* De betrekkingen tusschen China en Java zijn al zeer oud. Wij weten uit Chineesche annalen dat de Chineesche pelgrim Fa-Hien na de heilige plaatsen in Indië en op Ceilon bezocht te hebben, den terugweg nam over zee, en op Java, door hem Ya-va-di genoemd, schipbreuk leed in 414 n. Chr. Fa-Hien trof op Java nog geen Chineezen aan *. Hij geeft de eerste berichten over de aanwezigheid van Hindoe's op Java. Van dat tijdstip af schijnt Java bij de Chineesche regeering bekend te zijn geworden en er werden diplomatieke en commercieele betrekkingen met sommige landstreken op Java onderhouden.
In een bericht van het jaar 435 heet die streek Dja-va-da; omstreeks 515 heet deze Langga-soe, of Langga. In de annalen der T'ang-dynastie (618-906) heet het rijk, welks bewoners handel dreven op China, of wier regeering gezanten zond, Kaling, met de beteekenisvolle mededeeling op een andere plaats, dat Kaling ook genoemd wordt Djava. Waarschijnlijk noemden de Chineezen het rijk Kaling, op het feit lettende, dat bewoners van Kalinga (Noord-oostkust van Voor-Indië) er het gezag in handen hadden.
Tijdens de Soeng-dynastie, die in 960 in China den troon beklom, moet de handel van China op Java zeer belangrijk zijn geweest. De Chineesche kooplieden, die op Java kwamen, werden als gasten geherbergd in een openbaar gebouw, en kregen daar zindelijk en overvloedig eten en drinken. De Maradja (Maharadja) zond in 992 een gezantschap naar China, zooals velen zijner voorgangers hadden gedaan. In 1129 gaf de Keizer van China aan den vorst van Java hooge titels *.
In het eind der dertiende eeuw bestonden in het stroomgebied der Brantasrivier een tweetal Hindoe-Javaansche rijkjes, in het Noorden Toemapel en in het Zuiden, in het Kedirische, Daha. In 1292 zond de Chineesche regeering eene groote expeditie naar Toemapel. Toen het Chineesche leger op Java landde, was aan het bestaan van Toemapel reeds een einde gemaakt door Adji Katang, vorst van Kalang of Daha. De Chineesche bevelhebbers lieten zich verleiden het binnenland in te trekken om de macht van Daha te vernietigen. Op den terugweg werden zij aangevallen door een legerhoofd van het vroegere Toemapel, die een gedeelte van de krijgsmacht van laatstgenoemd rijkje had weten te sparen. De Chineezen waren toen genoodzaakt zich aan boord hunner schepen te begeven, waarmede de expeditie eindigde, die eigenlijk haar reden van bestaan had verloren, toen Toemapel niet meer bestond.
De Chineesche geschiedboeken geven vele bijzonderheden omtrent die expeditie van 1292. De aanleiding tot dezen tocht was de volgende:
* Toen de beroemde Mongolenvorst Koeblai Khan in 1280 het Hemelsche rijk had veroverd, volgde hij de gewoonte der Chineesche vorsten door aan de omliggende staten kennis te geven van de troonsbestijging. De Javanen, die zooveel eeuwen in goede verstandhouding met China geweest waren, mishandelden thans den gezant. Het duurde eenigen tijd eer Koeblai Khan de gelegenheid gunstig zag om hen hiervoor te straffen. Marco Polo schrijft, dat de Groote Khan geen kans zag het eiland in bezit te nemen door den grooten afstand en de kosten van de expeditie. Maar niet lang na het vertrek van den Venetiaan werden deze moeilijkheden overwonnen. Tot bevelhebbers van het naar Java te zenden leger benoemde keizer Sjih-tsoe (de Chineesche naam van Koeblai) de officieren Sjih-pi, Ike Mese en Kau Hsing. De beide eersten waren Mongolen, de laatste was een Chinees. Eerst liet de keizer Sjih-pi bij zich komen en zeide tot hem: "Onder mijn officieren zijn er weinig, die mijn volle vertrouwen bezitten, daarom wensch ik deze Javaansche zaak toe te vertrouwen aan u". De andere antwoordde: "Als de Keizer gelast, dat zijn dienaar aanvoere, hoe zou deze dan bevreesd kunnen zijn voor zijn lijf?"
Toen Sjih-pi en zijn mede-aanvoeders hun laatste audi뮴ie hadden, zei de Keizer tot hen: "Als gij op Java aankomt, moet gij duidelijk proclameeren aan het leger en het volk van dat land, dat de keizerlijke regeering vroeger gemeenschap met Java heeft gehad door gezanten van weerszijden en in goede verstandhouding er mede geweest is, maar dat zij den laatsten keizerlijken gezant Meng Tsjhi in het gelaat gebrandmerkt hebben als een dier, en dat gij zijt gekomen om hen daarvoor te straffen."
Nu kreeg de stadhouder van Foehkiën bevel om soldaten te verzamelen uit zijne eigene en twee aangrenzende provinciën, tot een aantal van twintig duizend, om een Bevelhebber van den Rechter Vleugel en een van den Linker Vleugel aan te wijzen, benevens vier Bevelhebbers van Tien duizend; en om duizend schepen uit te rusten met voorraad voor een jaar en met veertig duizend staven zilver.
In de eerste maand van het jaar 1293 landde men op Biliton, beraadslaagde daar over het plan voor den veldtocht en zaagde er timmerhout om kleine booten te maken voor het opvaren der rivieren.
In de tweede maand gingen Ike Mese en een zijner onderbevelhebbers scheep, vergezeld van hunne secretarissen en van drie officieren van den Vrederaad, die belast waren met de onderhandelingen met Java en de andere rijken. Java is hier niet den naam des eilands, maar van het rijk, waarmede China vooral handel dreef, dat van Toemapel. Zij werden begeleid door een Bevelhebber van Tienduizend, die vijfhonderd man aanvoerde in tien schepen. Zij zouden de bevelen van den keizer overbrengen, dus waarschijnlijk trachten de Javanen nog langs den weg des vredes tot onderwerping te bewegen.
Intusschen volgde het groote leger naar de Karimon Djawaeilanden en van daar naar Toeban, aan de kust van Rembang, dat in een later Chineesch bericht, van 1418, genoemd wordt als een belangrijke handelsplaats, die meer dan duizend huisgezinnen telt, waaronder een groote Chineesche kolonie.
Te Toeban ontmoetten Sjih-pi en Kan Hsing Ike Mese elkander weder. Nu werd besloten - de vredelievende zending was dus stellig mislukt - het halve leger aan wal te zenden en de andere helft tegelijkertijd in de schepen te doen opvaren. Sjih-pi ging over zee naar den mond van de rivier van Sedajoe, waarmede de Solo bedoeld moet zijn, en van daar naar de Kali Mas of rivier van Soerabaja. Tegelijkertijd leidden Kau Hsing en Ike Mese de overige troepen, uit ruiterij en voetvolk bestaande, en marcheerden van Toeban over land; een van de Bevelhebbers van Tienduizend voerde de voorhoede aan. Drie hoofdofficieren werden in snelvarende booten van Sedajoe afgezonden, dat dus in handen der Chineezen schijnt te zijn gevallen, met bevel de drijvende brug van M太ap娩t te nemen en zich dan bij het leger te voegen op zijn weg naar de Kali Mas.
In dezen tijd had Java (Toemapel) een oude veete tegen het naburige land Kalang (Daha) en de koning van Java, Hadji Ka-ta-na-ka-la (Krtanagara) was reeds gedood door den vorst van Kalang, Hadji Katang genoemd; zoo was dus aan hem reeds de straf voltrokken die de Chineezen hem wilden komen toedienen. De schoonzoon van den eersten, Toehan Pidjaja, had Hadji Katang aangevallen, maar kon hem niet overwinnen. Hij had zich daarom naar Mᤪᰡhit teruggetrokken en toen hij hoorde dat Sjih-pi met zijn leger was aangekomen, zond hij boden naar de officieren van den Vrederaad met een beschrijving van de rivieren en zeehavens en ook een kaart van het vijandelijke Kalang, terwijl hij zijn onderwerping aanbood en om bijstand verzocht. Zelf kon hij zijn leger niet verlaten; daarom gingen drie Chineesche officieren tot hem en kwamen terug met zijn eersten minister en veertien anderen, die het leger des Keizers verwelkomden.
Op den eersten dag der derde maand werden de troepen verzameld aan de Kali Mas, die uitloopt in de straat van Madoera. Dit is de ingangspoort van Java en een punt, dat de eerste minister van Kalang, Hi-ning-koean, ondanks herhaalde aanmaning tot overgave, wilde verdedigen.
De bevelhebbers van het keizerlijke leger maakten een kamp in den vorm van een halve maan en lieten het veer onder bewaking van een Bevelhebber van Tienduizend. De vloot in de rivier en het volk en de ruiterij op den oever trokken toen gezamelijk op, en Hi?ning-koean, dit ziende, vlood des nachts, waarop meer dan honderd schepen met duivelskoppen op den steven genomen werden.
Nu werd aan een sterke macht gelast, den mond der Kali Mas te bewaken en toen rukte de hoofdmacht van het leger op.
Boden kwamen van Toehan Pidjaja, berichtend dat de koning van Kalang hem tot M太ap娩t vervolgd had en verzoekend om troepen te zijner bescherming. Ike Mese en een van zijn luitenants snelden naar hem toe en een officier volgde met een troepenmacht naar Tjanggoe, de voorhaven van M太ap娩t. Ka Hsing rukte intusschen ook in de richting van M太ap娩t op, maar toen hij hoorde dat het niet bekend was of de soldaten van Kalang veraf of dichtbij waren, ging hij naar de Kali Mas terug. Ten laatste kreeg hij bericht van Ike Mese, dat de vijand dien avond zou naderen en ontving order om weer naar M太ap娩t op te rukken.
Op den zevenden dag naderden de soldaten van Kalang van drie zijden om Toehan Pidjaja aan te vallen en op den achtsten, vroeg in den morgen, leidde Ike Mese een deel der troepen voorwaarts om den vijand in het zuidwesten aan te tasten, maar hij ontmoette hem niet; Kau Hsing vocht met den vijand in het zuidoosten en doodde vele honderden, terwijl de rest naar de bergen vluchtte. Tegen het midden van den dag naderden de vijanden ook van het zuidwesten; Kau Hsing ontmoette ze weder en tegen den avond waren zij verslagen.
Na sprak Kau Hsing, die een Chinees was: "Hoewel Toehan Pidjaja onderworpen is, zal, als hij eens berouw krijgt van zijn besluit, en zich met Kalang vereenigt, ons leger in een zeer moeilijke positie zijn, en wij weten niet, wat zou kunnen gebeuren." Hij ried dus aan Kalang geheel ten onder te brengen.
Op den vijftienden werd het leger gesplist in drie afdeelingen om Kalang aan te vallen; er werd afgesproken dat zij elkaar den negentienden ontmoeten zouden bij Daha de hoofdstad van Kalang.
Een deel van de troepen volgde de rivier, de Brantas opwaarts, Ike Mese trok langs den oostelijken weg en Kau Hsing nam den westelijken, terwijl Toehan Pidjaja met zijn leger de achterhoede aanvoerde. Den negentienden kwamen zij bij het versterkte Daha aan, waar de vorst van Kalang zich verdedigde met meer dan honderd duizend soldaten. De slag duurde van 's morgens zes tot 's middags twee uren en driemaal werd de aanval hernieuwd. Toen was de vijand verslagen en vluchtte. Verscheidene duizenden stortten zich in de rivieren verdronken, meer dan vijfduizend werden neergesabeld. De koning nam de wijk in de binnenstad, de Kraton; onmiddelijk werd deze omsingeld en de koning aangemaand zich over te geven; des avonds kwam de koning uit de kraton, de bevelen des keizers werden aan hem overgebracht, en hij werd gelast zich terug te trekken. Zijn vrouw, zijne kinderen en officieren werden door de overwinnaars medegenomen, die daarna aftrokken.
Verscheidene kleinere staten werden eveneens tot onderwerping gebracht. Een zoon van Hadji Katang vluchtte naar de bergen, maar Kau Hsing ging hem met een duizend man achterna en bracht hem gevangen terug.
De korte uitstap van den Chineeschen bevelhebber was voor de expeditie noodlottig; de beide Mongolen lieten zich vangen door Javaansche geslepenheid. Uit het slot van het verhaal der overgaaf van Daha mag worden afgeleid, dat de overwinning der Chineezen duur genoeg gekocht was om hen te bewegen tot het openen van onderhandelingen en daarna tot den terugtocht. Dit schijnt Toehan Pidjaja tot verraad te hebben aangespoord. Hij vroeg aan Sjih-pi en Ike Mese verlof naar zijn land terug te keeren, ten einde een nieuwen brief van onderwerping aan den keizer gereed te maken en kostbare voorwerpen te verzamelen om die aan Koeblai ten geschenke te geven. Zij stemden daarin toe en gaven hem twee officieren mee met twee honderd man. Maar onderweg vermoordde Toehan Pidjaja de beide officieren, en van de omstandigheid dat het leger terugtrok gebruik makend, viel hij het van twee kanten aan. Sjih-pi was in de achterhoede en werd van het overige leger afgesneden. Al vechtende moest hij zich vele mijlen een weg banen voor hij de schepen bereikte; toen hem dat gelukt was, had hij meer dan drieduizend man verloren.
Kau Hsing was reeds teruggekeerd vhet verraad van den Javaan bekend werd en keurde dadelijk het goed vertrouwen van zijn medebevelhebbers af. Hij slaagde er met de anderen in om Toehan Pidjaja terug te werpen. In weerwraak werden Hadji Katang en zijn zoon gedood, wat aan Toehan Pidjaja niet onaangenaam geweest zal zijn. De drie generaals waren nu oneenig of zij den oorlog zouden voortzetten. Dit geschiedde niet. Met de gevangenen en de gezanten der kleinere staten en een groeten oorlogsbuit zetten zij naar China koers. Sjih-pi en Ike Mese werden beiden door den keizer gestraft met het verlies van een derde van hun eigendom; de eerste, die zooveel manschappen verloren had, bovendien met zeventien zweepslagen; later werden beiden echter in hun eer hersteld. Kau Hsing werd beloond met eene groote som in goud.
Zooals te verwachten was, zijn de betrekkingen tusschen China en Java na den oorlog geruimen tijd gestaakt. Althans eerst de geschiedenis der Ming-dynastie, die in 1368 op de Mongoolsche volgde, maakt weer van wederzijdsche gezantschappen melding en ook van de aanwezigheid van tal van welvarende Chineesche koloniën op Java. In het laatst der veertiende eeuw wordt voor het eerst vermeld, dat op Java een westelijke en een oostelijke koning regeeren. Wellicht hebben toen de betrekkingen der Chineezen met de Soenda-landen een aanvang genomen.
* De Chineesche berichten uit de vijftiende eeuw vermelden meer van westelijk Java dan de oudere berichten zulks deden; zij noemen Pekalongan, Bantam, de Soenda-landen; maar toch blijft ook nu het oosten - Java in engeren zin - het gewichtigste deel. Er worden vier steden genoemd, alle zonder muren: Toeban, Grissee, Soerabaja en Madjapahit, waar de koning woont. Diens kraton heeft een goed onderhouden baksteenen muur van meer dan dertig voet hoogte en meer dan honderd voet lengte met een dubbele poort.
Evenals in Toeban wonen in Grissee en Soerabaja vele rijke Chineezen.
