VOORREDE.

Bij besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië dd. 25 Mei 1908, No. 14 werd ik aangewezen voor de studie aan de Nederlandsch-Indische Bestuursacademie. Op de voor die studie aangewezenen rust o. a. de verplichting eene voordracht te houden over een onderwerp, verband houdende met den werkkring van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur. Aangezien ik gedurende mijn verblijf als Controleur B.B. in de Westerafdeeling van Borneo heb kunnen nagaan van hoeveel belang de aanwezigheid der Chineesche bevolking in die residentie is geweest voor de ontwikkeling van het gewest, koos ik als onderwerp van de voor mij verplichte voordracht: "Het Chineezenvraagstuk in Nederlandsch-Indië".

Bij het samenstellen van mijne voordracht raadpleegde ik in verschillende bibliotheken de zeer uitgebreide literatuur over de Chineezen in het algemeen. Een deel van de door mij bij die raadpleging gemaakte aanteekeningen, benevens de afschriften, vertalingen en extracten van verschillende boekwerken worden hierbij, tot een geheel vereenigd, en hier en daar van opmerkingen mijnerzijds voorzien, den lezer aangeboden. Hij kan daardoor in korten tijd kennis nemen van wat n. m. b. meening het belangrijkste is, dat over den Chinees als factor voor de ontwikkeling van Zuid-Oost-Azië, en speciaal van Nederlandsch-Indië, geschreven is.

Gedeelten van de door mij op den 7den Mei 1909 gehoudene voordracht zijn te vinden op de blz. 184-206, 313-316, 333-334, 370-373, 422-424.

L.H.W. VAN SANDICK.