van de
door
—
Met een Kaartje.
De weg naar de waarheid loopt door een kreupelbosch.
Laurillard.
Niet in den handel.
Gedrukt voor rekening van den Schrijver.
Deventer 1881.
Onno Zwier van Sandick, zoon van Ds. Johan Christiaan Frederik (1808-1886) en Maria Cornelia Anna Mees (1821-1884) geboren 9 februari 1861 te Terborg in Gelderland, vertrok 16 april 1879 in dienst van de Afrikaansche Handelsvereeniging naar Banana aan de Afrikaanse zuidwestkust. Hij vroeg ontslag op 17 september 1880, hetgeen hem per kerende post werd verleend.
Zijn doen en laten in de tussentijd was voldoende voor een onuitwisbaar stempel op de ontwikkeling in Nederland en daarbuiten van belangstelling voor het ware Afrika. *) Bij zijn voortijdige terugkeer december 1880 liet hij in eigen beheer en met enige spoed een bewerking van dagboeknotities drukken op een "sneldrukpers" bij de firma Ter Gunne & Plantinga in Deventer; zijn in februari 1881 gepubliceerde Herinneringen van de Zuid-Westkust van Afrika beslaan 124 pagina's in klassieke kleine letters exclusief het dubbel uitvouwbare kaartje. Buiten het voorwoord blijft de hoofdstukindeling beperkt tot een viertal data en "Eenige Aantekeningen".
Op 28 maart stapte hij in Amsterdam aan boord van het zeilschip De Suriname op zoek naar werk in Paramaribo. Als hij nu ging, zou hij zeker bloggen.
In Nederlands West-Indië werd de slavernij illegaal verklaard op 1 juli 1863, hetgeen een regelrechte zwartmaking van een groot deel van de economie betekende. Oost-Indië ging voor in 1859, het Verenigd Koninkrijk en koloniëen in 1838 en niemand zonder de liberté die werd bevochten in Franse Revolutie van 1789. De strijd voor egalité is getuige dit historisch document nog gloeiend. Er wordt gerept van onrecht en bedrog, maar het idee dat de beschaving van de "negers" uit Europa moet komen, is even typerend voor de Victoriaanse tijd als voor de jonge schrijver.
Het wapengekletter met de pen werd na zijn ontijdige dood in oktober 1881 zorgvuldig bewaard door H. W., zijn jongste broer, voor wie de fraternité een gegeven was.
Een nieuwsbericht 22 april in het Rotterdamsch Nieuwsblad *) over de Afrikaanse "factorijen", uitgeknipt en met een speld aan het titelblad bevestigd, vermeldt de bespreking in het Aardrijkskundig Weekblad van Eenige bladen uit mijn dagboek door Onno Zwier van Sandick en besluit: "Wij kunnen de lectuur van dat stuk een ieder aanbevelen."
ocr en html door I. van Sandick. Online sinds 27 november 2006, laatste wijziging (zoekscript) 14 december. Enkele zetfouten werden of worden nog aangepast, zoals de achterin het boek opgenomen lijst van zes "zinstorende drukfouten" en vijf aangetroffen potloodwijzigingen, die vermoedelijk van de schrijver zelf zijn. Een voetnoot werd zelfs onleesbaar gemaakt om elke reproductie uit te sluiten. Hier kan andere latere context in de marge zijn toegevoegd in deze gekleurde schreefloze letters. De enige drie woorden zonder schreef zijn origineel "een woord vooraf".

De uitgaaf van deze herinneringen buiten mijn toedoen vertraagd zijnde, en in verband met mijn aanstaand vertrek naar West-Indie, heb ik aan de korrektie niet de noodige zorg kunnen besteden. Wat stijl en vorm betreft, vraagt de schrijver wegens zijn jeugdigen leeftijd de toegevendheid van den lezer.
Het doel der uitgave van dit manuscript, dat ik grootendeels reeds in Afrika opstelde, is vooral om de waarheid te doen kennen van hetgeen aan de kust gebeurde onder de directie der oude Afrikaansche Handelsvereeniging.
Ik eindig met den wensch uit te drukken, dat iemand, die over eenige jaren de kust mocht bezoeken, aangenamer indrukken zal ontvangen dan dit met mij het geval was, en dat hij dan melding zal kunnen maken van den heilzamen invloed der
Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap;
te meer daar deze maatschappij een goede toekomst te gemoet schijnt te gaan onder het bestuur van zijn bekwamen directeur Jung, hetgeen haar ook van harte wordt toegewenscht door
den schrijver.
Deventer, Februari 1881.
Op den 14 Mei 1879 tegen den middag krijgen wij land in 't zicht, en zijn, met volle kracht doorstoomende, tegen 2 uur slechts eenige honderden passen van de Afrikaanse kust verwijderd. Deze is laag en vlak en tot op haar uitersten rand met lage boomen begroeid, die bij vloed hunne takken schier in zee laten hangen; bij laag water alleen is er een smal strand te bespeuren.
Wij volgen de kust nu Noordwaarts en stoomen weldra punt Patroon of Shark's point om en de Congorivier in.
Het is wel met reden dat onze kapitein eerst de kust volgde en toen als het ware bij verrassing de rivier invoer, namelijk ter zooveel mogelijke vermijding der hevige stroom der Congo, die haar water in een Noordelijke en Noord-Westelijke richting uitstort; haar stroom is in genoemde windstreken op aanmerkelijken afstand van de kust merkbaar, hetgeen den loop van een vaartuig veel kan doen vertragen. Slechts zelden neemt het Congowater een Zuidelijke richting; soms echter gaat een deel Punt Patroon om en volgt de kust voor omstreeks 50 zeemijlen. Het Zuidelijkste punt, waar visch van de Congo gevangen werd, is Mangue Grande; ook merkt men van land zulk een strooming dadelijk op door de donkerder kleur van 't water en de vele boomstammen en bossen gras, soms met een hert of ander wild dier er op, die de rivier zeewaarts voerde. Wij stoomden de Congo of Zaire*)De Portugeesche naam, die uitgesproken wordt als „Zère". in en volgen steeds den linker, Zuidelijken oever, den zoogenaamden Mussorongerkant. De rivier is hier zeer breed, doch de witte huizen van Banana zijn reeds aan de overzijde zichtbaar, ofschoon ze nauwelijks boven het water schijnen uit te steken.
Werkelijk ligt Banana bijna gelijk met den waterspiegel, hoogstens 2 voet boven hoog water. Het is gebouwd op een in den Congomond uitstekende landpunt, die in het verlengde van den Noordelijken zeeoever ligt. Aan de buitenzijde steeds door de golven der Atlantische Oceaan gebeukt, neemt deze punt sterk af; wel beproeft men door het storten van puin en steenen dit tegen te gaan, doch vertraagt dit slechts het lot van Banana, zonder het te kunnen beletten; reeds meermalen bij springvloeden stond het geheel onder, en zegt men schertsend het gebeuren kan, dat een van Europa komend schip geheel Banana verdwenen vindt.
Aan de binnenzijde wordt de landpunt door een inham der Congo bespoeld, welke achterin weer door een watertje met haar in verbinding staat. Deze inham wordt de Kreek genoemd en vormt de haven van Banana. Zijn invaart is zeer gevaarlijk, daar men tusschen twee banken heen moet, die slechts een nauwe vaargeul overlaten; ze wordt daarom steeds met een loods ondernomen. Eenmaal ingevaren, geeft de Kreek een goede ankerplaats voor schepen van zelfs 5 à 6 meters diepgang.
Onze stoomboot heeft korten tijd den Zuidelijken rivieroever gevolgd of de loods komt aan boord; tegelijk krijgen wij een eerste kijkje van zwarten door de roeiers der loodssloep.De geschiedenis van Congo in een notedop begint met de Conferentie van Berlijn in 1885. Men zou zich echter vergissen deze als type der inboorlingen te nemen, daar het geen Congonegers doch „crew-boys" zijn, die uit Akra, Cumber, Bony, onze oude Goudkust, hierheen gecontracteerd komen.
De loods heeft onderwijl zijn merken in het oog en stuurt ons de rivier over en den Kreek in.
Een eigenaardig gezicht vertoont zich nu aan ons oog; aan de linkerhand het eigenlijk Banana, dat behalve het Hollandsche huis of de factory der Afrikaansche Handelsvereeniging*)Ik stip hier even de geschiedenis dezer vereeniging aan. „Op kleine schaal in 1857 aangevangen, kreeg deze handel in 1863 dien omvang, dat de firma Kerdijk & Pincoffs in eene commanditaire vereeniging vervormd werd, en bij voortgaanden bloei in 1868 in de tegenwoordige naamlooze vennootschap overging."
(Prospectus leening 1877).
www.engelfriet.net stipt de apotheose aan. Na een boekhoudschandaal zonder weerga vluchtte Pincoffs in mei 1879 naar de Verenigde Staten, zijn zwager Kerdijk en de AHV achterlatend met een schuld van ƒ 9.501.006,82 bij met name de gemeente Rotterdam en (voor een miljoen) de bankier Marten Mees van R. Mees & Zoonen, compagnon in Afrika en een goede vriend uit Sociëteit Amicitia.
Meer paradoxen in The Netherlands and the Partition of Africa door H. L. Wesseling, in het Journal of African History, Vol. 22, 1981, pp. 495-509, die in de bronnen terugverwijst naar de lijst op blz. 117. uit nog een Fransche factory bestaat. Verderop is de geheele baai door bosschen omzoomd, waartusschen hier en daar het witte dak eener factory uitsteekt.
Schier de geheele landpunt wordt door de gebouwen en inrichtingen der Afrikaansche ingenomen; zij is smal en laat nauwelijks ruimte voor een enkel gebouw, zoodat deze dan ook in de lengte achter elkaar geplaatst zijn. Op deze wijze zijn de uiterste gebouwen der A. H. V. ruim een kwartier uur gaans van elkaar verwijderd.
Op de uiterste punt verheffen zich een paar houten loodsen, als kruitmagazijnen gebruikt, die door een open terrein van de daarop volgende magazijnen en woonhuis van factory Rotterdam gescheiden zijn. Dit terrein is het kerkhof en bevat reeds vele lichamen van landgenooten en van nog meer vreemdelingen, die hier als slachtoffer van het klimaat vielen. Factory Rotterdam is tevens het loodshuis en kan het entrepot der A. H. V. genoemd worden. Het woonhuis steekt hoog boven de omringende daken uit, en is van 2 verdiepingen; het eenige te Banana!
Factory Holland bevat de woning van den hoofdagent en de centrale kantoren, en ligt een tien minuten verder landwaarts. De open ruimte tusschen beide etablissementen is ingenomen door een negerdorp.
't Is onderwijl donker geworden en de stoomboot laat midden in den Kreek haar anker vallen. De duisternis onttrekt weldra alles aan het oog, en laat nog slechts de lantaarn zien, die aan de vlaggestokken voor de beide factoryen Rotterdam en Holland geheschen is, benevens eenige vuren in vermeld dorpje.