De wijze waarop de Chineezen te Bantam, door hen Ha-Kang genoemd, handel dreven, wordt aldus beschreven:
* Zoodra een Chineesch schip is aangekomen, komt er een hoofd aan boord om inlichtingen in te winnen. De gezagvoerder geeft hem een mand met sinaasappelen en twee kleine pajoengs. Het hoofd geeft van een en ander per brief kennis aan den koning en bij het binnenkomen van de rivier worden vruchten en stukken zijde aan den vorst ten geschenke gezonden. De koning heeft vier Chineesche en twee inlandsche schrijvers om zijn boeken bij te houden en op elk schip fungeert een Chinees, die de inlandsche taal machtig is, als tolk. Voor den handel heeft de koning buiten de stad twee plaatsen aangewezen, waar de winkels zijn gebouwd; in den morgen gaat men naar de markt om handel te drijven en tegen den middag is het handelen be멮digd.
Toen de Portugeezen op Java kwamen, bevonden zij ook dat er een drukken handel tusschen China en Java bestond. Zoo vertelt reeds Duarte Barbosa van Lissabon, die in den aanvang der zestiende eeuw aan de kust van Malabar verblijf hield, dat er van uit de Soenda landen vele slaven naar China worden uitgevoerd *.
De schrijver De Herrera zeide in 1523 van Grissee, dat het 30,000 Mohammedaansche inwoners telde, en dat er een grooten handel in porcelein, zijde en andere waren van China, Borneo enz. gedreven werd *.
In 1536 werd Java bezocht door den Spaanschen reiziger Andres de Urdaneta, die wel alleen Panaroekan aandeed, maar toch weet mede te deelen, dat de Sultan van Demak toenmaals de voornaamste vorst des eilands en dat Soenda aan hem onderworpen was. De Portugeezen lagen met hem overhoop; de peper van West-Java werd dan ook toenmaals geheel naar China uitgevoerd *.
Den 23sten Juni 1596 werd het eerst de Nederlandsche vlag op de reede van Bantam ten toon gespreid. Onze schepen werden met argwaan ontvangen: men vreesde met vrijbuiters te doen te hebben. Maar toen de Hollanders te kennen gaven, dat zij kwamen om handel te drijven, veranderde de houding. De schepen werden omringd door schuitjes die allerlei ververschingen aanboden. Het voordek der schepen veranderde weldra in een bazaar, waar behalve Javanen, Arabieren, Klingaleezen en Turken ook Chineezen om strijd hunne waren uitstalden *.
Onze eerste zeevaarders waren vol lof over de werkzaamheid der Chineezen. In de instructie van 1617 wordt dan ook aan de Indische regeering aanbevolen hen op de Molukken niet slechts toe te laten, maar ook aan te lokken, als zijnde "industrieus, naarstig en ongewapend." Jan Pieterszoon Coen verklaarde van hen: "Daar is geen volck in de werelt die ons beter dienen dan Chineezen" en "in Batavia connen niet te veel versamelt worden" *.
Opmerkelijk is het ook dat Pieter van den Broek tijdens het beleg van Jakatra in 1619 de Chineesche taal gebruikte om met den belegerenden Pangeran te onderhandelen, aangezien in het fort niemand de Javaansche schrijftaal machtig was *.
Toen deze Pieter van den Broek eenige maanden later Bantam blokkeerde kreeg hij vele Chineezen in handen, die allen naar Batavia werden overgebracht waardoor de grondslag werd gelegd van de later daar zoozeer bloeiende Chineesche volksplanting. Intusschen was de inlandsche bevolking van Batavia geheel gevlucht; maar hoewel de rijksbestuurder van Bantam aan Javanen en Chineezen op doodstraf verboden had naar Batavia te gaan en dit ook elders op Java zooveel mogelijk belet werd, baatte het weinig toen zij bespeurden dat er voordeel te behalen was. Den 11den October 1619 was het aantal Chineezen reeds tot 400 geklommen en werden zij gesteld onder het bestuur van een kapitein hunner natie *.
Een grooten dienst bewezen de Chineezen in 1627 aan Coen toen deze tijdens zijn tweede Gouverneur-Generaalschap met Bantam onderhandelde. Een troep gewapende Bantammers drong den 24sten December 1627 in Batavia, met het voornemen om den Gouverneur-Generaal te vermoorden en het kasteel te overrompelen. Eenige Chineezen waarschuwden Coen, zoodat het verraad geen succes had. Toen in 1628 Batavia door de Javanen werd aangevallen, vochten de Chineezen van Batavia met groote woede aan onze zijde en brachten den Javanen menig verlies toe *.
* Nadat de Gouverneur-Generaal Zwaardecroon in 1725 uit eigen beweging was afgetreden, werd hij opgevolgd door weinig beteekenende, willekeurig handelende Gouverneurs-Generaal. Onder hen maakten de Compagnie's dienaren zich schuldig aan knevelarijen en afzetterijen der bevolking.
Onder deze omstandigheden werd Adriaan Valckenier in 1737 tot Gouverneur-Generaal aangesteld. Hij zag niet in dat een rechtvaardiger behandeling der ingezetenen noodzakelijk was om te voorkomen dat dezen, verbitterd en getergd, tot verzet zouden overslaan. In Batavia bestond toen een groot deel dier ingezetenen uit Chineezen, welke jaarlijks vermeerderden, daar de Chineesche jonken er voortdurend nieuwe fortuinzoekers aanbrachten, waaronder vele slechte elementen. Groote voorrechten waren hun van tijd tot tijd toegekend; vooral ook had de zich meer en meer ontwikkelende landbouw hunne nijverheid, vernuft en werkzaamheid in de handen gewerkt, zoodat velen zich in korten tijd schatten wisten te verzamelen. Maar diezelfde ontwikkeling van den landbouw had ook veroorzaakt, dat de Chineezen zich niet alleen in de stad Batavia, maar ook in hare omstreken zich wijd en zijd verspreiden, en dus een behoorlijk toezicht bemoeilijkten.
Reeds vroeger had men reeds nu en dan hunne al te groote vermeerdering en uitbreiding met eenige bekommering aangezien; vooral had de Gouverneur-Generaal De Haan maatregelen daar tegen genomen, maar de groote voordeelen die men van hen trok, deden onder zijne opvolgers elke bepaling, die strekken moest om die uitbreiding tegen te gaan, in de pen blijven; en ging men nu en dan er toe over, dan was hetgeen men deed niet doelmatig en niets afdoende, of werd in de hand der trouwelooze ambtenaren een middel tot willekeurige onderdrukking, afpersing en uitzuiging. Wij herinneren hier slechts aan het besluit onder Diederik Durven genomen, dat ieder Chinees, die in deze kolonie wilde blijven, daartoe bij rekest verlof zou moeten verzoeken, ten einde hierdoor te zien hoe groot hun getal was. Maar door de inhaligheid der ambtenaren, aan wie de uitvoering van dien maatregel was opgedragen, en die voor ieder verlof, dat zij op zulk een verzoekschrift uitreikten, zich lieten betalen, wisten vele Chineezen dit bevel te ontduiken, en werd het doel gemist. Bovendien legde men een hooge belasting op de Chineezen die warongs hielden en zich van de inkomsten daarvan geneerden. Deze bepaling drukte niet zoozeer op de gegoeden, de landbouwers, de handelaren en dergelijken, maar juist op dat gedeelte, dat niets te verliezen had en verwekte onder hen groote ontevredenheid.
Ondertusschen was Baron van Imhoff, gewezen landvoogd van Ceylon en Raad van Nederlandsch-Indië in 1738 in de hoofdstad aan gekomen. Deze maakte de regeering opmerkzaam op de al te groote vermenigvuldiging der Chineezen, op het aanzienlijk getal dier vreemdelingen, dat geen genoegzaam bestaan had en daardoor zich schuldig maakte aan roof, diefstal en moord. Wel was er reeds vroeger in 1732 bepaald, dat de Chineezen, welke in de bovenlanden van Batavia zonder vast verblijf en als vagebonden werden aangetroffen, naar de Kaap zouden worden overgebracht (zie de Originele Generale Resolutiën der Hooge Regering van den 18den Julij 1732), maar die maatregel was bijna zonder uitwerking gebleven. Nu echter werd op voorstel van van Imhoff vastgesteld, dat alle verdachte en buiten de stad rondzwervende personen, tot die natie behoorende naar Ceylon zouden worden vervoerd. (Vergelijk de Originele Generale Resolutiën der Hooge Regering van 25 Julij 1740). Hetgeen hierboven van de hebzucht en inhaligheid der ambtenaren is gezegd, ontnam aan dit besluit alle goede uitkomsten en deed het zelfs de schromelijkste gevolgen na zich slepen. Immers niet alleen zulke rondzwervende leegloopers, maar ook dikwijls gegoede en rijke Chineezen, werden door hen, die met de uitvoering van dit besluit waren belast, op eene willekeurige en verraderlijke wijze gevangen genomen en met ballingschap bedreigd, zoo zij niet voor eenen hoogen losprijs hunne vrijlating wilden koopen. Door zulk eene handelwijze bleef niet alleen de stand van zaken dezelfde, maar werd de verbittering tegen het bestuur en de vrees voor zelfbehoud ook onder de gegoede klasse al grooter en grooter.
De Chineezen, die te Batavia zelve hun verblijf hadden, woonden niet in een afzonderlijk gedeelte, maar overal tusschen de Europeanen in en hadden op verscheidene plaatsen de beste buurten ingenomen. Gelijk tegenwoordig dreven zij ook toen een grooten handel voornamelijk in thee, porcelein, zijden stoffen, lakwerken enz. Velen oefenden ambachten uit of waren aannemers van pachten. Anderen hielden gaarkeukens voor de matrozen en soldaten, terwijl weer anderen hun onderhoud vonden in het waterhalen, visschen of het vervoeren van menschen in prauwen van het eene einde der stad naar het andere. Hunne hoofden hadden den titel van Kapitein en Luitenant. Die, welke buiten Batavia woonden, hadden zich in de Ommelanden verspreid, en waren voornamelijk in de nabijheid der suikermolens of op die plaatsen, waar zij zich het best op den landbouw konden toeleggen, gevestigd.
De Gouverneur-Generaal Valckenier werd den 28sten September 1740 plotseling uit zijne zorgeloosheid gewekt door de tijding, die hem door drie Luitenants der Chineezen werd medegedeeld. Zij betrof eenen door de Chineezen in de bovenlanden gesmeden opstand tegen het bestuur. In allerijl belegde hij een vergadering van de Leden der Hooge Regeering, doch de vergadering sloeg weinig geloof aan de verhalen der drie Luitenants, vooral daar de Kapitein der Chineezen Nie Hoe Kong verklaarde van een en ander niets te weten. Men vergenoegde zich dus met aan de Hoofden der Chineezen alle mogelijke waakzaamheid aan te bevelen, en een onderzoek naar de verdachte plaatsen te laten doen, terwijl de verdere behandeling der zaak aan het stedelijk bestuur werd opgedragen.
Intusschen sloegen de Chineezen buiten de stad tot daadwerkelijk verzet over en vielen onze troepen aan. Eene poging van Van Imhoff om de opstandelingen langs minzamen weg de wapens te doen neerleggen, mislukte. De woedende muitelingen liepen overal het land om Batavia af. Overal was hun weg met bloed geteekend, overal werd geplunderd, geroofd en gemoord.
Te Batavia zelf was men met vrees en kommer vervuld. Zeven of acht duizend Chineezen in de stad en meer dan zestig duizend in hare omgeving konden een gelijktijdigen aanval van binnen en van buiten wagen en dan waren de gevolgen niet te berekenen. De Europeanen van minderen stempel begonnen de Chineezen in de stad te mishandelen. Dit liep zoo hoog, dat de Baron van Imhof den 7den October in de vergadering der Hooge Regeering ter tafel bracht, hoe de Chineezen sedert enkele dagen aan vele beleedigingen en kwade bejegeningen waren onderhevig geweest, zoo van den gemeenen man langs de straten, door het afdwingen van geld, als aan de wachten, waar zij aangehouden en op eene onbehoorlijke wijze behandeld werden, zonder dat zij daartoe de minste aanleiding gaven. Door de regeering werd daarop bij openlijke bekendmaking verordend, dat ieder, die het waagde de Chineesche ingezetenen, op welke wijze ook, te beleedigen of in hunne nering te hinderen, naar bevinding van zaken met kettingslag of andere "arbitrale correctie" zou worden gestraft.
De ongerustheid nam evenwel toe. Vele Chineezen zonden vrouwen en kinderen, kostbaarheden en huisraad in prauwen weg. In de voorsteden vertoonden zich gewapende Chineezen, die weigerden hunne wapens neer te leggen. Het werd duidelijk, dat de Chineezen in de stad in verbinding stonden met de muitelingen daar buiten. De poorten van de stad werden daarop gesloten en niemand mocht er meer in of uit. Bij openlijke afkondiging werd overal bekend gemaakt, dat het den Chineezen niet meer vrij stond zich na half zeven uur 's avonds buiten hunne huizen te begeven, dat ze na dien tijd hunne deuren gesloten moesten houden en geen licht of lantaarns buiten de huizen mochten laten schijnen, terwijl alle overtreders van dit bevel met den dood werden bedreigd. Dit had plaats den 8sten October.
In dienzelfden nacht nog werd Batavia herhaalde malen door de muitelingen van buiten verwoed aangevallen, doch zij werden steeds met verlies door onze troepen op de vlucht geslagen. De Chineezen in de stad hadden de hun gegeven bevelen strikt opgevolgd; niemand had zich na half zeven 's avonds op straat vertoond. Het was dus zeer vreemd van den Gouverneur-Generaal Valckenier om in den ochtend van den 9den October in de vergadering der Hooge Regeering voor te stellen om de stad van de Chineezen, die zich nog in groot aantal bevonden, te ontruimen. Van Imhoff was zeer verontwaardigd over dit voorstel en deed van zijn kant het voorstel om alle huizen der Chineezen te doorzoeken, en waar er wapens of verzamelingen van volk zouden worden gevonden, zouden die wapens in beslag genomen en het volk in boeien geslagen worden, doch de overige goede Chineezen, evenals te voren, ongemoeid te laten, mits zij zich aan de algemeene bevelen, een paar dagen geleden gegeven, onderwierpen. Dit besluit werd met algemeene stemmen, op die van den Gouverneur-Generaal na, genomen.
Kort na het uiteengaan van de vergadering, hoogstwaarschijnlijk door in het geheim gegeven bevelen van Valckenier, ontstond er binnen de muren van Batavia een tooneel, dat voor altijd een donkere vlek in onze geschiedboeken heeft geworpen. Er ontstond in de Utrechtsche straat brand in eenige Chineesche huizen, wat eene groote opschudding teweeg bracht. Ambachtslieden, matrozen en soldaten ijlden er heen, en pleegden de schandelijkste ongeregeldheden. Het vuur verspreidde zich verder en verder; op andere plaatsen brak het vuur ook uit,en plunderend en moordend trok het gemeen door de straten. Al wat tot de Chineesche natie behoorde, oud en jong, arm en rijk, werd vermoord. Eerst den 12den October was de brand in de stad opgehouden. Het bleek toen dat er ongeveer zes of zevenhonderd groote en kleine Chineesche huizen in de stad en voorsteden waren vernield. Ongeveer 10,000 Chineezen waren omgebracht.
Den 16den October hield de Hooge Regering eene belangrijke vergadering, waarbij eene "Generale amnestie" werd verleend aan alle Chineezen, die zich vrijwillig kwamen onderwerpen.
