Gedrukt voor rekening van den auteur.
Westzaan,
H. A. van Dijk.
1894.
Aan mijn eenig overgebleven zuster, Anna van Sandick, worden deze dichtstukjes, in verschillende tijdperken van mijn leven vervaardigd, uit broederschappelijke toegenegenheid
opgedragen.
Zoete zaligheid! 0 vreugdevol herdenken! Gij kunt mijn jeugdig hart den reinsten wellust schenken, Wijl op een enklen wenk, van uw verheven magt, Wat lang verleden is gij voor mijn oogen bragt. Door uwe hulp alleen kan ik nog vrolijk staren, Op d' afgeloopen tijd der blijde kinderjaren; Hoe ik bij al de pijn, die mij deez' aarde bood, Toen van mijn goeden God nog menig vreugd genoot; Zie ik dien stillen tijd in 't aak'lig niet verdwijnen, Gij laat hem weer met glans aan 't starend oog verschijnen, En 'k zie dien tijd terug, waarin ik menig stond, Alleen op Moeders schoot, bij pijn, verkwikking vond; En zij aan Vaders zij, een reeks van bange uren, Dáár binnen Utrechts vest en Gruno's hooge muren, Vaak bij mijn krankbed zat, terwijl een tranenvloed Dan lucht gaf aan heur hart en heur geprangd gemoed. Ja, altijd moest ik dan aan hare zijde leeren, Om 't zij in vreugd of smart, blijmoedig Hem te eeren, Hem, die in hooger spheer de zwakke menschlijkheid, In al haar daân bestuurt en naar zijn almagt leidt. Maar hoe? Welk naar gevoel komt daar mijn vreugde storen, En wekt en schokt mijn geest, in stil gepeins verloren, Herinnering! gij, die straks mij nog zoo vrolijk scheen, Waar voert gij toch zoo wreed uw stillen zanger heen. Ach! welk een rouwtooneel vertoont gij aan mijn oogen, En maakt mijn teeder hart door droefenis bewogen; 'k Aanschouw een stil verblijf, waar diepe kalmte woont, Waar menig diepe kuil en spâ en lijkbaar toont, Den zetel van den dood, dien engel hoog in waarde, Wiens komst aan veler hart de grootste vreugde baarde; Wijl hij den sterveling van 't aardsche leed bevrijdt, En hem naar 't hooge doel van zijn bestemming leidt. 0 stil en vreedzaam oord! waarin op alle schreden, Gij aan den wand'laar toont des werelds nietigheden; Waar alle aardsche roem van 't voor- en nageslacht, De luister eener eeuw, de, grootheid en de pracht, Van vorst en onderdaan, hoe luist'rijk zij moog schijnen, In 't aak'lig niet verdween, of eerlang zal verdwijnen. 0 heilig plekje grond! dat ook de grootste schat, Het dierbaar overschot mijns Vaders reeds bevat. Ik zit hier droevig nêer, niets kan mij vreugde wekken, En 'k zoek vergeefs in 't rond, wat mij tot troost kan strekken, Of in dit droevig uur mijn teêr bewogen hart, Tot laaf'nis wezen mag in d'allerfelste smart. Ach, waarom kwaamt ge o dood! op aard die banden scheuren, Die gansch mijn leven door, mijn kinderhart doen treuren? Waarom hebt gij zoo vroeg aan mijne zij ontrukt, Mijn Vader, die zoo vaak m' aan 't harte hield gedrukt? Hoe dikwijls mogt ik niet aan zijne zijde spelen, Hoe kon mijn kinderspel zijn vaderharte streelen. En toen ik daar vol pijn in 't ziekbed nederlag, Hij al de felle smart van mijne wonden zag; Hoe vaak heeft hij mij niet, toen in mijn pijnlijk leven, Door menig kleine klucht mijn felle pijn verdreven; En nu ... waar ook mijn oog alom Natuur bespiedt, Het zoekt vergeefs in 't rond. en vindt mijn Vader niet. Zoo doet een woeste bui 't ontloken bloempje treuren, En komt door éénen ruk het van zijn steeltje scheuren; Hoe schoon de lente dan aan aller oog verschijnt, Zij baart toch 't bloempje smart wijl het reeds 's morgens kwijnt. 0 Godsdienst! milde bron van ruime zegeningen, Wier invloed hier op aard de zwakke stervelingen, Aan 't lastig slavenjuk der zondenmagt ontrukt; En hen in al het leed, dat hen ter nederdrukt, Hoe zwaar, hoe groot het zij, op aard alleen doet bogen, Op een Voorzienigheid en 't God'lijk alvermogen; Die eeuwig wijs en goed in 't heerlijk hemeloord, Hun droevig angstgeschrei op hun gebed verhoort. Gij kunt mij in dit uur de grootste laaf'nis bieden, En van mijn zwakke zij de felle smart doen vlieden Die in dit stil verblijf, (waar menig sterv'ling treurt,) Mij, gansch terneder drukt en 't jeugdig hart verscheurt, Moest ik in 't prilst der jeugd mijn trouwe gids zien sterven, En hem op 't hobb'lig pad van 't aardsche leven derven, Gij geeft mij ware troost door Jezus' reine leer, En roept alleen mij toe: "Eens ziet g' uw leidsman weer; "Volgt gij op aard de deugd van uwen dierb'ren Vader. "Zoo komt gij elken dag zijn groote woonplaats nader; "Waar hij gewis met vreugd reeds uwe komst verbeidt, "En waar noch dood noch graf u van elkander scheidt. Ja Godsdienst, milde bron, laat mij steeds in dit leven, Naar uw verheven beeld, dus naar volmaking streven. Wat vreugd of smart, 't herdenken dan ook baart Gij blijft, al zij 't alleen, mijn heul, mijn troost op aard!
Waar kan ons jeugdig hart een reiner vreugde smaken,
En meer voor menschenmin en eed'ler daden blaken,
Dan in den stillen kring waar teed're vriendschap woont,
En waar zij t' allen tijd aan 't zwakke menschdom toont,
Hoe ware vriendschap steeds met liefde zaam gestrengeld,
Het teêrgevoelig hart op aarde reeds verengeld?
Ja, Mulert! waarde vriend in al mijn leed en vreugd,
Mijn trouwste vriend van af mijn vroegste jeugd!
