Wanneer wij de geschiedenis van de immigratie der Chineezen sedert den komst der Hollanders in den Indischen Archipel nagaan, dan treft het ons, hoe de regeering er een steeds veranderende houding tegen heeft aangenomen. In de hoofdstukken "De Chineezen op Java en Madoera" en "De Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo" vindt men talrijke voorbeelden van het beurtelings met lof en smaad overladen dezer vreemde Oosterlingen. Hunne immigratie wordt dan eens zeer wenschelijk geacht, dan weer met leede oogen aangezien.
Ook in de latere jaren blijven de meeningen omtrent de immigratie der Chineezen verdeeld.
* Zoo wijdde Baron Nahuys van Burgst in zijne in 1848 bij de Gebrs. Belinfante te 's-Gravenhage uitgegeven "Beschouwingen over Nederlandsch-Indië" ettelijke bladzijden (57 e. v.) aan de uiteenzetting waarom hij voor het Europeesche en tegen het Chineesche landbezit was. Hij zag in den Chineeschen landhuurder een deloyaal concurrent, die zich van alle geoorloofde en niet geoorloofde middelen bedient om voordeelen uit zijn bezit te trekken, die de daarbij gewonnen schatten naar China brengt, terwijl "het landbezit der Nederlanders die brengt in den schoot van het vaderland". Hij vreesde ook bij een inval van een buitenlandschen vijand, dat de Chineezen zich zouden laten omkoopen om dezen te helpen en hij eindigt met een delendam esse over het Chineesche landbezit uit te roepen (blz. 67). Onder de geestverwanten van later tijd wordt de gouverneur-generaal Myer genoemd, die als minister in 1856 eene "gepeperde" redevoering hield over de practijken der Chineezen in verband met de verminderde welvaart van Indië, en op dat tijdstip herhaalde, wat de gouverneur-generaal Van Overstraten zestig jaren te voren zeide, n.m.l. dat de Chineezen de bloedzuigers der Javanen zijn.
Een der gezaghebbende schrijvers over koloniale vraagstukken, Mr. Margadant, is hevig gekant tegen de immigratie der Chineezen. Dit blijkt uit hetgeen hij hierover zegt, nl.:
* "Zeer belangrijk voor Ned.-Indië is het vraagstuk der toelating van Chineezen binnen het koloniaal gebied; en bij de behandeling dezer kwestie moet men, sprekende van Chineezen in Ned.-Indië, dezen onderscheiden in Chineezen, kortelings uit China gekomen en Chineezen, die sedert eeuwen behooren tot de gevestigde bevolking aldaar, zich hebben vermengd met de inheemsche bevolking; van deze vallen twee groepen op te merken: de naarstige sobere Chineezen, en de andere groep, die zich de aanbidding van het gouden kalf tot eenig doel stelde. Deze laatste groep is een kanker geworden.
Door de regeling van 1866 met hare latere aanvullingen werd het toestroomen mogelijk van de meest abjecte elementen uit het onmetelijke Chineesche rijk. Het uitschot emigreert naar Ned.-Indië, waar het een land vindt, dat het, wat nergens het geval is, * met open armen ontvangt. Hier vinden zij eene bevolking, die eene welkome prooi belooft voor hun fortuin zoeken. Het is zoo noodig om van die emigranten een aanzienlijk hoofdgeld te eischen bij toelating, een hoog zegelrecht voor de toelatingskaart, een zeer hoog recht voor de acte van vestiging, die hen tot ingezetene maakt, zoolang men niet zijn toevlucht wil of durft nemen tot den meer afdoenden maatregel van een verbod van toelating, dat wellicht aanvankelijk eenig gekrijsch zou veroorzaken, edoch zonder eenig gevolg, want hoe luide ook Chineesch geschreeuw klinkt, laffer volk bestaat niet ter wereld, en het kloek optreden van één Europeaan doet eene groote menigte uiteenstuiven in laf hartigheid en angst. * Thans vormt die immigratie van Chineezen eene zeer flottante bevolking, die in Ned.-Indi렫omt stroopen en op alle wijzen geld zoekt te vergaren, om dan weer terug te keeren naar haar land en aan anderen den weg te wijzen, hoe men het kortst tot dat doel kan geraken. Men moge eindelijk de oogen openen voor het gevaar dat eene regeling als de tegenwoordige bij de toelating dier vreemdelingen voortdurend oplevert."
Over deze materie laat zich Mr. D. Fock, de latere minister van Koloniën, als volgt uit: * "Ik wil een oogenblik stilstaan bij eene aangelegenheid, die in meerder opzichten ten nauwste verband houdt met de economische toestanden op Java. Namelijk: de herziening der regelingen betreffende de toelating, vestiging en beweging der Oostersche vreemdelingen.
Er zijn genoeg aanwijzingen, waaruit kan worden opgemaakt, dat de vreemde Oosterlingen dikwijls een pernicieuzen invloed in de binnenlanden uitoefenen. Dit is reeds zoo vaak betoogd en met bewijzen gestaafd, dat ik daaromtrent niet in bijzonderheden behoef te treden. Meer dan ooit is het vraagstuk thans van actueel belang, nu maatregelen tot verheffing van den economischen toestand worden beraamd, waarvan sommige door de vreemde Oosterlingen met leede oogen zullen worden aangezien. Ik wijs op de regeling van het landbouwcrediet. Ik acht het boven twijfel verheven, dat de Regeering bij hare pogingen tot vestiging van een billijk landbouwcrediet en bestrijding van den woeker, in den Chinees en den Arabier een geduchten tegenstander zal ontmoeten, te meer nu door de afschaffing der belangrijkste pachten aan Chineesche zijde kapitalen zijn vrijgekomen, welke de bezitters natuurlijk zullen trachten op winstgevende wijze te plaatsen.
Het middel om den schadelijken invloed der Vreemde Oosterlingen op de inlandsche huishouding te fnuiken, of althans zooveel mogelijk te keeren, ligt mijns inziens in eene verscherping der voorschriften op hunne toelating in de binnenlanden, zoowel wat hunne vrijheid van beweging als hunne vaste vestiging aangaat.
Het zou mij te ver voeren, indien ik hier een omstandig betoog wilde leveren met betrekking tot deze moeilijke kwestie. Ik volsta dus met de aandacht er voor te vragen en den raad te geven om te onderzoeken in hoever het passenstelsel en de wijken-ordonnantie (Ind. Stbld. 1866 No. 57) nadere herziening behoeven.
Doch ook de regelingen op de toelating en vestiging van de aankomende Oostersche Vreemdelingen moeten aan een nauwgezet onderzoek worden onderworpen. De bestaande bepalingen (Ind. Stbld. No. 40) en de sedert daarin aangebrachte wijzigingen zijn te slap en, als ik mij niet bedrieg, in hare uitvoering veelal gebrekkig.
Een nauwkeuriger onderzoek naar den persoon en de voornemens van den aankomenden vreemdeling is noodig; eene verscherping van de voorwaarden voor zijne toelating noodzakelijk.
Voor zoover de Chineezen aangaat, schijnt mij een scherper controle zoo goed uitvoerbaar, omdat wij in onze Ambtenaren voor Chineesche Zaken zulke uitnemende krachten bezitten voor het toezicht op de immigratie. Er wordt, mijns inziens, van hunne bekwaamheden veel te weinig partij getrokken. Vergis ik mij niet, dan zullen die ambtenaren zelven mij dit moeten toegeven.
Het is niet mogelijk in enkele woorden uiteen te zetten, hoe de regeling zou moeten zijn. Om de gedachten te bepalen, vermeld ik slechts, dat ik mij eene regeling in dien zin voorstel, dat de aankomende Chineezen geleid worden voor den Ambtenaar van Chineesche Zaken, die hen een verhoor doet ondergaan en daarna advies over de toelating moet uitbrengen, of wel de bevoegdheid zal hebben zelf eene beslissing te nemen. Ik vermoed, dat met eene dergelijke regeling geene blijvende verhooging van uitgaven gemoeid zal zijn, en geloof stellig dat, al mogen er kosten aan verbonden zijn, het bedrag toch laag zal blijven.
Maar hoe dit ook zij, de zaak is belangrijk genoeg om haar in ernstige overweging te nemen, en ik meen haar dus, in aansluiting aan mijne verdere voorstellen, met nadruk ter overweging te moeten voordragen."