Tegelijker tijd tastte men de muitelingen in de omstreken van de stad die zich bleven verzetten, krachtdadig aan. Men verjoeg hen verder de binnenlanden in.
Zoo keerde de rust te Batavia terug en de regeering schreef den 15den November eenen dank, boete en bededag uit, op den 23sten daaraanvolgende te vieren.
Nu werden middelen bedacht om de Chineesche kolonie weer op de been te brengen. Men was er evenwel huiverig voor om de Chineezen op nieuw in de stad te laten wonen, en een zeker uitgestrekt land, buiten den boom aan de westzijde der groote rivier gelegen, werd tot een vast verblijf der Chineezen aangewezen. Zoo heeft dus het tegenwoordige Chineesche kamp aan den in 1740 uitgebarsten opstand zijn bestaan te danken.
Ondertusschen was de tijd van de gewoonlijke aankomst der Chineesche jonken wederom aangebroken. Men was bevreesd, dat zij, hoorende van de pas plaats gehad hebbende moord op de Chineezen, bevreesd zouden zijn Batavia aan te doen en de voordeelige handel met China dan zou verloopen. Men liet in de straten van Singapore en Banka vaartuigen kruisen en op elk der kruisvaartuigen werden een of twee vertrouwde Chineezen geplaatst, om aan alle Jonken, die men ontmoeten mocht, aan te zeggen, dat ze veilig op de reede van Batavia konden ankeren, om even als te voren hunnen handel ongestoord te drijven, mits ze zorg droegen, dat geen van de medegebrachte manschappen elders aan wal werd gezet. Toen dan ook 3 Februari 1741 het bericht van de aankomst der eerste jonken aankwam, hadden de genomen voorzorgen hun doel bereikt en door eene welwillende behandeling te betrachten leed de handel nagenoeg geene schade.
Men was ook bevreesd voor den indruk, dien de moord zou maken op de Chineesche bevolking in China en dat daardoor onze plaatselijke handel aldaar zou worden benadeeld. Men gaf daarom aan een der naar China terugkeerende jonken een brief mede, bestemd voor den Keizer van China om het gebeurde in een verklaarbaar daglicht te plaatsen.
De Keizer, die allen die zijn land verlaten hadden niet meer tot zijn onderdanen rekende en niets om hun lot gaf, verwaardigde zich niet op het schrijven eenig antwoord te geven.
* De Chineezen, hoewel uit den omtrek van Batavia verjaagd, breidden hunne macht steeds uit. De Inlandsche vorsten, die hunne afhankelijkheid van de Compagnie met tegenzin droegen, zagen met genoegen den moeilijken toestand door den opstand der Chineezen geschapen. De regeering begreep dit zelf ook zeer goed, en reeds den 15den October had zij den Gezaghebbers van Semarang, Bantam en het Opperhoofd te Cheribon bevolen, om met behoedzaamheid van het gebeurde aan den Soesoehoenan, den Sultan en de Prinsen kennis te geven. Hunne betuigingen van vriendschap, trouw en verkleefdheid waren in de ondubbelzinnigste woorden vervat en schenen alle vrees weg te nemen. Zelfs boden de Sultan van Bantam en de Vorsten van Cheribon aan de Compagnie hunnen bijstand aan, en verleenden hulp van troepen en ammunitie.
Maar het bleek weldra, dat dit slechts geschiedde om zoo mogelijk de regeering in slaap te wiegen, en dat zij in het geheim de Chineezen in hunne vijandelijkheden aanmoedigden en versterkten. Ook dezen wisten van hun kant zich in de gunst der Javanen in te dringen; velen omhelsden het Mohammedaansche geloof, gaven zich Javaansche namen en titels, en volgden de Javaansche zeden en gebruiken.
In de maand Juni 1741 werden de opstandelingen door een macht van 7000 man onder het opperbevel van den Commissaris Roos uit de omstreken van Bekassie verdreven, maar werdra verspreidden zij zich in de Preanger Regentschappen, in het Cheribonsche en verder over geheel Java. Van Semarang ontving men kort daarop de verontrustende tijding dat de geheele omtrek in vollen opstand was, dat regenten zich bij de opstandelingen voegden en dat de Hoofdregent van Semarang zijn hof verlaten had, en de wapenen tegen de Compagnie keerde.
De Soesoehoenan Pakoe Boewånå II zeide den Chineezen in het geheim toe, dat ze, in het geval de Hollanders van Java werden verjaagd, de zeeplaatsen zouden mogen bezetten, en dus meester van den handel zouden worden; maar hij betuigde aan de regeering, dat al hetgeen door de Javanen was ondernomen tegen de Compagnie, buiten zijn weten geschiedde, en beloofde zelfs zijne krijgsmacht te zullen uitzenden om zijne onderdanen tot hunnen, plicht te brengen. Te Semarang werd men door die betuigingen van vriendschap verblind. Men hoorde van alle zijden wel kwaad gerucht, maar vertrouwde toch op de goede gezindheid van den vorst. Men zag zich wel van alle kanten omsingeld; men vernam wel dat Rembang door den vijand was ingenomen en afgeloopen, dat Joana en Demak door de onzen was verlaten, maar men vertrouwde den Soesoehoenan toch, totdat hij eindelijk zijne vermomming afwierp, de sterkte te Kartasoera belegerde, de bezetting allen toevoer afsneed, haar eindelijk verjoeg, den commandant en eenige anderen vermoordde, en de overigen met vrouwen en kinderen gevangen nam. De Soesoehoenan had zijne weifelende houding laten varen toen hij zag dat de Chineezen werkelijke voordeelen behaalden, niettegenstaande, tengevolge der uit Semarang gegeven bevelen, op vele der oostwaarts gelegen posten de Chineezen, ook zonder dat zij nog blijk van slechte gezindheid hadden gegeven, waren van kant gemaakt *.
Nu was de oorlog openlijk uitgebarsten. Doch de Soesoehoenan verliet na eenigen tijd de Chineezen en hunnen aanhang, en verzocht weder het vriend- en bondgenootschap met de onzen te vernieuwen. Dit namen wij aan, echter onder voor den Soesoehoenan zeer bezwarende voorwaarden. Deze waren hoofdzakelijk de volgende: alle krijgsgevangenen moesten worden terug gegeven; aan de Compagnie werden afgestaan: het eiland Madoera, Soerabaja, alles wat daar beoosten ligt tot Balimboangan toe, Rembang, Japara en Semarang met de daaronder behoorende landen.
De Chineezen en hun aanhang, zich van den Soesoehoenan verlaten ziende, keerden hunne wapens tegen hem. Zij stelden eenen jongeling, Mas Grendie tot Soesoehoenan aan, onder den titel van Hamangkoerat Hamangkoe Boewånå, trokken naar Kartasoera en namen deze hoofdplaats bij verrassing zonder veel tegenstand in, daar Pakoe Boewånå, op de tijding van de komst der vijanden, zijn hof in stilte verlaten had. Niet lang echter duurde de regeering van den nieuwen vorst, en al spoedig werd de wettige Soesoehoenan in zijn rijk hersteld.
Hiermede was de macht der Chineezen gebroken.
Al vrij spoedig namen de Chineezen weer eene in economischen zin gunstige positie in. Velen traden op als landhuurders en landeigenaren.
* De Compagnie was begonnen met landverkoop, eerst bij taxatie, later bij publieken verkoop. De Javanen, die den grond vden afstand bewoonden, bleven daarop gevestigd. In 1739 werd het hun zelfs verboden te verhuizen, wat toch plaatshad. Onder den Gouverneur-Generaal De Klerk zijn bij plakkaat van 31 December 1778 eenige bepalingen gegeven omtrent de verhouding tusschen de opgezetenen en, den landheer. De Chineezen op de particuliere landen waren tot bevordering van den landbouw van de betaling van hoofdgeld vrijgesteld *.
De uitgevaardigde bepalingen schijnen niet goed opgevolgd te zijn geworden, want later in 1802 hadden, tengevolge van knevelarijen door de Chineezen, onlusten plaats in het Cheribonsche. Hier en daar werden de Chineezen vermoord en weggejaagd *.
Dit Cheribon werd in het laatst der 18de eeuw zoowel door de Compagniesdienaren als door de Chineezen beschouwd als te zijn bij uitstek geschikt om groote geldsommen in hunne zakken te doen vloeien. De resident ontving van den Chineeschen fabrikant van looden pitjis (Chineesche duiten) een pachtsom van 1500 rijksdaalders 's jaars, van den pachter der passen voor de Chineezen 2000 rijksdaalders *.
* Toen Daendels in 1808 het bestuur over Nederlandsch-Indië aanvaardde, verklaarde hij dan ook van Cheribon "dat dit sedert jaren het meest gedrukte deel van het eiland (Java) was. De residenten en mindere ambtenaren veroorloofden zich allerlei knevelarijen. Zij, zoowel als de Chineezen, huurden dessa's en trokken daarvan, in arbeid en produkten, veel meer dan met de billijkheid bestaanbaar was, terwijl zij aan de opgezetenen veel minder, overlieten dan voor hun levensonderhoud vereischt werd. Derhalve waren duizenden Cheribonners, mannen, vrouwen en kinderen om een geringe schuld verpand. De ongelukkigen werden in de huizen hunner schuldeischers, zoo Europeanen als Chineezen, als slaven gehouden, totdat zij hunne schuld hadden afgelost, wat hun meestal onmogelijk was."
* Geen wonder dus dat, toen de Gouverneur Engelhard met de Sultans van Cheribon den 1sten September 1808 een nieuw contract aanging, aan de Chineezen het huren van dessa's en het verblijf in de binnenlanden werd verboden.
* Dit verbod werd door Daendels bevestigd, doch in de Preanger werd de vestiging van Chineezen aangemoedigd om de vrije cultuur van tabak en katjang tanah te bevorderen. Daendels wees aan de Chineezen, die tot dus ver uit deze residentie geweerd waren, onbebouwde gronden ter nederzetting toe. *
* Toen ter tijd lag tusschen de residentiën Tegal en Pekalongan het land Oeloe Djami dat voor 5000 rijksdaalders in geld en een leverantie van 300 à 400 kojans rijst aan den kapitein der Chineezen te Semarang verhuurd was.
* De landschappen Panaroekan en Besoeki, grootendeels beantwoordende aan de tegenwoordige regentschappen van dien naam, waren voor eene jaarlijksche opbrengst van 10 kojans rijst en een paar duizend rijksdaalders, later tot 7500 rijksdaalders vermeerderd, aan den Kapitein-Chinees van Soerabaja verhuurd.
* Nu is wel merkwaardig het feit, dat de regentschappen op Java's Noordkust, die in den gunstigsten toestand verkeerden, hun bloei aan het bestuur van Chineezen te danken hadden. Terwijl de Chineezen de bevolking veelal uitzogen, waar zij voor korten tijd afzonderlijke dessa's in huur hadden, waren zij als landheeren op groote schaal beter dan de regenten. Oeloe Djami wordt door den Gouverneur Van Overstraten het volkrijkste regentschap bewesten Semarang genoemd, en hij geeft als oorzaken daarvan op de billijke behandeling der bevolking, de bevrijding van de gewone heerendiensten en de gegoedheid van den Chinees, waardoor hij in staat was zaaipadi in voorschot te verstrekken en daardoor den landbouw ten zeerste te doen toenemen. De beide eerste redenen golden nog in hoogere mate voor de Chineesche huurlanden in den Oosthoek, de strandvlakten van Besoeki en Panaroekan. Ook hier waren de heerendiensten nagenoeg geheel afgeschaft en werd de bevolking voor den vereischten arbeid betaald; moerassen werden gedempt, bosschen uitgeroeid en althans in Besoeki bijna alle bereikbare grond tot den landbouw geschikt gemaakt. En wat niet minder hoog te stellen is: de van den landman gevorderde schatting werd in verhouding tot den oogst gebracht. Gevolgd werd deze wijze van handelen door den regent van het kleine landje Bangil. Deze regent, die van Chineesche afkomst was, had zijn landje zeer voortreffelijk in cultuur gebracht, waarom dan ook Malang en Ngantang onder zijn bestuur werden gesteld.
* In de Ommelanden van Batavia legden de Chineezen zich veelal toe op de suikercultuur. Reeds in 1779 waren er 55 suikermolens, waarvan er 24 aan Europeesche, en 26 aan Chineesche eigenaars behoorden, terwijl er 5, die op grond van de Compagnie stonden, verhuurd werden.
* Onder Daendels bleef de verkoop van landerijen niet tot de omstreken van Batavia beperkt, maar werd ook tot Oost-Java uitgebreid. Behalve eenige grondstukken rondom Semarang en Soerabaja, werden daar zelfs geheele gewesten vervreemd. De Chineesche huurder van Besoeki en Panaroekan kocht beide landen voor een betrekkelijk kleine som, terwijl Probolinggo verkocht werd aan den Kapitein-?Chinees van Soerabaja; het bracht een millioen rijksdaalders op, die de kooper aannam in twintig halfjaarlijksche termijnen te betalen.
* Ook Raffles profiteerde van de diensten van Chineezen als dat in zijn kraam te pas kwam, en wist die diensten goed te beloonen ook. Zoo gaf hij aan den kapitein der Chineezen te Djokjakarta, ter belooning van de diensten die hij aan de Engelschen bewezen had, duizend tjatjah's land, toegewezen uit de domeinen van den Sultan. Toen die Kapitein-Chinees tot den islam was overgegaan, verhief de Sultan hem tot Raden Toemenggoeng.
* Raffles was er overigens op uit om de onder de Chineezen staande landen weer aan de regeering terug te brengen. Van een in 1813 uitgebroken oproer in Probolinggo, waar de bevolking gebukt ging onder zware heffingen tot betaling van de bedongen koopsom, maakte Raffies gebruik om Probolinggo weer terug te koopen. Doch die opstand te Probolinggo diende Raffles ook als voorwendsel om Besoeki en Panaroekan terug te koopen. Terecht zag de Gouverneur-Generaal van Britsch-Indië, lord Moira, in de laatste daad eene groote onrechtvaardigheid; hij gelastte Raffles beide landen weer aan den Chineeschen eigenaar aan te bieden, die echter schijnt geweigerd te hebben ze opnieuw te aanvaarden en genoegen nam met eene schadeloosstelling in geld en een landgoed in erfpacht, welke vergoeding ook de kinderen van den vermoorden landheer van Probolinggo ontvingen.
* Aan Raffles komt ook de eer toe het zout beter verkrijgbaar voor de bevolking te hebben gesteld, en de administratie toch voordeeliger voor de regeering te hebben ingericht.
Tijdens de compagnie was de zoutaanmaak en handel geheel in handen van de hoofden der Chineezen, die alle gunstig voor de zoutfabrikatie gelegen plaatsen in het Gouvernement van Java's Noordoostkust van de regenten pachtten. De helft van den pachtschat kwam aan de Compagnie; maar de bevolking der zoutdessa's was geheel aan de Chineezen overgeleverd; zij moest voor hen in heerendienst in de zoutpannen werken en hun de gewone belastingen opbrengen, welke laatste meestal reeds den pachtschat dekten, zoodat het zout aan den Chineeschen pachter op niet meer te staan kwam dan de aanzienlijke geschenken, die hij jaarlijks aan den Gouverneur der Noord-Oostkust moest opbrengen.
Raffles nu maakte van den zoutaanmaak een Gouvernementsmonopolie bij de proclamatie en het reglement van 22 November 1813. Voor den aanmaak werden met de bewoners der zoutdessa's vrijwillige overeenkomsten aangegaan.