Die immer aan mijn zij in al 't vermaak mogt deelen
Van 't vrolijk Lottospel of and're kinderspelen;
En door uw zoete kout met eed'le deugd gepaard,
Na in mijn jonglingstijd mij menig vreugde baart;
0, vriend! wij mogten ook een reeks van blijde jaren,
De vriendschap en haar gloed in beider hart ontwaren;
Zij is het, die ons lang door hemelsch vuur ontgloeit,
En door haar sterke band houdt aan elkaar geboeid.
Zeg, heugt u nog dien tijd toen wij als dapp're helden,
Ver van het Stadgewoel, op Spoolders stille velden,
Al dartlend in het groen met trommel, lans en speer,
Voor menig ander vriend ons stelden in den weêr?
Of als natuur ontlook in de eerste lentedagen,
Hoe kon ons dan 't gezang der Nachtegaal behagen,
Die onder 't golvend groen, of in het schuiflend riet,
Wanneer de dagtoorts zonk, zich heerlijk hooren liet.
Hoe vrolijk sloeg ons hart als in het golfgeklater,
Der diepe Willemsvaart en 't breede IJsselwater,
De ligte hengelsnoer al dobb'rend nederlag;
En aan den scherpen haak ons oog een vischje zag.
Hoe streng de winter ook met vorst Eool mogt razen,
En huilen door het woud, of langs mijn vensterglazen,
Wij voelden ons verheugd bij 't knett'ren van den haard;
Voor 't buld'ren van den wind of strenge koû bewaard,
En mogten in een rij van vele dierb'e vrinden,*)Razoux, Eindhoven, Van Nooten en anderen.
Het waar en zoetst genot der teed're vriendschap vinden,
Ja, bij een kleinen disch, vol keur van lekkernij,
Met chocolaad en slemp of warmen wijn daarbij,
Vloog vaak de avondstond met altijd vlugge schreên,
Gelijk de blaauwe damp van onze pijpen heen,
En naauw sloeg 't negen uur of dol en uitgelaten,
Vloog ieder, als om strijd, door stegen en door straten,
Om 't eerste naar een krans van meisjes heen te gaan,
En wachtend op hun komst een togtje door te staan.
Een ander ging in 't rond aan alle schellen trekken,
En door haar schel geluid een grooten schrik verwekken,
Totdat een looze guit hem fiks om d' ooren sloeg,
En met een lange zweep naar zijne woning joeg.
Zoo werd o, wintertijd, uw strenge koû vergeten,
En menig avondstond in vrolijkheid gesleten;
Wij smaakten ongestoord de reinste kindervreugd,
Al 't geen de vriendschap biedt en 't jeugdig hart verheugt;
Genoegelijke tijd! volzaalge levensstonden,
Aan ongestoorde vreugd en rein genot verbonden;
Waarin de hoepel en de tol meer vreugde baart,
Dan 't schitt'rend diamant en al het goud der aard!
Geen driften hoe gering in 't jeugdig harte gloren,
Die vaal, met hevigheid zijn kalme zielrust storen,
Verheven vlek'loos beeld der ware zaligheid!
U prijst mijn jeugdig hart; u zij mijn lied gewijd!
Maar waarom blijde tijd van mijn kortstondig leven,
Gelijk het stuivend kaf zoo snel voorbij gedreven,
Ik staar u droevig na, maar rust'loos rent gij voort,
Totdat het koele graf mijn laatste klaagstem smoort
Zoo vliegen, waarde vriend, op 's levens woeste baren,
Gelijk de kindertijd al onze levensjaren;
Nog slechts een korte poos en ook het gapend graf
Wacht zijn ontzielde prooi, als laatste rustplaats af;
Mogt dan aan 't eind der baan, na ons bestendig zwoegen,
Wanneer de hartstogt zwijgt en al het aardsch genoegen,
Als enkel klatergoud in onze oogen schijnt;
En onze matte geest, bij 't woên der tijden kwijnt,
0! Mogt dan aan ons hart het zalige herdenken,
Geen leed noch bange vrees maar enkel vreugde schenken,
Zoo wordt door ons met vreugd de strenge dood verwacht,
En juichen w' elk alom: Ik heb den strijd volbragt!
Lagchend groeit langs 't murm'lend beekje, In den blijden lentetijd, 't Schoonste bloempje dat de lente, Aan de reine vriendschap wijdt, En dit bloempje naauw bespied, Noemt zich blij Vergeet mij niet. Vriend! ik heb voor U dit bloempje, Dat zoo menig oog verrukt, In het midden van de vriendschap, Van zijn ranken steel geplukt. En nu ik u het bloempje bied, Zegt mijn hart Vergeet mij niet. Ja, hoe ons de tijd mag scheiden, Waar ook 't lot uw hulkje voert, Mogt toch nooit de band verbreken, Die ons beiden zamen snoert; Vrolijk stamelt dan mijn lied, Gij, o! Vriend Vergeet mij niet.
Zwolle, 15 Aug. 1835.
Heft vrienden, heft een feestlied aan, Dat deur en vensters dreunen; Grijnst ook Apol ons nijdig aan, Wij willen om zijn gek bestaan, Van avond ons niet kreunen. Want vrolijk rees aan 's Hemels trans, De schoonste aller stonden, Die met de reinste mirtekrans, En onder 's vriendschaps heldren glans, Op nieuw ons heeft verbonden. Hoe menig uurtje vloog daarheen Dat and'ren 't hart deed beven, Daar Atropos te knippen scheen, En 't nijdig wijfje hier benêen, Geen uitstel meer woû geven. Wij, vrienden, bleven toch gespaard, Geen onheil deed ons vreezen. Wij mogten weer in 't rond geschaard, Om 't helder vuurtje van den haard, Tot nut vereenigd wezen. Wel heeft men somtijds onbedacht Voor ons "Verwaande zotten", De fijnste woordjes uitgedacht, Om toch vooral met klem en kracht, Ons duchtig te bespotten. Toch willen wij met mannenmoed Hun vuigen spot verwachten, En in den kleinen vriendenstoet, Herleve weer der muzen gloed, Met nieuwe frissche krachten. Dus, dierbre makkers, 'k roep verrukt, U 't dav'rend welkom tegen! Komt, weer vereend de bloem geplukt, Die 't bijgeloof in boeijen drukt, En 't menschdom is ten zegen!
