van 5 millioen roebels zou ontvangen als vergoeding voor de z.g.n. in bewaring houding ten behoeve van China.

* Toen Chunghow met dit tractaat te Peking kwam, was iedereen zoo verontwaardigd, dat hij in de gevangenis geworpen werd, en zeker onthoofd zou zijn geworden, indien de gezanten der Vreemde Mogendheden niet voor hem in de bres waren gesprongen. Chunghow werd uit de gevangenis ontslagen. Zijn vervanger, de gevolmachtigde afgezant Markies Tsang, sloot daarop met Rusland een tweede tractaat, waarbij nagenoeg geheel Oost-Turkestan aan China teruggegeven werd tegen eene schadeloosstelling van 9 millioen roebels voor de gedane uitgaven. Dit tractaat is in Augustus 1881 bekrachtigd.

Met het voortschrijden der Russen in de richting van Centraal-Azië ging gepaard eene beweging in Oostelijke richting. In 1854 overschreed generaal Murawiew in vollen vredestijd de Chineesche grenzen Zuid-Oostelijk van het Baikalmeer en kwam aan de Amoer, waar hij zich nestelde. Deze annexatiën werden langs de Amoer voortgezet tot aan de kusten van den Stillen Oceaan. China was toen ter tijd met Engeland en Frankrijk in moeilijkheden gewikkeld, en om van de Russen af te zijn, werd bij verdrag van 22 Mei 1858 de door Rusland gepleegde landroof aan de Amoer gesanctionneerd. Doch Rusland, profiteerende van de verslagenheid der Chineesche regeering, toen in den herfst van 1860 het Fransch-Engelsche expeditiecorps voor Peking stond, perste China bij verdrag van 14 November van dat jaar den afstand af van de geheele kuststrook Oostelijk van de Ussuri, met een schoone baai nabij de Koreaansche grenzen. Daar werd toen de oorlogshaven Wladiwostok gebouwd.

Rusland's beweging naar het Oosten ging voort; bij verdrag van 7 Mei 1875 met Japan gesloten, stond dit rijk het eiland Sachalin en de Koerillen af. Was het wonder, dat zoowel China als Japan het steeds verder voortdringen van Rusland met bezorgdheid gadesloegen? China was bevreesd voor de inbezitneming van Mantsjoerijë, Japan voor Korea, en beide landen hadden die streken elk voor zich bestemd voor de emigratie van de steeds toenemende bevolking. China's en Japan's bezorgdheid, sloeg over in angst en verontwaardiging toen Rusland, door middel van zijn Transsiberischen spoorweg zich in Mantsjoerijë nestelde, en later zich in Port-Arthur en Talien-Wan vastzette. Eene botsing van Rusland met Japan was onvermijdelijk, wilde Japan Korea niet in handen van de eerstgenoemde mogendheid zien. Het is bekend, dat Japan door den gelukkig gevoerden oorlog aan Rusland heeft kunnen toeroepen: "Halt, tot hier toe en niet verder". Korea kan nu door Japan gebruikt worden voor emigratiedoeleinden. China evenwel heeft het z.g.n. tijdelijk bezette Mantsjoerijë nog niet in haar volle bezit teruggekregen. De Russen hebben de volkeren die zij onderwierpen nooit zoo streng behandeld. De onder Russisch gezag staande Chineezen bleven in het genot van hunne zeden, gewoonten en gebruiken. De overheersching werd niet zwaar gevoeld.

* In 1897 bevonden zich in het Amoer-gebied naast 118.500 Russen een 25-30.000 Chineezen. Door de onlusten na 1900 zijn er vermoedelijk velen uitgeweken, doch het kan geen twijfel lijden, dat in de toekomst eene talrijke emigratie van Chineezen naar het Amoer?gebied zal plaats vinden. (Zie blz. 23).

Indien Rusland te eeniger tijd met Japan in overeenstemming kan komen omtrent de verdeeling van Mantsjoerijë, zal het aantal Chineesche onderdanen van den Czar belangrijk vermeerderen.

De Chineezen onder Japansch gezag.

Eigenlijk Japan en Korea.