Niets van het eigenaardig gegons en rumoer eener groote stad; 't is doodstil en de zeebries brengt slechts nu en dan eenig hondengeblaf of het geluid eener trom uit het naburig dorp naar ons over.
't Is drukkend heet aan boord en de warmte en de vele muskieten laten mij dezen nacht geen oog sluiten. Den volgenden morgen ben ik reeds vroeg op het dek. In afwachting dat de boot straks aan de pier gaat liggen, begeef ik mij in een sloep aan wal.
Van een kaai is niets te bespeuren en, daar ik niet zoo snugger geweest ben naar een der uitstekende steigers te sturen, doe ik, op het hoofd van een zwarte gezeten, mijn intrede te Banana. Ik ben bij factory Holland aan wal gekomen en sta dadelijk te midden van het drukste deel der factory, tusschen de kuiperij en de werf, waarop een paar kustvaartuigen in reparatie staan. 't Is een geklop en gehamer, dat iemand hooren en zien vergaat, en die het mij onmogelijk maakt, die hier het toezicht over de talrijke zwarte werklieden houden.
Ik loop dus maar rechtuit, spoedig bespeurende dit mij in de zee zou voeren, want de landpunt is niet breed. Rechts van mij een huis ziende begreep ik dit factory Holland zijn moest; ik ga het hek binnen, waarop met groote letters geschreven staat
hospedagem nesta casa nāo ha,
dat wil zeggen dat dit huis geen logement is, welke waarschuwing vermoedelijk bestemd is voor een verstrooid reiziger, die in den waan verkeert, dat hij voor het Amstel-hotel staat.Zie het in 1867 gebouwde Amstel-hotel.
Een paar treedjes opgaande, sta ik onder de veranda van het huis, die aan deze zijde zeer breed is en ruimte voor twee reusachtige tafels geeft; dit gedeelte der veranda dient tot gemeenschappelijke eetzaal. Hieraan grenst het kantoor; een wapenbord met het „je maintiendrai" prijkt boven de deur en doet zien dat dit tevens het consulaat der Nederlanden is.
De bezigheden van dezen dignitaris, een der kantoorklerken, zijn echter moeielijk na te gaan; ik bespeurde toch nog niets dat naar formaliteiten zweemt; noch paspoorten-viseeren noch douanen-inspecties, niets van alles, wat men, om een vreemd land te mogen binnentreden, gewoonlijk verdragen moet. En dit met recht, want de Congomond, zoowel als de gansche kuststreek benoorden Ambriz, behoort geen Europeeschen staat toe en is neutraal grondgebied; er zich vestigende handelaren betalen ieder voor zich aan de inlandsche vorsten een zeker bedrag, en zijn verder in hun doen en laten volkomen vrij.
Ik treed het kantoor en consulaat binnen, ten einde mijn brieven aan den hoofdagent te overhandigen en zijn verdere orders te vernemen. Vijf klerken zijn hier aan het werk, of worden verondersteld te werken. Zij verwijzen mij naar een zijkamertje, waar ik den hoofdagent dan ook aantref, in gezelschap van den inspecteur *)Deze voetnoot werd uit de gedrukte tekst verwijderd., die door Pincoffs en Kerdijk hierheen gezonden werd, om het haast afgeloopen uurwerk der Afrikaansche weer op te winden en de balansen te flatteeren. Na een korte conversatie neem ik mijn afscheid en meldt men mij, dat ik nog één nacht aan boord zal slapen, maar morgen een kamer aan den wal zal krijgen.
De inspecteur raadt mij aan eens wat rond te wandelen en voegt er gemoedelijk bij, bij voorkeur in de schaduw te blijven. Als ik echter straks, voor mijn wandeling te beginnen, op de veranda uitkijk, begin ik te vermoeden, dat dit ironisch gemeend is. Alles glinstert en schittert in een verblindend wit zonlicht; ofschoon de maanden Mei tot November tot den drogen en koudsten tijd gerekend worden en de regen- en warmste tijd als geëindigd beschouwd wordt, staat de zon nog hoog aan den hemel, en laat de enkele palmboom of bananenstruik, die voor het huis staat, de bladeren slap en verdord neerhangen.
Het uitzicht op de veranda is weinig verkwikkend; onmiddelijk aan de rechterhand ruischt de zee, aan de linker omsluiten eenige lage planken gebouwtjes, kamers voor de employés bevattende, een binnenplaats, waar eenige mulatjes in het zand rondduikelen. Aan de voorzijde is reeds gemeld hek, dat dwars over de landpunt van de zee tot den kreekoever doorloopt.
Verlangend meer van Banana te zien, ga ik het hek weêr door en wandel den aarden weg op, die, steeds het midden van de landpunt houdende, tot het kerkhof doorloopt.
Werf en kuiperij ter linker en de smederij ter rechter liggen latende, voert de weg voorbij de dus genaamde „republiek", een laag lang gebouwtje, dat een reusachtig konijnenhok gelijkt en de kamers der blanke werklieden bevat. Ook de nieuw aangekomene employés worden hier gehuisvest.
Hier tegenover bevindt zich de Oliestore; eenige kolossale ijzeren potten staan in de open lucht en dienen ter zuivering van de palmolie, die de op de Congo gelegen factoryen vuil hierheen verschepen.
Bij de Oliestore ligt de „Batterij", de roem en trots van Banana, ofschoon het soms moeielijk is het houten schuurtje tusschen de massa's leege kisten en vaten terug te vinden. Eenige oude kanonnen staan zich hierin verwonderd af te vragen, wat ze toch eigenlijk moeten doen.
Hiermede is factory Holland geëindigd; wij komen nu in het negerdorp, de „povo" genaamd, een verzameling van vuile rieten hutjes, waar het inlandsch werkvolk, sjouwers enz., verblijf houdt. Het wemelt er van vrouwen en kinderen, en heerscht hier een luchtje, zoo'n echt negerluchtje, dat een pas aangekomen europeaan aan zeeziekte doet denken.
Men is bezig voor rekening der A. H. V. al deze hutten op te ruimen en door regelmatig geplaatste houten gebouwtjes te vervangen. Dit zal een groote verbetering zijn en bovenal het brandgevaar veel verminderen.
Aan gene zijde der „povo" ligt factory Rotterdam; een kleine stoomboot en drie nog kleinere schoeners zijn aan het lossen, dat een groote drukte en beweging geeft. Een hoek omgaande, sta ik voor het woonhuis dezer factory, dat een aardig en vroolijk uitzicht heeft door een net tuintje en eenige klapperboomen, die er voor geplant zijn. De chef en employés huizen op de tweede verdieping, waar zich ook de eetzaal bevindt. De geheele benedenverdieping wordt door magazijnen ingenomen.
Verder den weg opwandelende, kom ik langs een tweede „republiek", ditmaal die der „Crew-boys"; zooals ik reeds vermelde, komen deze negers, die een geheel andere taal dan de Congo-negers spreken, van de Noordkust en zijn voor zestien maanden verbonden; daarna moet de A. H. V. hun weer vrije passage naar hun land geven. Zij verdienen per maand vier long, dat is 24 yds manufacturen (circa ƒ 2 à ƒ 3 waarde), benevens den dagelijkschen kost. Er zijn hier thans 110 boys. Een gedeelte van het Crew-boy-huis is afgeschoten voor de „coromanos", de kustnaam voor slaven; ze worden 's avonds zorgvuldig opgesloten en zijn het eigendom der A. H. V. Ze zijn ten getale van 50, doch bevinden er zich nog velen op de buitenfactoryen.
Het kerkhof is weinig bezichtigingswaard; er is slechts één grafsteen, die van P. Kerdijk, broer van den directeur Kerdijk; deze Kerdijk was de eigenlijke opzichter der handelsonderneming en was, naar men algemeen hoort, aan de geheele kust zeer gezien en bemind. De opschriften der vele houten kruizen lezende, die op de overige graven geplaatst zijn, valt het mij op, dat er ook talrijke schepelingen hier hun laatste rustplaats vonden.
In factory Holland teruggekeerd, bemerk ik, dat de tafel gedekt en het gezelschap op het punt is aan tafel te gaan; 't is trouwens elf uur, dat ze hier ontbijttijd noemen.
De hoofdagent stelt mij aan de aanwezige heeren voor als „de heer Mees", waaruit ik het gevolg trok, dat deze naam in mijn introductiebrief nog al eens voorkwam.
De tafel is geheel op zijn Europeesch, en van alles voorzien; de schotels zijn echter eenigszins klein, zoodat ze in den regel leeg zijn voor ze mij bereiken. De drank is een portugeesche roode wijn, die à discretion geschonken wordt, hetgeen velen tot indiscretie verleidt. Hij is zeer zwaar en moet men er aan gewennen om hem lekker te kunnen vinden.
Het gezelschap is hoogst cosmopoliet; behalve een zestal Hollanders, zitten 3 Duitschers, 1 Engelschman en 8 Portugeezen aan, benevens 2 Amerikanen en 1 Engelschman, die tot Stanley's expeditie behooren en tijdelijk hier gasten zijn. Zie een aantekening over Stanley's expeditie. De tweede tafel is die der blanke werklieden; ook daar vormen de Portugeezen de meerderheid; verder eenige Hollanders, een paar Engelschen, een Rus, een Italiaan enz. Zij wordt gepresideerd door Jan Palaver, den timmerenden patriarch der kusters.
Het meest treft mij echter de omgeving der tafel, namelijk het aantal negerjongetjes, met een om het lijf geslagen doek gekleed, die ons bedienen. Ieder blanke houdt er zijn eigen jongen op na, behalve de Portugeezen, die er meerderen hebben, terwijl er nog eenigen bij zijn zonder meester; deze gansche schaar gonst als een zwerm bijen om en tusschen de tafels heen; hun koning is een reusachtige neger, die, in het midden staande, zijn bevelen aan de dwergjes uitdeelt. Ik kan er mij niet genoeg over verwonderen, hoe een wit bord onbesmet uit hunne zwarte vingers kan komen! Sommigen hebben een drietal kerven in hunne wangen; dit moeten „myoles" zijn, die uit het binnenland komen. Het maal afgeloopen zijnde, verdwijnen achtereenvolgens al de aanwezigen, en ben ik weer aan mijn dolce far niente overgelaten. Ook buiten de veranda is niets te zien dan den nijveren bijenzwerm, om zijn koning vergaard, druk bezig de pannen en borden aan een nauwkeurige inspectie te onderwerpen. Dezen middag vrees ik echter ze hun taak niet zoo goed als gewoonlijk verricht hebben, want gedurig zie ik een paar glinsterende oogen en een rij sneeuwwitte tanden uit een pot opduikelen en mij grijnzend toeknikken, waarop dan een algemeen gegrijns en geknik van het zwart auditorium volgt.
Een der spes patriae vereert mij zelfs met een toespraak, die ongetwijfeld heel mooi geweest zal zijn, maar ongelukkig aan mij verspild is.