Mijn Vader! daarboven, En Redder in nood; Wie kan hier U roemen, Uw liefde hier noemen; Die liefde zoo groot. Toch moet ik heden Hier uit het stof Juichend vermelden O, Vader! uw lof. 'k Lag op mijn sponde, Ter neder met smart, En 'k mogt slechts ontwaren, Een aantal gevaren, — Geen uitkomst voor 't hart. Gij werd bewogen, Zaagt op mij neêr, En uwe Liefde Zij redde mij weêr. Zou ik dan niet dankbaar, Ootmoedig en blij, In dankbare klanken, Uw goedheden danken; Uw liefde voor mij? Gij, o mijn Schepper' Gij! die mij redt, Hoor dan mijn danklied; Hoor dit gebed. Maar keer ik nu spoedig, Terug op het pad, Waar woeling en leven, Gestaag mij omgeven, En 'k soms U vergat, Geef dat ik immer, Wat mij omgeev', Ook voor Uw Liefde Steeds dankbaar dan leev'. Zoo reis ik blijmoedig, En vrolijk hier voort. Al wordt dan mijn harte, Door dreigende smarte, Of pijnen verstoord. 'k Zie dan naar boven, Want voor mijn lot, Zorgt daar mijn Schepper; Welk een genot!
19 Dec. 1838.
Gelukkig hij, die staag, bij voor en tegenspoed,
De vreugd geniet, waar hij ze vindt.
Spandaw.
Wat groote vreugde lacht mij aan, En maakt mijn hart zo blij, Nu ik op deze Spiegelbaan, Hoezee! weêr schaatsen rij! Weg alles, wat mij hind'ren kan, Waar mij 't genoegen wenkt, 'k Ben heden een gelukkig man, Die slechts aan 't rijden denkt. 'k Laat and'ren vrij in 't ruim genot, Van 't vrolijk knapperend vuur, Ik ruil 't niet voor mijn heerlijk lot, Al is het weêr ook guur, Geen felle koû maakt mij bevreesd, En 'k deel dus ongestoord, In 't ijsvermaak, dat winterfeest, En rijd maar luchtig voort. Hoezee! hier is het enkel vreugd, En leven wat men ziet: Hier rijdt èn oud èn jong verheugd, En kent er geen verdriet. 'k Juich dus: “Wat is die winter zoet.” Al is hij koud en grijs; Daar hij die vreugd mij smaken doet, En mij verrukt op 't ijs. Maar hoe? Wat ziet mij menigeen Toch zo verwonderd aan? Ik rijd toch goed, ben vlug ter been, En van mij zelv' voldaan. Ja, zie hoe ieder van mij spreekt, Dien ik op 't ijs ontmoet, Wat of er toch aan mij ontbreekt? — Geen sterv'ling, die mij groet... Doch, wel beschouwd en overdacht, 'k Vat nu de zaak gewis; 'k Begrijp het nu, waarom men lacht, En 'k heb voorwaar 't niet mis. Want, waar ik zie, naar welken kant, Elk houdt daar weltevreên, Een aardig meisje bij de hand, En ik, ik rijd alleen. Wie dan op 't ijs geen meisje heeft, Kent hij de blijdschap niet Die ons het schaatsenrijden geeft, Wanneer men 't baantje ziet? Verhoogt gij, meisjes, zóó 't genot, Van onze levensjeugd? En is er in des jong'lings lot, Dan buiten u geen vreugd? Kom, voorwaarts dan, ik rijd gezwind, Spoedt schaatsen, spoedt u voort, 'k Zoek ook een meisje dat mij mint En heel mijn hart bekoort. Ik rijd met haar dan hand aan hand, Het woelig baantjen af, En roem het ijs, op hooger trant, Wijl 't mij een meisje gaf.
Geslagen is het uur, en Broeder ook wij beiden, Wij moeten van elkaâr door 't wreede noodlot scheiden; En spoedig snelt voor ons een reeks van jaren voort, Waarin geen wederzien ons beider hart bekoort. Doch, 't zij dat ons de tijd weêr eenmaal mogt hereenen, Of aan een eenzaam graf een Broedertraan doet weenen; Die vloeiend' op den steen, door 't zoekend oog bespied, Het laatste offer is, dat broederliefde biedt, Ja, wat geschieden moog' als gij mijn naam zult lezen, Zoo roept z' u eeuwig toe: "'k zal steeds uw broeder wezen, "Die immer aan U denkt, waar mij de wereld ziet,"... Vaarwel dan Waarde Octaaf! vaarwel! vergeet mij niet!
Alkmaar, 15 Nov. 1838.