We kunnen met het bovenstaande volstaan om in het licht te stellen, dat tot zelfs in den laatsten tijd, er nog eene strooming bestaat tegen de Chineezen. Ook vele artikelen in de dagbladen getuigen van dien anti-Chineezen geest, hoewel niet ontkend kan worden, dat er meer en meer stemmen opgaan ten gunste van de Chineezen.
Van meer belang is het om te weten, hoe de regeering zich tegenover hen gedraagt.
De tegenwoordige houding der regeering in zake toelating der Chineezen wordt beheerscht door art. 105 R. R. in verband met art. 106 R. R. en de daaruit voortgevloeide ordonnantiën.
Artikel 105 van het Regeeringsreglement van 1854 luidt:
Met uitzondering van de personen van 's Rijkswege naar Nederlandsch-Indië gezonden, mag niemand zich van elders aldaar vestigen zonder schriftelijke vergunning, op Java en Madura, van den Gouverneur-Generaal, elders, van den hoogsten gewestelijken gezaghebber.
De voorwaarden der toelating van Nederlanders en vreemdelingen worden bij algemeene verordening geregeld.
Aan Nederlanders, welke de bovenvermelde vergunning verkregen hebben, kan niet dan in het geval en op de wijze, bij art. 45 vermeld, het verblijf in Nederlandsch-Indië worden ontzegd.
In verband met artikel 105 bepaalt artikel 106 van het Regeeringsreglement:
Ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die op den voet, bij het vorig artikel bepaald, hun verblijf binnen Nederlandsch-Indië gevestigd hebben.
Naar aanleiding van al. 2 van art. 105 R. R. werden de voorwaarden der toelating van de Oostersche vreemdelingen geregeld bij Stbld. 1866 No. 561 die in 1872 bij Stbld. No. 40 in overeenstemming werden gebracht met de nieuwe voorschriften omtrent de toelating van Europeanen en met hen gelijkgestelden, gegeven in Stbld. 1872 No. 38.
Na de sedert plaats gehad hebbende wijzigingen luiden de bepalingen der in Stbld. 1872 No. 40 afgekondigde ordonnantie van den Gouverneur-Generaal van 12 Maart 1872, houdende bepalingen op de toelating in Nederlandsch-Indië van Oostersche vreemdelingen of met Inlanders gelijkgestelde personen, niet behoorende tot de ingezetenen van den Nederlandsch-Indischen archipel, aldus:
Art. 1. Oostersche vreemdelingen zijn verplicht binnen drie dagen na hunne aankomst in Nederlandsch-Indië zich bij het hoofd van plaatselijk bestuur aan te melden en te doen blijken wie zij zijn en van waar en met welk doel zij in Nederlandsch-Indi렫omen.
Nadat zij hieraan hebben voldaan, wordt hun een toelatingskaart uitgereikt, geldig voor den tijd van zes maanden, welke termijn evenwel, op daartoe gedaan verzoek, kan worden verlengd.
Verzuim van aangifte binnen den termijn van drie dagen wordt gestraft met eene boete van f 5.- voor elken dag verzuim, met dien verstande echter, dat het bedrag niet hooger mag klimmen dan tot f 100.-.
Art. 2. Deze toelatingskaarten geven het recht om zich gedurende den daarin bepaalden tijd op te houden in de voor den algemeenen handel geopende havens, alsmede op de plaatsen of in de streken, na opgave door de betrokkenen op de toelatingskaart te vermelden.
Plaatsen in de residentiën Soerakarta en Djokjakarta mogen niet in de toelatingskaart worden vermeld *.
De voorschriften der ordonnantie van 6 Juni 1866, Stbl. No. 57 zijn op bedoelde personen van toepassing.
Wanneer de toegelaten persoon op andere plaatsen of in andere streken wordt aangetroffen dan waar het verblijf hem is toegestaan, wordt de toelatingskaart door het hoofd van gewestelijk bestuur ingetrokken.
Art. 2a. * Het voorschrift in artikel 1, tweede alinea, lijdt uitzondering ten aanzien van hen, die in eenig gewest, waar ter regeling van de onderlinge rechten en verplichtingen der werkgevers en der van elders afkomstige werklieden op ondernemingen van land- of mijnbouw of nijverheid, bijzondere bepalingen zijn vastgesteld, ten behoeve van een zoodanige onderneming als werklieden zijn aangebracht. Voor hen geldt de met den eigenaar of administrateur gesloten overeenkomst als toelating op de onderneming voor den tijd, gedurende welken de overeenkomst wordt nageleefd.
Gedurende dien tijd is ook artikel 4 op de bedoelde werklieden niet van toepassing.
Art. 2b. De in artikel 1 vermelde personen kunnen in bijzondere omstandigheden voor een bepaalden tijd vergunning bekomen tot reizen, hetzij in geheel Nederlandsch-Indië, hetzij in een of meer bijzonder aangeduide gedeelten van Nederlandsch-Indië
De vergunning wordt gevraagd aan den Gouverneur-Generaal. Het verzoek wordt ingediend door tusschenkomst van het hoofd van gewest, waar de reiziger is aangekomen of voorloopig verblijf houdt.
Aan de vergunning kunnen zoodanige voorwaarden of beperkingen (wat de te bereizen streken betreft) verbonden worden, als in het belang der orde en rust en in het belang der veiligheid van den betrokken persoon oodig worden geacht.
Wanneer een reiziger, ingevolge een verkregen vergunning tot reizen, in eenig gewest buiten Java en Madoera aankomt, geeft hij daarvan terstond kennis aan het hoofd van gewestelijk bestuur, dat hiervan door een visa op de vergunning doet blijken.
De Gouverneur-Generaal kan de door Hem verleendevergunning intrekken. Die intrekking heeft altijd plaats, wanneer een reiziger de voorwaarden of beperkingen, aan de vergunning verbonden overtreedt, of zonder de in de vorige alinea bedoelde kennisgeving reist.
Een verleende vergunning kan tijdens het verblijf van den betrokken persoon in een gewest buiten Java en Madoera door het hoofd van gewestelijk bestuur geschorst worden, voor zooveel dat gewest betreft, wanneer dit in het belang der orde en rust of in het belang der veiligheid van dein reiziger noodig wordt geacht.
In afwachting van de nadere bevelen van den Gouverneur-Generaal, die aanstonds door hem gevraagd worden, wijst het hoofd van gewestelijk bestuur den reiziger, voor het geval dat deze het gewest niet wenscht te verlaten, en voorloopige verblijfplaats aan, en bepaald gedeelte van het gewest, dat hij zal mogen bezoeken.
Op de in dit artikel bedoelde reizigers zijn de vigeerende bepalingen op het passenstelsel voor Inlanders en met dezen gelijkgestelde personen niet van toepassing.
Art.3. De schriftelijke vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië, te verleenen op Java en Madoera door den Gouverneur-Generaal, elders door den hoogsten gewestelijken gezaghebber, wordt door den belanghebbende aangevraagd door tusschenkomst van het hoofd van het gewest, of van het hoofd van bestuur der afdeeling, waar binnen de plaats gelegen is, waar hij is aangekomen of voorloopig verblijf houdt.
De verzoeker moet doen blijken genoegzame middelen van bestaan te bezitten, of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen.
Bij weigering der gevraagde vergunning tot vestiging of inwoning, geeft de hoogste gewestelijke gezaghebber van die weigering aan den Gouverneur-Generaal, deze laatste aan den Minister van Koloniën kennis.
Art. 4. Die, geen ingezeten van Nederlandsch-Indië zijnde, zonder toelatingskaart, of na den daarbij bepaalden termijn in Nederlandsch-Indië wordt aangetroffen en niet reeds eene zoodanige kaart of eene vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië heeft aangevraagd, alsmede hij, wien de vergunning tot vestiging of inwoning is geweigerd, of wiens toelatingskaart is ingetrokken, wordt door het hoofd van gewestelijk bestuur mondeling gelast, Nederlandsch-Indië te verlaten binnen een telkens bij den last tot vertrek te bepalen termijn. Na verloop van dien termijn wordt hij door de openbare macht, op een met redenen omkleed bevel van het hoofd van gewestelijk bestuur, op de minst kostbare wijze uit Nederlandsch-Indië verwijderd.
Hij is aansprakelijk voor de kosten der verwijdering.
Het bevel tot verwijdering wordt in afschrift aan den Directeur van Justitie * medegedeeld.