't Is onderwijl laag water geworden, en bemerk ik, dat een smal strand zichtbaar is, waarlangs ik mijne exploratie kan voortzetten. Ik volg dit in tegenovergestelde richting als ik van morgen ging, en bereik binnen enkele minuten het Fransche huis. Dit ziet er vrij vervallen en treurig uit; een bejaard heer, dien ik hier ontmoet, en wiens toestand aan dien van het huis herinnert, blijkt de chef er van te zijn. Daar ook dit huis, evenals het Hollandsche, ofschoon het er niet opgeschreven staat, geen gastvrijheid geeft, wandel ik spoedig weer terug. Nog valt mijn oog op een in aanbouw zijnde loods, die op een aan de Hollandsche factory grenzend terrein geconstrueerd wordt, en ter herberging der leden van Stanley-expeditie bestemd is.
Zoo rondloopende en niets doende is het avond geworden; de bel van factory Holland wordt geluid en alle bezigheden zijn voor heden geëindigd. Ten 7 uren is er weêr gemeenschappelijke tafel, dat men hier het middageten noemt.
De stoomboot is onderwijl aan een der drie piers van factory Rotterdam vastgelegd, zoodat het mij weinig kost mijn logis te bereiken.
's Anderen daags ga ik allereerst naar het kantoor; ik moet echter tot 10 uur wachten voordat de hoofdagent bij de hand is. Ik verneem, dat kamer No. 5 in de „republiek" voor mij in order is gebracht, en krijg den sleutel alsmede eenige negers, meê, om mijn bagage van boord te halen. Dit is spoedig verricht en ben ik thans in mijn paleis geïnstalleerd. Ofschoon men mij op het kantoor gezegd had kamer No. 5 in order gebracht was, wenschte ik dan wel eens een kamer te zien, die niet in order is. Zij is in geruimen tijd niet geopend geweest, maar had de frissche lucht toch steeds toegang door eenige gaten in den rieten buitenmuur; een raam ontbreekt en doet de geopende deur als zoodanig dienst. Het ameublement bestaat uit een tafel en een stoel, blijkbaar van oude pakkisten vervaardigd, een dito kleiner tafeltje voor waschtafel bestemd, zooals een gebarsten kom en kan zonder oor aanduidt. Eindelijk uit eenige latten en plankjes, die vroeger een bed vormden, doch thans een hoop brandhout gelijkt; gelukkig heb ik eenig timmergereedschap en spijkers bij mij en slaag er in het weer in elkaar te krijgen.
Dezen middag word ik voor het eerst aan het werk gezet en wel op het kantoor, waar ik voorloopig zal blijven. 't Is mij reeds spoedig duidelijk dat niemand hier eenig gevaar loopt zich te overwerken. De zoogenaamde kantooruren zijn overigens van 7 uur tot 11 en van 2 tot 5, doch is men zelden voor 9 of 10 uur 's morgens bezig.
Langzamerhand kom ik hier op streek; een der heeren van het kantoor had de goedheid een jongen voor mij te arrangeeren tot in orde houding der kamer en tot bediening aan tafel; hij steelt als een raaf, hetgeen voor een bediende der A. H. V. ook niet te verwonderen is; voor ik echter hierop verdacht was, waren reeds een handdoek en eenige andere kleinigheden verdwenen. Mijn factotum antwoordt op den naam van „Chicaya", doch ik roep de eerste dagen dikwijls een verkeerden voor hem aan; in de oogen van een nieuw aangekomene schijnen al de negers dezelfde gelaatstrekken te hebben, ja, is het zelfs lastig een jongen van een grijsaard of van een vrouw te onderscheiden, daar de kleeding voor de beide sexen dezelfde en baarden of knevels zeer zeldzaam zijn; het gaat met de negers als met de schapen: men moet er lang en voortdurend meê omgaan, om ze te kunnen onderscheiden.
Deze vergelijking van een neger met een schaap, doet mij aan het antwoord denken, dat iemand, die uit Afrika kwam, gaf op de vraag wat hij aan de Westkust het merkwaardigst vond. „Wel," antwoordde hij, „dat aldaar de menschen wol en de schapen haar hebben!" — Werkelijk is het onderscheid tusschen de Europeesche- en de Congo-schapen zeer opvallend.
Vele negers scheren zich het hoofdhaar geheel of gedeeltelijk af, hetgeen een dwaas effect maakt. Te recht riep een Franschman uit, toen hij deze gewoonte voor het eerst opmerkte: „Ça se rase des jardins anglais sur la tête!"„Dat scheert zich Engelse gazonnetjes op het hoofd!"
Zie een "gazon à l'anglaise" anno 2005.
Zoo was het Zondag geworden, mijn eerste in Afrika; door het gebrek aan een kerk of predikant is kerkgaan niet goed mogelijk, en is deze dag nu geheel aan ontspanning gewijd. De in deze hitte meest verkwikkendste ontspanning, het baden, is hier helaas niet mogelijk; eenige badinrichting bestaat niet, terwijl de rivier te gevaarlijk door krokodillen en rivierpaarden is om zich hierin te kunnen gaan verfrisschen. Het is jammer, dat de A. H. V. hiervoor geen inrichting trof; zij had dan gerust de kegelbaan kunnen nalaten, die, in de felste zon gelegen, bijna nooit gebruikt wordt. Eindelijk is er nog een biljard, dat reeds heel wat dienst deed en een weinig bouwvallig is; overigens wordt er slechts door de hoofdbeambten gebruik van gemaakt.
Door dit gebrek aan amusementen is het een heel ding een Zondagmiddag door te worstelen; tegen den avond, als het niet meer zoo warm was, speelde ik met de Portugeezen een Portugeesch spel, „malha" genaamd, dat in de open lucht gespeeld wordt en be staat in het werpen met ijzeren schijven naar een bepaald doel, bijv. een paaltje. Het is zeer vermoeiend, doch bepaald amuseerend; alle Portugeezen zijn van dit spel hartstochtelijke liefhebbers.
Des avonds na het middageten begint de eigenlijke feestvreugde eerst; een der aanwezigen beproeft uit een ontstemde piano melodieuse toonen te halen, doch geeft het spoedig op. De rest van den avond wordt met brassen en drinken gesleten; de hoofdagent gaat nu en dan op zijn hoofd staan, en legt blijken af van een groot acrobatisch talent.
Alles saâm genomen, begin ik meer en meer naar een buitenfactory te verlangen, in de onderstelling, dat verandering met verbetering synoniem is, en ontvang ik met groot genoegen den 31 Mei de tijding, dat ik nog heden mij op de „Eersteling" moet inschepen, om mij naar Quillo factory te begeven. Mijn kist is gauw gepakt; tegen den middag ben ik kant en klaar aan boord van de „Eersteling" of Primeira, zooals haar meer populaire naam is. 't Is een kustschoener van circa 20 ton, met een negerbemanning voorzien; de geheele ruimte is door het laadruim ingenomen, slechts in den voor- en achtersteven een klein hok overlatende; laatstgenoemde is onze kajuit; zij ligt dwarsscheeps bij 1 Meter breedte, en heeft juist ruimte genoeg voor de bank, die als kooi dienst moet doen, en de naar het dek voerende trap. Kapitein Bush, een Amerikaan, die, voor hij kapitein der Eersteling werd, bootsman was, verzekert mij dan ook, dat zijn schip niet voor passagiers is ingericht; het blijkt echter een hupsch man te zijn, want hij offreert mij dadelijk zijn bed voor den halven nacht; de andere helft moet ik, bij gebrek aan een andere slaapplaats, op het dek slapen; dit aanbod wordt natuurlijk met dank aangenomen.
't Is middag; daar er nog geen wind is, roeien de zwarte matrozen ons de Kreek uit en zijn wij spoedig in de Congo. Een inmiddels opgekomen briesje helpt ons de rivier een weinig op te zeilen, ten einde de watervaten te vullen. De oevers der majestueuse rivier zijn steeds met dicht hout bedekt en lokken wel tot een verder bezoek uit.
Naar ik verneem is de Congo-rivier een centrum van handel en worden door de langs hare oevers verspreide factoryen, waarvan de belangrijkste Boma is, groote hoeveelheden palmolie en palmpitten gekocht. Genoemde plaats Boma moet een der weinige factoryen zijn, die na de ophouding der slavenexportatie, door de afschaffing der slavernij in Brazilie en Cuba, haren ouden bloei behouden hebben. Het is circa 70 mijlen of 23 uren van de kust gelegen en tevens het verste punt, waar europeesche handelaars gevestigd zijn.
De watervaten gevuld zijnde, wordt het roer gewend en koers naar buiten gezet; 't is echter onderwijl avond geworden en de wind gaan liggen, zoodat de kapitein het anker uitwerpt en wij dus nog binnen de rivier zullen overnachten.
Spoedig is de duisternis ingevallen, dat in deze streken steeds om 6 uur plaats heeft, met een verschil van slechts weinige minuten tusschen den langsten en kortsten dag. Een heerlijke sterrenhemel breidt zich boven mij uit, met vele schitterende sterren. Het vermaarde Zuiderkruis is lang niet makkelijk te vinden, doch met behulp van den kapitein slaag ik er toch in.
Veel meer in het oog vallend zijn 3 kolossale sterren, die een reusachtigen driehoek vormen- de twee grootsten zijn Castor en Pollux; ook een ouden kennis tref ik aan, namelijk de Groote beer, die echter vermoeid schijnt te zijn en op zijn rug ligt.
De kapitein is weinig met zijn ankerplaats tevreden, liggende nog geen kabellengte van den Zuidelijken oever verwijderd, van den zoogenaamden Mussorongerkant, naar den naam van den hier wonenden negerstam, de Mussorongers. Deze zijn om hun wreedheid en barbaarschheid alom berucht.
De Congo vormt aan zijn benedenloop de grensscheiding tusschen 2 zeer verschillende negerstammen. Aan haar Noordelijken oever en verder langs de kust Noordwaarts tot een weinig bezuiden de Chiloango-rivier bevindt zich de stam der Cabindas, welke allen, ofschoon er weder schier geheel onafhankelijke stammen onder zijn, tot het gebied van den prins van Cabinda behooren, die te Cabinda woont. Deze potentaat, een vrij beschaafde neger, bezocht voor eenige jaren Portugal en stelde zich onder bescherming der Portugeesche regeering. Deze, wier gezag zich feitelijk niet verder Noordwaarts uitstrekt dan tot Ambriz (7.52 Z. B.), maar tot den Congomond aanspraak maakt, nam deze gelegenheid gretig waar, om haar gezag en invloed aan de kust uit te breiden. Zij overstelpte den prins met eerbewijzen en vriendelijkheden, schonk hem den titel van „barāo de Cabinda", en zendt hem tot heden maandelijks een goede voorraad provisiën.
Hierbij beperkt zich Portugal's bemoeiingen, zoodat het rijk van den Baron op denzelfden of misschien nog lageren trap van beschaving staat dan voor zijn portugeesche bescherming.