Bewoners van deez' aarde, o! zwakke stervelingen! Die uit het nietig stof, naar de eeuw'ge eerkroon dingen, 't Is niet uw schoone leest, die in dit uur mij boeit, En mijn verrukten geest in dichtvuur heeft ontgloeid; Neen 'k zing eene eed'le drift bij d' eerste vaag van 't leven, Met onweerstaanbre kracht, uw ziel als ingeweven; Een drift die u op de aard' een Eng'len-waarde geeft, Of tot een monster vormt, waarvoor de menschheid beeft. 't Is Eerzucht, UW bestaan, uw invloed, uw vermogen, Die mij het hart ontgloeit, aan 't nietig stof onttogen; Ja, leidster op ons pad, en drijfveer onzer daân! Voor u, voor u alléén, grijp ik het speeltuig aan! Welk sterv'ling zou op d' aard' haar niet die hulde schenken, Daar zij op 't levenspad ons immer toe blijft wenken; Een bron geopend houdt waaruit de ontzonken moed, Weêr nieuwe krachten put, en gloort in nieuwen gloed. Naauw voelt het kind zijn geest, zijn denkkracht, zich ontwikk'len, Of de Eerzucht gaat den knaap het jeugdig harte prikk'len, En drijft en spoort hem aan naar kennis en verstand, Om eenmaal, als een ster, te schitt'ren voor zijn land. Zie hem als echtgenoot, zie hem als vader weder, Zoo daalt opnieuw haar gunst op zijn gezin ter neder; Want als hij 't vrolijk kroost ziet dart'len om zich heen Voelt hij zich in zijn kring zoo zalig en tevreên; Zoodat weêr de eigen zacht, die in zijn jong'lingsdagen, Hem naar een streelend doel steeds rust'loos voort deed jagen, Zijn vlijt ontbranden doet en hij den zwaarsten pligt, Wat ook zijn lot moog' zijn, met vreugde en moed verrigt. Hoort hij in 't Vaderland een rij van mannen noemen, Die 't verre nageslacht als helden eens zal roemen; 0! hij misgunt hun de eer van hunne daden niet, Daar hij op beter doel, op and're glorie ziet. Hij tracht slechts naar het heil van gade en kroost te streven, En volgt de wet der Deugd, door God den mensch gegeven; Opdat de kleine kring van 't vergenoegd gezin, En menig trouwe vriend, hem steeds opregt bemin.' Dit was zijn eenig doel als hij zijn naam hoort prijzen, En 't streelt hem dáár zichzelv' als voorbeeld aan te wijzen, Waardoor zijn dierbaar kroost door hem wordt opgeleid, Tot deugd en godsdienst en tot sterven voorbereid. Voel sterv'ling dan den schat, dien zulk eene Eerzucht baarde, Besef haar milde gunst en nooit volprezen waarde; Dat zij reeds vroeg uw hart met warmen gloed doordring', En op de levenszee gestaag uw kiel omring! Die Eerzucht, ja gewis, zal dan uw zorgen loonen, En U met meer dan roem met zelfvoldoening kroonen, Zij baant het helderst spoor door de allerzwartste nacht, Voor hem die haar vereert maar ook de deugd betracht. Doch, mensch! hoe hoog uw rang, uw naam ook wordt geprezen, Al heeft uw stof'loos deel geen sterf'lijkheid te vreezen, Al kniele ook 't halve rond voor uwe heerschappij En schittere eens uw naam in de eêlste heldenrij, Vergeet, vergeet toch niet, met al dien glans omgeven, Hoe nietig zwak gij zijt in dit vergank'lijk leven, Hoe menige ed'le drift die U ten sieraad strekt, Eens, schandelijk misbruikt, het droevigst leed verwekt. Zoo kunt ge hier op aard door de Eerzucht rampen baren, De wereld sidd'ren doen een lange reeks van jaren; Wee hem, die zich door haar tot gruw'len voeren laat! Hij schept een hel voor zich, voor huisgezin en Staat; Door de Eerzucht overheerscht plengt bij met eigen handen, 't Onschuldig menschenbloed in vreé gezinde landen; Hij plundert Staten uit, en houwt en sabelt neér, Wie hem weérstreven durft op 't bloedig spoor der eer. Ja, als een woedend dier, onmagtig op zich zelven, Vreest hij geen oogenblik om graf, aan graf te delven; En spot met angstgeschrei met zuchten en geklag, Indien bij roem en eer daardoor verwerven mag, 0, wreede dwingeland! door de Eerzucht aangedreven, Wat loon zal zulk bestaan U eens de toekomst geven? Is u hiernamaals ook genot en vreugd bereid? Wacht u, 0! zeg het mij, wacht u ook zaligheid? Mogt de Eerzucht zoo ons hart, 0! Broeders! eens behagen, Den boezem gloeijen doen, en 't bloed door de ad'ren jagen? 0! Smoren wij dien gloed en schier ontembre magt; Zij heeft de grootste smart te dikwijls voortgebracht. Dan zullen wij gewis noch angst noch schrik verspreiden, En, waar een moordbijl blonk de reinste vreugd bereiden; Dan Broeders, snelt ons pad langs enkel rozen heen, En blijven wij op aarde in elken stand tevreén!
Alkmaar, 28 Febr. 1839.
't Was Zondag in ons dorp Westzaan; En naar 't gebruik der tijden, Was iedereen ter kerk gegaan; Zijn Godsdienst te belijden. Twee burgers braaf en wel gezind, En die zich buren heetten, Zij hadden ook met vrouw en kind, Zich van dien plicht gekweten. En daar zoo'n dag, een rusttijd is, Die niemand mag misbruiken, Zoo gingen beiden na den disch, Wat in de veéren duiken. Doch had de maaltijd goed gesmaakt; Zeer slecht beviel dat slapen, Kees had de visch te goed geraakt, En Jan had hinder van de rapen. Kees was een fiksche vlugge klant, Bekend bij al zijn' buren, Als iemand die met vaste hand Het zwaarste werk kon sturen. Daarbij was hij een vreemde snaak, Want hij kon verzen maken; Maar eerst moest hij, voor zulk een taak, Vooraf in drift geraken. Jan was iets dom, maar toch héél goed, Hij had wel dertien kind'ren, En 't scheen dat dit den armen bloed, Soms in zijn beurs kon hind'ren. Daar Kees nu toch geen slaaplust had, Zoo stapte hij naar buiten, En zag, hoe Jan daar ook reeds zat, Omringd van al zijn' spruiten. "Wel Buur," zei hij, "niet in de rust? De dag brengt dat toch mede, Maar vast als ik, had gij geen lust En 'k weet daarvan geen rede." "Ik wel," hervatte Jan terstond; "Volgaarne wil ik 't weten, Ik had een al te graage mond, En heb te veel gegeten." "'k Was te verheugd. Zelfs van de preek, Kan ik niets meer verhalen, Want 'k zal in deze gansche week, Weer eind'lijk overmalen." "Ja Buurman, ja, als 't ook zóó moet, Dat wij van honger zuchten, Doordien men 't loon vermind'ren doet; Dan hoort men nog van kluchten." "Dan .... kom," zei Kees "gij hebt gelijk Maar kunt gij 't beter maken, Welligt