* Onder Raffles hadden de Chineezen vrijelijk in de Preanger Regentschappen gezworven, hoewel reeds een plakaat van 1764 hun, buiten bijzondere vergunning, den toegang tot dat gedeelte van Java ontzegd had. Door dat rondzwerven werd het koffiemonopolie ernstig bedreigd, omdat Chineesche handelaren de koffie heimelijk opkochten en uitvoerden. Bij besluit van 6 Juni 1820, Stbl. No. 22 werd het oude verbod van toegang tot de Preanger Regentschappen door den Gouverneur-Generaal Van der Cappellen vernieuwd.
Deze maatregel moge voor het koffie-monopolie voordeelig geweest zijn, voor de bevolking was die maatregel allerverderfelijkst. De Chineezen toch, die het land doorkruisten, brachten den inlander zijne lijnwaden; zij waren de tusschenpersonen tusschen den landbouwer en den groothandelaar. De Europeanen konden die rol niet overnemen, daar ook aan hen bij publicatie van 9 Januari 1821, Stbl. No. 6 verboden werd in de Preanger handel te drijven of er zich te vestigen, zonder schriftelijke vergunning van den Resident. De kleinhandel in de Preanger werd nu geheel gemonopoliseerd door een rijken Chinees te Buitenzorg, die hem dreef door tusschenkomst van Javaansche agenten en, daar alle mededinging geweerd was, zich groote winsten kon toe멧enen.
* Van der Cappellen maakte door het geven van zeer strenge bepalingen bij publicatie van 6 Mei 1823, Stbl. No. 17 feitelijk geheel een einde aan de landinhuring door Chineezen en andere vreemdelingen, ook door Europeanen, tot dusver in de Vorstenlanden geschied.
* Intusschen begon men de Chineezen ook meer en meer als een gevaar voor de openbare rust te beschouwen. Gevallen van samenspannend verzet tegen het Nederlandsche gezag hadden plaats in 1825 te Batavia en Semarang, in 1829 te Batavia, in 1832 te Krawang, in 1836 te Bantam en Batavia.
* In 1839 bracht de Chinees Boengseng, die zich als Arabier voordeed en aan zijn voorgeven kracht bijzette door het gemak, waarmede hij de Arabische taal sprak, in vereeniging met Raden Prawira Sentana, de rust in Djokjakarta ernstig in gevaar.
* "Destijds en later", schrijft de Waal, "bestonden onder ambtenaren en ingezetenen in Indië tegen de Chineezen, namelijk tegen de groote meerderheid, dus met volle erkenning van prijzenswaardige uitzonderingen nog andere ernstige staatkundige bezwaren. Zij kunnen aldus ongeveer weergegeven worden. In het oog van den type-Chinees heiligt eigenbelang alle middelen. Zelfs, de aanzienlijke koopman en landeigenaar schaamt zich niet oneerlijk te zijn: getuige een reeks van bedriegelijke bankbreuken. Bij den winkelier, rondventer, ambachtsman, is overvragen, en wel van verscheidene kapitalen boven den prijs, waarop hij zijn diensten of waren schat, algemeen; bij den ambachtsman het vluchten met genoten voorschotten niet zeldzaam. Deze gewetenloosheid van den Chinees werkt verderfelijk op de inlanders. De meer ontwikkelden volgen hem na; men bespeurt dan ook, op plaatsen waar veel Chineezen zijn, bij inlandsche rondventers en ambachtslieden in hoogen graad het buitensporige overvragen. De overigen strekken hem tot prooi. Hij verschijnt hun, wanneer zij geen geld en de meeste begeerten hebben; krediet op grove woekerrente maakt hen vaak voor altijd zijn schuldenaars. Slaat de berooide inlander tot diefstal over, het is alweder de Chinees, die hem voor het ontvreemde, geld verschaft.
De hoogere inlander verbindt zich met den Chinees door huwelijken. Een aantal inlandsche hoofden zijn verwanten, ook afstammelingen van Chineezen. Moet door deze vermaagschapping de invloed van den vermogenden Chinees toenemen, een wezenlijk politiek overwicht over den inlander verkrijgt hij door het monopolie der pachten van 's lands middelen.
De pachter treedt in de binnenlanden op met een steeds geëerbiedigden lastbrief van het bestuur. Hoe de Chinees dien misbruikt, hoe bij hem in den regel alles wijkt voor meedoogenloos eigenbelang, bewees elk onderzoek naar de praktijk der passerpacht, elke ontdekte sluikhandel in opium.
De geschiedenis dwingt hier bij te voegen: in dien "vroegeren" tijd, den tijd van den geldnood in het moederland, trok het Nederlandsche bestuur den pachter voor boven den belastingschuldige.
In weerwil van alle milde verzekeringen der wet, werd de inlander feitelijk aan den Chineeschen pachter overgeleverd, voor de knevelarijen des pachters het oog geloken, ja hem bij de publieke opveiling door hooge ambtenaren oogluiking beloofd.
Welke politieke betrekking moest uit deze toewijding der hoogste Europeesche ambtenaren aan het staatsbelang voortspruiten, tusschen hen en den vermogenden Chinees? Zijn financieele onmisbaarheid begrijpend, zag hij op hen neer. Terwijl zij zoo blijkbaar ongaarne een mindere opbrengst der verpachtingen aan de regeering zouden berichten, stelde hij hen gerust: hij zou voor een goed bod zorgen.
Tegelijk is de vermogende Chinees metterdaad de meerdere of de begunstiger van menigen Europeaan, wiens beroep medebrengt geld te verdienen. Geldelijke meerderheid nu laat gemeenlijk niet na, zich te gevoelen en te doen gevoelen. Vandaar in de verhouding van den vermogenden Chinees tot den Europeaan een opvallende wijziging, vergeleken met hetgeen zij bijvoorbeeld na 1816 was.
In 1837 schreef eene commissie van notabelen te Batavia: "Het ontzag van den Chinees is thans zoo gedaald, dat de Europeaan, welken rang hij ook bekleedt, alle omzichtigheid moet gebruiken om niet op de openbare wegen door wagens en bendies overreden te worden. Op de openbare verkoopingen schoppen rijke Chineezen er behagen in, door het bieden van buitensporige prijzen de Europeesche gegadigden, en in het bijzonder die van rang, te leur te stellen. Zij voeren er dikwijls het hoogste woord." "
Geen wonder dan ook, dat bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 14 November 1837, No. 1 , de aanbreng van Chineesche nieuwelingen werd verboden, met intrekking van al het daarmede strijdige.
Dit verbod vinden wij in Stbl. 1837, No. 58, luidende:
a. De aanbreng van zoogenaamde Chineesche nieuwelingen op Java, onverschillig van waar en op welke plaats, is voortaan en totdat deswege anders zal zijn beslist, verboden.
b. Voor elken Chinees, die, in contraventie van het voorschreven verbod, mocht worden aan land gezet, zal eene geldboete worden verbeurd van f 50 (vijftig gulden) zilvergeld, te verhalen op den aanvoerder of den gezaghebber van het schip of vaartuig, waarmede de aanvoer geschiedt.
c. Dien onverminderd zal de aanvoerder of gezaghebber van het betrokken schip of vaartuig verplicht zijn, iederen aangebrachten chineeschen nieuweling weder uit te voeren; zullende hij wijders verbeuren eene boete van f 50 (vijftig gulden) zilvergeld voor iederen chinees, die zich, bij het vertrek van het schip of vaartuig, niet aan boord mocht bevinden of waarvan niet blijkt, dat hij weder van Java vertrokken of intusschen overleden is.
d. Ter handhaving van de voorschreven bepalingen, zal de betrokken plaatselijke autoriteit verplicht zijn om, zoowel bij de aankomst als bij het vertrek der schepen of vaartuigen, waarmede de in deze bedoelde aanvoer gewoonlijk plaats vindt, het aan boord aanwezige getal, der zoogenaamde nieuwelingen nauwkeurig te doen constateeren, en zal aan de gezagvoerders van zoodanige schepen of vaartuigen geen verlof tot vertrek worden gegeven, alvorens gebleken zij, dat door hen niet in contraventie der tegenwoordige bepalingen is gehandeld; zullende hun deze bepalingen, bij derzelver aankomst ter reede, door of van wege de betrokken plaatselijke autoriteit moeten worden medegedeeld.
e. Onder het tegenwoordig verbod zijn niet begrepen zoodanige Chineezen, die door het Gouvernement tot speciale einden mochten worden ontboden.
Aanteekening. Stbl. 1838, No. 40 verplicht een ieder, die huisvesting verleent aan Chineesche nieuwelingen, daarvan binnen 24 uren aan de politie kennis te geven, onder verbeurte eener boete van f 100. - Stbl.1846, No. 16 vordert de borgstelling voor onderhoud, bedrag en kosten van eventueele terugzending van Chineesche nieuwelingen door twee hunner op de plaats van aankomst gevestigde landgenooten, welke bepaling bij Stbl. 1860, No. 68 van toepassing is verklaard voor de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo. - Het verbod tegen den aanbreng van Chineesche nieuwelingen op Java is bij Stbl. 1844, No. 5 gedurende enkele jaren buiten werking gesteld voor de hoofdstad Batavia, voor zooveel betreft ambachtslieden, die terstond bij aankomst onder een bekenden geschikten baas in dienst kunnen treden. - De bepalingen van Stbl. 1837, No. 58 en Stbl. 1838, No. 40 zijn toepasselijk verklaard: bij Stbl. 1846, No. 25 op het eiland Banka, en bij Stbl. 1853, No. 56 voor de Westerafdeeling van Borneo, welk verbod voor laatstgenoemd gewest echter bij Stbl. No. 80 is ingetrokken *.
* Toen Duymaer van Twist als Gouverneur-Generaal optrad, kreeg hij na de aanvaarding van het bestuur hoogst ongunstige indrukken omtrent de Chineezen.
De in den bundel "berichten over de werking der passerpacht" beschreven kwellingen en afzetterijen, door Chineezen denweerloozen inlander aangedaan, schreiden ten hemel. In 1851 werd dan ook de passerpacht afgeschaft. Bij het verdwijnen van dit middel onderging de politieke kracht van den Chinees een geduchten knak.
In het midden van 1851 vernam de resident van Japara door geheime nasporingen, dat de Chineezen te zijnent en elders het plan smeedden, om op een feestdag in Augustus, indien zich dan een gunstig verschijnsel vertoonde, een beslissenden stap te doen , betere voorwaarden omtrent verblijf af te dwingen, enz. Op zijn betoog zond de regeering naar Japara een kompagnie Afrikanen en 40 man kavalerie. Daar en elders werden een aantal Chineezen genoeg schuldig bevonden om in hechtenis genomen, 19 om uit Nederlandsch-Indië verwijderd te worden. De afkondiging van Stbl. 1851, No. 63 was er ook het gevolg van. (Zie verder het Hoofdstuk: De Chineesche geheime genootschappen).
Talrijke ontduikingen van 's lands rechten door Chineezen, vooral ten opzichte der opiumpacht kwamen aan het licht. Alleen in Rembang en Pasoeroean werden in 1852 niet minder dan 25 kisten gesloken opium achterhaald, en wat men daarbij bevond duidde op een veel grootere hoeveelheid, die ontsnapte. De hoofdaanleggers van dezen sluikhandel waren rijke Chineezen. Men betrapte er enkelen, meest pachters en onderpachters, ook suikerfabrikanten. De vermogende sluikers in Pasoeroean, door huwelijken aan verscheidene inlandsche hoofden verwant, bij de bevolking zeer ontzien, sloegen tegen den resident, toen deze den getrouwen en kundigen patih van Pasoeroean met een onderzoek belastte, een verregaand stoutmoedigen toon aan. De Gouverneur-Generaal verbande drie van hen voor onbepaalden tijd naar Banda, drie naar Ternate en twee naar Ambon, om er te verblijven onder streng toezicht der politie. Voor dit bevel bukten zij. Wegens hun voorafgegane openbare trotseeringen des bestuurs, werd het op openbare, plechtige wijze voltrokken. Nadat zij in hechtenis genomen waren, verscheen in den vroegen morgen van 10 Maart 1855 onverwachts een oorlogstoomschip der eerste klasse ter reede van Pasoeroean. Al spoedig verspreidde zich onder alle standen der bevolking de mare, dat daarmede de Chineesche "groote heeren" buiten Java zouden worden "uitgeworpen". Duizenden stroomden langs de beide oevers van de rivier samen, om het naar boord brengen bij te wonen. Gelijk vanzelf spreekt geschiedde dit vrij langdurig vervoer onder behoorlijk gewapend geleide. Rust en orde werden geen oogenblik verstoord.
Bovenstaande feiten brachten de Indische regeering er toe om een minder vrijgevige staatkunde jegens de Chineezen te volgen. De uitzonderingen op het verbod van den aanvoer van nieuwelingen werden met 1 Juli 1852 ingetrokken, en beperking der aanwezige Chineezen werd als beginsel op den voorgrond gesteld. De talrijke Chineezen in de residentie Semarang werden bijeen gebracht in zes verblijfplaatsen (wijken of kampen), die in Rembang in slechts drie, in Krawang in vier. Die daarbuiten woonden moesten binnen een bepaalden tijd verhuizen, tenzij zij gebezigd werden bij de pachten of op de landbouwondernemingen, of wel op de hoofdplaatsen van distrikten vastigheden bezaten van minstens f 300 waarde; deze eigendommen mochten echter bij overgang niet meer door Chineezen bewoond worden. In Rembang werden langs de kust niet minder dan 20 Chineesche vestigingen geheel opgebroken. Ook door toepasselijkverklaring op Vreemde Oosterlingen van sommige deelen der wetboeken voor Europeanen (Stbl. 1855, No. 79) trachtte men de Chineezen te beteugelen. De Europeesche koopman zou daardoor meer vat hebben op den Chinees bij bedriegerijen. Ook de regeering in Nederland achtte nu beteugeling en beperking der Chineezen noodig. In het Regeeringsreglement van 1854 werd de verplichting tot het wonen in wijken voorgeschreven. (Artikel 73. Zie blz. 145). Tot aanwijzing der wijken werd in October 1856 aan den heer E. de Waal opgedragen, om na overleg met de gewestelijke besturen, voorstellen te doen. Dit overleg had mondeling plaats gedurende een reis in de jaren 1856 en 1857, doch door ziekte bereisde de Waal slechts elf gewesten. De door hem geraadpleegde residenten kwamen met hem hoofdzakelijk overeen, om bij de in te dienen voorstellen uit te gaan van het beginsel: zooveel mogelijk beteugeling der Chineezen. Voortdurende wering van Chineesche nieuwelingen dus, de in Nederlandsch-Indië aanwezige Chineezen samen te brengen in een klein getal wijken, geen wijken aan te wijzen dan waar een Europeesch ambtenaar, met politiemacht bekleed, het gezag voert, of wel in de onmiddelijke nabijheid van zulk een ambtenaar. Geen Chineesche hoofden beneden den rang van officier aan te stellen; want de zoogenaamde wijkmeesters bieden zeer weinig waarborgen aan. De Chineezen buiten de wijken moeten staan onder het inlandsche bestuur. Voorloopig bleef het bij die voorstellen; eerst in 1866 werden bij Stbl. No. 56 en 57, nieuwe regelen omtrent toelating en verblijf van Chineezen gegeven, in een geheel anderen geest dan die overheerschend was in de jaren 1851-1856. De bepalingen werden in 1872 bij Stbl. No. 42, nog in iets milderen geest herzien. (Zie blz. 131).