* De oorsprong van het Japansche volk ligt in het duister. Balz en Rein, twee der meestbevoegden tot oordeelen in deze zaak, nemen aan, dat Japan bevolkt is door Mongoolsche rassen, die uit Noordelijk China via Korea in Japan zijn geimmigreerd. Hoe dit ook zij, vast staat dat Chineesche reizigers * en handelaren voortdurend Japan en Korea hebben bezocht, en geleidelijk de Chineesche beschaving in Japan invoerden. Doch toen in de jaren 552-621 Chineesche Boeddhistische missionnarissen naar Japan overstaken, en de Japansche bevolking tot het Boeddhisme bekeerden, werden de Chineesche beschaving, zeden en gewoonten algemeen door de bewoners van Japan aangenomen. Ook de regeeringsvorm werd geheel op Chineesche leest geschoeid. Het gezag werd gecentraliseerd en berustte bij den Mikado als souverein; het gezag van dezen "Zoon des Hemels" was absoluut; de ministers waren aan hem verantwoordelijk.

In werkelijkheid had de Mikado, die zijn leven sleet te midden van vrouwen en priesters, niets te zeggen.

Verschillende invloedrijke familiën hadden achtereenvolgens het gezag in handen. In 1185 kreeg Yoritomo, het hoofd van de Minamoto's, van den Mikado den titel van Shogun, welke titel te voren gegeven werd aan de generaals, die tegen de Aino's of tegen de oproerige provinciën gevochten hadden.

Van nu af aan beteekende die titel feitelijk Imperator.

Gedurende de jaren 1190-1867 werd Japan in werkelijkheid door die Shoguns geregeerd, en was de Mikado alleen in naam souverein. Doch van 1205-1333 beteekende de macht van de Shoguns ook weinig; toen berustte het daadwerkelijke gezag bij de z. g. "Regenten" van de Hojofamilie.

Nadat in 1867 het Shogunaat was afgeschaft, werd de Mikado in zijn gezag hersteld. Eenige jaren daarna begon de moderniseering van Japan, welke in korten tijd zulke buitengewone resultaten had.

Met China, waarvan het oude Japan geheel zijn cultuur ontving, ook wat filosofie, godsdienst, wetenschappen, kunsten en letterschrift betreft, zijn de betrekkingen gedurende eeuwen goed geweest. We moeten evenwel melding maken van eene mislukte poging van Kublai Khan, toen deze op den troon van China zetelde, om Japan aan zijn uitgestrekt wereldrijk te hechten. De door Kublai Khan gezonden vloot werd door de "Regenten" verslagen.

* In 1592 zond de Shogun Hideyshi twee legers, elk van 40,000 man sterk, een Christelijk onder Konischi en een Boeddhistisch onder Kato, naar Korea. Zijn bedoeling was om via Korea China binnen te rukken en dat rijk te veroveren. Korea delfde het onderspit, vooral omdat de aanvallers betere wapenen hadden; de Japanners hadden van de Portugeezen het maken van vuurwapenen en buskruit geleerd. Tot eene blijvende bezetting van Korea kwam het niet. De Japansche legers keerden in 1598 naar Japan terug, ook wegens oneenigheid tusschen de beide aanvoerders.

Eerst in 1894 begon Japan weer den strijd met China om Korea. China werd verslagen, moest Liao-tung afstaan en eene zware oorlogschatting betalen, doch door tusschenkomst van Rusland, Frankrijk en Duitschland, was Japan verplicht, in stede van met Liao-tung, zich met Formosa tevreden te stellen.

In 1900 traden tijdens den Boksersopstand de Japansche troepen wederom tegen de Chineezen ten strijde. Na den Russisch-Japanschen oorlog is Japan begonnen Korea geheel aan zich te trekken.

Er is dus reden genoeg voor China om Japan wantrouwend gade te slaan. Bovendien heeft Japan, vooral in de laatste jaren, de Chineesche revolutionnaire partij in het geheim zooveel mogelijk gesteund. Van de in Japan verblijvende Chineezen, ongeveer een 7000-tal *, behooren velen tot degenen, die gekant zijn tegen de huidige Chineesche regeering.

Nog in 1908 bleek het aan China hoe weinig goedgezind Japan haar is. Wij bedoelen het Tatsoe-Maroe-incident. In het Buitenlandsch Overzicht over het jaar 1908 schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant in haar nummer van 5 Januari 1909 daarover als volgt:

Het Japansche stoomschip Tatsoe-Maroe, met een lading wapentuig aan boord, werd door Chineesche kanonneerbooten aangehouden in de wateren bij Macao. Sommigen zeggen, dat die aanhouding geschiedde in volle zee, anderen weer, dat de Tatsoe-Maroe werd genomen in Portugeesche wateren. Hoe dit zij, het schip werd opgebracht en naar een Chineesche haven gesleept. Het vermoeden lag n.l. voor de hand, dat het wapentuig in quaestie bestemd was voor opstandelingen in de zuidelijke provincies van China. Japan stelde een ultimatum, eischte schadevergoeding voor de lading, het tijdverlies, enz., voorts bestraffing der verantwoordelijke Chineesche autoriteiten en de aanbieding van verontschuldigingen door China. De Chineezen waren niet zoo goed, of zij moesten op alle punten toegeven. Japan - van zijn kant - beloofde dat het voortaan strenger dan tot dusver zou waken tegen het smokkelen van wapentuig uit Japan naar Zuid-China. In China werd de vernedering, het Rijk aangedaan door Japan, zeer gevoeld. De verbittering uitte zich in een boycotbeweging tegen Japansche waren en Japansche handelshuizen in China. Vooral te Kanton is de beweging zeer krachtig geweest; zij heeft aan den Japanschen handel veel nadeel toegebracht. Ook te Hongkong is die anti-Japansche boycot-beweging in gang gekomen; hetgeen daar heeft geleid tot krachtige onderdrukkingsmaatregelen van den kant der Britsche autoriteiten.

De in Korea wonende Chineezen, ongeveer 3700 lieden sterk *, worden door de Japanners met weinig egards behandeld.

De Chineezen op Formosa.

De eerste Chineezen op Formosa.

* Formosa werd door de Chineezen ontdekt in het jaar 607 na Chr. Drie jaren later zonden zij er eene militaire expeditie heen. Toen ter tijd was Formosa bewoond door een volksstam van uit de Philippijnen daarheen geimmigreerd. Veel aanrakingen hadden de Chineezen na die expeditie niet meer met Formosa; doch na de komst der Hollanders in de Chineesche wateren werd hun aandacht meer op dat eiland gevestigd.

De Hollanders op Formosa.

* In 1622 verschenen de Hollanders voor Macao met een eskader van 17 schepen, maar werden door de Portugeezen van daar verdreven met verlies van hunnen admiraal en ongeveer driehonderd man. De Hollanders trokken zich terug en vestigden zich in 1624 op de Pescadores-eilanden. De bezetting hiervan was den Spanjaarden en den Chineeschen autoriteiten in Foehkiën een doorn in het oog. De Hollanders begonnen, zooals in die dagen gewoonte was, een fort te bouwen, en dwongen de Chineezen het werk te doen, hen daarbij zeer hard behandelende. Velen der arbeiders waren gevangenen, door de Hollanders in verschillende gevechten gemaakt. De Chineesche autoriteiten drongen er op aan, dat de Hollanders een gezantschap zouden zenden naar China; dientengevolge werd van Mildert naar Amoy afgevaardigd, en de sub-prefect zond dezen door naar den Gouverneur te Fuchow. De Gouverneur besloot een afgezant te zenden naar de Hollanders, en deelde hun mede, dat een vergunning tot handel drijven zou worden verleend, indien zij zich terugtrokken naar Formosa; dit voorstel werd echter afgeslagen. Na herhaalde gevechten, waarbij de Chineezen steeds versterkingen kregen, terwijl de Hollanders daarvan verstoken bleven, namen dezen het voorstel aan en trokken zij zich terug naar Formosa, waar zij het fort Zeelandia in 1624 stichtten. Men verhaalt, dat de Chineezen 5000 man op een der Pescadores-eilanden hadden geland, en het goede resultaat, dat zij tegenover de Hollanders hadden bereikt, gaf hun den naam van dapper te zijn, en verhinderde voorloopig aanvallen van anderen op hun territoir. Het was ongetwijfeld een handig voorstel van de Chineezen geweest om den Hollanders Formosa in ruil voor de Pescadores-eilanden aan te bieden, want zij hadden op eerstgenoemd eiland niet de minste rechten en kenden nauwelijks de grootte en de bewoners er van. De Hollanders trachtten er hun macht te vestigen, wat hun slechts gelukte voor het deel, onmiddellijk om het fort Zeelandia liggende.

Gedurende den strijd na de omverwerping van de Ming-dynastie emigreerden duizenden Chineezen naar Formosa; gedeeltelijk vestigden zij zich onder het Hollandsche gezag, gedeeltelijk vormden zij onafhankelijke kolonies. Door hun vlijt werd het verlaten eiland weldra in een vruchtbare streek veranderd en de produktie van rijst en suiker voor export vermeerderde. De immigratie nam zulke groote afmetingen aan, dat de Hollanders er ongerust over begonnen te worden en maatregelen namen om de landing der immigranten tegen te gaan. Dit verbitterde de Chineezen en deed hen er over denken om de Hollanders van het eiland te verjagen.