Oostersche Vreemdelingen, die in de termen vallen van de eerste zinsnede van de eerste alinea van dit artikel en afkomstig zijn van een niet door de zee van ons gebied gescheiden grensgebied eener vreemde mogendheid, kunnen, wanneer zij door overschrijding van de landgrens ons gebied hebben betreden, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, op last van het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur zonder vorm van proces worden aangehouden, en over de grenzen gebracht, tenzij het vermoeden bestaat dat zij zich in het vreemde gebied aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. *
Art. 5. Tot de uitvaardiging van het bevel van verwijdering, bedoeld in de tweede zinsnede van het eerste lid van het vorige artikel *, wordt niet overgegaan, dan nadat de betrokkene in zijne verdediging is gehoord, of daartoe mondeling opgeroepen.
Gedurende een maand te rekenen van den dag, waarop de betrokken persoon daarvan in kennis is gesteld, is van dat bevel, door tusschenkomst van het hoofd van gewestelijk bestuur, beroep toegelaten op den Gouverneur-Generaal.
Door het aanteekenen van beroep wordt de uitvoering van het bevel geschorst totdat de Gouverneur-Generaal daarover hebbe beslist.
Art. 6. Die vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië hebben verkregen, mogen zich vestigen op alle plaatsen, waar wijken zijn aangewezen voor den landaard, waartoe zij behooren, op den voet der ordonnantie van 6 Juni 1866, Stbl. No. 57.
De residentiën Soerakarta en Djokjakarta zijn hiervan uitgezonderd, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk verklaard wordt, dat zij ook voor die residentiën of eene daarvan geldt *.
Art. 7. (Ingetrokken bij Stbl. 1890, No. 187).
Art. 8. De bepalingen dezer verordening zijn niet van toepassing op Oostersche vreemdelingen, die ingevolge de tractaten op den voet der meest begunstigde natie in Nederlandsch-Indië worden toegelaten.
Op deze personen zijn van toepassing de bepalingen, vervat in het Koninklijk besluit van 15 September 1871, No. 1, Stbl. 1872, No. 38 *.
Wij teekenen hierbij aan, dat Stbl. 1875, No. 59 de residentie Oostkust van Sumatra uitzondert van de werking dezer ordonnantie, terwijl zij tevens voor dat gewest bijzondere voorschriften vaststelt tegen misleiding en dwang bij het aangaan en tenuitvoerleggen van huurovereenkomsten met Oostersche vreemdelingen, welke voorschriften gewijzigd zijn bij Stbl. 1875, No. 168. Ingevolge Stbl. 1892, No. 32 zijn de bepalingen van Stbl. 1872, No. 40 en volgende wijzigingen in de residentie Riouw en onderhoorigheden alleen van toepassing op het gedeelte der residentie, dat aan den vasten wal van Sumatra gelegen is.
Voor den aanvoer van Chineesche mijnwerkers op Banka voor de gouvernements-exploitatie aldaar geldt het Banka-?reglement.
Het bleek der regeering vrij spoedig, dat de bij de ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. No. 40 vastgestelde bepalingen op de toelating in Nederlandsch-Indië van Oostersche vreemdelingen en de voor de verschillende gewesten vigeerende bepalingen omtrent de reispassen niet overal stipt worden nagekomen. Zij heeft het daarom noodig geacht, bij circulaire van 6 Augustus 1877 aan de hoofden van Gewestelijk bestuur op Java en Madoera, die voorschriften in herinnering te brengen en tevens eenige wenken te geven, op de toepassing betrekking hebbende:
a. Er moet streng worden toegezien, waartoe de hoofden der Oostersche vreemdelingen Vreemde Oosterlingen op hunne verantwoordelijkheid behooren mede te werken, dat Oostersche vreemdelingen bij aankomst in Nederlandsch-Indië zich tijdigbij het hoofd van plaatselijk bestuur, ter erlanging van eene toelatingskaart , aanmelden.
b. Er moet nauwlettend voor worden gewaakt dat die personen zich nergens anders ophouden dan in de voor den algemeenen handel geopende havens, of op de plaatsen of in de streken op de toelatingskaart vermeld.
c. Stbl. 1872, No. 40 laat geene bevoegdheid om aan Oostersche vreemdelingen, dat zijn zoodanige vreemde Oosterlingen, die geen ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn, te vergunnen het binnenland te bereizen, zelfs niet, wanneer zij voorzien zijn van een toelatingskaart.
d. Aan laatstbedoelde personen mogen mitsdien geene reispassen worden afgegeven, en ten hunnen aanzien behoort zoo noodig, art. 4 van Stbl. 1872, No. 40 te worden toegepast.
Het hierboven onder c en d bepaalde kan als vervallen worden beschouwd door Stbl. 18961 No. 161, (zie art. 2b Stbl. 1872, No. 40 op blz. 132).
e. Wat eindelijk de reispassen betreft, het in de betrekkelijke reglementen ten aanzien van sommige categoriën van personen gemaakte voorbehoud, dat die passen geweigerd kunnen worden, wanneer het belang der openbare rust het tijdelijk verblijf van den aanvrager in de binnenlanden of op eenige bijzondere plaats onraadzaam maakt, moet er toe leiden, om aan bedoelde personen die passen slechts uit te reiken in het geval, dat zij ter goeder naam en faam bekend staan; behoorende er wijders op te worden gelet dat zij, zooals bepaald is bij Stbl. 1875, No. 103 zonder eene bijzondere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, op den pas bekend gesteld, zich gedurende het tijdvak, waarvoor de pas geldig is, niet langer dan een maand in het geheel in dezelfde afdeeling ophouden. (Bijblad No. 3218).
Dezelfde circulaire is gericht aan de hoofden van gewestelijk bestuur buiten Java en Madoera, met uitzondering van den slotzin, welke alleen betrekking heeft op genoemde eilanden. (Bijblad No. 3219).
Het was der regeering gebleken, dat ook na de afzending der circulaire van 6 Augustus 1877, zich in Nederlandsch-Indië Oostersche vreemdelingen hebben gevestigd, zonder in het bezit te zijn van de vereischte akte van inwoning of toelatingskaart. Bij Gouvernementscirculaire van 15 Mei 1879 is mitsdien bij de hoofden van gewestelijk bestuur op en buiten Java, met uitzondering van den resident der Oostkust van Sumatra en van den gouverneur van Atjeh en onderhoorigheden, nader met ernst aangedrongen op eene stipte naleving van de bepalingen omtrent de toelating van bedoelde vreemdelingen in Nederlandsch-Indië en van de wenken in de circulaire van 6 Augustus 1877 gegeven. (Bijblad No. 3458).
Aan Chineezen moet bij aankomst in Indië eene gedrukte herinnering uitgereikt worden, waarbij zij opmerkzaam worden gemaakt op de voorschriften aangaande de toelating in Nederlandsch-Indië (Bijblad No. 4140).
Alleen zij, die nalatig zijn geweest eene toelatingskaart te vragen na daartoe te zijn aangemaand, moeten worden vervolgd voor de overtredingen vervat in Stbld. 1872 No. 40 (Bijblad No. 4534). Deze circulaire werd later te ver gaande geacht, en daarom werd bepaald, dat in die circulaire had moeten worden medegedeeld, dat vervolging achterwege kan blijven ten opzichte van hen, die inderdaad geacht kunnen worden onbekend te zijn gebleven met de betrekkelijke voorschriften. (Bijblad No. 5250).
In Bijblad No. 4701 is opgenomen de circulaire van den 1sten Gouvernements-Secretaris van der Wijck, gedagteekend Buitenzorg, 9 Juni 1891, No. 1316, gericht aan de hoofden van gewestelijk bestuur, waarbij dezen werden aangeschreven, geen borgstelling te vorderen van vreemdelingen, die in Nederlandsch-Indië wenschen te worden toegelaten. Zulks was, in strijd met de bepalingen vervat in Stbl. 1872, No. 40 en 41, in enkele residentiën op Java geschied bij de toelating van vreemde Oosterlingen.
In Bijblad 6700 is opgenomen de circulaire van den 1den Gouvernement-Secretaris, dd. 22 Maart 1907, No. 782, gericht aan de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur in Nederlandsch-Indië
Die circulaire luidt:
Door den Consul der Nederlanden voor Japan te Kobe is, in overleg met zijn ambtgenoot van China aldaar, voor te goeder naam en faam bekend staande, in Japan woonachtige Chineezen, die zich naar Nederlandsch-Indië wenschen te begeven, de gelegenheid opengesteld tot bekoming van een identiteitsbewijs, hetwelk, volgens mededeeling van den heer van Oordt van Lauwenrecht, zal zijn ingericht op de volgende wijze.