Uit een politiek oogpunt is ten opzichte der Chineezen nog van belang het medegedeelde in het Koloniaal Verslag van 1887 waar men leest: "In Tegal en Pekalongan bleken onder een deel der daar gevestigde Chineezen, namelijk de singkehs (in China geborenen), woelingen voorbereid te worden, waarop ook in bij het bestuur ontvangen anonyme brieven gedoeld was. Het verscherpte bestuurstoezicht op de gangen van sommige Chineezen uitgeoefend, belette dat de plannen tot rijpheid kwamen. Vermoedelijk waren de maatregelen tot bestrijding van den sluikhandel in opium aan de zaak niet vreemd. Zeker is het, door enkele arrestatiën en huiszoekingen aan het licht gebracht, dat o. a. te Klidang (Pekalongan) en te Tegal werkelijk oproerige neigingen onder Chineezen hadden bestaan, met vertakkingen te Batang (Pekalongan) en te Semarang."
Na dien tijd zijn de Chineezen rustige onderdanen van het Ned.-Indische Gouvernement geweest. Omtrent de in de laatste jaren op den voorgrond getreden Chineesche kwestie zal hierna worden gehandeld.
De door de volkstelling van 1905 verkregen bevolkingscijfers *, welke, wat aangaat de Europeanen en Chineezen, veel vertrouwen verdienen, en die, betreffende de inlanders, met de noodige restrictie behooren te worden aangenomen, toonen aan, datvan de 563.449 Chineezen ultimo 1905 in Nederlandsch-Indië aanwezig, er 295.193 op Java en Madoera wonen, en 268.256 in de Buitenbezittingen, dus wat aangaat die beide gebieden in de verhouding van 10 : 9 ongeveer.
In 1880 bedroegen de cijfers voor Java en Madoera 206.931 Chineezen en voor de Buitenbezittingen 136.862 dus in 25 jaren voor Java en Madoera eene vermeerdering van 88.262 of 44 % en voor de Buitenbezittingen 131.394 Chineezen of bijna 50 %. Hiertoe heeft Sumatra's Oostkust het meeste bijgedragen.
In dat tijdvak 1880-1905 steeg op Java en Madoera het
| aantal | Europeanen | van | 33.708 | tot | 64.917. |
| " | Arabieren | " | 10.506 | " | 19.148. |
| " | andere Vr. 0. | " | 2.547 | " | 2.842. |
| " | inlanders | " | ruim 19,5 millioen tot ruim 29,7 millioen. | ||
De percentsgewijze toename der Chineezen op Java blijft dus belangrijk achter bij die der Europeanen en Arabieren, welke categoriën van personen nagenoeg verdubbeld zijn, en nog meer achter bij de percentsgewijze toename der Inlanders, die bijna 53 % bedroeg.
Waar in 1880 de Chineezen nog iets meer dan 1 % der totale bevolking, toen bijna 19,8 millioen bedragende, uitmaakten, bleven zij in 1905 beneden de 1 %. Terwijl in 1880 de verhouding der Europeanen tot de Chineezen was ongeveer van 2 : 12, was die in 1905 van 2 : 9.
Gaan we na hoe de verspreiding der Chineezen op Java en Madoera is, dan zien we, dat bijna het derde deel van het totale aantal, gevestigd is in de residentie Batavia, waar de Chineezen ongeveer 4,5 % der bevolking uitmaken; in Cheribon vormen zij nog ongeveer 1,3 % der bevolking, overal elders blijven zij beneden de 1 %, terwijl de verhouding tot de totale bevolking het geringst is in Madoera, waar die nog geen 1/5 % is.
Men moet bij die verhoudingscijfers vooral niet vergeten dat de Chineezen gecontrentreerd zijn op plaatsen, waar wijken voor hen zijn aangewezen, en dat ruim 1/5 van het totale aantal der Chineezen op Java en Madoera gevestigd is in de drie voornaamste handelssteden; immers Batavia telt 28.150, Semarang 13.636 en Soerabaja 14.843 Chineesche inwoners, te zamen 56.629 Chineezen.
In elk gewest van Java en Madoera zijn de Chineezen voor het grootste deel gevestigd op de gewestelijke en afdeelingshoofdplaatsen (uitgezonderd de gewesten Batavia, Cheribon en Banjoemas). Het sterkst geconcentreerd zijn de Chineezen in de residentie Djokjakarta, waar nagenoeg allen zijn gevestigd op de hoofdplaats.
Van de 295.193 Chineezen op Java en Madoera wonen er 168.472 op de gewestelijke en afdeelingshoofdplaatsen (Bangkalan niet mede gerekend). Van de overige 126.721 Chineezen elders in de gewesten wonenden, zijn er nog 72.606 gevestigd in de residenties Batavia en Cheribon, zoodat voor geheel overig Java en Madoera slechts 54.115 Chineezen wonen buiten de gewestelijke en af?deelingshoofdplaatsen.
Wanneer men bedenkt dat hiervan het grootste aandeel woont op de onderafdeelingshoofdplaatsen, dan ziet men hoe zeer weinig Chineezen wonen buiten de onmiddelijke nabijheid van Euro?peesche bestuursambtenaren, hoe streng het wijkenstelsel de Chineezen weert uit de binnenlanden van Java en Madoera *.
In de Buitenbezittingen steeg het aantal Europeanen in het tijdvak 1880-1905 van 7.966 tot 15.993 en verdubbelde dus ongeveer, evenals dat met de Chineezen het geval is geweest. De verhouding van de Europeanen tot de Chineezen is hier gebleven van 1: 17.
De meeste Chineezen vinden wij in de residenties Sumatra's Oostkust, Riouw, Banka en de Westerafdeeling van Borneo, die tezamen 209.798 Chineezen tellen, terwijl alle andere gewesten der Buitenbezittingen gezamelijk slechts 58.458 Chineezen tellen.
Gezamenlijk maken de Chineezen in de Buitenbezittingen ongeveer 3,5 % der totale bevolking uit. In Sumatra's Oostkust vormen zij ruim 17 %, in Riouw 16 %, op Banka 38 % en in de Westerafdeeling van Borneo ongeveer 11 % der totale bevolking.
Men krijgt al dadelijk eene voorstelling van de geheel andere omstandigheden, waarin de Chineezen op Java en Madoera leven in tegenstelling met die op de Buitenbezittingen, indien men let op de cijfers betrekking hebbende op het verschillend geslacht. Op Java en Madoera waren er ulto. December 1905 van het mannelijk geslacht 157.870 personen tegen 137.323 van het vrouwelijk geslacht, terwijl de cijfers zijn voor de belangrijkste Chineezengewesten der Buitenbezittingen:
| Leeftijd. | Oostkust van Sumatra. | Westerafd. van Borneo. | Banka. | Riouw. | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| man. | vr. | man. | vr. | man. | vr. | man. | vr. | |
| van 1-6 jaren. | 2.164 | 2.165 | 9.189 | 8.561 | 5.972 | 4.956 | 1.202 | 809 |
| " 16-50 jaren. | 85.057 | 4.081 | 17.616 | 8.641 | 22.570 | 5.827 | 13.654 | 1.585 |
| boven de 50 jaren. | 5.425 | 344 | 2.708 | 1.633 | 3.520 | 878 | 1.036 | 205 |
| 92.646 | 6.590 | 29.513 | 18.835 | 32.062 | 11.661 | 15.892 | 2.599 | |
Wanneer we thans de Chineezen op Java en Madoera nader beschouwen, dan is een der eerste vragen die zich aan ons opdoet: hoe komt het nu, dat we in de laatste jaren, tegenover die slechts 1 % der bevolking uitmakende Chineezen in eene zoo moeilijke positie zijn gekomen? Tot voor kort hebben wij hen slechts gekend als vreedzame burgers *, gehoorzame onderdanen, goede belasting betalers *, die oogenschijnlijk met ons bestuur geheel tevreden waren. Van waar die veranderde houding, die vrij plotseling zich uitende ontevredenheid? Duurde die misnoegdheid wellicht al langen is de openbaring er van het gevolg van het wegtrekken van het gordijn, dat den bestaanden toestand verborg?
Wij hebben wel sedert onzen komst in den archipel tegenover de Chineezen, die zich toen reeds aldaar bevonden, en tegenover hunne later komende rasgenoten, eene steeds wisselende houding aangenomen. Dan weer werden de Chineezen als onmisbare elementen beschouwd, van wie veel nut en voordeel getrokken konden worden, dan weer werden zij met wantrouwen gade geslagen; hunne komst op Java werd dan zooveel mogelijk belemmerd. Ja, eens ging de haat jegens hen zoo ver, dat in 1740 bij eene groote moordpartij meer dan 10.000 Chineezen werden afgemaakt.
En toch, van eene Chineesche kwestie in de gedaante, zooals zij thans te voorschijn is getreden, was in vroegere jaren geen sprake. Men had toen alleen te maken met de verhouding tusschen de regeering en de Chineezen. Bij alle maatregelen, ten opzichte der Chineezen genomen, beoogde de regeering, toen deze nog was de koopmansregeering van de Oost-Indische Compagnie, alleen de belangen dier Compagnie, toen zij later was vertegenwoordigster van het rijk in Europa, de belangen van het moederland. Of daarbij werden geschaad de belangen van de in Indië wonende Europeanen, of van de Inlanders, kwam er betrekkelijk weinig op aan.
Daar de regeering nagenoeg uitsluitend lette op de belangen van den fiscus, was het niet te verwonderen, dat zij de Chineezen weerde uit de binnenlanden, indien deze lieden daar als hare concurrenten dreigden op te treden, doch hunne toelating toestond, waar de pachtmiddelen zulks vereischten.
Wat zouden de opbrengsten der opium-, pandhuis- en speelpachten enz. zijn geweest, indien men den Chineeschen bondgenoot in de binnenlanden niet had gehad? Waar men den Chinees dikwerf hard viel om zijn schraapzucht, zijne uitbuiting ten nadeele der inlandsche bevolking, vergete men niet, dat achter den Chinees stond de regeering, die, in hare onderdanen vooral eene bron van geldelijk voordeel ziende, voor eene rendabele exploitatie van die bron den Chinees in dienst nam.
Toen met de veranderde tijdsomstandigheden en opvattingen van koloniaal bestuur, de regeering overging tot eigen beheer van de vroeger verpachte middelen, schakelde zij den Chinees uit hare verhouding tot de inlandsche maatschappij. De Chinees, met zijn kapitaal geplaatst buiten het arbeidsveld, tot dusver zoo voordeelig door hem bewerkt, zag om naar andere terreinen voor plaatsing van zijne vrijgekomen gelden. Was tevoren de Chineesche kwestie, zoo zij al mocht bestaan hebben, eene, die de regeering en hare Chineesche onderdanen betrof, nu nam zij eene andere gedaante aan en bedreigde den Europeeschen kolonist. De kapitaal-krachtige Chinees zag weldra in, dat, waar hem de toegang tot de inlandsche maatschappij geheel was afgesloten, hij zich moest opwerken tot de tot dusver alleen door Europeanen ingenomen positie, wilde hij de vele beletselen voor de vrije ontwikkeling van zijne economische talenten doen vallen.
De tijdgeest was hem gunstig. Met krachtige hand had deze het Oosten toegankelijk gemaakt voor het Westersche weten. En toen een der Oostersche rijken zich met het wapen in de vuist had doen opnemen in de rij dier mogendheden, die zich zelven als dragers der hoogste menschelijke beschaving beschouwen, verloor het blanke ras in de oogen van den Oosterling het monopolie van superioriteit. Het bewustzijn drong tot hem door van de mogelijkheid om de meerdere kennis van den Westerling eveneens in zich op te nemen, en met dat bewustzijn ontstond bij de hoogststaanden der verschillende rassen der Oostersche maatschappij de drang naar onderwijs.
Op Java nu nam de Chinees in het streven naar ontwikkeling eene voorste plaats in. Luider dan de stem van den bescheiden Javaan liet hij zijn eisch om onderwijs weerklinken, en toen de regeering met Hollandsche bedachtzaamheid wat lang uit bleef met de vervulling der billijke verlangens, hielp de Chinees zich zelf, en allerwegen verrezen de scholen der opgerichte Tiong Hoa Hwe Koan-vereeniging.
Waar hulp der Hollandsche regeering in den eersten tijd op zich liet wachten, bood China steun, en de regeering van dit land, profiteerende van de voor haar gunstige stemming van de Java-Chineezen, zond inspecteurs en mandarijnen om de, zij het misschien uit baatzuchtige overwegingen betoonde gevoelens van trouw en aanhankelijkheid, te versterken *. De beste leerlingen der Chineesche scholen op Java liet de Chineesche regeering op hare kosten naar Nanking overkomen, daardoor een bewijs van belangstelling gevende, dat dubbel gewaardeerd werd, waar het Hollandsche bestuur tot dusver zoo stiefmoederlijk had gehandeld.
Zoo zag menig Java-Chinees den weg, die naar de positie van gelijkwaardigheid met den Europeaan zou leiden, gaan in eene richting via China, verwachtte hij van dat land de opruiming der bepalingen, die hem als ras achteruit zetten. Meer dan ooit ging hij zich Vreemden Oosterling, Chinees van China voelen, om des te meer kans te hebben, langs diplomatieken weg de gelijkstelling met Europeanen te verkrijgen.
Hebben de Chineezen, die zulks deden, den juisten weg gekozen?
Men mag het betwijfelen. Immers, onze regeering kan en mag niet toelaten, dat thans, op aandrang van China, aan alle Chineezen de gelijkstelling met Europeanen wordt verleend, zoolang niet tal van onze wetten zijn gewijzigd. Door alle Chineezen tot de positie van den Europeaan te verheffen, plegen wij een groot onrecht tegenover de klasse van hoogstaande inlanders, die ons met recht voor de voeten zullen gooien, dat wij hen achterstellen bij den minsten Chineeschen koelie.
Wat zullen de gevolgen wezen der gelijkstelling der Java-Chineezen voor de wet met Europeanen?
Laten wij, alvorens die vraag te beantwoorden, eerst nagaan hoe de huidige economische positie der Chineezen is.
Volgens de in 1905 verzamelde gegevens betreffende de beroepen en bedrijven, * zien wij, dat 20,500 Europeanen een beroep uitoefenen tegen 77,700 Vreemde Oosterlingen *. Weinig concurrentie van Vreemde Oosterlingen ondervinden een kleine 10,000 Europeanen, die direct of indirect aan het Gouvernement hun levensonderhoud danken, zooals ambtenaren, gepensionneerden, notarissen enz. De resteerende ruim 10,500 Europeanen onderhouden zich, evenals de Vreemde Oosterlingen door handel, nijverheid, landbouw en andere beroepen.
De statistiek wijst aan, dat in den handel zijn betrokken 2,400 Europeanen naast 32,000 Vreemde Oosterlingen. In het algemeen kan men zeggen dat de Europeesche en de Chineesche handel elkander aanvullen; immers, de eerste is groot-, de laatste tweedehandshandel. Als 2de handshandelaar kan de Europeaan bijna niet tegen den Chinees concurreeren; deze is op dat terrein zoo goed als alleen-heerscher, en daarvan gebruikmakende kan hij, door aaneen sluiting, druk uitoefenen op den Europeeschen groothandelaar. De plaats gehad hebbende boycots hebben dat bewezen. Als groothandelaar ondervindt de Europeaan bovendien de mededinging van de vroeger in gouvernementspachten vastliggende, sedert vrijgekomen Chineesche grootkapitalen.