De handel der Hollanders met China bleef intusschen zeer gering in vergelijking met dien van hunne concurrenten, de Portugeezen, en toen de Mantsjoes den troon beklommen hadden, besloot de regeering te Batavia om een gezantschap naar Canton te zenden met verzoek handel te mogen drijven. In Januari 1653 werd Schedel daarheen gezonden met een rijkelijk bevracht schip, maar de Portugeezen beletten allen handel, zelfs nadat het gezantschap aanzienlijke sommen aan de Chineesche autoriteiten cadeau had gegeven en van den gouverneur vergunning had verkregen om een factorij te mogen bouwen. Men gaf Schedel evenwel den raad, dat het goed zou zijn, indien de Hollanders een gezantschap zonden naar Peking; derhalve vertrokken als afgevaardigden van de Oost-Indische Compagnie in 1655 Goyer en Keyzer naar Peking. Het resultaat was evenwel nihil. Hunne geschenken werden aangenomen en andere er voor in de plaats gegeven; zij vernederden zich op allerlei wijzen, maakten de "kotow" (het zich voorover ter aarde werpen) voor den Keizer in persoon, voor zijn ledigen troon, voor zijne brieven enz. en bewezen den Chineeschen autoriteiten alle gewenschte eer, doch het eenige resultaat van al die slaafschheid was de vergunning om eens in de 8 jaren een gezantschap te mogen zenden, waarbij tevens vier schepen mochten komen om handel te drijven.

Koxinga verovert Formosa.

Goyer en Keyzer verlieten China in 1657, en kort daarop begon de Chineesche hoofdman Ching Ching-kung (Koshinga, of Koxinga zooals de Portugeezen en in navolging ook de Hollanders hem noemden) een aanval voor te bereiden op Formosa. De Hollanders, dezen aanval voorziende, waren begonnen het fort Zeelandia te versterken; Koxinga, van zijn kant, had de Chineesche bewoners van het eiland met zijn plan in kennis gesteld. Hij zette zijne krijgstoerustingen te Amoy voort, onderwijl handeldrijvende met de Hollanders op Formosa, om hun in den waan te brengen, dat hij een strijd tegen de Mantsjoe's beoogde, totdat de Hollanders, gerustgesteld, den ter hunner hulpe gezonden admiraal met zijne schepen weder hadden doen vertrekken naar Java. In 1661 landde Koxinga met een leger van 25.000 man op Formosa. De Hollanders werden weldra in hun fort Zeelandia belegerd. Ten slotte, ontbloot van alle hulpmiddelen, gaf de Gouverneur Coyett het fort aan Koxinga over, onder beding van vrijen overtocht naar Batavia van het geheele garnizoen. Het beleg had 16 maanden geduurd en was den Hollanders te staan gekomen op een verlies van 1600 man.

Bij aankomst te Batavia werden Coyett en de leden van zijn raad gevangen gezet, hunne goederen verbeurd verklaard en Coyett zelf werd voor levenslang naar Banda verbannen.

"Men kan niet," schrijft Davidson, * "de verrichtingen van den Gouverneur en zijn kleinen troep getrouwe volgelingen te Formosa hebben nagegaan, zonder verontwaardigd te zijn over de door de arrogante Hollandsche autoriteiten te Batavia genomen maatregelen, die zonder twijfel strekken moesten om hun eigen schuld te verbergen. Hadden deze verwaande heeren zich verwaardigd den flinken Coyett te steunen, het eiland Formosa ware wellicht tot den huidigen dag eene Hollandsche bezitting geweest.

Later zag men het onrecht in aan Coyett begaan, en de Prins van Oranje riep hem terug van zijn ballingsoord om in zijn vaderland de rest van zijn leven als vrij man te slijten. Zulks was evenwel eene schamele vergoeding voor de diensten aan zijn land bewezen." *

* Het verlies van Formosa bracht den raad van Batavia er toe om eene expeditie uit te zenden naar Amoy, waar Koxinga nog een garnizoen had. Twaalf schepen werden onder commando gesteld van Bort, die in 1662 voor den mond van de rivier Min aankwam, waar hij een bezoek ontving van afgevaardigden van den Gouverneur, met de uitnoodiging om twee officieren te zenden ter bespreking van de te nemen krijgsoperatiën tegen Amoy. Deze bespreking leidde tot niets en daarop begon Bort zelfstandig een aanval op Amoy, doch zonder resultaat. Hij keerde in 1663 naar Batavia terug, maar werd met een sterkere macht weer naar Foehkiën teruggezonden met opdracht om, zoowel op de Mantsjoes als op de Chineezen, het verlies van Formosa te verhalen. De Gouverneur ontving hem, vriendelijk, en met vereende krachten werd nu Amoy ingenomen en daarmede de onderwerping der geheele provincie aan de Mantsjoe-dynastie voltooid. Als belooning voor zijn hulp, waarvan de waarde moeilijk te schatten is, leende de Gouverneur aan Bort twee jonken om Formosa te hernemen, maar Koxinga lachte om de kleine macht tegen hem uitgezonden en Bort vertrok onverrichter zake naar Batavia.