In den linkerbovenhoek is op het stuk het portret van den houder geplakt; het stempel van het Chineesche consulaat is half op het bovenste gedeelte van dat portret, half op het papier afgedrukt, het stempel van het consulaat der Nederlanden half op het onderste gedeelte van het portret, half mede op het papier.
Het stuk bevat eene in het Chineesch of Engelsch gestelde verklaring van den Chineeschen Consul nopens de identiteit van den houder en het doel van diens komst in deze gewesten, en daaronder van den Consul der Nederlanden, dat de verklaring inderdaad van den Chineeschen Consul afkomstig is, gevolgd door een vertaling van die verklaring in het Nederlandsch.
Onder mededeeling van het vorenstaande heb ik de eer, op last van den Gouverneur-Generaal, UH.Ed.G./UW.Ed.G. te verzoeken om Chineezen, die in het bezit van een dergelijk identiteitsbewijs zich bij U aanmelden, met de meeste welwillendheid te bejegenen en hun geenerlei moeilijkheden in den weg te leggen.
In het algemeen is het de wensch van Zijne Excellentie, dat elders woonachtige voorname Chineezen, die Nederlandsch-Indi렢ezoeken, met voorkomendheid worden behandeld en gewezen op de bestaande gelegenheid (Stbl. 1896 No. 161) om van den Landvoogd vergunning te bekomen tot reizen, hetzij in geheel Nederlandsch-Indië, hetzij in een of meer bijzonder aangeduide gedeelten daarvan.
De 1ste Gonvernements-Secretaris,
HULSHOFF POL.
Ter uitvoering der in Stbl. 1872, No. 40 opgenomen ordonnantie werd bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 12 Maart 18721 No. 6, opgenomen in Stbl. 1872, No. 11 eene instructie vastgesteld voor de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur in de havens voor den algemeenen handel opengesteld, welke instructie bij Stbl. 1873, No. 167 uitgebreid is voor de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur in alle de havens van Nederlandsch-Indië
De instructie luidt nu aldus:
Art. 1. De hoofden van plaatselijk bestuur in alle de havens van Nederlandsch-Indië, houden een register aan overeenkomstig model A, waarin aanteekening wordt gehouden van de aanmelding, waartoe Oostersche vreemdelingen krachtens art. 1 der ordonnantie van 12 Maart 1872 Stbl. No. 40 verplicht zijn, met bekendstelling of de daarbij bedoelde toelatingskaart is uitgereikt, geweigerd, verlengd of ingetrokken, en e. q. met vermelding van de plaatsen of streken, tot welke de toelating buiten de voor den algemeenen handel geopende havens is uitgestrekt.
Art. 2. Ingetrokken bij Stbl. 1905 No. 363.
Art. 3. Ingetrokken bij Stbl. 1905 No. 363.
Art. 4. De uit te reiken toelatingskaart is ingericht overeenkomstig het model B.
In geval van verlenging wordt geene nieuwe kaart uitgereikt maar de verlenging onder de dagteekening, waarop zij verleend wordt, in het register opgenomen, en daarvan met dagteekening en onderteekening op de uitgegereikte toelatingskaart aanteekening gehouden.
In geval van intrekking der toelatingskaart, wordt daarvan in het register in zelfder voege als van de inschrijving volledig aanteekening gehouden.
Art. 5. In geval het hoofd van plaatselijk bestuur vermeent, dat bij de aanmelding van een persoon niet voldoende blijkt wie hij is, van waar en met welk doel hij komt, geeft hij van zijne bevinding bericht aan het hoofd van gewestelijk bestuur, die omtrent de al of niet toelating in het algemeen of omtrent de toelating op plaatsen en in streken buiten de voor den algemeenen handel geopende havens beslist.
Indien de toelatingskaart wordt geweigerd, wordt onverwijld overgegaan tot de toepassing van het voorgeschrevene bij de artt. 4 en 5 der ordonnantie van 12 Maart 1872 Stbl. No. 40.
Art. 6. Het bevel tot verwijdering, bedoeld bij art. 4 der ordonnantie, wordt ingericht overeenkomstig het model C.
Art. 7. Het verzoekschrift, waarbij naar aanleiding van art. 5 der ordonnantie beroep wordt gedaan op den Gouverneur-?Generaal, wordt door tusschenkomst van den directeur van justitie met den meesten spoed opgezonden, voorzien van consideratiën en advies.
Art. 8. In geval de betrokkene niet zelf in de kosten zijner verwijdering voorziet, wordt hij bij de eerste gunstige gelegenheid als passagier der laagste klasse aan boord van een vaartuig geplaatst, bestemd om hem naar de een of andere nabij gelegene haven buiten Nederlandsch-Indië over te brengen.
Art. 9. De schriftelijke vergunning van een hoofd van gewestelijk bestuur buiten Java en Madoera tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië, bedoeld bij art. 3 der ordonnantie, is ingericht overeenkomstig model D.
Register van aangekomen Oostersche vreemdelingen in Nederlandsch-Indië, aangehouden krachtens Gouvernements-besluit van den 12den Maart 1872, No. 6, ter voldoening aan de ordonnantie dd. 12 Maart 1872, Stbl. No. 40.
| Datum der inschrijving. | . . . | |
| Namen voluit. | ||
| Geboren te. | ||
| Ouderdom. | ||
| Beroep, titel of stand. | ||
| Laatste woonplaats. | ||
| Datum van aankomst. | ||
| Naam van het schip. | ||
| Naam des gezagsvoerders. | ||
| Met welk doel in Nederlandsch-Indië gekomen. | ||
| Toelatingskaart. | Verleend | |
| Verlengd | ||
| Ingetrokken. | ||
| Geweigerd. | ||
| Bedrag der verbeurde boete. | ||
| Aanmerkingen. | ||
Aan N. N., geboren te _____, oud _____ jaren, van beroep _____, laatst gewoond hebbende te _____ en op den _____ aangekomen te _____, met het schip _____, gezagvoerder _____, met het doel _____, wordt vergund op den voet der ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. No. 40, voor den tijd van zes maanden zich op te houden in de voor den algemeenen handel geopende havens, alsmede _____.
De (titel van het hoofd van gewestelijk bestuur);
overwegende, dat (met aanduiding van den persoon, vermelden de redenen, welke aanleiding geven tot het bevel van verwijdering);
overwegende, dat N. N. behoorlijk is opgeroepen geworden te worden gehoord;
beveelt N. N. voornoemd zich uit Nederlandsch-Indië te verwijderen.
_____, den _____ 19__.
De (titel van het hoofd van gewestelijk bestuur),
(Naamteekening)
De (titel van den hoogsten gewestelijken gezaghebber buiten Java en Madoera);
gelezen hebbende het verzoek van N. N., geboren te _____, oud _____ jaren, van beroep _____, laatstelijk gewoond hebbende te _____ en in Nederlandsch-Indië aangekomen den _____ 19__ met het schip _____, gezagvoerder _____;
overwegende, dat de verzoeker/verzoekster heeft doen blijken genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheden te kunnen verkrijgen,
verleent aan N. N. voornoemd vergunning om op den voet der ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. No. 40, zich in Nederlandsch-Indië te vestigen.
Gegeven den _____ 19__.
De (titel van den hoogsten gewestelijke gezaghebber),
(Naamteekening)
In Stbl. 18921 No. 138 is bepaald, dat met handhaving in zoover van art. 1 der ordonnantie van den 16den Februari 1875, Stbl. No. 59, nopens de toelating en vestiging van Chineezen in de residentie Oostkust van Sumatra de volgende artikelen zullen gelden:
Art. 1. Chineezen, niet in het bezit zijnde van eene schriftelijke vergunning tot vestiging in Nederlandsch-Indië, die in de residentie Oostkust van Sumatra vertoeven * op een plaats waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zijn verplicht binnen drie dagen na hunne aankomst zich bij dat hoofd aan te melden en te doen blijken wie zij zijn, vanwaar en met welk doel zij komen, en dat zij genoegzame middelen bezitten of door werkzaamheid kunnen verkrijgen om in hun levensonderhoud te voorzien.