gaaft gij, al waart ge rijk, Een pak van 't zelfde laken." "Mijn peetemoei sprak eens tot mij. - Wilt toch op 't spreekwoord letten, Dat iedereen, verloopt het tij, De bakens gaat verzetten." "Moet niet een schip, hoe groot en sterk, Soms voor den stormwind reven, En zal men voor dat meerder werk Een dubbel oorlam geven." "Dus wordt niet boos en wil niet, meer Uw hoofd daarmede breken, 'k Zal dan van andere zaken weêr Eens deftig met u spreken." "Van 't Nieuwtje, dat ik dezen dag Van velen heb vernomen, Zie, als dat waarheid worden mag, Dan zal er arbeid komen." "Voorzeker is 't geen logentaal, Of sprookje van de menschen; Maar wie 't ook hoort, zal zoo'n verhaal, Zoo'n onderneming wenschen." "Verbeeld u, Buur, men vormt een plan, Zoo als de heeren zeggen, Om door Westzaan en heel de ban, Een rijweg aan te leggen." "Daarna zal men langs Beverwijk Den weg naar Haarlem leiden, En is men vrij door drassig slijk, Bij winterdag te rijden." "De meeste slooten raken digt, Veel brugjes zal men slopen, Opdat de weg wat hooger ligt En breeder uit zal loopen." "'k Sprak iemand, die met juistheid wist, Hoe reeds de zaken stonden, Maar wat op 't raadhuis wordt beslist, Is aan veel zorg verbonden." "Doch moeite, zorgen en verdriet, Die zullen niets vermogen, Dat tellen onze Heeren niet, Als zij iets goeds beoogen." "'t Hecht dus mijn zegel op hun werk, En zal hun hoog vereeren, Omdat ik uit die daden merk, Dat zij Westzaan waardeeren." "Maar Kees vergun me een oogenblik, Uw rede af te breken," Vroeg Jan, ten halve in zijn schik, Van 't geen hij hoorde spreken. "Ik vind, al wat gij daar vermeld, Bijzonder hoog te roemen, Daar 't een verbetering voorspelt, Met woorden niet te noemen." "Maar nog hebt gij mij niet verhaald, Hoeveel 't bedrag zal wezen, Dat voor die rijweg wordt betaald, Als hij er komt na dezen." "Mij dunkt, naar zoo'n belangrijk punt, Zou ik het eerste vragen, Daar gij toch wel begrijpen kunt, Dat geld veel doet vertragen." "Wel Buurman, foei, wat draaft ge door Met al uw wederleggen, Ik nam mij juist zoo aanstonds voor, Ook daarvan iets te zeggen." "Maar plots'ling werd uw hart vervuld Met allerhanden klagten, En kunt gij door uw ongeduld Niet eens het einde wachten." "Geloof mij vrij aan deze zaak, Heeft nog geen geld ontbroken, Daarvoor is alles in de haak En alles afgesproken." "Ja! Naauw'lijks waren d' eersten dag, De kosten opgegeven, Of velen hadden voor 't bedrag, Reeds daad'lijk ingeschreven." "Daardoor is alles nu gereed, Om 's Konings welbehagen, (Opdat zij spoedig wordt besteed), Eerbiedig af te vragen." "Maar Keesbuur, ja, ik vind het goed!" Viel Jan weêr in de rede; "Dat men een rijweg leggen doet, De tijdgeest brengt dat mede." "Maar zou men, is zij daargesteld, Geen rijweg-omslag maken? 't Gebeurt, zooals de Nieuwspost meldt, Wel meer bij groote zaken." "En van die arme burgerzak, Kan men zooveel niet vergen, Want velen kunnen 't ongemak Der duurte niet verbergen." "'k Betaal getrouw aan dorp en land, Geen bakker moet er wachten, Maar rijweglasten, in mijn stand, Gaan boven mijne krachten." "Hoe nuttig 't dan ook wezen mag Voor alle werkzaamheden, Ik wenschte, dat ik nooit haar zag, Door eenig mensch bereden." "Alweêr die angst, alweêr die vrees, Wat zal er toch van komen, 'k Verzeker U," herhaalde Kees, Wij hebben niets te schromen." "En werd er ook iets opgebracht, Of aan dien weg gegeven, Wij zien toch nieuwe levenskracht En bloei daardoor herleven." "Het wordt tot nut van ons gedaan, En zouden wij dan klagen; Neen buurman, zulk een stout bestaan, Kan ik niet meer verdragen." "Al wat er ook geschied zal zijn, Ik durf 't voor elk getuigen: Gij tracht uit elke daad venijn En bitterheid te zuigen." "Nooit deelt uw hart met ware vreugd In 's levens vergenoegen, En juist de echte burgerdeugd, Zal zich in alles voegen." "Ik zal met u nog menig keer, Daarover woorden krijgen, En hoor ik dus wat naders weêr, Dan zal ik 't u verzwijgen." En hierop ijlde Kees naar huis, Geheel in drift ontstoken; Zoodat zijn pijp, van 't fel gedruis In stukken was gebroken. Gelukkig kwam dit woest gebaar Zijn dichterhart ontwaken; En 't huis gekeerd, zag men hem daar Het volgend rijmpje maken: Waar vlijt en waar ijver te zamen zich paart, Daar heeft men soms wond'ren van grootheid ontwaard; En heilzame vruchten genoten Getuig dit, 0 Neêrland, hoe werd eens uw grond Die vroeger de magt van de zee niet weerstond; Door dijken en dammen omsloten. Was 't voorgeslacht, eenmaal voor de oorlog beducht, Met have en goed naar dit plekje gevlucht, Om rust en om vreê hier te smaken, Zij hadden toch immers die rust niet gezocht Die wond'ren van grootheid en kunsten gewrocht, Wanneer hun geen ijver deed blaken. Wij roemen dan ook op die vlijt van weleer En knielen op 't Graf van die edelen neêr. Zij hebben zooveel ons geschonken! Maar God zij geloofd, die vlijt en die moed, Dat kenmerk van 't echte oud Neêrlandsche bloed, Zijn niet met hun daarzijn gezonken. 't Geen soms in Europa een wijze bedacht, 't Was lang reeds in Neêrland zoo kunstig volbracht, Door schoonheid en luister omgeven. Nog ziet men als vroeger, uit meer en uit veen, Waar enkel verwoesting den wand'laar omscheen, De bloeijendste polders herleven. Nog heeft men alomme het ruimste bestaan Aan den Amstel en Rotte, en de volkrijke Zaan, Door vlijt en door ijver verkregen, Heeft ook onze buur, 't geraak zich bereid, En door zijne wegen, zijn luister verspreid 't Maakt Holland voorwaar niet verlegen. Ook wij treffen wegen en sporen hier aan En willen ons nergens, zelfs hier in Westzaan, De roem van ons land zien ontrukken. Ja, zelfs in ons dorp worden schatten besteed, En ligt reeds het plan voor een rijweg gereed, 't Welk burgers ons hart zal verrukken. Uw dank zij dan altijd die braven gebracht, Die nog voor de welvaart van ons zijn bedacht, God moge hun arbeid bekroonen! En rusten zij eenmaal tevreden ter neer, Zoo zal nog Westzaan voor altijd hunn' eer En hun vlijt aan 't nageslacht toonen!
Westzaan, 15 Februarij 1848.