* Toen Koxinga zich onbetwist heer en meester wist van Formosa, installeerde hij er zich zelf als vorst, en vestigde zijn hof in het fort Zeelandia. De Chineesche wetten, gewoonten en wijze van bestuur werden door hem ingevoerd. De inboorlingen werden door hem zacht behandeld, zoodat zij hem zeer vereerden.

Daar zeer veel vruchtbaar land braak lag, zette hij zijn leger aan den akkerbouw. De immigratie van Chineezen werd op allerlei wijzen bevorderd; de immigranten kregen gratis land en moesten eerst na drie jaren belasting betalen.

Formosa onder het bestuur van China.

Koxinga stierf in 1667 op 39-jarigen leeftijd, en daar zijne opvolgers niet zulke krachtige persoonlijkheden waren, slaagde China erin om in 1683 Formosa weer in bezit te krijgen.

Het eiland werd een prefectuur van de provincie Foehkiën onder den naam van Taiwan. De nieuwe heerschers traden eerst zachtzinnig, doch later zeer hard tegen hunne onderdanen op Formosa op, zoodat herhaaldelijk opstand tegen de Mantsjoe-regeering ontstond.

De mandarijnen persten de nieuw-aangekomen Chineesche immigranten zooveel mogelijk uit, met het gevolg, dat dezen in schuld geraakten, en als slaven bij de mandarijnen in dienst moesten treden.

Toch kwamen er steeds meerdere immigranten uit China, aangelokt door den zeer vruchtbaren bodem. Formosa voerde weldra veel rijst uit naar de Chineesche kustplaatsen en werd die aanvoer door opstand of stormen tijdelijk belemmerd, dan trad dadelijk een nijpend gebrek in die kuststreek van China op.

In de jaren van de 18de en 19de eeuw duurde het Chineesche wanbestuur voort. De Chineesche bevolking vocht herhaaldelijk onder elkander en ook met de oorspronkelijke, Maleische bevolking, die langzamerhand naar de bergen was teruggedrongen.

In 1842, kort na het einde van den Chineesch-Engelschen oorlog, strandden twee Engelschen schepen kort na elkander op de kust van Formosa. De bemanning, voorzoover zij er het leven had afgebracht, werd door de Chineesche autoriteiten gevangen genomen en daarna ter dood gebracht. Deze schandelijke daad wekte ten rechte groote verontwaardiging op, doch een oorlog werd vermeden, doordat China op zich nam de schuldige autoriteiten op Formosa te degradeeren en te verbannen.

Daarna had nog menige plundering van gestrande schepen plaats, totdat ten slotte een Japansch schip in 1871 op de Zuidkust van Formosa strandde en 54 man van de bemanning door de inboorlingen werden vermoord. China draalde met genoegdoening te verstrekken en daarop zond Japan in 1874 eene expeditie naar Formosa, met de bedoeling het eiland voor goed te bezetten. Door het betalen van 500,000 taels wist China nog het dreigende gevaar van inbezitneming door Japan te voorkomen.

Onderwijl waren verscheidene havens op Formosa voor den vreemden handel opengesteld. Het aantal schipbreuken en plunderingen nam voortdurend weer toe. Toch moet men niet alle gerapporteerde gevallen onvoorwaardelijk gelooven; immers, gewetenlooze reeders en gezagvoerders lieten soms meermalen hunne schepen aldaar stranden, in de hoop de verschuldigde assurantie machtig te worden, xxxl van de Chineesche regeering eene vergoeding te erlangen. Formosa had nu eenmaal in dat opzicht eenen slechten naam, en daarvan trachtte men te profiteeren. *

Gedurende de jaren 1884-1885 werd Formosa, naar aanleiding van den oorlog met China, door de Franschen geblokkeerd. Merkwaardiger wijze hebben de Chineezen op Formosa, in hun samentreffen met de Fransche troepen, zich krijgshaftig gedragen, en bij verschillende gelegenheden de Franschen tot een terugtocht gedwongen.

In 1887 werd Formosa van de provincie Foehkiën afgescheiden en tot eene zelfstandige provincie verheven. Tevens kreeg het eiland een afzonderlijken gouverneur.