Verzuim van aangifte binnen den termijn van drie dagen wordt gestraft met een geldboete van een tot vijf en twintig gulden.
Art. 2. Wordt met de verstrekte opgaven genoegen genomen, dan reikt het hoofd aan den betrokkene een toelatingskaart uit, geldig tot hare intrekking of hare vervanging door een schriftelijke vergunning tot vestiging.
Wanneer het hoofd bezwaar heeft met de verstrekte opgaven genoegen te nemen, dan wordt door het hoofd van plaatselijk bestuur beslist.
De toelatingskaart geeft het recht om zich op te houden in het geheele gewest dan wel slechts in die plaatsen welke op de toelatingskaart zijn vermeld.
De toegelaten persoon is verplicht op elke plaats, waar hij verblijf houdt en waar een hoofd zijner natie gevestigd is, zich bij dat hoofd aan te melden, binnen den termijn en op straffe als bij art. 1 gesteld.
Art. 3. De toelatingskaart kan door het hoofd van gewestelijk bestuur worden ingetrokken, als de houder wordt aangetroffen op eene andere plaats dan op de toelatingskaart is vermeld, of om andere redenen.
Art. 4. Chineezen, aan wie een toelatingskaart is geweigerd, wier toelatingskaart is ingetrokken of die, na gestraft te zijn ingevolge art. 1 dezer ordonnantie, verblijf houden op eene plaats, waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zonder in het bezit te zijn van een toelatingskaart, worden wanneer zij niet zelf in de kosten hunner verwijdering kunnen voorzien, van bestuurswege op de minst kostbare wijze uit het gewest verwijderd.
Art. 5. De bepalingen der vier voorgaande artikelen zijn niet toepasselijk op werklieden, ten behoeve van ondernemingen van land- en mijnbouw en nijverheid als bedoeld in de ordonnantie van 13 Juli 1889 en 24 December 1891, Stbl. 1839 No. 138 en 1891 No. 264, aangebracht. Voor hen geldt de met den eigenaar of administrateur der onderneming gesloten overeenkomst als toelating voor den tijd gedurende welken de overeenkomst wordt nageleefd.
Art. 6. Aan Chineezen, die in de residentie Oostkust van Sumatra verblijf houden, wordt, op hun verzoek, door het hoofd van gewestelijk bestuur op den voet der vigeerende bepalingen op de toelating van Oostersche vreemdelingen in Nederlandsch-Indië een schriftelijke vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië verleend wanneer gebleken is, dat de verzoeker genoegzame middelen van bestaan bezit of door werkzaamheid kan verkrijgen en dat geen grond, ontleend aan het algemeen belang, zich tegen het verleenen der vergunning verzet.
Bij weigering der gevraagde vergunning kan het hoofd van gewestelijk bestuur de toelatingskaart al dan niet intrekken.
Art. 7. Chineezen, die bij de inwerkingtreding dezer ordonnantie reeds gevestigd zijn op eene plaats, waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zijn gehouden, binnen een maand zich aan te melden op de in art. 1 bedoelde wijze, op straffe als bij dat artikel gesteld.
Zooals we reeds zagen (blz. 131), worden Oostersche vreemdelingen door hun verblijf binnen Nederlandsch-Indië te vestigen, ingezetenen van Nederlandsch-Indië. Wanneer heeft nu de Oostersche vreemdeling zijn verblijf in Nederlandsch-Indië gevestigd?
Hieromtrent geeft Bijblad No. 4702 eenige inlichtingen. In dat Bijblad is opgenomen de circulaire van den 1sten Gouvernements-Secretaris Sweerts, gedagteekend Buitenzorg 25 October 18891 No. 2484, gericht aan de Hoofden van Gewestelijk Bestuur, waarbij te kennen werd gegeven, dat voor het ingezetenschap van Nederlandsch-Indië vestiging daar te lande een vereischte is.
"Artikel 106 van het Regeeringsreglement," zoo luidt die circulaire, "noemt ingezetenen de personen, die hun verblijf binnen Nederlandsch?Indië gevestigd hebben. Die vestiging moet geschied zijn op den voet, bij artikel 105 bepaald; dat wil zeggen: aan die vestiging moet eene vergunning zijn voorafgegaan. Opdat men ingezetene worde is de vergunning op zich zelve dus niet voldoende: zij moet door vestiging gevolgd zijn. In overeenstemming daarmede is ook artikel 4 der Algemeene Bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch-Indië
Of iemand geacht kan worden ergens gevestigd te zijn, is eene quaestie van feitelijken aard, welke voor elk bijzonder geval, naar gelang der omstandigheden, moet worden beantwoord, en derhalve het best ter plaatse beoordeeld kan worden.
Uit het vorenstaande volgt niet alleen dat men, om ingezetene van Nederlandsch-Indië te worden, na verkregen vergunning, zich in Nederlandsch-Indië gevestigd moet hebben, maar ook dat die vestiging moet voortduren opdat men ingezetene blijve. Uit den aard der zaak moet dit niet aldus worden opgevat dat men, door tijdelijk Nederlandsch-Indië te verlaten, zijn ingezetenschap zoude verliezen; maar wel is dat het geval met iemand, die ophoudt hier te lande zijn domicilie te hebben. Deze zienswijze komt overeen met de door het Hoog-gerechtshof van Nederlandsch-Indië gegeven beslissing: dat een Chinees, die vergunning verkregen heeft tot vestiging in Nederlandsch-Indië, en na een jaar naar China terugkeert, niet als ingezetene van Nederlandsch-Indi렫an worden beschouwd. (Vgl. Mr. J. H. Abendanon, Ned. Indische Rechtspraak, blz. 247)."
Voor de Chineezen, in Nederlandsch-Indië gevestigd, zijn al van ouds bijzondere bepalingen gegeven.
Artikel 96 van het Regeerings-Reglement van 1818 luidde:
"Chinezen, Mooren, Arabieren en andere vreemden, niet tot de Europeërs behoorende, welke zich in eene der plaatsen van Nederlandsch-Indië vestigen, worden, zooveel mogelijk, onder hoofden van hunne natiën gesteld, alles naar luid der verordeningen, daaromtrent gemaakt of nog te maken."
Dit artikel ging nagenoeg ongewijzigd over in de Reg. Regl. van 1827 (art. 96), van 1830 (art. 94), en van 1836 (art. 81). Van eene verplichting tot het wonen in wijken was toen dus in het Reg. Regl. zelf geen sprake. Toch bestond die verplichting al van ouds her. Bij resolutie van den Gouverneur-Generaal ad interim in rade van 12 Augustus 1835 No. 1 opgenomen in Stbl. 18351 NI. 37, werd die verplichting herhaald. Bedoeld Stbl. luidt:
"Aan de plaatselijke autoriteiten op Java wordt te kennen gegeven, dat hier en daar eene neiging is bespeurd, om de op Java aanwezige vreemde Oosterlingen zooals Maleiers, Boegineezen, Chineezen, enz. te amalgameeren onder de Javaansche bevolking; de Regeering acht dit ondoelmatig en verlangt integendeel, dat de aloude gewoonte, om dusdanige vreemdelingen in afzonderlijke wijken of buurten onder een hoofd van hun eigen landaard te doen wonen, in stand worde gehouden, en dat zij mitsdien, bij voorkomende gelegenheden, in dezen zin zullen hebben te handelen, zonder eenige afwijking."
Toen de Chineezen daarop te streng werden geweerd, werd bij besluit van den Minister van Staat, Gouverneur-Generaal, van 29 Augustus 1846, No. 7 (Stbl. 1846, No. 24), omtrent de toelating van Chineezen en andere vreemde Oosterlingen in de binnenlanden van Java den plaatselijken autoriteiten van Java aangeschreven:
"om Chineezen en andere vreemde Oosterlingen niet algemeen te beletten om zich in de binnenlanden van Java te vestigen, op zoodanige plaatsen, waar nog geene afzonderlijke wijken voor hen bestaan, maar slechts te zorgen, dat zij zich afzonderlijk vestigen in daartoe door het bestuur aan te wijzen buurten op de hoofdplaatsen der residentiën, der hoofdafdeelingen of regentschappen en der enkele mindere afdeelingen of districten, welke voor den handel doeltreffend gelegen zijn en alwaar voor den sluikhandel de toelating ter woon van Chineezen en andere vreemde Oosterlingen niet bedenkelijk is.