Mogt ik wenschen wat ik woû, Ik weet wel wat ik wenschen zoû, 't Waren dan geen groote schatten, Die maar louter zorg omvatten, En geen goud, dat aardsche slijk; Neen! ik wenschte mij niet rijk. 't Was ook niet een aardig wijf, Suikerzoet en knap van lijf, Om daarmeê in d' echt te treden, 't Huw'lijk heeft zijn zaligheden, Maar ook vaak een lang berouw, Neen! ik wenschte nog geen vrouw. En al gaf men eens aan mij, De uitgezochtste boekerij, En ik kon daaruit niet leeren, Om mij zelven te regeeren, Waar kwam dan 't verstand van pas? 'k Wenschte, - neen, geen boekenkas. En volstrekt geen post bij 't Land, Of een winkel wel beklant, Waar men altijd zoo moet zorgen Voor dat eeuwigdurend borgen, Op een anders leêge zak, Neen! - ik wenschte nooit zoo'n vak. Was het dan niet heerlijk schoon, Om een gouden koningskroon Met een schepter rond te dragen? Och in deze groote dagen Heerschen vorsten maar in schijn; Ik Wenschte - neen! geen vorst te zijn. Maar, nu vraagt men overal, Wat ik dan toch wenschen zal; Ga ik alles zoo versmaden, Weinig blijft er dan te raden, Want zooals het altijd gaat, Alles heeft zijn goed en kwaad. Nu dan, 't was tevredenheid, 'k Wenschte haar alom verspreid, Nergens, nergens uitgesloten, Onder rijken, armen, grooten, Onder voor- en tegenspoed, Overal, in elks gemoed. 0, was ieder mensch tevreên, Vroolijk vlood dan 't leven heen; En het pakje, hier te dragen, Deed ons nimmer luide klagen, Nimmer haken naar 't genot, Van eens rijken buurmans lot. 0, was ieder mensch tevreên, 't Ging ons beter hier beneên; Niemand zou zijn naasten hind'ren En de menschen bleven kind'ren, In den afgunst, nijd en haat, Dat zoo veel omvattend kwaad. Op dat groote schouwtooneel, Krijgt toch ieder mensch zijn deel; En dat jamm'ren en dat zuchten, Geven enkel bitt're vruchten En vermind'ren smart noch pijn, 0! wat kon dat anders zijn. Oproer, moord en plunderzucht, Maakten nimmer ons beducht, En die jammervolle plagen, Die een vreedzaam hart doorknagen, Hadden voor tevredenheid, Overal een plaats bereid. Immers 't afgeloopen jaar Toonde ons maar al te klaar, Hoe zoo vele snoode klagten, Onheil in Europa bragten; Hoe de vreê en rust verdween, Wijl geen mensch tevreden scheen. Ja, zij is de grootste schat Op dit korte levenspad, En wat ook hier moog' verschijnen, Of verand'ren, of verdwijnen, Ik Wensch alleen tevredenheid Overal, op d' aard verspreid.
Westzaan, 11 Dec. 1848.
Alweer naar mijn hokje, te wachten op 't Spoor, Dat gaat maar van 's morgens tot 's avonds zoo door, Zelfs mag ik op Zondag niet rusten, En is dan nog eenmaal de zomer in 't land, Dan weg onze Zondag, want d' arbeidende stand Mag, zegt men, zich ook wel verlusten. Wat gaan er dan telkens veel treinen daarheen, Als of het genoegen daar buiten alleen, En niet aan den haard is to vinden. Och, 'k heb al zoo vaak bij mijzelven gedacht, Als 'k bij een pleiziertrein mijn plicht had volbracht, Wat zal zij een beurzen verslinden! Maar hoort, in de verte, daar komt zij weêr aan; Kom spoedig de hekken in 't rond digt gedaan, En dan weêr het teeken gegeven, Dat ik naar behooren de rails heb voorzien; Want mogt er een onheil door mij soms geschien, Wat kostte dat velen het leven! Zie, 'k gaf wel een kwartje terstond uit mijn zak, Had, tusschen twee haakjes, mijn beurs niet het zwak, Om steeds aan de tering te kwijnen, En dan krijg ik vaak van mijn vrouw nog een preek, Over de aak'lige beeren, die 't laatst van de week, Brutaal aan mijn wooing verschijnen. Maar heb ik geen kwartjes, toch gaf ik nog wat, Als nu in mijn hokje mijn grootvader zat, - Verduiveld, wat zou hij toch kijken! Het was hem voorzeker een vreess'lijke droom, Zag hij zooveel wagens, bewogen door stoom, Heel spoedig zijn oogen ontwijken. Zijn vragen, die hadden vandaag wis geen end, Want eertijds was immers de stoom niet bekend. - Toen waren er schepen en schuiten; Toen werd er zoo spoedig en snel niet gereisd, Schoon dat als een voordeel, niet veel nog bewijst, Want, Jongens, ook toen had men duiten. „Ja, meer nog als nu," zei mijn grootje gewis, Want eens loopt de boel met die spoorwegen mis, Men jaagt er het geld mede henen. Wie is tegenwoordig van iets meer de baas? - De koeijen, de varkens, de boter en kaas, Zijn van onze tafels verdwenen. 't Gaat mooi met die kunsten van 't mensch'lijk vernuft, Maar wat ook de wereld al zegt en al bluft, Ik zeg maar, ons loon is te pover. Daar sta ik van Maandag tot Zondag op wacht, En wordt dan mijn weekloon naar vrouwlief gebragt, Dan schiet er geen zakduitje over. 0 ! zie ik die wagens vol heeren soms gaan, Dan denk ik, zou niemand mij hier nu zien staan, Ik zorg toch zoo best voor hun leven. Het welkom van vrienden, of 't aak'lige graf, 't Hangt dikwijls alleen van den Spoorwachter af; Doch larie, men houdt niet van geven. In Godsnaam! dan ben ik niet meer als het paard, Dat het meeste hier werkt en het minst wordt gespaard, En toch niet veel haver zal krjjgen. Vaak geeft al dat klagen, toch niets dan verdriet, En zag ik 't graag anders, 't verandert toch niet, 'k Doe daarom maar beter to zwijgen. En ga weer in 't hokje en wacht op het Spoor, Al gaat het van 's morgens tot 's avonds, zoo door, Eens word ik toch zeker ontslagen; Dan zwaai ik niet meer met mijn vlag in het rond, Maar krijg ik een hokje, heel diep in den grond, Waar nooit mij de Spoorwegen plagen.