Het is te betreuren, dat Portugal zijn roeping niet beter opvat, daar van al de negerstammen aan deze kust de Cabindas op dit oogenblik ontegenzeggelijk de meest ontwikkelden zijn en ook blijkbaar den meesten aanleg tot verdere beschaving hebben. Men vindt onder hen zeer bekwame timmerlieden, smeden, kleermakers, kortom de meeste handwerken worden met goed gevolg bij hen beoefend, al leerden zij dit niet uit zich zelf, doch op de Engelsche en Portugeesche oorlogsschepen, die hier sinds lange jaren kruizen tot beteugeling van den slavenhandel.
De Cabindas zijn in hooge mate slim en diefachtig, doch niet meer dan andere stammen.
Bezuiden de Congo strekt zich het rijk van den koning van Congo uit, die te San Salvador*)San Salvador ligt volgens Stanley 130 Geogr. mijlen van de kust en wordt gewoonlijk van Ambriz bereikt. in het binnenland verblijf houdt. Ofschoon dit rijk reeds 2 à 3 eeuwen met de Europeanen en speciaal Portugeezen in aanraking is, en men zelfs in het binnenland de ruïnes van jezuitenkloosters vindt, zijn de bewoners bij uitstek onbeschaafd en ruw. De stam der Mussorongers, die de kust bewoont, heeft nog in het bijzonder den naam van wreed en verraderlijk, en hier werden reeds verscheidene europeesche kooplieden en gestrande schepelingen vermoord. Vandaar dat scheepskapiteins er liefst zoover mogelijk van daan blijven, en er thans zeer weinig handelaren te vinden zijn.
's Anderen daags komt de „Eersteling" reeds vroeg in zee, gaat de punt om, en volgt Noordwaarts het zeer vlakke en langzaam toeloopend strand; dit is met dicht kreupelhout bezet, waartusschen hier en daar het witte dak eener Europeesche vestiging uitsteekt. Ofschoon eenige mijlen van het strand verwijderd, kan men duidelijk het dof gegons van de tegen de kust brekende golven hooren, wier opspattend schuim helder in het felle zonlicht schittert. Zoo passeeren wij op een afstand de factoryen van Moánda, dat men veel hoort noemen, doordien de meeste inlandsche huishoudsters van het dorp van dien naam afkomstig zijn. Vista, bekend door zijn heerlijke chinaasappelen en mangas, een soort van perzik, en waar de Afrikaansche een fokkerij van koeien voor consumptie gevestigd heeft, die echter niet veel resultaten geeft, en Jabe; hier verandert de eentonigheid der kust en hoogere heuvels met soms steil uit zee oprijzende klippen vertoonen zich aan het oog. In een geheel met geboomte omzoomde baai of inham ligt de factory Cabinda; de factory der Afrikaansche bevindt zich bij den ingang; dieper in liggen eenige Portugeesche etablissementen, terwijl het aanzienlijke Engelsche huis van Hatton & Cookson van LiverpoolHatton & Cookson handelden in ivoor, tabak, buskruit en rum in Congo sinds 1857, Gabon, Nigeria en elders. hier hun depot gevestigd hebben, op de wijze als de A. H. V. dit te Banana heeft.
Deze baai van Cabinda of Kabenda (5.30 Z. B. 12.12 O. L.) wordt meer en meer door de Amerikaansche walvischvaarders als station gebruikt ter verversching van water; men verzekert mij, dat er hier soms 40 van deze vaartuigen geankerd liggen, doch ik zie er thans geen een.
Op deze hoogte ligt een weinig in het binnenland de „povo grande", het hoofddorp van den baron van Cabinda, dat naar men beweert tien duizend bewoners zou hebben.
Tegen den avond ankeren wij op de hoogte van de Hollandsche factory Futila, die aardig tegen een dichtbegroeide heuvel gebouwd is, en waarvoor eenige lading aan boord is.
Den 2 Juni bij zonsopgang begint reeds het lossen; dit geschiedt met inlandsche Cano's uit een enkelen boomstam gehouwen, en circa 5 Meter lang bij ¾ Meter breed en diep. Zij zijn in hoogst treurigen toestand en liggen bij de vrij hevige deining en hun geringen diepgang steeds op een vervaarlijke wijze te schommelen en te dansen. Ik vat echter moed, om er meê naar land te dobberen. De Cano wordt door 8 negers, op den kant zittend, met pagaaien voortbewogen, waarvan de 2 achtersten tevens hem sturen.
Zoolang het nog in volle zee is, gaat het nog, ofschoon de lekkende en half vol water staande boomschors een weinig comfortabel vaartuig te noemen is; doch straks bij het naderen van het strand wordt het waarlijk angstig.
De brekers werpen zich met donderend geweld tegen de kust, het schuim meerdere meters hoog opwerpende; het schijnt mij onmogelijk toe, dat hier een boot, zonder nog te spreken van deze gebrekkige Cano, kan landen zonder om- of stuk te slaan. Dichterbij gekomen, houden de negers op met pagaaien. Het blijkt mij nu dat de branding niet onophoudelijk doorgaat, doch dat er nu en dan een verpoozing of stilstand is, wanneer het water vrij wel gelijk en effen is. Nauw is zoo'n oogenblik aangebroken, of de negers beginnen met zenuwachtige haast te roeien. De Cano wordt door een uit zee komende golf opgelicht en met verbazende snelheid naar het strand gevoerd. Hier wordt ze dadelijk door talrijke gereedstaande negers aangepakt, die haar verder op het strand schuiven, buiten het bereik der volgende brekers.
Aan het strand vind ik den chef der factory, een Portugees; daar hij toch zijn bezigheden met het lossen heeft, ga ik zelf mijn fortuin maar zoeken. Op korten afstand tref ik de factory aan. Het is een planken gebouwtje van één verdieping, met een veranda omgeven en met vilt gedekt. Het bestaat uit een eetzaal, aan weerszijden 2 kamers. Aan het eene einde is de dispense of provisiekamer, aan het andere de feitiço of winkel, waar de gekochte producten betaald worden. Dichtbij staan eenige magazijnen van „loangos" (gevlochten matten) met „palhas" (saamgevlochten stroo) gedekt. Nog bevindt zich binnen de omheining het keukentje en het onvermijdelijke vrouwenhutje, waar de negervrouwen van de blanken overdag verblijf houden en haar eten koken.
Het geheel is een nette factory en hare inrichting het type van alle handelshuizen aan deze kust. Zie de aanhaling van deze p. 24 in Changing perceptions of wealth among the Bamboma (Lower Zaire) (PDF), N. Schrag, Indiana University 1990, ISBN # 0-941934-56-X. Tegen den avond is de lossing der voor hier bestemde goederen afgeloopen; het was jenever, kruit en geweren, en ga ik weer naar boord terug.
Den volgenden dag liggen wij den ganschen morgen op wind te wachten, doch te vergeefs; eerst in den middag kan het anker opgehaald en zeil bijgezet worden; alles tot mijn groot genoegen, want door de hevige deining ligt het scheepje steeds op de onaangenaamste wijze voor zijn anker te rijden. Wij volgen dezelfde richting, Noordwaarts, evenwijdig met de kust. Deze is nog vlak en glooiend, hier en daar een weinig heuvelachtig, en steeds met hout bedekt. Wij passeeren in de verte de aanzienlijke factory Lándana, die zelf geen handel doet, doch het depot is voor de verschillende factoryen aan de Chiloangorivier gelegen, die een weinig Noordelijker zich in zee stort. Behalve de factory der A. H. V. vindt men hier nog vier andere huizen, die allen uitsluitend palmolie en palmpitten koopen. Hier is een fransche missie gevestigd, met zes jezuitenpaters. Zij bouwden een houten kerkje, waarin ze dagelijks een aantal negerkinderen onderwijzen; tevens houden ze een soort van pension voor mulatjes. Vele blanken zenden daarheen hunne chocolaadkleurige kinderen ter „opvoeding", ofschoon deze zich schijnt te bepalen tot het leeren van het „onze vader" in het fransch. Te oordeelen naar hunne gewezen discipelen, hebben deze jezuiten een raar begrip van zedelijkheid, dat veel overeenkomst heeft met die der Portugeezen. Deze paters verdrijven zich den tijd door het kweken van allerlei gewassen; hun tuin is vermaard en levert het bewijs dat de schijnbaar zoo dorre en drooge kust de prachtigste en heerlijkste tropische gewassen kan doen gedijen. Aan deze zending is een geneesheer verbonden, wiens huis dikwijls een hospitaal gelijkt, want vele blanken zoeken daar bij ziekte genezing. Deze dokter heeft zijn vrouw, een fransche jonge dame, bij zich, welke de beroemdheid van Landana is. Zij is toch de eenige blanke vrouw aan deze gansche kust, van Ambriz tot aan de Gaboon of misschien nog verder!
Dicht bij het strand ligt de factory van Chinchoxo (uitgesproken Sint George), waar voor een paar jaar de Duitsche expeditie onder Falckenstein en Gussfeldt gevestigd was. Zie een aantekening over de Duitsche expeditie. Het door hen bewoonde huis is ingestort.
De wind wordt slapper en slapper, en bij afwisseling ankerende en weêr voortzeilende, zou het nog twee dagen duren, eer Ponta-Negra, mijn voorloopige bestemming, bereikt wordt. De kust blijft eentonig en vlak, slechts éénmaal afgebroken door de monding der Loëma-rivier en de daarbij gelegen factory Massábe.
Zoo is het reeds den 5 der maand als de „Eersteling" haar anker op de hoogte van Ponta-Negra uitwerpt. Ofschoon zij haar reis naar Quillo toch zal doorzetten, en voor hier geen lading in heeft, kreeg ze last mij hier te ontschepen, waarna ik mijn reis over land moet vervolgen. Het strand te Quillo wordt toch door de hevige branding te gevaarlijk geacht om er blanken te doen landen. Slechts enkele uren behoeven wij te wachten of een sloep komt van land mij halen; het is een zoogenaamde „beach"- of „surfboot", met hoogen voor- en achtersteven, die speciaal voor deze streken in Europa gemaakt worden. Zij zijn bijzonder geschikt om bij branding te landen, en worden door 8 à 10 roeiers of pagaaiers, behalve den stuurman of patroon, voortbewogen.
Ik kom gelukkig droog aan land, en begeef mij dadelijk naar de factory der A. H. V., op korten afstand van het strand gelegen, en waar ik den chef, een Hollander, aantref. Deze factory is zeer fraai en kostbaar, daar zij geheel van hout in Europa gemaakt werd, zoodat zij hier slechts in elkaâr gezet behoefde te worden. De magazijnen zijn nog niet geheel af, en worden van inlandsche materialen vervaardigd; zooals reeds gezegd werd, zijn dit voornamelijk „loangos" of gevlochten matten, die aan een soort palmboom, genaamd „palmeiras", worden vastgebonden. Dit geschiedt door dunne latjes („banzas") en een soort twijg („macingas"). Het dak bestaat uit daksparren („burdōes") met „palhas" of gevlochten stroo bedekt. Een en ander is goedkooper dan Europeesche of Amerikaansche planken, ook zelfs dan de aan deze kust vervaardigde Cabinda- of Quillo-planken, doch vereischt meer aan onderhoud, en is in weinige jaren totaal vergaan.