Zullende nochtans voor de landerijen welke aan particulieren toebehooren ten deze opzichte uitzonderingen moeten worden toegelaten."
De verplichting tot het wonen in wijken werd opgenomen in het Reg. Regl. van 1854 en wel in art. 73, welk artikel zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd werd *.
Het artikel werd opgenomen mede na het betoog van den heer Rochussen, dat aan de uitbreiding en vestiging der Chineezen zekere perken moesten worden ingesteld *, doch ook de regeering had in de memorie van 15 Juli 1854 zich minder gunstig over de Chineezen uitgelaten *.
Dit nu nog geldende artikel luidt:
"Vreemde Oosterlingen, in Nederlandsch-Indië gevestigd, worden zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd, onder de leiding van hunne eigene hoofden.
De Gouverneur-Generaal zorgt dat die hoofden van de vereischte voorschriften worden voorzien."
Al spoedig, in 1858, werd der regeering de vraag gedaan of Europeanen in de buurten, voor vreemde Oosterlingen aangewezen, mogen wonen. Bij Gouvernements-missive van 18 Jan. 1859 (Bijblad No. 634) is daarop te kennen gegeven:
"Deze vraag heeft reeds vroeger bij de regeering een punt van overweging uitgemaakt en is, met het oog op Stbl. 1835 No. 37 in ontkennenden zin beantwoord. De bestemming van de wijken of buurten der vreemde Oosterlingen is, dat alléén deze aldaar wonen zullen, en wel elke landaard afzonderlijk in de voor denzelven bestemde wijk; brengende de aangehaalde bepaling echter niet mede, dat niemand anders dan vreemde Oosterlingen in hunne buurten eigenaars van den grond of de perceelen kunnen zijn."
Aan deze missive is niet de hand gehouden. In de Chineesche wijken vindt men thans ook Europeanen en inlanders wonen; vele kantoren van Europeanen zijn aldaar gevestigd. Trouwens, bij de eerste aanwijzing van Chineesche wijken op de verschillende plaatsen werden dikwerf reeds door andere landaarden bewoonde plekken grond daarvoor aangewezen, terwijl na de aanwijzing die bewoners er bleven wonen.
De bepalingen dier ordonnantie zijn:
Art. 1. (Na de wijziging bij Stbl. 1871 No. 145.) De Gouverneur-Generaal wijst de plaatsen aan, waar hij wijken van Oostersche vreemdelingen noodig acht.
De aanwijzing der wijken zelve geschiedt door de hoofden van gewestelijk bestuur.
Art. 2. Voor vreemde Oosterlingen is de vestiging in de voor hunnen landaard bestemde wijken verplichtend.
Voor vestiging buiten de wijken op de plaatsen bij art. 1 bedoeld, wordt vereischt eene nadere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, die, bij weigering daarvan, kennis geeft aan het hoofd van gewestelijk bestuur.
Art. 3. In het belang van landbouw en nijverheid of van 's lands pachten en openbare werken zijn de hoofden van gewestelijk bestuur bevoegd aan vreemde Oosterlingen te vergunnen zich op plaatsen, waar hun geene wijken aangewezen zijn tot wederopzeggens toe neder te zetten, (het 2de lid is ingetrokken bij Stbl. 1885 No. 131).
Art. 4. De vreemde Oosterlingen, die op het tijdstip van de uitvaardiging dezer verordering buiten de voor hen bestemde wijken, in dessa's, op dessagronden, op particuliere landerijen of wel op andere plaatsen zijn gevestigd, blijven aldaar toegelaten.
Deze toelating geldt tevens voor hunne afstammelingen of rechtverkrijgenden bij versterf.
Art. 5. Het hoofd van gewestelijk bestuur is niet bevoegd aan vreemde Oosterlingen, die op grond van art. 2, 2de lid vergunning verkregen hebben, of krachtens art. 4 dezer verordening bevoegd zijn, zich buiten de voor hen bestemde wijken te vestigen, te gelasten hun verblijf derwaarts over te brengen.
Art. 6. Vreemde Oosterlingen, die zich in strijd met deze verordening vestigen buiten de voor hunnen landaard aangewezen wijken, verbeuren eene boete van f 25 tot f 100. Zij zijn verplicht, op eerste aanzegging, hunne woonplaats naar een dier wijken over te brengen, en kunnen des noods door de openbare macht daartoe worden gedwongen.
Ik merk hierbij op, dat volgens bijblad No. 6055 vergunningen aan vreemde Oosterlingen om zich te vestigen op plaatsen, waar hun geen wijken zijn aangewezen, niet mogen worden verleend in het belang van den handel; immers naar de meening van den Gouverneur-Generaal kan onder den term "nijverheid" voorkomende in de bepaling van art. 3 van Stbl. 1866 No. 57 het drijven van handel niet worden begrepen.
Van belang is ook de inhoud van bijblad No. 6312. De resident van Kediri had aan drie Chineezen, die sinds lange jaren gewoond hadden op plaatsen, waar geene wijken voor personen van hunnen landaard zijn aangewezen, bevel gegeven om te verhuizen naar eene plaats waar wel eene wijk voor hen bestond; doch na een rekest te hebben ingediend aan den Gouverneur-Generaal mochten die Chineezen daar blijven wonen. Bedoeld bijblad vermeldt verder:
"De Gouverneur-Generaal acht in gevallen als deze, waar de betrokkenen 20 en meer jaren ongemoeid zijn gelaten, eene strenge toepassing dier bepalingen niet wel te verdedigen.
In het ontwerp eener nieuwe wijkenordonnantie, welke naar de Gouverneur-Generaal hoopt, spoedig zal kunnen worden vastgesteld is dan ook een voorschrift opgenomen, waardoor dergelijke langdurige vestigingen zullen worden gewettigd, zoodat zijne Excellentie wenscht, dat in elk geval met het terugzenden naar de voor hen aangewezen wijken van Chineezen, die gedurende meerdere jaren als rustige ingezetenen in de dessa's hebben gewoond, zal worden gewacht totdat de nieuwe wijkenordonnantie zal zijn tot stand gekomen."
Bij Gouvernements-missive, dd. 20 April 1906, No. 1125, gericht aan de hoofden van gewestelijk bestuur, is te kennen gegeven als volgt (Bijblad No. 4698):
"Naar den Gouverneur-Generaal is gebleken, bestaat in sommige gewesten het gebruik, dat Chineezen of andere vreemde Oosterlingen, die van de eene voor hun landaard aangewezen wijk naar de andere wenschen te verhuizen, daartoe vergunning moeten vragen aan het hoofd van plaatselijk bestuur.
Aangezien deze formaliteit op geen enkele wettelijke bepaling berust en slechts tot nuttelooze correspondentie aanleiding geeft, heb ik de eer, op last van den Gouverneur-Generaal, UH.Ed.G. te verzoeken aan bedoeld gebruik, voor zoover het ook in het door u beheerd gewest toepassing vindt, een einde te willen maken."
(Was onderteekend door den 1sten Gouvernements-Secretaris).
Bij Stbl. 1863, No. 83 werden voor Java en Madoera de bepalingen herzien omtrent het passenstelsel voor de inlanders en daarmede gelijkgestelden.
Voor de Chineezen zijn van belang de volgende artikelen:
Art. 3. Personen, die met inlanders zijn gelijkgesteld, en inlanders, die niet op Java en Madoera te huis behooren, moeten voor reizen zoo te land over Java en Madoera als over zee, voorzien zijn van een pas, kosteloos af te geven door of namens het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur, volgens het aan deze ordonnantie gehecht model lett. B.
Deze passen zijn geldig voor een jaar.
Zij worden in het belang van handel en nijverheid of ter bereiking van een ander geoorloofd doel verleend en kunnen worden geweigerd, wanneer het belang der openbare rust het tijdelijk verblijf van den aanvrager in de binnenlanden of op eenige bijzondere plaats onraadzaam maakt.
(De 4de alinea luidt na wijziging bij Stbl. 1875 No. 103, nader gewijzigd bij Stbl. 1892 No. 220 aldus:)
De personen, hier bedoeld, mogen zonder eene bijzondere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, op den pas bekend gesteld, zich gedurende het tijdvak, waarvoor de pas geldig is, niet langer dan een maand in het geheel in dezelfde afdeeling ophouden; en zulks op straffe eenen geldboete van f 10,- kunnende zij zoo noodig met den sterken arm gedwongen worden de afdeeling te verlaten.