De Chineesche bevolking had in al die jaren de inheemsche rassen steeds zeer ruw behandeld. Bloedige gevechten waren er voortdurend geleverd en menig offer was aan weerskanten gevallen. Herhaaldelijk werden door de Chineesche autoriteiten strafexpedities tegen die z.g.n. wilden afgezonden, doch het resultaat was zeer gering. De inboorlingen daalden onverwachts van hunne woonplaatsen in de bergen naar de lager gelegen streken af, en overvielen en vermoordden de Chineesche landbouwers, waarna zij dan de afgesneden hoofden der Chineezen medenamen als krijgstrofeeën. Erger nog maakten het de Chineezen. Deze onthoofden niet alleen de in hunne handen gevallen wilden, doch, geloovende kracht en moed te zullen verkrijgen, indien men het vleesch van de wilden opat, sneden zij dikwerf de lichamen der gevallen vijanden in stukken en boden het vleesch dier wilden soms openlijk ter verkoop aan. In 1891 nog werd zulk vleesch evenals varkensvleesch, in manden op de markt van Tokoham gebracht en in het openbaar, ook ten aanschouwd van de Westersche vreemdelingen, verkocht.

Formosa onder Japansch bestuur.

* Ten gevolge van den voor China ongelukkig afloopenden oorlog met Japan, werd, bij de vrede van Shimonoseki in 1895, het eiland Formosa aan Japan afgestaan. De inwoners van Formosa waren met dien afstand in het geheel niet ingenomen en zonden afgevaardigden naar den Keizer te Peking om den afstand niet te doen doorgaan, en toen zulks niet mogelijk bleek, riepen de Chineezen op Formosa de republiek uit. Ongetwijfeld zat China hierachter. Men hoopte, dat als de republiek in staat was de Japanners te weerstaan, Formosa weer bij het Chineesche rijk zou worden toegevoegd. De Japanners hebben tegen de republikeinen nog heel wat moeten vechten. Zij verloren hierbij aan dooden 164, aan gewonden 515 man, doch aan ziekten stierven 4,642 man, terwijl naar Japan werden geëvacueerd 21,748 zieken, en bij het einde van den veldtocht werden nog 5,246 man in de hospitalen op Formosa verpleegd. De Chineezen verloren 6,760 aan dooden, doch dit aantal getelde lijken geeft op lange na niet de groote verliezen weer.

In December 1895 was de republiek vernietigd en Formosa in handen der Japanners. Hierna duurden de kleinere guerilla-gevechten nog langen tijd. Groote rooverbenden maakten de streken buiten de grootere steden onveilig. Het vinden dier roovers was zeer moeielijk. 's Nachts werd b.v. een dorp aangevallen en beroofd, overdag waren de roovers reeds ver gevlogen. Een Japansche troep werd hen achterna gezonden, doch kon niets verdachts ontdekken. De roovers van den nacht werkten vreedzaam op de velden als onschuldige landbouwers. Kon men dan geene berichten krijgen? Zeker, doch hoe dikwijls bleken die niet valsch te zijn! Menig onschuldige Chinees verloor zijn leven door de wraakzucht van zijnen rasgenoot, die, om enkele dollars te verdienen, hem ten onrechte als roover bekend stelde bij de Japansche autoriteiten. De slechte elementen onder de Chineezen brandschatten hunne rijkere landlieden, en wilden deze laatsten niet voldoende afschuiven, dan werden zij als rebellen aangegeven! De Japanners hebben nu dan ook alle vertrouwen in hunne Chineesche spionnen verloren. En zoo duren die ongeregeldheden tot op den huidigen dag voort.

* De bevolking bestaat thans uit ? 114,000 z.g.n. wilden, d. z. de oorspronkelijke bewoners van Maleische origine, die hunne woonplaatsen hebben in de bergstreken, tot eene totale uitgestrektheid van 7,500 vierkante mijlen; nagenoeg de helft van het eiland nemen die lieden dus in beslag. De andere helft wordt geoccupeerd door: *

22,392Japansche mannen1,464,776Chineesche mannen
10,728" vrouwen1,233,069" vrouwen
Totaal33,120inw.2,697,845inw.

Het bestuur is geheel in handen der Japanners; aan de nieuwe onderdanen is nog niet het minste zelfbestuur toegekend. Aan het hoofd staat de Gouverneur-Generaal, direct verantwoordelijk aan den Minister van Binnenlandsche Zaken van Japan.