Het nadeel echter van de Europeesche planken bestaat in de omstandigheid, dat de termieten of witte mieren er bijzonder op verzot zijn. Het viel mij op, dat het nieuwe huis, ofschoon nauwelijks af, reeds op verscheidene plaatsen door deze dieren ondermijnd was.
Een bijzonderheid van deze factory is een reusachtige brandkast, die half in den grond bedolven achter het huis in de open lucht ligt. De sleutel is verloren en niemand weet hoe hij hier komt, noch bekommert iemand er zich om!
Een tweede bijzonderheid zijn een aantal spoorwegrails, die ook waarloos in een vergeten hoek liggen en braaf verroest zijn. Niemand weet, waarom ze hier kwamen, of wat ze nog doen zullen; ik herinner mij trouwens, dat er ook te Banana een groote hoeveelheid waarloos lag; men vertelde mij dat deze behoorden tot een geheele partij, die voor talrijke jaren, waarschijnlijk met een doel, door de A. H. V. waren uitgestuurd, doch nooit gebruikt waren.
Behalve de factory der A. H. V. bevinden zich te Ponta-Negra, door de Engelschen Black Point genoemd, nog drie Portugeesche factoryen. Anders dan te Banana, drijven de hier gevestigde Europeanen, ofschoon fel concurreerende, het niet zoo ver om elkaar zelfs niet op te zoeken. Schier iederen avond is er in de Hollandsche factory réuni, zoodat ook dezen avond een zestal blanken hier verzameld zijn.
Deze factory wordt tot de meer aanzienlijke gerekend, waarom er dan ook een bediende, een Portugees, is.
Den 6 Juni vervolg ik mijn reis over land. Dit geschiedt per hangmat, het eenigste vervoermiddel te land in deze oorden. Het is een eenvoudige hangmat, van zeildoek gemaakt, aan een stok („burdón") hangende, die door twee negers op hun hoofd of schouders wordt gedragen. Een over den hangmatstok hangend laken beschut tegen de zon, terwijl mijn hoofdkussen en reisdeken het mij een weinig gemakkelijk maken. Het gaat op een drafje voort, steeds Noordwaarts het zeestrand volgend. Men kan hier blijkbaar alleen bij laag water passeeren, daar hoog boven ons hoofd de rots door het water is ingevreten.
Nu en dan wordt er halt gehouden en van dragers verwisseld, waarvoor een viertal negers steeds als reserve meêloopen. Eén draagt mijn valiesje op zijn hoofd.
Het is een eentonige reis en was het niet door het schudden en stooten, die dit voertuig meêbrengt, onmogelijk, zou 't zeker het beste zijn te gaan slapen, te meer daar men, als men iets zien wil, het laken dient op te lichten en aan de zon is blootgesteld.
Na een paar uren op deze wijze het strand gevolgd te hebben, verlaten wij dit, en gaan meer landwaarts, ofschoon steeds in Noordelijke richting, door een heuvelachtig land met reusachtig gras, vol met krekels en andere insecten, bedekt, waartusschen hier en daar een palmboom uitsteekt. Straks komen wij door een moeras, waarin de dragers spoedig tot aan de heupen inzakken. De andere negers komen de hangmat in het midden opbeuren, opdat deze niet in het water zou hangen, terwijl ze mij in hun negerportugeesch aanraden mij met handen en voeten aan den hangmatstok op te hijschen en vast te houden. 't Wordt nu hoogst vermakelijk; de gedachte aan krokodillen vermeerdert het genot!
Gelukkig duurt deze gymnastische oefening niet lang, maar krijg ik weldra de zee weer in het gezicht en ben kort daarnaBezoek het Loango National Park in Gabon. te Loango.
De A. H. V. heeft hier geen factory; de dragers houden uit zich zelf stil voor een houten huisje van twee verdiepingen, en vertellen mij dat dit de factory van Parks is, en dat de employés van het Hollandsche huis hier steeds uitrusten. Ik ga dus maar de trap op, en vind boven den eigenaar, een Amerikaan. Deze biedt mij dadelijk het een en ander aan, en, ofschoon hij mij niet kent en ik geen brief voor hem meêbreng, verzekert hij mij, dat ik in geen geval dezen dag nog vertrekken mag, maar bij hem overnachten moet. Ik maak graag gebruik van zijn gastvrijheid, daar ik door het nog ongewone hangmatreizen geheel uitgeput ben.
Dezen middag maak ik kennis met twee Portugeezen, de gansche overige blanke bevolking vormende, die ieder hier een factorij hebben, en gingen mijn gastheer en ik eten bij een hunner.
Zijn huis ligt op eenigen afstand, en dient men een moeras door te gaan: dit geschiedt dan ook weêr per hangmat.
's Avonds laat keeren wij in opgeruimde stemming huiswaarts; gelukkig dat onze hangmatdragers zich met een enkel glaasje rum tevreden moesten stellen, anders hadden wij meer dan waarschijnlijk een „salte mortale" met de kikkers in het moeras gemaakt.
Apropos van kikkers, schiet het mij te binnen, dat deze in één opzicht van hunne Europeesche broeders verschillen; namelijk dat zij hier zwijgen en de padden daarentegen kwaken!
Loango is na Banana de beste, of beter gezegd, de eenige haven aan deze kust; een bij het strand liggende bank sluit een baai af, waarin de schepen rustig en veilig liggen. Deze zelfde bank veroorzaakt dat er volstrekt geen branding is, zoodat men zelfs gewone scheepssloepen gebruiken kan. In den tijd van den slavenexport was deze haven van zeer veel belang; toen was zij zelfs een steenen huis rijk, dat, nadat het verlaten werd, verwaarloosde, en waarvan vele materialen nog door Parks voor zijn huis gebruikt werden. Het was een Fransch slavenetablissement. Ook de A. H. V. had hier een factorij, waarbij een kruitmagazijn geheel van ijzer; dit werd, nadat het verlaten was, door de inboorlingen uit elkaâr getrokken, die de ijzeren platen naar hun dorp brachten. Daar zij er niets meê weten te doen, zijn ze er nog steeds te zien.
Op deze hoogte liggen een weinig in het binnenland de aanzienlijke negerdorpen Loango-Grande en Loango-Pequeno, beiden bekend door hunne bekwame ivoorsnijders. In eerstgenoemd dorp staat nog boven aarde het lijk van den voor eenige jaren overleden Koning van Loango, wiens macht zich van de Chiloango-rivier tot benoorden de Quillo-rivier uitstrekt. Slechts door zijn opvolger kan hij begraven worden, en niemand was noch rijk noch had macht genoeg, om zijn begrafenis aan te durven of zijn muts, het teeken der waardigheid, op te zetten. Recht om op te volgen hadden anders de zonen der zuster van den overledene; diens eigen zonen komen niet aanmerking, ja, zijn zelfs geen prinsen. Deze vreemde opvolging, die overal aan deze kust gebruikelijk is, vindt haren grond hierin, dat de menigte geen zekerheid meent te hebben, dat de kinderen der talrijke vrouwen des konings, die zelfs een slavin tot vrouw nemen mag, steeds koninklijk bloed in de aderen hebben, terwijl dit bij die zijner zuster, onverschillig wie haar man is, steeds het geval moet zijn.
Daar er thans geen koning in dit rijk bestaat, is ieder dorp zijn eigen meester, en zijn de prinsen bijv. van Chinchoxo, Massabe, Ponta-Negra en Quillo geheel onafhankelijk, hetgeen tot talrijke onderlinge twisten en oorlogen aanleiding geeft.
De haven van Loango 4.39 Z. B. 11.44 O. L. heeft nog het voordeel, dat zij iedere maand wordt aangedaan door de Engelsche mailbooten, die van Liverpool komen, en op haren weg naar Loanda de meeste kustplaatsen aandoen. Op plaatsen waar de A. H. V. een factorij gevestigd heeft, is dit het geval te Ponta-Negra, Cabinda, Banana, Ambrizette, Ambriz en Loanda. Echter wordt deze mail voor de correspondentie met Europa weinig gebruikt, daar ze in den regel een vijftig dagen onderweg blijft, terwijl de Portugeesche mail dit in hoogstens dertig doet. Laatstgenoemde doet echter slechts de Portugeesche koloniën aan, en dus geen kustplaats benoorden Ambriz.
De Engelsche mailbooten zijn als het ware drijvende markten; men kan er alle mogelijke artikelen koopen, ofschoon tot een fabelachtigen prijs; door het totaal gebrek aan winkels voldoen zij echter in een werkelijke behoefte voor allen, die geen betrekkingen in Europa hebben.
Den volgenden dag lig ik weêr in mijn hangmat; eerst een vrij hooge heuvel op, die op sommige plaatsen zoo stijl wordt, dat ik uit de hangmat en te voet gaan moet. Zoo komen wij op een terras, van waar men een heerlijk vergezicht op het in de diepte liggend Loango heeft. Dit punt is bekend als een der fraaiste aan deze wat natuurschoon betreft zoo misdeelde kust. Het terras is met hoog gras bedekt, waardoor de dragers bij instinct den weg weten te vinden, want van een pad is geen spoor te onderkennen.
Ook de afdaling naar het strand is stijl en glibberig; de bodem bestaat uit roode zandsteen, bros en week, waarin de regen diepe gleuven en spleten gevormd heeft.
Het strand wordt Noordwaarts gevolgd; 't is er verbazend warm en eentonig, zoodat ik blij ben als de dragers het verlaten en, tusschen twee schuurtjes, het beachmagazijn der Hollandsche factory, doorgaande, aan den oever eener majestueuse rivier stilhouden. Dit is de geheimzinnige Quillo-rivier, waarvan verteld wordt dat zij in de Congo haar oorsprong neemt; de massa water, die zij steeds afvoert, is werkelijk kolossaal, doch is zij nog slechts een dertig uur stroomopwaarts onderzocht, waar stroomversnellingen verder doordringen onmogelijk maken.
Aan de overzijde der rivier, op een eilandje, kan men duidelijk de verschillende gebouwen der factory der A. H. V. zien liggen.
Behalve het Hollandsche huis bevindt zich hier nog slechts één Portugeesch; het ligt aan deze zijde der rivier, op den vasten wal, doch is klein en van weinig beteekenis.
De hangmatdragers houden voor deze factory stil; een te voorschijn komend Portugees biedt mij een hartversterking aan.
Inmiddels zijn wij aan de overzijde opgemerkt geworden en komt een boot mij halen. De overtocht duurt vrij lang, daar door den hevigen stroom en het afloopend water de roeiers gedwongen zijn eerst dezen oever geruimer tijd te volgen, voor zij het wagen over te steken. De boot drijft dan ook aanmerkelijk af.