Zij moeten hunne passen ter viseering aanbieden aan het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur op de hoofdplaatsen van gewesten en afdeelingen, welke zij op hunne reis doortrekken, zoomede aan het districtshoofd op de hoofdplaatsen der districten, waar zij zich langer dan 24 uren ophouden.
Deze bepaling is mede van toepassing op de personen, in dit artikel bedoeld, voor het oponthoud op tusschenplaatsen gedurende eene zeereis.
(Bij Stbl. 1886 No. 56 is hierbij gevoegd:)
Bij reizen per spoor of tram of op eene postkar behoeft de pas niet ter viseering te worden aangeboden op plaatsen, waar de reiziger zich niet langer dan 24 uren ophoudt.
Art. 4. Wanneer iemand wordt aangehouden, omdat hij niet van den noodigen pas is voorzien of omdat de pas verjaard is, wordt hij onverminderd het bepaalde bij de publicatie van 12 Febr. 1850 Stbl. No. 6 opgezonden aan het hoofd van het plaatselijk of gewestelijk bestuur der plaats, waar de aanhouding geschiedt, dat onmiddellijk een onderzoek omtrent hem instelt.
Zoo daartegen geene bezwaren bestaan, reikt dat hoofd aan den aangehoudene een pas uit tot voortzetting der reis.
In het tegenovergestelde geval wordt de aangehoudene teruggevoerd naar de plaats waar hij, blijkens zijn verjaarden pas, of bij gemis van pas, volgens zijne verklaring te huis behoort. (Bij Stbl. 1904 No. 378 zijn achter art. 4 de volgende bepalingen gevoegd:)
Art. 4a. Personen, met inlanders gelijkgesteld, die ingezetenen zijn van Nederlandsch-Indië, zoomede buiten Java en Madoera gevestigde inlanders, te goeder naam en faam bekend staande, kunnen van het hoofd van het gewest hunner inwoning eene schriftelijke vergunning bekomen om op Java en Madoera - zonder voor elke reis van een pas te zijn voorzien - zich per spoor of tram te begeven naar aan de spoor of tramlijn gelegen hoofdplaatsen van gewesten, afdeelingen en districten in een of meer in die vergunning aangeduide residentiën, Soerakarta en Djokjakarta uitgezonderd.
Deze vergunningen, welke te allen tijde kunnen worden ingetrokken, worden uiterlijk voor den tijd van een jaar verleend.
De intrekking der vergunningen, hetzij geheel of gedeeltelijk, geschiedt, ook wanneer zij voor meer dan een gewest gelden, door de autoriteit, die haar heeft verleend. Bij verschil van meening tusschen de betrokken hoofden van gewestelijk bestuur omtrent de wenschelijkheid van die intrekking, beslist de Gouverneur-Generaal.
In afwachting van hare intrekking kan eene verleende vergunning door een hoofd van gewestelijk bestuur, voor zooveel zijn gewest betreft, worden geschorst.
Art. 4b. De strafbepaling, vervat in de ordonnantie van 28 Mei 1874 Stbl. No. 140 is van toepassing in de gevallen, dat wordt gebruik gemaakt van eene ten behoeve van een ander persoon verleende schriftelijke vergunning, als in het vorig artikel bedoeld *.
Art. 5. (Vervallen door Stbl. 1870 No. 80 en Stbl. 1871 No. 130.)
Art. 6. (Bijgevoegd bij Stbl. 1870 No. 88, kan als vervallen worden beschouwd, volgens de bedoeling, doch niet volgens de letter van Stbl. 1892 No. 220. Dit artikel luidde of luidt dan:)
Zij, die vervallen in de boete, bepaald bij de publicatie van 12 Februari 1850, Stbl. No. 6, worden bij wanbetaling gestraft met gevangenis, acht dagen niet te bovengaande.
Art. 7. (Bijgevoegd bij Stbl. 1870 No. 88, gewijzigd bij Stbl. 1892, No. 220.) Bij verzuim van den pas ingevolge de betrekkelijke voorschriften vervat in art. 1 en 3, ter viseering aan te bieden wordt de schuldige gestraft met eene geldboete van f 10.
In bijblad No. 6416 is opgenomen een telegram van den Gouvernements-Secretaris dd. 11 Januari 1906 No. 31. De inhoud van bedoeld bijblad is:
"In een geval, dat een Chinees, die in het bezit was van eene toelatingskaart en zich bevond op eene plaats in het binnenland op die toelatingskaart vermeld, zijne reis wilde voortzetten naar eene plaats, niet op die kaart vermeld, is door de Regeering beslist, dat het bestuur op eerstbedoelde plaats de toelatingskaart kan aanvullen met de plaats waarheen de Chinees zich verder wilde begeven en hem daarheen een pas kon worden uitgereikt."
Stbl. 1908 No. 208 geeft te kennen, dat in afwachting eener algeheele herziening van het passenstelsel alvast wordt bepaald:
"Op de door de Regeering aangestelde hoofden van vreemde Oosterlingen, zoowel zij, die in werkelijken dienst zijn, als zij, die met een titulairen rang bekleed zijn, op hen, die als Chineesche of Inlandsche leden aan de Weeskamer te Batavia dan wel aan een der Wees- en Boedelkamers in Nederlandsch-Indië zijn verbonden, alsmede op de eervol uit 's lands dienst ontslagenen, dan wel eervol van hunne functiën ontheven titularissen als bovenbedoeld, zijn niet toepasselijk de op het stuk van reizen voor vreemde Oosterlingen uitgevaardigde en nog uit te vaardigen beperkende bepalingen."
In Stbl. 1891 No. 214 is afgekondigd de ordonnantie van den Gouverneur-Generaal van 2 October 1891 luidende aldus:
Art. 1. De hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur mogen geene reispassen verleenen aan Chineezen voor de residentiën Soerakarta en Djokjakaxta, zonder vooraf daarop het gevoelen van de residenten van gemelde residentiën te hebben ingewonnen, en in geval deze daartegen zwarigheid maken mogen zoodanige reispassen niet worden afgegeven dan krachtens uitdrukkelijke machtiging van den Gouverneur-Generaal.
Chineezen, ingezetenen van Nederlandsch-Indië, die in een der residentiën Soerakarta en Djokjakarta worden aangetroffen zonder in het bezit te wezen van een geldingen reispas, en zonder in dat gewest gevestigd te zijn, worden gestraft met eene geldboete van zes en twintig tot zestig gulden, of met ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van dertien tot twintig dagen. Daarna worden zij uit het gewest verwijderd.
Art. 2. a. en b. betreffen aanvullingen van de ordonnantie van 12 Maart 1872 Stbl. No. 40. Zie aldaar bij de noten.
Voor de gewesten in de Buitenbezittingen zijn ook voor het reizen der Oostersche vreemdelingen bepalingen gegeven, die in hoofdzaken met elkander overeenkomen, en alle geschoeid zijn naar de voor Java en Madoera gegeven voorschriften.
Wij hebben in de bovenstaande bladzijden gegeven de thans geldende bepalingen omtrent de toelating, vestiging en het reizen der Chineezen in Nederlandsch-Indië
Uit de hieronder volgende, uit de Koloniale Verslagen geputte cijfers, blijkt, dat Nederlands-Indië nagenoeg onbeperkt openstaat voor Chineezen. Ook blijkt, dat het aantal Chineezen, aan wie eene akte van vestiging wordt verleend, zeer gering is.