Door gelijkstelling der Chineezen met Europeanen zal hunne 2de handshandel, wegens het daardoor ontstane vrije verkeer op Java, nog krachtiger worden; en voor de toekomst zal een opkomen van den Europeeschen kleinhandelaarsstand zeer moeilijk zijn.
Voor de inlandsche bevolking daarentegen is die instrooming van Chineesche handelaren in de dessa's niet altijd en overal nadeelig. Wanneer men de afdeelingsverslagen van de Mindere Welvaartcommissie inziet en wel die, behandelende de uitkomst der onderzoekingen naar handel en nijverheid, dan vindt men de meest verschillende antwoorden op de vraag (No. 369 c. welke vraag luidt): "Wordt de uitbreiding van den handel belemmerd door toelating en verblijf van Oostersche vreemdelingen in de binnenlanden, waardoor de inlandsche handelaar als het ware verdrongen wordt?" *
Die antwoorden hebben het nadeel van zeer subjectief te zijn, doch zijn aan den anderen kant leerzaam, omdat zij de meeningen leeren kennen van de commissies van onderzoek, hoofdzakelijk van de officiëele bestuurders dus. In het algemeen genomen is men in West-Java zeer voor, in Oost-Java tegen de toelating van den Chineeschen handelaar in de binnenlanden, terwijl in Midden-Java de voor- en nadeelen even groot worden geacht. Doch een onbelemmerd toelaten der Chineezen wordt bijna nergens wenschelijk geacht. Steeds houdt men vast aan de voorwaarden: "strenge controle" en "tijdelijkheid der te verleenen vergunning" om bij gebleken misbruiken dadelijk tot intrekking te kunnen overgaan. Waar de antwoorden aldus luiden kan men niet verwachten, dat de regeering zonder meer den Chinees voor de wet gelijk zal stellen met den Europeaan. Trouwens, ook het nieuwe artikel 109 van het Regeeringsreglement maakt uitdrukkelijk onderscheid tusschen:
| a. | bepalingen | voor | Europeanen; |
| b. | " | " | Inlanders; en |
| c. | " | " | vreemde Oosterlingen. |
De bovengestelde voorwaarden, waaronder volgens de Mindere Welvaart-Commissie, de ruimere toelating in de binnenlanden kan geschieden, namelijk "strenge controle" en "tijdelijkheid van de te verleenen vergunning" brengen mede een passenstelsel. Eene algeheele afschaffing daarvan zal de eerstvolgende regeling ons dus waarschijnlijk niet brengen. Trouwens, de Gouverneur?-Generaal heeft zelf eene algeheele herziening van het passenstelsel in uitzicht gesteld, geene afschaffing. Ook het behoud van de verplichting tot het wonen in wijken is te verwachten.
De statistiek wijst verder aan, dat 4600 Europeanen en 9200 Vreemde Oosterl. hun levensonderhoud in den landbouw vinden. Hier bestaat tusschen beide rassen veel minder belangenstrijd dan in den handel. Van de 9200 landbouwende Vr. 0. bevinden er zich reeds 8500 in de residentie Batavia, zoodat voor geheel overig Java slechts 700 Vr. 0. tegen den Europeaan in het strijdperk kunnen treden. De Chinees nu is behalve particulier landeigenaar ook erfpachter en inhuurder van gronden der bevolking op kleinere schaal. Als concurrent van den Europeaan is hij thans op landbouwgebied hoofdzakelijk te vreezen als particulier landeigenaar. Vroeger was hij door zijn erfrecht, dat gericht was op behoud van het groot-landbezit, veel bevoorrecht boven den Europeaan en den Inlander, die een op verdeeling gericht erfrecht hebben. Thans, nu de bepalingen betrekkelijk de legitieme portie van toepassing zijn verklaard op de erfenissen der Chineezen, is zulks wel verminderd, maar niet geheel, want nog steeds worden alleen de mannelijke erfgenamen tot het erven bij versterf geroepen. De vrees, vroeger wel eens geuit, dat er in de op Java levende maatschappij een machtige stand van Chineesche landeigenaren zal ontstaan, behoeft niet groot te zijn, waar de regeering terugkoop of onteigening der particuliere landerijen in het uitzicht heeft gesteld.
Indertijd stelde het kamerlid Mr. Fock voor, om daarbij aanvankelijk alle Vreemde Oosterlingen van de perceelen te verwijderen, terwijl later wellicht aan enkelen vrijheid zal worden gelaten zich op het tot het staatsdomein teruggebrachte perceel te vestigen. Zoodra de regeering tot den terugkoop of de onteigening overgaat, worden wederom groote Chineesche kapitalen gedwongen naar andere beleggingsoorden om te zien, en wordt daarbij de Chineesche bevolking uit de teruggekochte of onteigende perceelen verdreven, dan zal de thans heerschende ontevredenheid onder de Chineezen een veel grooteren omvang nemen, en mijn inziens, terecht. Ik kan mij dus niet vereenigen met het door Mr. Fock geopperde plan, en zou liever de van hunne landsheerlijke rechten beroofde Chineezen willen laten waar zij zijn.
Met een enkel woord wijs ik hier nog op de waarschijnlijkheid van groote toeneming van clandestien grondbezit door Chineezen in streken, waar de inlander individueel grondbezitter is, zoodra den Chineezen grootere vrijheid van beweging over Java wordt toegestaan *.
Bij de door de statistiek opgegeven getallen van 2000 Europeanen en 6000 Vreemde Oosterlingen, die in nijverheid en ambacht hun bestaan vinden, merken we op, dat ook die personen tegen elkander concurreeren, waarbij thans de Europeaan nog bevoorrecht is door zijne betere positie. Doch boven de speciale belangen van den Europeeschen ondernemer staat het algemeen belang, en vooral ten opzichte van een opbloeien van Java in industrieëlen zin, kan de Chinees ons gewichtige diensten bewijzen. Men wil thans door het geven van ambachtsonderwijs den landbouwenden Javaan, voor zoover zulks wenschelijk en mogelijk is, herscheppen in een ambachtsman, doch men vergeet, dat door theoretische kennis alleen, deze gedaanteverwisseling niet in het leven te roepen is. Praktijk is eveneens noodig, en die praktijk kan de Javaan opdoen bij den Chinees. Geef den Chinees mogelijkheid in de binnenlanden industrieën in het leven te roepen, de Javaan zal er van profiteeren.
Het is te voorzien, dat bij meerdere vrijmaking van Chineesche kapitalen (bv. door de opheffing der particuliere landerijen) ook in nijverheidsondernemingen veel geld zal worden gestoken. Ik wijs hier terloops op de na de invoering der opium- en pandhuisregie opgerichte Chineesche houtaankapmaatschappijen, die in Rembang zoo hoogst nuttig voor het algemeen belang werken.
Ten slotte blijven over 1700 Europeanen en 30,000 Vreemde Oosterlingen, levende door het uitoefenen van diverse beroepen. Wat de Chineezen aangaat, velen hunner zijn loonbedienden en koelies bij hunne eigen rasgenooten en ook bij Europeanen. Hier hebben Europeanen en Chineezen geen belangenstrijd.
Tot dusverre stelde ik in het licht eenige gevolgen, verbonden aan eene gelijkstelling van alle Chineezen * op Java en Madoera met Europeanen, dus in de oogen van hen, die zoo bang zijn voor het toekennen van meerdere rechten aan Chineezen, de ongunstigste mogelijkheid. Maar, zooals men op blz. 203 lezen kan, zoo ver ga ik niet. Volgens het aldaar voorgestelde zullen de meeste Chineezen, wat rechten en plichten aangaat, gelijkgesteld worden met de Inlanders.
Geen Chineezenvrees heeft mij er toe geleid, om alle onontwikkelde Chineezen terug te willen dringen in de inlandsche maatschappij, doch de overweging, dat die personen eerder in de inlandsche, dan in de Europeesche maatschappij behooren.
Indien de inlandsche maatschappij die Chineezen in zich opneemt, zal haar zulks ten goede komen; op de wijze, zooals ik boven reeds aangaf, zal de Chineesche handelaar leven en vertier in de binnenlanden brengen, hij zal er klein-industriën en ambachten scheppen, hij zal er het drijven van landbouw op hoogeren peil voeren.
En, ik wil het hier terloops even opmerken, zoogoed als de ontwikkelde Chineezen voor de wet met de Europeanen gelijkgesteld behooren te worden, dient zulks ook te geschieden met de hoogontwikkelde leden der inlandsche maatschappij, indien zij dat tenminste verzoeken, wat nog de vraag zal zijn.
Wij hebben nu in vogelvlucht gezien, waar en hoe de Chineezen op Java en Madoera leven en werken; welke positie zij in de maatschappij aldaar innemen. Zonder mij nu verder te willen verdiepen in de vraag, op welke wijze de regeering de Chineesche kwestie zal oplossen, eene vraag, die toch niet juist te beantwoorden zal zijn, daar de regeering hare voornemens in deze slechts voor een deel heeft geopenbaard, wil ik hier eene schets geven van de noodzakelijk te nemen maatregelen om de Chineesche beweging te brengen in banen, die haar zullen leiden naar het in het algemeen belang gewenschte doel.
Allereerst: de kwestie der immigratie.
Voor Java, met zijne dichte, steeds toenemende bevolking * kan eene toestrooming van immigranten alleen wenschelijk zijn, indien de hoedanigheid dier lieden factoren in zich bevat, welke strekken kunnen tot vermeerdering of bespoediging van de ontwikkeling der reeds aanwezige bewoners. Dank zij onze liberale wetgeving te dien opzichte staat Java voor een ieder, bijna zonder eenige restrictie, open, en stroomen dan ook jaarlijks een 4000 tal Chineezen dit voor hen gastvrije land binnen *. Nu bevatten deze arme en berooide, weinig ontwikkelde immigranten geene elementen, die dadelijk mede kunnen werken aan de opheffing van Java, hetzij in geestelijken of in materieelen zin. Zeker, er zullen onder die nieuw-aangekomenen enkele personen zijn, die zich na verloop van tijd kunnen ontwikkelen tot voor de gemeenschap nuttige leden, doch verreweg de meerderheid leidt een armoedig bestaan, en wordt geëxploiteerd door de reeds gevestigde rasgenooten. Java heeft die Singkehs niet noodig; ons eigen belang schrijft ons dus ten hunnen opzichte voor: "sluiting van Java".
Onze toelatingswetgeving behoort dus in dien zin veranderd te worden, dat alleen voor welgestelde of bekwame Chineezen Java open staat. Voor de toelating is een eisch naar bekwaamheid of het betalen van een hoog toelatingsrecht noodzakelijk.
Bij sluiting van Java voor de arme Singkehs zullen de thans reeds op dat eiland gevestigde Chineezen ter voorziening in de voor hunne zich uitbreidende industrieën vereischte arbeidskrachten zich moeten wenden tot de inlandsche bevolking. Daar die vraag naar inlandsche arbeidskrachten geleidelijk aanvangt en toeneemt, zal er gelegenheid zijn voor den Chineeschen werkgever om door gestadige uitbreiding van het inlandsche personeel, dit laatste voor zijne taak berekend te maken.
Waar we met de kwestie der immigratie te doen hadden met de in Nederlandsch-Indië binnenkomende Chineezen, met de vreemdelingen, zullen we thans onze aandacht een oogenblik wijden aan de in Nederlandsch-Indië gevestigde Chineezen.
In welke verhouding staan nu die laatst bedoelde Chineezen tot den staat? Zij zijn ingezetenen, doch geen Nederlanders, maar wel Nederlandsche onderdanen, hoewel dewetgever dit laatste nergens uitdrukkelijk verklaart. De regeering heeft er zich tot dusver van afgemaakt met eene negatieve bepaling. Zij beschouwt als Nederlandsche onderdanen, ten minste zoo lang dit onderwerp niet door eene speciale wettelijke verordening is geregeld, hen die in Nederlandsch-Indië zijn geboren uit mede aldaar gevestigde ouders, met uitzondering van hen, die als onderdanen van een anderen staat moeten worden erkend. (Bijblad. No. 5909).
Door deze laatste zinsnede wordt de geheele bepaling op losse schroeven gezet. Wie worden nu als onderdanen van een anderen staat erkend? Deze vraag is vooral met betrekking tot de in Indië levende Chineezen van belang. Zijn de op Java levende Chineezen onderdanen van den Keizer van China, zij, die van ouder tot ouder op Java woonden, inlandsche vrouwen tot echtgenooten namen, terwijl bij hen zelfs de Chineesche spreek- en schrijftaal in het vergeetboek raakte? Men kan dat toch moeilijk volhouden. O zeker, onze regeering heeft hen steeds beschouwd als Vreemde Oosterlingen, houdt hen kunstmatig in de categorie der vreemdelingen. Doch gesteld, dat China zich wilde mengen in de aangelegenheden der Java-Chineezen met de bewering, dat die Java-Chineezen behooren tot de onderdanen van het Chineesche rijk, dan zou onze regeering ongetwijfeld zulk eene inmenging niet dulden, en het beweerde Chineesche onderdaanschap niet willen erkennen.
Wie is Chinees? Feitelijk is dat eene vraag die thuishoort op het gebied der ethnologie. Een begrip van nationaliteit kent de Chinees in het algemeen niet. Het woord Chinees duidt aan een rasbegrip. Wel is de Chineesche regeering in den laatsten tijd bezig dat rasbegrip om te zetten in een nationaliteitsbegrip. Die pogingen worden ook gedaan bij de in het buitenland wonende Chineezen. Deze laatsten, levende onder verlichter regeeringen, zullen eerder dat begrip van nationaliteit in zich kunnen opnemen, dan de talrijke millioenen in de binnenlanden van China zelf.
Onze regeering behoort nu de Chineesche voor te zijn. Zij moet, onafhankelijk van China, het onderdaanschap onzer Chineesche ingezetenen regelen.
Er moet worden in het leven geroepen eene algemeene regeling van het Nederlandsche onderdaanschap, aangevende de wijze waarop het wordt verkregen en verloren, benevens de rechten en verplichtingen aan dat onderdaanschap verbonden. Uit die regeling moet volgen:
"Nederlandsch onderdaan door geboorte is de Chinees, in Nederlandsch-Indië geboren uit aldaar gevestigde ouders."
Hierdoor wordt verder voorkomen, dat de in Indië wonende Chineezen zich gaan rekenen te behooren tot het staatsverband van het Chineesche rijk, een denkbeeld dat kans heeft geleidelijk veld te winnen. Wanneer wordt overgegaan tot de toelating van Chineesche consuls, dan zullen die inheemsche Chineezen buiten hunne bemoeienis blijven.
Ik kan hier met genoegen constateeren, dat de regeering, getuige de bij Koninklijke Boodschap van den 16den 11 April 1909 ingediende ontwerpen van wet:
de door mij voorgestane richting uit wil *.
Nadat we de kwestiën van immigratie en onderdaanschap zullen hebben geregeld, kunnen we overgaan tot behandeling van de eischen, die de Jong-Chineesche partij op Java thans laat hooren. Die eischen betreffen:
1o. opheffing van het passenstelsel en van de verplichting tot het wonen in wijken, 2o. het verkrijgen van beter onderwijs, en 3o. zoo mogelijk, en dit is wel de belangrijkste eisch, volkomen gelijkstelling met Europeanen.