Het blijkt onmogelijk te zijn op het eiland te landen, daar door het lage water de rivier zeer ondiep is. Op een honderd passen van den wal bestijg ik mijn hangmat en al plassend en behoedzaam voortloopend, bereiken de dragers behouden den oever.
Ik ga dadelijk mijn brieven aan den chef der factory, een Duitscher, overhandigen, en maak tevens kennis met een Portugees, die mijn collega hier zal zijn. In zijn soort is het een net mensch, van wien ik veel leeren kan door zijn ondervinding in kustzaken.
Het eiland, waarop de factory Quillo of Kwilo ligt, is slechts door een smal water van den Noordelijken oever der rivier gescheiden; het is zeer laag en van vorm langwerpig rond; slechts deze kant is echter bewoonbaar, daar de grootste helft met dicht hout bedekt en meer moeras dan land is.
Het woonhuis ligt dicht bij den rivierkant en is van loangos vervaardigd; het bestaat uit een ruime eetzaal en aan weerszijden twee kamers, waarvan er twee door den chef bewoond worden, terwijl de anderen leeg staan. Hiervan zal ik er één betrekken. Het huisraad is hoogst eenvoudig en geheel door inlandsche timmerlui vervaardigd.
Links van het huis bevindt zich een schuur, die voor verschillende bergplaatsen, alsmede voor de dispense is ingericht; een ander bevat den winkel, een kamer voor den Portugeeschen employé en magazijnen voor de gekochte en nog te verkoopen artikelen.
Een loods, waarin twee groote ijzeren potten staan, dient tot het koopen en zuiveren der palmolie, tevens tot werkplaats van den kuiper. Op eenigen afstand van het huis ligt op een kunstmatige hoogte een planken gebouwtje, dat den wijdschen titel van kruitmagazijn draagt.
De schoener de „Eersteling" komt dezen zelfden middag hier voor anker, en wordt de Portugees naar het strand gestuurd, om op de lossing een waakzaam oog te houden. Daarna worden de; goederen naar den oever der rivier gedragen en per cano of boot naar het eiland overgebracht. Ofschoon de rivier voldoende diepte heeft om voor de grootste schepen te kunnen dienen, maakt de hevige branding voor haren mond het binnenvaren van zelfs booten en sloepen onmogelijk. Deze branding, met het kustwoord „kalêma" aangeduid, en die vooral in den drogen en koudsten tijd van het jaar (van April tot September) hevig kan zijn, is op het strand niet zoo erg; echter bewijst de toestand der geloste goederen, dat de booten in den regel veel water inkrijgen, hetgeen voor sommige artikelen, zooals kruit en ijzerwerk, natuurlijk zijn nadeel heeft.
Mijn bagage, die grootendeels aan boord der „Eersteling" gebleven was, komt er gelukkig vrij goed af.
Den eersten avond van mijn verblijf te Quillo moet ik reeds de handigheid van mijn chef bewonderen, waarmee de 48 flesschen bier, die de „Eersteling" meê bracht, van haren inhoud geledigd worden, ofschoon dit bier speciaal voor de kust vervaardigd is en daarom een sterk hopgehalte heeft. De uitwerkselen zijn dan ook spoedig bij hem zichtbaar.
Tevens heb ik bij het avondeten gelegenheid het verschil met de tafel te Banana op te merken!
Na een drietal dagen is de lossing en lading met zakken palmpitten der „Eersteling" afgeloopen, en wordt de tijdelijk gestaakte handel hervat. 't Is hier de handel in zijn meest primitieven vorm; geld of iets dat daarmeê overeenkomst heeft, kennen de negers volstrekt niet. 't Is uitsluitend ruilhandel. Voor de opbrengselen van het land ruilen de inboorlingen hunne benoodigdheden in. Deze producten zijn hier :
Gom Elastiek; dit is het gekookte sap van een boom; zij komt voor in ballen ter grootte van een vuist en nog grooter.
Palmolie; deze wordt uit de dikwijls 50 pd. zware palmvrucht gekookt, die hiertoe vooraf eenigen tijd in het water te rotten gelegd wordt. Zij is geel tot donkerbruin van kleur, en stolt zeer snel, zoodat zij dan ook in stukken, in palmbladen gewikkeld, te koop aangeboden wordt. Deze stukken olie, die soms zeer hard zijn, schijnen dikwijls geheel wit, als zij lang bewaard geworden zijn. Zij wordt, om gekocht te worden, steeds gesmolten, om het vuil en zand, dat de negers hetzij met opzet, hetzij door slordig bereiden, er ingedaan hebben, te laten bezakken. Deze palmolie dient ter vervaardiging van stearine-kaarsen en van zeep.
Het sap van den palmboom is de palmwijn, een zoete, opwekkende drank, die echter spoedig bederft.
Palmpitten; een harde steenvrucht, ter grootte eener hazelnoot; zij bevindt zich in een nog hardere schil aan de buitenzijde der palmvrucht, dezelfde, waaruit de palmolie bereid wordt. Geheel deze vrucht, „dendée" genaamd, is met tallooze dezer pitten, ieder onder een klein blaadje, van buiten bezet, hetgeen haar een beschubt aanzien geeft. Het is steeds het werk der vrouwen en kinderen der negers deze schil stuk te slaan. Ook de palmpitten dienen in Europa ter bereiding van olie.
Ivoor, olifantstanden; deze komen diep uit het binnenland, zoodat men ze hier reeds uit de derde of vierde hand koopt.Meer over de Loxodonta africana ofwel Afrikaanse olifant. Aan de kust komen toch geen olifanten voor.
Deze tanden verschillen zeer in grootte, van enkele ponden tot over de 100 ponden toe. Deze ivoorhandel is zeker alhier de moeielijkste, daar een schijnbare kleinigheid, een nuance in kleur, een scheurtje of wat ook, van veel invloed op de waarde van een tand is.
Eindelijk slaven, waarop ik later zal terug komen. Van de blanken krijgen de negers hiervoor in ruil de meest verschillende zaken; de hoofdzaak is echter rum, of beter gezegd Hamburgsche Arak, en daarna manufacturen, voornamelijk katoentjes in verschillende patronen en kwaliteiten, zooals :
Ordinary en Stout Grey Domestic, diverse Striped en Checked Domestics en Drills, vooral American Drill en Plaid Shirting; diverse prints, ook in den vorm van zakdoeken en Shawls, ofschoon alles tot kleeding gebruikt wordt; verder dekens, spreijen, rood en blauw baai, flanel, singlets, hemden, mutsen enz. Bij dit alles staan felle en schrille kleuren op den voorgrond.
Vervolgens nog andere spiritualiën, zooals jenever in kelders van 12 flesschen en beteende rumflesschen van 1, 3 en 5 Gallons; — verder buskruit in vaatjes van 12, 6 en 4 pd.; vuursteengeweren; sabels; verschillend ijzerwerk, zooals tafel- en andere messen, lepels, hakkers, hangsloten; ook koperen roeden en dito enkel- en armbanden, en spijkertjes; verschillend aardewerk, vooral borden, waschkommen en kannen; zout (grot en fijn), strooien hoeden, parasols, spiegeltjes, goud- en zilvergallon. De laatstgenoemde artikelen zijn echter slechts bijzaak en dienen als toegift. — Kralen, die in het binnenland nog steeds geliefd moeten zijn, kan men hier aan de kust thans slechts met moeite kwijt raken, uitgezonderd de bloedkoraal, waarop de negers verzot zijn. Men moet echter het talent bewonderen, waarmeê zij de echte steeds kunnen onderkennen. Om verdere glaskralen geven zij weinig, en dan nog, merkwaardig genoeg, het meest om de doffe soorten; de kwaliteiten, die nog het best verkocht worden, zijn de almandrilhas en missanga.
Uit deze talrijke verscheidenheid van handelsartikelen volgt dadelijk, dat deze ruilhandel, hoe primitief dan ook, zekere vaste regels moet hebben, om praktisch uitvoerbaar te zijn.
De eenheid, om het zoo uit te drukken, van dezen handel is de long, ongetwijfeld afkomstig van de fransche „longe", doch die nu een maat van 6 Engelsche yards manufacturen is; zij wordt in vieren verdeeld, vadems genoemd.
De waarde van alle andere artikelen wordt in longs uitgedrukt. Zoo kost een geweer 5 long, zoo spreekt men van vaatjes kruit van 4 en 2 long en van 6 vaâm; zijn 2 sabeltjes of 4 messen of 4 borden of 1 Gallon rum één long. Hieruit ziet men, dat het betalen bij dezen handel moeielijker dan het koopen is.
Zoo bijvoorbeeld zal een neger eenige ballen Gom Elastiek te koop aanbieden; de blanke weegt ze, en berekent de waarde naar de hem gegeven limiet, die hij hiervoor mag besteden; laat deze waarde in dit geval ƒ 20 zijn; verder weet hij de waarde zijner long, d. i. van 6 yards manufacturen, dit is bijv. ƒ 1; hij heeft er van ƒ 2 en van 50 cts., doch in doorsneê zal dit ƒ 1 zijn. Voor dit partijtje kan hij dus den neger 20 long betalen, of waarschijnlijk 15 long en 5 Gallons rum, daar het gewoonte is de rum afzonderlijk te noemen.
De neger weet van geen berekening in geld, doch kent dikwijls door ondervinding nagenoeg de hoeveelheid longs, die hij voor een zeker aantal ballen kan krijgen, en, echte schachelaar als hij is, zal zeker een half uur praten en bieden, voor hij zich gewonnen geeft. De blanke zal dan ook beginnen te bieden 1 long, en de neger er 50 te vragen, om dan langzamerhand tot overeenstemming te komen. — Indien er meer partijtjes te koop zijn, krijgt de neger nu een briefje van het verkochte. Alles afgeloopen zijnde gaat de blanke betalen; door het openstaand raam van den winkel, kan de neger nu zijn 15 long uitzoeken, echter zorgt de blanke steeds op zijn gemiddelde long te blijven en op één, van ƒ 2, er twee van 50 cts. te leggen. Kiest hij andere artikelen, dan kan hij die gewoonlijk krijgen, daar deze meestal op den gemiddelden prijs der long berekend zijn, zoodat bijv. een geweer, dat ƒ 5 kost, voor 5 long gaat; soms echter is dit minder bijv. een kelder jenever van ƒ 2 voor 4 long, en dit is dan natuurlijk een voordeeltje voor den blanke, in wiens belang het nu is de negers steeds kelders jenever aan te prijzen. Aan den anderen kant veroorzaakte concurrentie, dat sommige artikelen duurder uitkomen, bijv. kruit van ƒ 5 waarvoor zij slechts 4 long willen geven, terwijl dit een onmisbaar handelsartikel is. Mochten ze dus kruit willen hebben, dan zal er steeds zeer goedkoope manufacturen bij genomen moeten worden. Bij vele zaken, waarvoor de negers op deze wijze niet de waarde willen geven, veroorzaakt het, dat ze steeds in de factory blijven liggen, daar de blanke er niet op wil verliezen. Zoo heeft de A. H. V. een groote voorraad prullen, die onmogelijk voordeelig verkocht kunnen worden en dan onpasseerbaar genoemd worden, zooals gouden en zilveren oorbellen, verzilverde bekers, oude cavaleriesabels en dito helmen, veldflesschen, spiegels, schilderijen, trompetten, zelfs sommige soorten manufacturen enz., waarvan reeds veel afgeschreven is en op de inventarissen niet meer voorkomt. Trouwens een groot gedeelte van dezen rommel is door insecten en ouderdom aangetast en totaal waardeloos. Ze worden nu zooveel mogelijk opgeruimd als toegift.