| Jaar. | Batavia. | Semarung. | Soerabaja. | Elders. | Totaal. | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | |
| 1897 | 2528 | - | 317 | - | 1090 | 248 | 181 | - | 4126 | 248 |
| 1898 | 2416 | - | 444 | 6 | 1212 | 105 | 241 | - | 4313 | 111 |
| 1899 | 2742 | - | 369 | - | 752 | 171 | 203 | - | 4066 | 171 |
| 1900 | 2996 | - | 376 | - | 837 | 35 | 168 | 5 | 4377 | 40 |
| 1901 | 1626 | - | 246 | - | 534 | 163 | 99 | - | 2505 | 163 |
| 1902 | 1702 | - | 295 | - | 346 | 152 | 78 | 3 | 2421 | 155 |
| 1903 | 2566 | - | 323 | - | 1579 | 33 | 87 | 1 | 4555 | 34 |
| 1904 | 2850 | - | 243 | - | 1639 | 15 | 77 | - | 4809 | 15 |
| 1905 | 1397 | - | 774 | - | 1154 | 3 | 106 | - | 3431 | 3 |
| 1906 | 1218 | - | 738 | - | 1157 | 3 | - | - | - | - |
| Jaar. | Batavia. | Semarung. | Soerabaja. | Elders. | Totaal. | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | |
| 1897 | 206 | - | 7 | - | 249 | - | 320 | 1 | 782 | 1 |
| 1898 | 444 | - | 129 | 1 | 86 | - | 151 | 4 | 810 | 5 |
| 1899 | 673 | - | 32 | - | 62 | 68 | 317 | - | 1084 | 68 |
| 1900 | 391 | - | 27 | - | 111 | 66 | 313 | - | 842 | 66 |
| 1901 | 368 | - | 86 | 1 | 35 | - | 477 | 50 | 952 | 51 |
| 1902 | 43 | - | 3 | - | 65 | - | 580 | 2 | 691 | 2 |
| 1903 | 21 | - | 105 | - | 413 | - | 259 | - | 798 | - |
| 1904 | 114 | - | 118 | 2 | 177 | - | 325 | 2 | 734 | 4 |
| 1905 | 269 | - | 41 | - | 138 | - | 209 | 3 | 657 | 3 |
| 1906 | 45 | - | 55 | - | 125 | - | 85 | 1 | 310 | 1 |
| Jaar. | Westerafdeeling van Borneo. | Oostkust van Sumatra. | Banka. | Biliton. | Riouw en onderhoorigheden. | Elders. | Totaal. | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | |
| 1897 | 802 | - | 13836 | - | 175 | - | 589 | - | 280 | - | 2114 | 5 | 17806 | 5 |
| 1898 | 885 | - | 8361 | - | 400 | - | 316 | - | 503 | - | 2511 | - | 12976 | - |
| 1899 | 1569 | - | 8805 | 2 | 284 | - | 439 | - | 1254 | - | 2272 | 2 | 14623 | 4 |
| 1900 | 1184 | - | 11755 | 238 | 273 | - | 352 | - | 540 | - | 2644 | - | 16748 | 238 |
| 1901 | 1360 | - | 12926 | 127 | 347 | - | 369 | - | 262 | - | 2219 | 2 | 17483 | 129 |
| 1902 | 1566 | 1 | 15000 | 81 | 450 | - | 471 | 1 | 1052 | - | 5477 | 5 | 24016 | 88 |
| 1903 | 2826 | - | 12876 | 6 | 976 | - | 536 | - | 1236 | - | 3299 | - | 21749 | 6 |
| 1904 | 2265 | - | 15358 | 53 | 824 | - | 379 | - | 763 | - | 4847 | - | 24436 | 53 |
| 1905 | 2325 | - | 13551 | 31 | 2248 | - | 513 | - | 359 | - | 4317 | 31 | 23313 | 31 |
| 1906 | 2205 | - | 12165 | 54 | 693 | - | 501 | - | 587 | - | 4236 a) | 54 | 20387 | 54 |
| Jaar. | Westerafdeeling van Borneo. | Oostkust van Sumatra. | Banka. | Biliton. | Riouw en onderhoorigheden. | Elders. | Totaal. | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | Toegestaan. | Geweigerd. | |
| 1897 | 25 | - | - | - | 89 | - | - | - | 1 | - | 551 | 9 | 666 | 10 |
| 1898 | - | - | - | - | 103 | - | - | - | - | - | 1106 | 4 | 1209 * | 4 |
| 1899 | 6 | - | - | - | 141 | - | - | - | 7 | - | 499 | 13 | 653 | 13 |
| 1900 | 18 | - | 650 | - | 122 | - | - | - | 11 | - | 801 | 24 | 1319 | 24 |
| 1901 | 24 | 13 | - | - | 83 | - | - | - | - | - | 375 | 22 | 482 | 35 |
| 1902 | 25 | - | - | - | 20 | - | - | - | - | - | 595 | 137 | 640 | 137 |
| 1903 | 23 | - | - | - | 1 | - | - | - | - | - | 434 | 11 | 458 * | 11 |
| 1904 | 53 | - | - | - | 1 | - | - | - | - | - | 446 | 49 | 500 * | 49 |
| 1905 | 45 | 15 | - | - | - | - | - | - | 9 | - | 294 | 44 | 348 | 59 |
| 1906 | 15 | 2 | - | - | 9 | 2 | - | - | 1 | - | 307 | 17 | 332 * | 23 |
| Jaar. | Batavia. | Semarung. | Soerabaja. | Elders. | Totaal. |
|---|---|---|---|---|---|
| 1897 | 42 | 27 | 233 | 47 | 399 |
| 1898 | 31 | 57 | 347 | 12 | 447 |
| 1899 | 10 | 46 | 203 | 5 | 264 |
| 1900 | 18 | 72 | 145 | 4 | 239 |
| 1901 | 3 | 37 | 215 | 4 | 259 |
| 1902 | 4 | 21 | 41 | 25 | 91 |
| 1903 | 11 | 18 | 37 | 6 | 72 |
| 1904 | 64 | 2 | 62 | 5 | 133 |
| 1905 | 29 | 6 | 48 | - | 83 |
| 1906 | 31 | 29 | 43 | 2 | 96 |
Toelichting. Eene verklaring waarom Soerabaja hier het hoogste aantal cijfers behaalt, vindt men in de inhoud van de brochure van een oud-ambtenaar B. B., hierachter verkort opgenomen.
| Jaar. | Uit de residenties. | Totaal. |
|---|---|---|
| 1897 | Biliton 5, Bali en Lombok 2. | 7 |
| 1898 | Banka 7. | 7 |
| 1899 | Sumatra's Westk. 18, Palembang 40, Biliton 11. | 69 |
| 1900 | Palembang 121, Oostkust van Sumatra 43. | 164 |
| 1901 | Sumatra's Westkust | 4 |
| 1902 | Nihil. | - |
| 1903 | " | - |
| 1904 | " | - |
| 1905 | " | - |
| 1906 | Oostk. van Sumatra 30, Westerafd. van Borneo 7, Amboina 5 | 42 |
In een brochure, gedrukt bij Matzen Sand en Co. te Soerabaja in 1893 getiteld: "Een woord over en voor de Chineezen, in verband met de bepalingen op hunne toelating in Nederlandsch-Indië (Staatsblad 1872 No. 40) door een oud-ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur," wordt er reeds op gewezen, dat de ordonnantie er zich niet over uit laat op welke wijze de V. 0. moet doen blijken wie hij is. (art 1) Dit geeft in de practijk aanleiding dat verscheidene bestuurshoofden de ordonnantie verschillend interpreteeren. Zoo wees die oud-bestuursambtenaar erop, dat vooral te Soerabaja men er streng de hand aan hield, dat de nieuw-aangekomenen zich legitimeerden door vertoon van een pas. Velen konden dat niet doen, en werden dus afgewezen. Bovendien eischte het toenmalige hoofd van plaatselijk bestuur, dat de nieuw ?aangekomenen al dadelijk een beroep, ambacht of emplooi bij de hand hadden, terwijl de ordonnantie hiervan bij het aanvragen der toelatingskaart niet spreekt, maar eerst bij de aanvraag der schriftelijke vergunning tot vestiging. Ook was het zeer ongemotiveerd, dat het bestuur te Soerabaja aan hen, die een toelatingskaart verkregen hadden, weigerde een pas af te geven voor plaatsen buiten Soerabaja, hoewel de ordonnantie in artikel 2 duidelijk zegt, dat de voor 6 maanden toegelatene zich mag vestigen op alle voor den algemeenen. handel opengestelde havens, en ook op andere plaatsen of streken door hen op te geven.
Wat was nu het resultaat van die enge interpretatie, die streed met de bedoelingen van den wetgever? Dat zij, die toegelaten waren, binnen Soerabaja waren opgesloten en bleven; het weinige, dat zij uit hun land hadden medegenomen, werd spoedig verteerd, zij konden geen emplooi vinden, pleegden kleine vergrijpen, kwamen voor de politierol, en werden als vagebonden de koloniën uitgezet. De schrijver der brochure weet dit aan het plaatselijk bestuur te Soerabaja, dat aan alle toegelatenen de vrije beweging belet had, en hen de mogelijkheid ontnomen had, om buiten Soerabaja werk te vinden.