Wat nu het passenstelsel en de verplichting tot het wonen in wijken aangaat, we hebben te voren reeds even opgemerkt * dat beiden bestendigd zullen worden in de door de regeering te geven nieuwe regeling. In een Gouvernementsbesluit van den 16den Januari 1905 no. 222a spreekt de Gouverneur-Generaal hoop uit dat de nieuwe wijkenordonnantie spoedig zal kunnen verschijnen en hij verlangt intusschen, dat met het terugzenden naar de voor hen aangewezen wijken van Chineezen, die gedu?rende meerdere jaren als rustige ingezetenen in de dessa's hebben gewoond, zal worden gewacht, totdat de nieuwe ordon?nantie zal zijn tot stand gekomen, aangezien er een voorschrift in is opgenomen, waardoor dergelijke langdurige vestigingen zullen worden gewettigd. (Bijblad No. 6312, zie blz. 147).
Aan de verlangens der Chineezen * zal dus niet geheel worden voldaan, doch uit het bovenstaande concludeer ik met genoegen, dat de regeering eene liberaler regeling zal geven, dan velen harer adviseurs wenschelijk achten, die de Chineezen zooveel mogelijk uit de binnenlanden willen houden.
En toch, de tijd zal komen, of de regeering wil of niet, dat het passenstelsel en het systeem van opsluiting in wijken vervallen zullen. In onze eeuw van steeds vermeerderend verkeer per boot, per spoor en tram, weldra ook per automobiel, zal de handhaving van het passenstelsel spoedig gevoeld worden als zulk eene belemmering van de persoonlijke vrijheid, zal blijken zulk een beletsel te zijn voor het drijven van handel, dat de onhoudbaarheid dier maatregelen ieder duidelijk zal zijn.
Terecht, immers, nadat op de wijze, zooals ik reeds aangaf, het overgroote deel dier Chineesche bevolking tot onze onderdanen zal zijn verklaard, is eene handhaving van dwangwetten voor slechts het één honderdste deel der bevolking van Java ter bescherming van de rest, gelijk aan eene verklaring van minderwaardigheid van die rest, welke zij niet verdient. Is de Javaan dan zoo economisch zwak, dat een enkele Chinees hem ten verderve stort?
Neen, vrijheid van beweging voor al onze onderdanen, daar moet het heen. Deinst de regeering terug om dadelijk, in eens, die vrijheid te decreteeren, zij kan overgangsmaatregelen treffen, die den gewenschten toestand zullen inleiden. Die maatregelen moeten van tijdelijken aard zijn, bestemd om spoedig te verdwijnen. De tijdelijkheid ervan moet niet zijn van die soort, die een gooi doet naar de eeuwigheid, zooals in Nederlandsch-Indië wel eens voorkomt.
Bij wijze van overgangsmaatregel kan bv. al dadelijk worden toegestaan aan elken Chinees, voorzien van een identiteitsbewijs, om zich zonder pas te bewegen langs alle heerendienstwegen op Java en Madoera, en te overnachten op alle districts- en onderdistrictshoofdplaatsen aan die wegen gelegen. In verband hiermede moet aan elken in Nederlandsch-Indië geboren Chinees worden toegestaan zich metterwoon te vestigen op de hoofdplaatsen der districten en onderdistricten.
Vreest men voor een inwonen der Chineezen tusschen de woningen der Europeanen, dan kan men voor sommige gedeelten van de hoofdplaatsen van gewesten en afdeelingen bepalen, dat daar alleen Europeanen en de met hen gelijkgestelden mogen wonen, met behoud natuurlijk van reeds verkregen rechten van personen van andere landaarden, die er zich reeds op mochten hebben gevestigd. Aldus werkt men het ontstaan van Europeesche buurten in de hand.
Door opheffing van het passen- en wijken-stelsel zal de inlander vertrouwd raken met den omgang met den Chinees, hij zal van hem kunnen leeren en profiteeren. Wel zal een enkele in den beginne benadeeld worden, doch deze geringe debetzijde zal ruimschoots worden opgewogen door het voordeel van: den inlander rijp te hebben gemaakt voor aanrakingen met andere volkeren, met andere rassen, dan waartoe hij zelf behoort, hem te hebben opgeleid voor een succesvolle intrede in het wereldverkeer.
Wij moeten niet steeds den inlander beschouwen als een plantje, dat wij in de broeikas moeten groot brengen. "Alleen strijd, de harde, de louterende, de veredelende strijd, zal hem tot vollen wasdom kunnen brengen" *. En waar die strijd onder ons toezicht, onder onze leiding gestreden zal kunnen worden, waar wij de eventueel slechte gevolgen ervan zullen kunnen opheffen, daar is het onze plicht den inlander zelf dien kamp te laten voeren; hij mag niet, als tot dus ver, alleen lijdelijk toeschouwer blijven in den strijd, dien wij, in zijnen naam, voeren tegen het gele ras *.
Ik ben nu genaderd aan de verlangens naar beter onderwijs en naar gelijkstelling met Europeanen.
Te voren wees ik op enkele gevolgen, die naar mijn oordeel, verbonden zouden zijn aan de gelijkstelling met Europeanen. Eene gelijkstelling van alle Chineezen met Europeanen zal door de regeering in den eersten tijd niet geschieden. Trouwens, de meeste Chineezen op Java, gehuwd met inlandsche vrouwen, zelf veel inlandsch bloed in de aderen hebbende, daar hunne moeders tot hetzelfde gekruiste ras behooren als hunne echtgenooten, staan door die herhaalde bloedmengingen veel dichter bij den inlander dan bij den Europeaan. Doch hiertegenover staat, dat ook bij vele Europeanen in Nederlandsch-Indië het inlandsche bloed overwegend is. En toch voelt hij zich Europeaan, zooals de halfbloed Chinees zich Chinees voelt.
Verwacht nu de Chinees door het ingrijpen van den wetgever, dat de Europeaan hem, als hij door de wet tot diens gelijke is verklaard, nu ook in den kring van zijn maatschappelijk leven zal trekken? Zulk eene verwachting, gesteld dat hij die koesterde, zal niet verwezentlijkt worden. De Europeaan zal op hem blijven neerzien met gevoelens van minachting, van afkeer, van haat misschien, doch nooit zal hun wederzijdsch verkeer dat karakter aannemen, dat men zien kan tusschen Europeanen onderling. Ik neem hier het eene ras in zijn geheel tegenover het andere. Ongetwijfeld zullen er onder beide rassen individuën aangetroffen worden, die vrij zijn van rassen-antipathiën, doch deze negatieve karakter-eigenschappen zullen voorshands alleen aangetroffen worden bij de hoogststaanden der beide rassen.
Ik ben hiermede gekomen op het gebied van de rassenkwestie, waarin ik mij niet verder wil verdiepen *.
Toch wil ik hier enkele opmerkingen maken ter beoordeeling van wat de regeering eischt met betrekking tot den Chinees, alvorens deze gelijkgesteld kan worden met den Europeaan *. De eisch, dien ik hier op het oog heb, en die alles beheerscht, is, dat het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur moet verklaren of de Chinees bezit: geschiktheid voor de Europeesche maatschappij. In de praktijk vat men dit zoo op, dat, wie geschikt is voor de Europeesche maatschappij, niet meer past in de Chineesche. Feitelijk moet de Chinees al vereuropeescht zijn, wil hij behooren tot de met Europeanen gelijkgestelden. Door dien eisch sluit de regeering alle Chineezen uit, die hun rasgevoel hoog houden, Chinees willen blijven in handel en wandel.
Is die eisch billijk? Neen, want voor de regeering moeten alle rassen gelijkwaardig zijn; zij mag het Chineesche ras niet lager stellen dan het Europeesche; zij behoort in te zien, dat de Chinees de gelijke kan zijn van den Europeaan, al blijft hij Chinees.
Wil de met Europeanen gelijkgestelde Chinees blijven leven in de Chineesche maatschappij, omdat hij niet geschikt is voor de Europeesche, dan is dat zijn eigen zaak. De Europeesche maatschappij neemt zulk eenen Chinees toch niet als de gelijke van den Europeaan in zich op, verdraagt hem hoogstens; voldoende reden dunkt ons, dat de Chinees wil blijven in zijn oude omgeving. De regeering laat immers ook den Europeaan vrij om te leven in de Chineesche of inlandsche maatschappij, als hij zulks verkiest.
Voor de gelijkstelling met Europeanen zoude ik willen hebben een eisch van bewaamheid, het afleggen van een examen in de Hollandsche taal. Maar ook alleen dien eisch, dus geen verklaring of de Chinees geschikt is voor de Europeesche maatschappij.
Zoo zoude b.v. een ieder, die de Hollandsch-Chineesche school met succes heeft doorloopen, gelijkgesteld behooren te worden met Europeanen. Van dezen maatregel kan echter alleen profiteeren de hedendaagsche Chineesche jeugd. Voor de ouderen kunnen dan worden ingesteld cursussen in de Hollandsche taal, en zij, die na een speciaal daarover gehouden onderzoek, blijk geven van de Hollandsche taal goed te kunnen spreken en schrijven, moeten op hun verzoek ook gelijkgesteld worden met Europeanen.
"De taal is gansch het volk". Waar we onze Chineesche ingezetenen er toe brengen die taal te leeren spreken en schrijven, hen kennis te doen nemen van wat onze beste schrijvers hebben gezegd, hen Hollandsche couranten te doen lezen, Hollandsche denkwijzen in zich te laten opnemen, dan zullen we hen ook nader gebracht hebben tot ons, Hollanders.
En onder de ouderen zal er nog nog eene heele schare zijn, die, in beschaving niet de mindere van een groot deel der Nederlanders in Indië, toch niet in staat zijn die cursussen in de Hollandsche taal te volgen. Voor hen moeten de bestaande eischen voorloopig nog blijven bestaan. Trouwens, de thans geldende voorwaarden om gelijkgesteld te worden met Europeanen zijn op papier goed genoeg, doch in de praktijk, waar het oordeel van den plaatselijken en gewestelijken Europeeschen bestuurder den doorslag geeft, blijkt de regeling veel te eng, want menig bestuurder is te veel vooringenomen tegen den Chinees.
Men zie slechts naar de rapporten van de Mindere Welvaart-Commissie *. Ik verwijs o. a. naar het medegedeelde onder Batavia (blz. 219) waar men tracht de Chineesche vestigingen tot een minimum te beperken, hoewel erkend wordt dat de Vreemde Oosterling over het algemeen goeden invloed uitoefent als opkooper van inlandsche producten.
Zie ook het medegedeelde onder Preanger Regentschappen, waar blijkt dat niet de Chineezen, doch de inlanders, arabieren en Europeanen de grootste woekeraars zijn. Toch stelt men ook weer beperkende maatregelen voor de Chineezen alleen voor, (bedoeld zal in elk geval wel zijn ook voor de arabieren) instede van maatregelen te bepleiten tegen den woekeraar in het algemeen.
Zie, hoe de afdeelingen Tegal en Salatiga al wat Chineesch is bij voorbaat uit den booze acht.
Zie het rapport van de afdeeling Bangkalan, waar eerst het voordeel voor den inlander wordt uiteengezet van eene veelvuldige aanraking met den Vreemden Oosterling, en men toch vermeerdering van deze laatsten wenscht te voorkomen en strenge toepassing eischt van de beperkende bepalingen ten opzichte van het in de binnenlanden verblijf houden van de Chineezen.
Ook de dagbladpers brengt menig geval van dien anti-Chineezengeest ter sprake, terwijl zelfs de regeering het helaas nog noodig geacht heeft, den hoofden van gewestelijk bestuur aan te schrijven, den landsdienaren op te dragen om inlanders en Vreemde Oosterlingen op behoorlijke wijze te behandelen *; hoewel de inlanders hier nog er bij genoemd worden, was hoogstwaarschijnlijk de behandeling der Chineezen de aanleidende oorzaak der aanschrijving. Zie ook de inhoud van bijblad No. 6700, opgenomen op blz. 137, waar het nog noodig geoordeeld werd eene beleefde behandeling van Chineezen voor te schrijven.
Om nu aan de Chineezen de gelegenheid te geven zich te onttrekken aan dien anti-Chineezengeest, om aan hen zelf de mogeheid van gelijkstelling met Europeanen in handen te geven, stel ik bovenbedoelden examen-eisch voor.
Voor de Chineezen, die niet dat examen gedaan hebben, moet de inlandsche maatschappij worden opengesteld. Op hen moeten zooveel mogelijk dezelfde publiekrechtelijke bepalingen worden toegepast, als die welke gelden voor de inlanders. Wat de privaatrechtelijke bepalingen betreft, geen toepassing van zuiver Chineesch familierecht, hoogstens handhaving van het Indo-Chineesche recht. Waar wij hier staan tegenover de niet-bezittende klasse der Chineesche ingezetenen, immers de gegoeden onder hen zullen weldra onder de Europeesche wetgeving staan, daar zal eene regeling van hun familie?en erfrecht gevoegelijk kunnen geschieden in den geest door ons zelf het best geoordeeld, zonder dat zulks ontevredenheid zal opwekken, want dit idieele nadeel voor den armen Chinees wordt ruimschoots opgewogen door de groote reëele voordeelen, verkregen door toepasselijk verklaring op de Chineezen van de voor de inlanders geldende publiekrechtelijke bepalingen.
Thans, in verband met het bovenstaande, een enkel woord over het bestuur over de Chineezen op Java en Madoera *.
Als de ontwikkelde Chineezen zullen zijn gekomen onder de Europeesche wetgeving, en op de overigen de voor inlanders geldende verordeningen zullen worden toegepast, zijn de z. g. n. Chineesche officieren overbodig geworden. De eene categorie van Chineezen komt direct onder het Europeesche bestuur, de andere onder het inlandsche. Dit sluit niet uit dat in belangrijke Chineesche centra's ook Chineezen als bestuursambtenaren kunnen optreden, doch deze moeten dan vervullen de functiën die elders de inlandsche ambtenaren uitoefenen, zooals bijvoorbeeld thans reeds het geval is in de Westerafdeeling van Borneo.
Op Java en Madoera zijn de Chineesche officieren geen bestuurders; zij heeten te zijn de adviseurs in zaken betreffende Chineesche volksinstellingen en gebruiken, doch zijn, de enkele goeden niet te na gesproken, totaal ongeschikt voor hun taak. Wel is waar zouden zij van nut behooren te zijn bij het bestuur en de rechtspraak over de Singkehs, maar het meerendeel der Chineesche hoofden verstaat zelfs de taal dier nieuwelingen niet, en toont ook weinig belangstelling voor die arme immigranten.
Het weinige nut dat van die hoofden kan worden getrokken, zal nog geringer worden, als, zooals ik aangaf, de immigratie zal worden belemmerd. Voor toezicht op de dan in aantal sterk verminderde immigranten kan partij worden getrokken van de kennis onzer ambtenaren van Chineesche zaken, die dan een werkkring behooren te hebben, overeenkomende met die van de "Protectors of Chinese" in de Straits. Thans wordt te weinig geprofiteerd van de bekwaamheden dier ambtenaren, en zulks moet op de goeden onder hen zeker deprimeerend werken.
Ten slotte: de onderwijskwestie. Deze kwestie heeft een talrijk deel der Chineesche ingezetenen in Nederlandsch-Indië geruimen tijd in spanning gehouden. Het wachten eindelijk moede, sloegen de Chineezen zelf de handen ineen, en overal richtten zij scholen op, waar de kinderen Westersche wetenschappen zouden kunnen opdoen. Het aantal dier scholen bedraagt thans 75 met 150 onderwijzers en ruim 5500 leerlingen.
De regeering is evenwel in 1908 aan de vraag naar onderwijs tegemoet gekomen op eene wijze, die allen lof verdient, en naar mijn meening, voorloopig voldoende is.