Het is toch gewoonte om na betaling van een partijtje producten het een of ander toe te geven in evenredigheid van de belangrijkheid der gekochte partij; en dit niet alleen aan den eigenaar er van, maar tevens aan den „lingster". Dit is een soort van tusschenpersoon of makelaar, die in den regel Portugeesch spreekt, en voor den eigenaar, soms weinig of niet op de hoogte der handelsgebruiken, het woord voert of als tolk dienst doet 't Is blijkbaar in het belang van den blanke zulke personen tot vriend te houden, en hebben tusschen hem en deze lingsters dikwijls kuiperijen plaats, om de producten zeer goedkoop van den onnoozelen, op zijn lingster vertrouwenden eigenaar, te krijgen.
Ten einde nog sneller te kunnen koopen, heeft men veelal maten gemaakt, die een bepaalde waarde hebben; zoo heeft men hier voor palmpitten een kistje, waarvan wij weten, het gevuld zijnde, een zeker gewicht of inhoud heeft, en waarvan de negers weten, dat zij voor ieder vol kistje 5 long en 1 Gallon rum krijgen; voor de palmolie een kuipje, inhoudende 10 Gallons, waarvoor zij 6 long krijgen. Bij Ivoor en Gom Elastiek is dit moeielijker te doen, en worden deze artikelen steeds op de balans gewogen en den prijs voor ieder partijtje afzonderlijk vastgesteld.
Zooals men uit dit exposé ziet, zou deze handel amusant, misschien winstgevend kunnen zijn, indien ... de Afrikaansche Handelsvereeniging het rijk alleen had. Doch dit zij verre. De hevigste concurrent is ontegenzeggelijk het Engelsche huis van Hatton & Cookson te Liverpool, dat zijne factoryen langs de geheele kust verspreid heeft en wiens zaken die der A. H. V. in uitgebreidheid evenaren, ja, zelfs overtreffen. Dan volgt het Fransche huis van Daumas Béraud & Cie., en dat van Conguis. Ten slotte een menigte hier gevestigde Portugeesche handelaren, die echter weinig kapitaal bezitten en steeds met de mail verschepen. Van dezen zijn, wat de streek benoorden de Congo betreft, de firma's Castor & Leitāo te Landana, en Agnello de Silveira te Loango de voornaamsten.
Het zij hier opgemerkt, dat geen huis, zoo Engelsch als Fransch of Portugeesch, op deze kust ooit goede zaken gemaakt heeft. Beurtelings zijn er steeds eenige firma's in staat van faillissement of liquidatie, doch gelukt het hun meest weêr kapitaal te krijgen en op nieuw te beginnen. Vooral de Franschen zijn hierin sterk.
Het is echter zeker, dat als er hier winst te behalen is, dit de A. H. V. kan zijn, daar zij door hare uitgebreidheid, bij zuinige administratie, in vergelijking minder onkosten hoeft te maken dan kleinere ondernemingen, en daarbij om dezelfde reden hare goederen in Europa goedkooper kan inkoopen.
Het is aan deze ongelukkige concurrentie te wijten, dat men, om nog van de inlanders te kunnen koopen, zijn toevlucht tot listen en lagen nam, die men niet licht in Europa straffeloos zou kunnen uitvoeren.
Behalve, dat in het algemeen de kwaliteit der manufacturen slechter en zeer ordinair werd, is men meer en meer begonnen de longen kleiner te maken, ten einde grooter aantal te kunnen geven, en heeft men thans steeds zooveel yards in zooveel vouwen, bijv. 15 yards in 24 vouwen d. i. 4 long, of 12 yards in 18 vouwen d. i. 3 long, terwijl ook de breedte in evenredigheid kleiner werd.
De neger, niets afwetende van yards en alleen lettende op het aantal vouwen, wordt hiervan gemakkelijk de dupe en neemt zonder aanmerking 6 dezer vouwen voor één long.
De blanke maakt nog gebruik van een andere gewoonte der negers, namelijk om bij de betaling in manufacturen dit na te tellen aan één zijde van het opengeslagen stuk, en dus overtuigd te zijn, dat als zij 12 dubbele vouwen tellen dit 24 enkele voorstelt. Ook volgens Bartjens zou dit het geval zijn, doch niet hier in Afrika bij de moderne beschaving. De blanke laat nu van Europa stukken met zoogenaamde valsche vouwen komen; d. i. slaat één vouw in het midden zoodanig om, dat dit aan de buitenzijde één dubbele vormt. Door een paar valsche vouwen wint hij dus al licht één yard op ieder stuk.
Met andere artikelen doet men dit weer op andere wijze. Zoo bij de vaatjes kruit van 12 pd., die hunne oude grootte behielden, echter door dikkere bodems en door de deksels er dieper in te laten zakken thans slechts circa 8 pd. inhouden. Kelders jenever met steeds één, bij ongeluk, gebroken flesch of met eenige metselsteenen in plaats van flesschen. Beteende flesschen met rum van 5 Gallons, die thans slechts 4 ¼ inhouden enz.
Met de maten, voor het koopen der producten bestemd, wordt ook gegoocheld; een kistje, waarvoor de negers sinds tijden gewoon zijn een zeker aantal longen te krijgen, wordt in stilte door een schijnbaar gelijk kistje vervangen, dat echter een weinig grooter is. In het kuipje, voor de meting der olie gebruikt, wordt een duigje bij ingezet, of bevindt zich aan de achterzij onderin één gaatje, waardoor, al vullende, veel olie in den bak, waarin het geplaatst is wegloopt, enz.
Een en ander heeft onaangename gevolgen, en wel:
1°. De negers zijn in hooge mate achterdochtig geworden en denken soms bedrog, waar dit werkelijk niet het geval is, hetgeen tot veel last en onnoodige drukte aanleiding geeft.
2°. Alle zedelijk overwicht en prestige der blanken verdwijnt, zoodat dit dan ook thans bij de negers gelijk nul is.
3°. Deze ruilhandel wordt stuitend voor een mensch, die nog een aasje geweten heeft.
De negers van hunnen kant zoeken, zooals te verwachten is, den blanke op alle mogelijke wijze te verschalken hetgeen hun echter zelden gelukt. Bij de palmpitten doen zij de schillen, in de olie zand of water, in de Gom elastiek steentjes en ander vuil, in de holte der olifantstanden dergelijke zaken; — alles, doordien zij bemerken, dat zij er meer voor krijgen, naarmate van het gewicht of den inhoud der artikelen.
Tegen deze vervalschingen is het natuurlijk makkelijk te waken; alleen uit onachtzaamheid loopt men er soms in.
De meeste dezer artikelen geven na gekocht te zijn weinig last meer.
Gom Elastiek wordt verscheept in het leege rumfust, dat hiertoe met het tarra en brutogewicht gemerkt wordt.
Palmpitten in graszakken, die door de inboorlingen gevlochten en verkocht worden; naar Europa wordt dit artikel soms in bulk, d. i. los, ongezakt, verscheept, dat echter de ruïne van het schip is.
Ivoor behoeft slechts gemerkt te worden.
Alleen palmolie geeft meer werk, daar zij nog schoon gemaakt moet worden. Hiertoe wordt zij nog eens opgekookt en daarna ter afkoeling in zoogenaamde „depots" gegooid; dit zijn groote opstaande vaten, die op een verhevenheid geplaatst zijn. Na een nacht hierin gestaan te hebben, is het vuil genoegzaam bezakt en laat men de olie in daarvoor bestemde heele en halve vaten van circa 280 en 140 Gallons loopen. Dit vuil, dat in de depots overblijft, wordt nog tweemaal met water opgekookt, om de olie, die er nog in mocht zitten, af te scheiden, terwijl het vuil, wat ten laatste overblijft, nog naar Europa verscheept wordt, ofschoon het op het oog gewoon zand gelijkt. Men gebruikt het voor de vervaardiging van schoen- en wagensmeer.
Om het groote gewicht der olievaten, en omdat zij toch drijven, worden deze door „sleepen" ingescheept; hiertoe wordt ieder vat geslengd, d. i. met hiervoor bestemde kettingen omwonden; vervolgens 10 à 15 stuks weêr onderling vastgemaakt, waarna zij achter een „surfboat" *)Zie bladzij 26. naar boord geroeid worden. Ik merk hierbij op, dat niet alle factorijen hare olie zelf schoonmaken; sommige zenden ze vuil naar Banana, waar het dan geschiedt.
Niettegenstaande al deze moeite en drukte en zeker ook tengevolge der primitieve methode van zuivering, vindt men de palmolie der kust in Europa steeds als „onzuivere" genoteerd!
Het eerste werk, dat een nieuw aangekomene wordt toevertrouwd is het uitgeven der „dispense", de Afrikaansche provisiekamer, ofschoon er soms niet veel provisie in te vinden is. Terwijl de kok aan de deur blijft staan, meet men hem nauwkeurig al het benoodigde af; één glas rijst, anderhalf glas boonen, drie kubieke duimen spek, één kopje met zout, — dat, straks op tafel gekomen, zooveel mogelijk geverifieerd wordt! Het uitgeven van het eten en den aankleve van dien is aan deze kust de voornaamste en steeds wederkeerende bezigheid. Mocht het toch soms slap met den handel zijn, dispense uitgeven geschiedt steeds twéémaal per dag. Ja, het is zelfs een der ingewikkeldste en moeilijkste bezigheden, die dikwijls tot ernstige en langdurige discussiën aanleiding geeft, en menigmaal den employé slapelooze nachten bezorgt. De eerste dagen van mijn verblijf alhier had ik reeds een belangrijk geschil met den kok, die beweerde zout voor de rijst noodig te hebben. Voorwaar, een groote ongerijmdheid, waarvan ik in Holland op geen kantoor ooit iets gehoord had; kon hij niet even goed zeewater nemen? Wij ijlden naar den chef, die verklaarde, dat ook hij er in Holland nooit iets van gehoord had, doch dat het hier aan de kust steeds gebruikelijk was. Ik geef hem thans ook maar voor ieder maal één kopje zout, ofschoon ik er nog dikwijls over loop te mijmeren. Ziedaar een van de vele dispense vraagstukken, waarvoor de employé geplaatst is, waarbij de meest zamengestelde van Knapper of Kapitein in het niet verzinken. De Afrikaansche, vermoedelijk gedreven door een lofwaardige zucht om het leven harer employés te vergemakkelijken, vermindert meer en meer hare bezendingen provisie, zoodat men spoedig het uitgeven der dispense geheel zal kunnen nalaten.