De Chineezen zijn voor het grootste deel landbouwers, ook beheerschen zij nagenoeg den geheelen handel. Een beroeps-statistiek volgt hierachter:

Beroep.Japanners.Chineezen.Totaal generaal.
Mannen.Aantal hunner vrouwen.Totaal.Mannen.Aantal hunner vrouwen.Totaal.
In staatsdienst5,2146975,9115692858546,765
Onderwijzers en godsdienstleeraars116301463,5832,1675,7505,896
Landbouwers541165735,217635,1411,370,3581,370,423
Bij de nijverheid betrokken2,2552302,485208,425197,607406,032408,517
Handelaren4,4583,5978,055122,91099,422222,332230,387
Visschers---4,9383,8278,7658,765
Werklieden1,2601461,40689,11166,858155,969157,375
Zonder vast beroep1658424940,80048,38189,18189,430
Diverse beroepen3,9122,8326,744162,269156,420318,689325,433

De Chineezen in Siam.

* In de Chineesche kronieken wordt Siam voor het eerst genoemd onder de Tsin-dynastie (303-416 n. Chr.). In latere jaren betaalde Siam schatting aan China en onder de Ming-dynastie werd Siam als een bevriende maar eenigszins ondergeschikte staat beschouwd. Beide rijken hebben bij voortduring goede betrekkingen met elkander onderhouden. Dat zulks ten goede kwam aan de immigratie van Chineezen, kan als van zelf sprekend worden aangenomen. Hoeveel Chineezen in den loop der tijden zijn geimmigreerd, valt niet nauwkeurig te berekenen. Men schat het aantal Chineezen in Siam thans op ongeveer 2.500.000. Daar het ruwe grensgebergte zeer moeielijk te passeeren is, had de immigratie nagenoeg uitsluitend over zee plaats.

* Reeds in 1744 vergunde de Chineesche regeering aan Chineesche reeders om hunne schepen in Siam, waar de kosten geringer waren, te laten bouwen, en ze daarna in China te doen registreeren. Enkele jaren later werd de handel met Siam aangemoedigd door de bepaling, dat gezagvoerders, die van Siam meer dan 2000 pikoel rijst hadden ingevoerd, beloond zouden worden met een mandarijnen-knoop.

Nergens zijn de Chineezen zoo talrijk vertegenwoordigd als wel in Siam. Zij spelen in het maatschappelijke verkeer eene overwegende rol. Bijna de geheele handel is in hunne handen; de landbouw wordt door de inboorlingen gedreven.

Naar invloed op politiek gebied hebben de Chineezen weinig gestreefd, anders zoude Siam vroeger wellicht eene Chineesche kolonie zijn geworden.


Noten.