Zij heeft de inlandsche scholen voor alle Chineesche kinderen toegankelijk gemaakt op volkomen dezelfde voorwaarden als voor de toelating van inlanders gelden; ook voor de toelating op de openbare Europeesche lagere scholen worden zij volkomen op gelijken voet met de inlanders behandeld. Bevoorrecht boven de inlanders zijn de Chineezen door de oprichting van de Hollandsch-Chineesche scholen. Immers, de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid is verplicht die scholen op te richten, op plaatsen, waar de behoefte daaraan is gebleken. Die scholen zijn bestemd voor Chineesche kinderen, die ingevolge art. 14 van het Europeesche schoolreglement (Stbl. 1894 No. 193) * geen plaatsing vinden op de Europeesche scholen, doch wier ouders verlangen, dat zij Europeesch onderwijs zullen genieten.
Wanneer komen de Hollandsch-"Inlandsche" scholen?
Het onderwijs aan een Hollandsch-Chineesche school wordt geheel in het Nederlandsch en overeenkomstig het leerplan der Europeesche lagere scholen gegeven.
Hoezeer die scholen door de Chineezen worden gewaardeerd blijkt uit het feit dat, waar die scholen werden geopend, thans alleen nog maar op de drie hoofdplaatsen van Java en op Makasser, de klassen direct gevuld waren. *
Zijn de ontwikkelde Chineezen tevreden?
Men hoore de woorden, gesproken door den Kapitein-Chinees Tan Siauw Lip bij de opening van de Hollandsch-Chineesche school te Semarang. Hij zeide: "Nu heb ik nog een wensch en die is, dat het gouvernement, dat nu voor ons begint te zorgen en aan onzen wensch tegemoet komt wat betreft het onderwijs aan Chineezen, het daarbij niet moge laten blijven en nu het begonnen is onderwijs te verschaffen aan onze kinderen, zoo goed als aan die der Europeanen, dat het de deur een weinig verder moge openzetten en dat aan onze kinderen zal worden toegestaan, examen te mogen afleggen zooals de Hollandsche kinderen, en bij welslagen in die examens, ook geroepen mogen worden tot denzelfden arbeid als de Hollandsche."
Lezer! Dezelfde arbeid! Er is naar mijn meening niets, dat zoo bevorderend is voor wederzijdsche waardeering, wederzijdsche toenadering als: dezelfde arbeid. Immers, dezelfde arbeid brengt mede wisseling van gedachten, kan geleidelijk voeren tot gezamenlijken arbeid. Gezamelijke arbeid brengt mede het leven in een zelfde milieu. Het langdurig leven van het blanke en het gele ras in een zelfde milieu verzacht de rassen-?antipathie, versterkt den geest van verdraagzaamheid, leidt het gedachtenleven in dezelfde banen, bevordert door de wet der erfelijkheid de gelijkwording van beider geestelijk vermogen, geestelijk kunnen, totdat in de verre toekomst het verschil tusschen Europeaan en Chinees bijna alleen zal zijn de kleur van de huid.
Dat kan zijn een ideaal, het voorshands onbereikbare eind.
Het begin, dat is belangstelling, belangstelling voor onzen Chineeschen medeburger van Nederlandsch-Indië
En die belangstelling op te wekken, waar zij nog niet bestond, te verhoogen, waar zij reeds was, is het doel van dit geschrift.
BIJLAGE I. (Zie blz. 184).
| Gewesten. | Oppervlakte in G. M.2 | BEV0LKING. | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Europeanen. | Chineezen. | Arabieren. | Andere Vreemde oosterl. | Inlanders. | Totaal der bevolking. | ||
| Bantam | 143,6 | 537 | 3155 | 82 | 75 | 891 541 | 895 390 |
| Batavia | 211,7 | 13805 | 92520 | 2772 | 277 | 1 999 978 | 2 109 352 |
| Peanger Regentsch. | 371,0 | 5231 | 9396 | 124 | 54 | 2 681 962 | 2 696 767 |
| Cheribon | 123,3 | 1187 | 22668 | 2705 | 172 | 1681962 | 1709005 |
| Pekalongan | 100,8 | 1915 | 16764 | 2111 | 46 | 1969450 | 1990286 |
| Semarang | 148,8 | 8834 | 32724 | 854 | 1019 | 2517492 | 2614923 |
| Rembang | 135,2 | 1130 | 17838 | 633 | - | 1477197 | 1496798 |
| Soerabaja | 108,1 | 10600 | 26646 | 3732 | 367 | 2395618 | 2436963 |
| Pasoeroean | 159,4 | 5407 | 13198 | 1926 | 85 | 2001554 | 2022170 |
| Besoeki | 184,5 | 1789 | 3066 | 1940 | 44 | 965636 | 972475 |
| Banjoemas | 101,0 | 1081 | 6842 | 48 | 48 | 1478110 | 1486129 |
| Kedoe | 99,2 | 2287 | 13218 | 181 | 10 | 2322987 | 2338683 |
| Djokjakarta | 56,5 | 2342 | 5366 | 97 | 86 | 1110814 | 1118705 |
| Soerakarta | 112,9 | 3335 | 10971 | 337 | 417 | 1577996 | 1593056 |
| Madioen | 106,8 | 1830 | 4769 | 20 | 57 | 1342796 | 1349472 |
| Kediri | 127,3 | 2995 | 12967 | - | 4 | 1758579 | 1774545 |
| Madoera | 98,3 | 612 | 3085 | 1586 | 81 | 1487925 | 1493289 |
| Java en Madoera 1905 | 2338,3 | 64917 | 295193 | 19148 | 2842 | 29715908 | 30098008 |
| 1900 | - | 62477 | 277265 | 18051 | 3114 | 28386121 | 28740638 |
| 1895 | - | 51484 | 256055 | 16238 | 3379 | 25370545 | 25697701 |
| 1890 | - | 45967 | 242111 | 14293 | 2881 | 23609312 | 23914564 |
| 1885 | - | 40634 | 221959 | 11429 | 2797 | 21190626 | 21467445 |
| 1880 | - | 33708 | 206931 | 10506 | 2547 | 19540813 | 19794559 |
Wat aangaat de uitkomsten der bevolkings-opnemingen is nauwkeurigheid van sommige gegevens, volgens deskundig deel aan gegronden twijfel onderhevig.
In de bovenstaande opgaven is het personeel van leger en vloot niet begrepen.
BIJLAGE Ia. (Zie blz. 184).
| Gewesten. | Oppervlakte in G. M.2 | BEV0LKING. | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Europeanen. | Chineezen. | Arabieren. | Andere Vreemde oosterl. | Inlanders. | Totaal der bevolking. | ||
| Gouvernement Sumatr. Westkust | 1495,2 | ||||||
| Padangsche Benedenl. | - | 1912 | 6698 | 212 | 1121 | 393488 | 403431 |
| " Bovenlanden | - | 1011 | 1569 | 22 | 345 | 902093 | 905040 |
| Tapanoeli | - | 436 | 1607 | 46 | 273 | 410 939 | 413 301 |
| Benkoelen | 433,9 | 358 | 2336 | 24 | 36 | 201 515 | 204 269 |
| Lampongsche districten | 533,8 | 146 | 1186 | 103 | 3 | 155080 | 156518 |
| Palembang | 2526,7 | 678 | 9248 | 2953 | 216 | 783259 | 796352 |
| Oostkust van Sumatra | 1668,9 | 2667 | 99236 | 89 | 15484 | 450941 | 568417 |
| Atjeh en onderhoorigheden | 966,6 | 761 | 8575 | 101 | 1261 | 571477 | 582175 |
| Riouw en onderhoorigheden | 770,4 | 221 | 18491 | 5 | 184 | 93315 | 112216 |
| Banka | 210,4 | 317 | 43723 | 261 | 35 | 70853 | 115189 |
| Biliton | 87,9 | 136 | 1522 | 16 | 3 | 34181 | 36858 |
| Westerafd. van Borneo | 2636,9 | 374 | 48348 | 1342 | 533 | 400332 | 450929 |
| Zuider en Oosterafdeeling van Borneo | 7412,8 | 1008 | 7174 | 1799 | 213 | 772532 | 782726 |
| Celebes en onderhoorigheden | 2833,8 | 1572 | 5656 | 388 | 121 | 407762 | 415499 |
| Menado | 1043,1 | 1264 | 6206 | 819 | 54 | 428063 | 436406 |
| Amboina | 934,6 | 2232 | 1353 | 875 | 78 | 294466 | 299004 |
| Ternate en onderhoorigheden | 8306,5 | 532 | 961 | 368 | 16 | 107025 | 108902 |
| Timor en onderhoorigheden | 836,4 | 249 | 1560 | 313 | 9 | 306469 | 308600 |
| Bali en Lombok | 191,1 | 119 | 1807 | 704 | 143 | 520762 | 523585 |
| Buitenbezittingen totaal | 32397,7 | 15993 | 268256 | 10440 | 20128 | 7304552 | 7619369 |
| Java en Madoera | 2388,3 | 64917 | 295193 | 19148 | 2842 | 29715908 | 30098008 |
| Totaal generaal 1905 | 34786,0 | 80910 | 563449 | 29588 | 22970 | 37020460 | 37717377 |
| 1900 | - | 75833 | 537316 | 27399 | 16650 | - | - |
| 1895 | - | 63315 | 469534 | 24410 | 11625 | - | - |
| 1890 | - | 57917 | 461089 | 21640 | 10450 | - | - |
| 1885 | - | 50400 | 381752 | 17250 | 9681 | - | - |
| 1880 | - | 41674 | 343793 | 16025 | 9119 | - | - |
| Buitenbezittingen 1905 | - | 15993 | 268256 | 10440 | 20128 | - | - |
| 1900 | - | 13356 | 260051 | - | - | - | - |
| 1895 | - | 11831 | 213479 | - | - | - | - |
| 1890 | - | 11950 | 218978 | - | - | - | - |
| 1885 | - | 9766 | 159793 | - | - | - | - |
| 1880 | - | 7966 | 136862 | - | - | - | - |
Bijlage 1b. (Zie blz. 186).
Aantooning van het aantal Chineezen op de gewestelijke en afdeelingsplaatsen van Java en Madoera, in vergelijking met het aantal Chineezen in de verschillende gewesten gevestigd buiten die hoofdplaatsen, afgeleid uit de opneming van 1905.
| Gewestelijke- en afdeelingshoofdplaatsen. | Aantal Chineezen op die plaatsen. | Aantal Chineezen in elders in het gewest. | Totaal aantal Chineezen in het gewest. |
|---|---|---|---|
| Bantam | |||
| Serang | 830 | ||
| Tjilegon | 137 | ||
| Pandeglang | 216 | ||
| Menes | 207 | ||
| Rangkasbetoeng | 372 | ||
| Totaal | 1762 | 1393 | 3155 |
| Batavia | |||
| Batavia | 28150 | ||
| Meester-Cornelis | 2398 | ||
| Tangerang | 1308 | ||
| Buitenzorg | 4318 | ||
| Poerwakarta | 309 | ||
| Totaal | 36483 | 56037 | 92520 |
| Preanger Regentschappen | |||
| Bandoeng | 3704 | ||
| Tjiandjoer | 1198 | ||
| Soekaboemi | 2112 | ||
| Soemedang | 198 | ||
| Garoet | 475 | ||
| Tasikmalaja | 560 | ||
| Totaal | 8247 | 1149 | 9396 |
| Cheribon | |||
| Cheribon | 3136 | ||
| Indramajoe | 1972 | ||
| Madjalengka | 386 | ||
| Koeningan | 193 | ||
| Tjiamis | 412 | ||
| Totaal | 6.099 | 16.569 | 22.668 |
| Pekalongan | |||
| Pekalongan | 3.371 | ||
| Batang | 1.582 | ||
| Pemalang | 860 | ||
| Tegal | 2.660 | ||
| Brebes | 738 | ||
| Totaal | 9211 | 7553 | 16764 |
| Semarang | |||
| Semarang | 13.636 | ||
| Salatiga | 1.309 | ||
| Kendal | 400 | ||
| Demak | 499 | ||
| Poerwodadi | 1427 | ||
| Pati | 2106 | ||
| Japara | 479 | ||
| Koedoes | 3905 | ||
| Totaal | 23761 | 8963 | 32724 |
| Rembang | |||
| Rembang | 2.113 | ||
| Toeban | 3.439 | ||
| Bodjonegoro | 2.234 | ||
| Blora | 1.512 | ||
| Totaal | 9298 | 8540 | 17838 |
| Soerabaja | |||
| Soerabaja | 14.843 | ||
| Sidoardjo | 1.169 | ||
| Modjokerto | 1.826 | ||
| Djombang | 1.592 | ||
| Grisee | 1.893 | ||
| Lamongan | 323 | ||
| Totaal | 21646 | 5000 | 26646 |
| Pasoeroean | |||
| Pasoeroean | 2.365 | ||
| Bangil | 856 | ||
| Malang | 3.557 | ||
| Probolinggo | 2.592 | ||
| Kraksaän | 529 | ||
| Loemadjang | 880 | ||
| Totaal | 10779 | 2419 | 13198 |
| Besoeki | |||
| Bondowoso | 811 | ||
| Djember | 191 | ||
| Sitoebondo | 608 | ||
| Banjoewangi | 569 | ||
| Totaal | 2.179 | 887 | 5066 |
| Banjoemas | |||
| Banjoemas | 564 | ||
| Poerwokertpo | 714 | ||
| Poerbolinggo | 666 | ||
| Bandjarnegara | 425 | ||
| Tjilatjap | 894 | ||
| Totaal | 3.263 | 3579 | 6842 |
| Kedoe | |||
| Magelang | 2.746 | ||
| Temanggoeng | 1.154 | ||
| Poerworedjo | 1.418 | ||
| Keboemen | 863 | ||
| Wonosobo | 837 | ||
| Totaal | 7018 | 6200 | 13218 |
| Djokjakarta | |||
| Djokjakarta | 5266 | ||
| Wates | 42 | ||
| Wonosari | 15 | ||
| Totaal | 5323 | 43 | 5366 |
| Soerakarta | |||
| Soerakarta | 6532 | ||
| Klaten | 982 | ||
| Bojolali | 446 | ||
| Sragen | 431 | ||
| Wonogiri | 334 | ||
| Totaal | 8725 | 2246 | 10971 |
| Madioen | |||
| Madioen | 1827 | ||
| Ngawi | 847 | ||
| Magetan | 245 | ||
| Ponorogo | 636 | ||
| Patjitan | 250 | ||
| Totaal | 3805 | 964 | 4769 |
| Kediri | |||
| Kediri | 3761 | ||
| Ngandjoek | 927 | ||
| Toeloengagoeng | 2219 | ||
| Blitar | 1.733 | ||
| Trenggalek | 304 | ||
| Totaal | 8944 | 4023 | 12967 |
| Madoera | |||
| Pamekasan | 668 | ||
| Soemenep | 936 | ||
| Bangkalan | * | ||
| Sampang | 325 | ||
| Totaal | 1929 | 1156 | 3085 |
| Totaal generaal | 168472* | 126721 | 295193 |
Alinea 5 van artikel 24 luidt:
Kinderen van mindere inlandsche militairen afkomstig uit de residentiën Menado, Amboina, Ternate en Timor, die den Christelijken godsdienst belijden en zich buiten deze vier gewesten bevinden, kunnen mits op den voet van de alinea's 2 en 3 van art. 14, tot de openbare lagere scholen gratis worden toegelaten; alinea 4 van dat artikel is op hen niet van toepassing.