O.-Amstel, 31 Oct. 1860.
Jan.Wel vriend! wat zie ik nu gebeuren? Gij die zoo vlug en vrolijk zijt, Zit eenzaam in uw huis te treuren, Alsof gij groote pijnen lijdt.Gerrit.Ach, Jan mijn hart is gansch bewogen, En al mijn levensvreugd is heen, Want Jans met hare bruine oogen, Gaf gist'ren mij een blaauwe scheen.Jan.He! moet gij daarom angstig klagen, Omdat u Jans geen weermin biedt? Ach vriend had mij voor achttien dagen, Mijn brave vrouw, mijn lieve Griet Ook maar een blauwe scheen gegeven, Waarom gij, ach zoo droevig, weent, 'k Had dan voorwaar een beter leven Dan nu mij d' echt met haar vereent.
15 Jan. 1835.
Wel, wel, wat is me dat een moord ! Wie heeft er immer van gehoord, Om ons zoo op te sluiten. Pas zijn die warme dagen uit, Of d' achtb're Raad neemt het besluit: „Geen hondje loop naar buiten, „Dan wel voorzien van muil of band, „En doet men dit niet streng gestand, „Dan mag de Kruif *)Gemeente-Bode. ons dooden." 't Is vreemd, dat juist voor ons geslacht, Die zware straf wordt uitgedacht, De vrijheid wordt verboden. En dat geschiedt in Nederland, Waar men de slavernij verbant En ieder vrij mag wezen; Waar men zelfs maatschappijen sticht, Tot heil van dieren opgerigt ; Hebt g' ooit zoo iets gelezen? Neen, makkers! eer men ons vertrapt, Kloekmoedig naar den Haag gestapt, Dáár wonen onze Vrinden! Want ieder beest is daar gezien, Gij zult daar bij voorname liên Alom bescherming vinden. Maar hier vindt onze goede trouw, Belooning aan een eindje touw. - Is dat een prettig leven? Ja, wordt er één van ons maar dol, Dan is het gansche dorp op hol, En gaat men ons vergeven. Och, och! wat is die wereld raar! Zien wij het dan niet zonneklaar, Hoevele dolle menschen, Men ongehinderd loopen laat, Die men toch om hun malle praat, Wel naar de maan zou wenschen. Zijn wij aan 't vechten op de straat, Dan worden al de buren kwaad, En vloeken op ons, dieren. Maar zij, met al hun groot fatsoen, Zij kunnen nog veel vreemder doen; Men hoort hun dikwijls tieren, En vechten, vloeken, zonder end; Ja, 'k heb er velen zelfs gekend, Die ook voorover vielen. En toch liet elk hun stil begaan, 't Is immers niet om uit te staan, Van die verheven zielen! Als een van ons maar iemand bijt, Wat klinkt dat luid, van wijd en zijd, Zal ieder ons ontvlugten. Dat 's anders onder 't menschenras, Die bijten soms elkander kras, In keur van lettervruchten. En van zoo'n beet wordt niemand ziek, Neen, zeggen zij, dat 's politiek. Om dan maar stil te zwijgen. Maar ik, ik noem dat volkje dol, En zond ze vrij naar Wittebol, Om daar een plaats te krijgen. Doch makkers, hoe ik zucht en klaag, Het is en blijft voor ons een plaag, Om ons van kant te maken. Wij toch verdienen ook de kost, En staan daarvoor getrouw op post, Of in den nacht te waken. Waar moet het heen, zijn wij er niet, Wanneer men tal van beed'laars ziet; Of als men hoort van breken. Zelf Raffel met zijn hondenkar, Is nu al danig in de war, En dan nog Gosse Vreken.*)Nachtwacht. Zijn hondjes, och, zij liggen thuis, En hoort die stumpert nu gedruis, Of in het boschje kermen, Wie zal hem dan den ganschen nacht, In zooveel angstzweet doorgebracht, Al blaffende beschermen? Hoor, d' Abbrings, Sandicks en Van Dijks, De dames Lotz, ook insgelijks Eens van hun hondjes spreken, Dan heeft die straf hun wat ontsteld, Want aak'lig wordt hun mooie veld. - En dames . . . . moeten bleeken! Die trouwe hond van Krelis Stam, Die niemand ooit te pakken nam, Moest reeds ten grave dalen. En velen nog, die ik niet weet, Zij moesten om één enk'le beet, Hun leven duur betalen. Dus makkers komt nog eens voor 't lest, Naar d' achtb're Raad met een rekest, Op zegel goed geschreven, En kwispelstaartend hun gevraagd: „Och, dat het Heeren u behaagt „De vrijheid ons te geven! „Als dan het voorjaar weer verschijnt, „En al de angst en schrik verdwijnt, „Dan zullen wij, Mijnheeren, „Dit zweren wij bij ons rekest, „U allen uit het mooiste nest, „Een aardig jong vereeren!"
Ouder-Amstel, 12 Dec. 1864.
Lise was een aardig meisje, Juist geen schoonheid, dat is waar, Maar door veel aanminnigheden, Minde menig dorp'ling haar. Was er kermis, o! dan vlogen Alle jongens om haar heen, Dat bij vele and're meisjes, Toch niet zeer fatsoenlijk scheen. Dansen kon zij, als een vlinder Vloog zij soms de zaal in 't rond, En haar nette kleine voetjes, Raakten naauw'lijks dan den grond. Wie haar toch zoo dansen leerde, Was de vraag van menigeen, Want een meester in het dansen, Was er in het dorpje geen. Doch, zij ging soms uit logeeren Bij een tante in de stad, Waar zij van een flinke meester Lessen in het dansen had. 't Hoofd der school, dat was haar vader, Die, gesteld op zijn fatsoen, Hoopte, dat zijn dochter Lise, Een voorname keus zou doen. Hoe dus Piet van d' overzijde, Ook al dikwijls om haar kwam. Bits moest hij dan van haar hooren, Dat zij nooit een dienstknecht nam. Evert dan, dat rijke boertje, Vroeg ook menigmaal haar hand, Maar, om een boerin te worden, Foei, dat was niet in haar stand. Jan, de vlugge onderwijzer, Zie, als die maar spoedig kwam, Die kon wel verzekerd wezen, Dat zij hem ten huw'lijk nam, Dan zou men haar juffrouw noemen, Ging zij om met dominé, En bij d' achtb're burgemeester, Dronk zij soms een kopje thee. Jan was echter niet voor Lise, Zooals 't meestal gaat, gezind, Daar hij Truitje van den bakker, Sedert lang reeds had bemind. Dat kon Lise niet verzetten; Zij in 't dorp gevierd, geëerd, Nu voor haar te moeten wijken, Zoo was zij nog nooit verneêrd. Kwijnen ging zij, 't aardig meisje, 't Was de schuld van Jan toch niet, Maar de hoogmoed die haar kwelde, Was de oorzaak van 't verdriet. Toen nu later 's bakkers woning Met de driekleur was versierd, En met veel genoode gasten, Truitjes bruiloft werd gevierd, Hoorde men de droeve mare, Als een weêrklank in de vreugd', Lise, weet ge 't, is gestorven. In de bloeitijd van haar jeugd. Arme Lise, bracht de hoogmoed U zoo spoedig reeds ten val, Wist ge niet, dat zij de menschen, Nooit tot sieraad strekken zal. Zij, die ned'rig zijn van harte, En tevreden in hun lot, Smaken overal in 't leven, Waar genoegen en genot.