  1. Zie omtrent deze Chineesche priesters in Amerika een artikel in "Le Monde Moderne 1908."
  2. Zie Gottwaldt, blz. 85-88.
  3. Zie v. Lignitz, blz. 142.
  4. id. blz. 141.
  5. Zie W. P. Groeneveldt, blz. 119.
  6. " " 123 en vgd.
  7. Zie H. Gottwaldt, blz. 78 en vgd.
  8. Zie Ireland: "The far Eastern Tropics", blz. 115-117.
  9. Zie: "Report of the commissioners appointed to enquire into the state of labour in the Straits-Settlements and protected native states." Singapore 1891 blz, 4-8.
  10. Zooals deze gewijzigd is door de Chineesche Immigranten-Ordonnantie No. VIII van 1903.
  11. Dit artikel is in de plaats van het oorspronkelijke gevoegd bij verordening VII van 1870 en trad in werking 22 Augustus 1870.
  12. Zie voor de belasting de Government Gazette of October 4, 1895 p. 1187.
  13. De titel der verordening is: "Ordinance No. 1 of 1882. An Ordinance to amend the law relating to Employers and Labourers under Contracts of Service." [28th. February 1882].
  14. Zie Alleyne Ireland: "The far Eastern Tropics", blz. 37-60.
  15. Zie. Sir Spencer St. John, blz. 247.
  16. Zie Sir Spencer St. John, blz. 257.
  17. Zie The Colonial Office List 1908, blz. 349.
  18. Zie The Colonial Office List 1908, blz. 348.
  19. Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 22.
  20. Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 39-40.
  21. id. blz. 42.
  22. id. blz. 52.
  23. id. blz. 57.
  24. id. blz. 64.
  25. id. blz. 66.
  26. Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 71.
  27. id. blz. 85.
  28. id. blz. 227.
  29. id. blz. 154.
  30. id. blz. 159.
  31. Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 191.
  32. id. blz. 229.
  33. Zie E. de Waal, blz, 229-233.
  34. id. blz. 290.
  35. id. blz. 264.
  36. id. blz. 266.
  37. The Colonial Office List, 1908.
  38. Zie Sir Spencer St. John, blz. 215.
  39. Zie The Colonial Office List for 1908, blz. 219.
  40. Zie The Colonial Office List 1908, blz. 386.
  41. Zie H. Gottwaldt, blz. 76.
  42. Zie Laufer, blz. 251.
  43. id. blz. 257.
  44. Zie Gottwaldt, blz. 69.
  45. Zie Laufer, blz. 265.
  46. Zie Gottwaldt, blz. 69.
  47. Zie Gottwaldt, blz. 69.
  48. Zie Laufer, blz. 273.
  49. Zie A. Zimmermann, blz. 484.
  50. Zie Gottwaldt, blz. 70.
  51. Zie John Foreman: "The Philippine Islands", blz. 117.
  52. Zie John Foreman: "The Philippine Islands", blz. 631-685.
  53. Zie Ireland: "The far Eastern Tropics", blz. 228-234.
  54. Zie A. Ireland: " The far Eastern tropics ", blz. 259, 317-324.
  55. Zie A. Girault: "Principes de colonisation et de législation coloniale", dl. I, blz. 246-254, 303-320, 359-363, 441-?473.
  56. Zie Girault: "Principes de colonisation et de législation coloniale", dl. I blz. 359 en vgd.).
  57. Zie Leroy-Beaulieu: "De la colonisation chez les peuples modernes", dl. II, blz. 202-204.
  58. Zie H. Gottwaldt, blz. 73.
  59. Zie La quinzaine Coloniale, 10 April 1906, blz. 208. Eene beschrijving, hoe onoordeelkundig die identificatie van Chineezen in de praktijk werd toegepast, vindt men in hetzelfde tijdschrift van 25 April 1906, blz. 234-236.
  60. id. 10 November 1906, blz. 647.
  61. La quinzaine Coloniale, 10 December 1906, blz. 715.
  62. id. id. blz. 719.
  63. Ontleend aan de Geographisch-Statistische Tabellen aller Länder der Erde herausgegeben von Prof. Fr. von Juraschek 1908, blz. 19.
  64. Zie von Lignitz, blz. 82 en vgd.
  65. Zie "Land und Leute des Kiautschougebietes", blz. 4.
  66. Von Lignitz geeft als aantal inwoners ruim 60.000 op.
  67. Zie Von Lignitz, blz. 141.
  68. Zie S. Wells Williams, dl. I, blz. 170, dl. II, blz. 378, 428, 430, 634, 662, 715.
  69. Eene andere voorstelling geeft Chester Holcombe. Zie het daaromtrent medegedeelde in Hoofdstuk "China".
  70. Zie Helmolt. Weltgeschichte. Zweiter Band, blz. 169 en vgd.
  71. Von Lignitz, blz. 14-21.
  72. S. Wells Williams, dl. II, blz. 728 en vgd.
    E. H. Parker, blz. 98.
  73. Zie H. Gottwaldt, blz. 88.
  74. Zie B. H. Chamberlain, blz. 401. Het door hem aangehaalde oordeel van Dr. E. Balz is te vinden in het werk van dezen laatste, getiteld: "Die K?rlichen Eigenschaften der Japaner".
  75. Zie B. H. Chamberlain, blz. 231.
  76. Zie v. Lignitz, blz. 16.
  77. Zie H. Gottwaldt, blz. 89.
  78. Von Lignitz, blz. 14-21.
  79. Zie Berthold Laufer, blz. 254.
  80. Zie Wells Williams, dl. II, blz. 433.
  81. Zie Davidson, blz. 46.
  82. Zie voor enkele bijzonderheden van 't beleg van 't fort Zeelandia de achtergevoegde bijlage, getiteld: "Bijvoeghsel" enz.
  83. Zie Wells Williams, dl. II, blz. 437.
  84. J. W. Davidson, blz. 49-256.
  85. Bekend is het geval van een Amerikaansch schip, dat men in 1878 in 't Zuiden van Formosa liet zinken, waarop de gezagvoerder beweerde, dat zijn schip was gestrand en geplunderd. Amerika zond 3 oorlogsschepen met een eisch van schadevergoeding, doch onderwijl bracht een zendeling de ware toedracht der zaak uit. Zie Davidson, blz. 216.
  86. Zie J. W. Davidson, blz. 275-370.
  87. Zie J. W. Davidson, blz. 564.
  88. Id. blz. 598-599.
  89. H. Gottwaldt, blz. 75.
  90. Friedrich Ratzel, blz. 163.