Haarlem, 28 Mei 1893.
Haarlem met uw fraaije dreven, En uw rijke bloemenschat, Wie kan schooner naam u geven; Dan de naam van bloemenstad. Daarop moogt ge u beroemen, En wie zulks in twijfel trekt, Laat hem vrij een and're noemen, Die zóó zeer de aandacht wekt. Wandelt men door straten, stegen, Flora wordt ook daar gevierd, Ieder venster lacht U tegen, Met haar voorraad ruim versiert. Wordt niet ieder opgetogen Als men uwe parken ziet, Waar één bloemtapijt uw oogen Stoffe tot bewond'ring biedt. Om uw schoonheid te verrijken, Ga men langs uw villa's heen, Waar ook keur van bloemen prijken, Fraai gestrengeld onder een. Is de winter nauw verdwenen, Dekt geen sneeuw de velden meer, En het aard'rijk om ons henen, Zich hernieuwt door 't lenteweer. Dan, o Haarlem! zijn uw velden, Reeds met bloem op bloem getooid, Schooner voorraad ziet men zelden In haar volle pracht ontplooid. Hyacinthen, rijk in kleuren, Ziet men daar met smaak verspreid Die met ongekende geuren, Pronken met bevaliigheid. Daarna ziet men tulpen bloeijen, Heeft de hyacinth gedaan, Die weer aller aandacht boeijen, En nog hoog in waarde staan. Jongen, ouden hoog in jaren, Vreemdelingen bovendien, Blijven vol bewond'ring staren, Als zij dan uw velden zien. Maar het zijn niet enkel bloemen, Waardoor men u roemen hoort, Uw omgeving kunt g' ook noemen, Die zoo menig oog bekoort. Zal het Bolwerk 't niet bewijzen Met zijn fraai en trots plantschoen, Wie zal ook den Hout niet prijzen, Met dat statig Paveljoen. Overal in alle streken, Ja zelfs aan het verste strand, Hoort men over Haarlem spreken Als het ware bloemenland. Haarlem! lief en uitverkoren, Dat men nooit ontkennen zal, Altijd zult ge van mij hooren, Haarlem! Haarlem! bovenal!
30 Oct. 1891.
Zie! daar is een vogeltje Voor het raam gezeten, En dat lieve vogeltje, Vraagt mij om wat eten. Alles is met sneeuw bedekt, En de grond bevroren, Wat hem tot voedsel strekt, 't Is voor hem verloren. Vogeltje, zeg, hoor je mij Aan het venster tikken? Kom gerust wat naderbij, 'k Heb wat om te pikken; Kruimeltjes, zooveel ge wilt Strooi ik voor je neder, En als dat je honger stilt, Kom dan morgen weder!
1888.
Anna is een stoute meid, Hoor haar nu eens schreijen, Omdat zij uit koppigheid, Niet wil leeren breijen. Dat vindt moeder gansch niet zoet, Om zoo'n kop te toonen, Zij, die zooveel voor ons doet, Moet men beter loonen. Koppigheid is 't grootste kwaad, Dat men bij de kind'ren vindt, Hoe soms moeder hun ook raadt, Zij toch blijven ongezind. Eenmaal wordt ge Anna groot, Daarom moet ge leeren, Dan helpt gij u zelf in nood, En maakt zelf uw kleêren. Doet dus spoedig wat zij vraagt, En wil dan na dezen, Is 't ook dat het u mishaagt, — Toch nooit koppig wezen.
30 Oct. 1889.
Lieve Fritsje! zie uw zusje, Nederzitten bij uw bed; Ach, al geef ik U een kusje, 'k Zie dat gij daar niet op let. 'k Voel uw handjes hevig gloeijen, En wat zijn je koontjes rood, Alles schijnt je te vermoeien, Wijl je 't liefste rust genoot. O! die koorts komt jou zoo plagen, En die maakt mij zoo bevreesd, Maar ik zal 't aan dokter vragen, Dat hij spoedig jou geneest. Moeder zal dan ook wel zorgen, Dat je weêr in krachten wint, En dan ben je zeker morgen Weer geheel een ander kind. Ja, dan gaan wij touwtje springen, Of wij hoeplen in het rond, En dan zal ik daarbij zingen: "Broertje lief is weer gezond!"
Nov. 1889.
Daar krabbelt een muisje, Ginds achter 't behang, Jawel zegt ons poesje Ik hoor je reeds lang. Hij zit nu te loeren, Heel kalm en bedaard, Kon hij hem maar vangen, Hij werd niet gespaard. Pas op denkt het muisje, Dank voor je bezoek, En krabbelt heel spoedig Naar boven langs 't doek. Piep, piep, roept het muisje, Ik kom niet terug. Jij bent met je pootjes, Mij altijd te vlug, Want word ik gevangen, Wat is dan mijn lot— 'k Word vreeslijk gemarteld, Gegeten tot slot. Neen, 'k weet wel een plaatsje, Waar jij mij niet hoort, En waar je voorzeker, Mij nimmer meer stoort. Het poesje ging henen, En hoorde niets meer, En legd' in zijn mandje, Zich rustig ter neêr.
3 Maart 1891.