Het tweede werk is het „maken" of „wasschen" van de rum, dat eenvoudig bestaat in het bijvoegen van water, meestal niet meer dan 50%; dit is geen vervalsching te noemen, want het geschiedt blijkbaar met een filantropisch doel: de verdierlijkende werking van den sterken drank te verminderen. Daar de negers hem echter na deze kunstbewerking niet scherp genoeg zouden vinden, wordt er daarna dikwijls een weinig vitriool- of anijsolie bij gedaan.
Reeds negerjongens, ten minste als zij eenige opvoeding genoten hebben, bezitten een merkwaardig keelgat. Ik betrapte er een, die in mijn kamer een slokje nam uit de alcoholflesch van mijn photographietoestel, die ik vergeten had weg te sluiten! Dergelijke kleine vergrijpen straft men hier door toediening van eenige „palmetadas", dit zijn in de vlakke hand toegebrachte slagen met den „palmatorio"; dit is een vier palm lange stok, die in een platte schijf van één palm middellijn eindigt.
Bij de beschrijving van Banana vermelde ik ter loops de coromanos, door de Hollanders uitgesproken „kroomannen". Deze zijn een bijzonderheid der kust; men kan ze gewoon slaven noemen, daar de negerprinsen of aanzienlijken zelven ze aan de blanken verkochten. Het staat hun vrij een vrouw te nemen, in welk geval hun kinderen echter ook het eigendom huns meesters worden. Dikwijls zijn zij uit andere streken afkomstig, en zou het hun dus moeielijk vallen te vluchten en hun land te bereiken; maar zelfs indien zij hunne verwanten nabij zijn, zouden ze alle kans hebben bij ontvluchten door deze weêr teruggebracht te worden om de premie te verdienen; zij brengen dan ook op de meeste plaatsen den nacht in vrijheid door. In Banana is dat niet het geval, daar men hier steeds de onwilligsten en brutaalsten van de buitenfactorijen heenzond. Overigens is het lot dezer coromanos voor een neger niet te beklagen, behalve dat zij op ieder oogenblik verkocht kunnen worden en geheel van hun meester afhankelijk zijn. Sommige chefs, vooral de Portugeezen, maken hiervan misbruik, in het bijzonder wat hun dochters en zonen betreft.
De coromanos worden niet alleen door hun meester gevoed, maar zij verdienen, indien zij zich aangenaam of nuttig weten te maken, dikwijls even zooveel als een vrije neger, maandelijks 2 à 3 long, dat ze voor zich zelf kunnen aanwenden. Hieruit blijkt, dat coromanos duurder zijn dan vrije negers; echter hebben eerstgenoemden het voordeel, dat men ze altijd disponibel heeft, terwijl een vrije neger, als hij genoeg gegeten heeft, er niet aandenkt te gaan werken.
Daar de slavernij in de Portugeesche kolonien is afgeschaft, vindt men de Coromanos uitsluitend benoorden Ambriz, en wel speciaal aan de Congo en Noordelijker.
De A. H. V. heeft er eenige honderden in eigendom, die over haar verschillende factorijen verspreid zijn; hier in Quillo zijn er slechts 12.
Het verder personeel bestaat aan deze factorij uit 6 vrije negers, voor roeiers der boot, welke 3 long maandelijks, alsmede dagelijksche ratie, verdienen. Verder een kuiper, een smid, een timmerman en een kok. De voornaamste persoon eener factorij is ontegenzeggelijk de lingster of makelaar van het huis; dit is een persoon, die in zijn streek een invloedrijk man of prins is, doch tegen 8 à 10 long per maand in dienst der factorij staat. Hij fungeert als tolk bij den handel, en is tevens de factotum van den blanke. Bekend met diens zwakheden en gebreken, weet hij hieruit heel wat geld te slaan. Kortom, hij is de grootste schelm van de geheele plaats.
De blanke is op zijn factorij volkomen vrij in zijn doen en laten; hij betaalt maandelijks aan de aanzienlijkste prinsen van het land een zekere schatting, die deze dan zelf komen halen; meestal is dit alleen rum, soms echter ook manufacturen of geweren en kruit, al naar men bij de stichting der factorij overeen gekomen is.
Botsingen tusschen hem en de zijnen en de inlanders komen niet zelden voor; er wordt dan aan de factorij een fundatie of beraadslaging met de prinsen hierover gehouden, die bijna altijd eindigt, dat de blanke betaalt. Een zeer dure grap is bloedstorting, zelfs indien dit aan een zijner slaven geschiedt; deze zou hij kunnen doodslaan, zooals in drift wel eens gebeurt, zonder eenige last hiermeê te krijgen, indien hij maar zorgt, dat er geen bloed te voorschijn komt. In dit geval zouden de prinsen dadelijk aanleiding hebben te beweren dat hun grond met bloed bevlekt geworden is, en groote betaling eischen om dit weêr uit te wisschen.
De wijze van leven op deze factorijen is zeer eentonig. Bij zonsopgang thee drinken, als er thee is, met een stukje brood, als er meel is, misschien met boter, o! heerlijkheid, of met kaas, toppunt van begeerlijkheid! — De chef slaapt nog zijn roes uit.
Daarna dipense uitgeven; tevens koopen, wat er voor de consumptie te koop aangeboden is. Dit is dikwijls niet veel, daar het land weinig oplevert en de negers dit zelf wel opkunnen. Hun hoofdvoedsel is de mandioca, een soort van wortel, die hier in twee vormen ter verkoop wordt gebracht; namelijk als „rotte mandioca" (mandioca podre), die men in het water te rotten heeft gelegd, en „chicuánga", waarbij elk stukje in een blaadje is gewikkeld en iedere 10 stukjes weêr saâmgebonden zijn; 6 van deze bosjes koopt men voor een flesch rum, waarvan één ruim het dagelijksche voedsel voor één neger geeft; hetzelfde betaalt men voor 30 stukken der mandioca podre; zij mogen ook een equivalent nemen, bijv.: een scheermes of een bord, of 100 almandrilhas of voor 2 flesch rum één koperen roede. Van de mandioca wordt een soort van meel bereid, dat echter zeer onsmakelijk is. Het is ook de grondstof der „arrow-root".
Veel op de mandioca gelijkende, is de weinig voorkomende „yam" of zoete aardappel.
Verder betaalt men voor een kip 1 fl. rum, voor een eend 2 a 2 ½ fl. rum, voor een schaap, dat zelden voorkomt, 5 longen 1 Gallon rum (5 flesch is 1 Gallon, ten minste in naam. De flesschenmaat, waarmeê men den negers de rum afmeet, houdt circa één achtste Gallon in). De groenten beperken zich tot boontjes, ofschoon er een soort porcelein in het wild groeit, dat te weinig bekend is. Koeien of ossen komen aan de kust in het geheel niet voor; wel enkele varkens, hetgeen echter voor een ongezond eten doorgaat. Wild is hier genoeg, doch de negers zijn te lui om het te schieten; slechts enkele malen komen zij met een hert ter verkoop; zoo ook wilde zwijnen; de andere dieren als hipopotamus, rhinoceros, krokodil, wolf, hijena, panther en slangen gaan voor oneetbaar door. Een bijzonder soort van hert is de „syche", die niet grooter dan een hazewindhond wordt, waarmee zij in vorm en bouw veel overeenkomt; het is een vlug en aardig beest, dat zeer tam kan worden, en dan den eigenaar als een hond steeds achterna loopt. Een zeer goed gerecht daarentegen is de aap, echter niet de grootere soorten van gorilla en chimpense, doch de kleinere, mits in het wild geschoten.
Visschen zijn op sommige tijden overvloedig, doch niet bijzonder smakelijk; merkwaardig, doch niet eetbaar, is de electrische visch, die een schok veroorzaakt als men haar aanraakt; de zaagvisch, met een lange zaag aan haar kop; de medusa, met talrijke zeer lange armen voorzien, die in een zuiger eindigen; dit zonderling monster heeft geen lichaam doch slechts een soort van zak; noch oogen, mond of ooren. De trompetvormige uiteinden der armen vormen een zeer goed eten, doch is het minder smakelijk bij de gedachte dat dit dier zich bij voorkeur met lijken voedt. Ik zag het lichaam eens negers opvisschen dat door zulk een dier omwoeld was; wonden had het lijk niet, doch waren de trompetjes, om het zoo te noemen, tegen het lichaam aangeklemd. Ik kon ze niet aftrekken zonder ze open te knippen. Dit is uitsluitend een zeevisch. Ook zag ik reusachtige roggen aan wal sleepen, volkomen rond, met een middellijn van vijf Meters. Schildpadden zijn smakelijk, doch komen zeldzaam voor. Men heeft zeer verschillende kwaliteiten. Een goed voedsel zijn de eieren, mits zij nog niet gelegd zijn.
Zeer veelvuldig zijn in deze streken de papagaaien, die echter niet eetbaar zijn; zij vliegen steeds bij geheele zwermen, gelijk kraaien, wier gekras aan het hunne doet denken. Van de vrij talrijke vogelsoorten wordt slechts de „rolla" of boschduif gegeten. Zangvogels komen haast niet voor; daarentegen wel prachtig gevederde, die echter, gevangen zijnde, moeielijk in het leven zijn te houden.
Deze mandioca- en provisiehandel is het uitsluitend domein der vrouwen en meisjes.
Iederen morgen heeft men aan de deur der dispense een vue pittoresque der schoone sekse van het land. Haar eenige kleeding bestaat uit een doek, om het lijf geslagen, die in breedte en kwaliteit van de welvaart der eigenares afhangt. Bij de ongehuwde meisjes is deze doek om het midden of iets hooger vastgeknoopt, het bovenlijf onbedekt latende. Bij haar, die al een kind gehad hebben, is die doek onder de armen vastgemaakt. Het is een eigenaardigheid der negerinnen, dat zij hangende borsten als een sieraad beschouwen en dit door sterk gespannen touwtjes zoeken te bevorderen. Het schijnt ook voor verfraaiing van haar physionomie te zijn, dat sommigen zich het gelaat rood verven; dit geschiedt met „tacúla", een soort van vette aarde. De natuurlijke kleur harer huid is donker bruin tot grijs toe, in talrijke nuances; bepaald pikzwart wordt zij bij ziekte, zooals de blanken dan bleeker worden. Velen dragen haar kind in een doek gewikkeld op den rug; 't is een vreemd gezicht zoodanig uitgeruste schoone haar entrée de salle te zien maken, de „matéta" of gevlochten langwerpige korf met proviand op het hoofd, een pijpje in den mond en kolossale ijzeren en koperen ringen, aan armen en voeten, die haar gang slepend en leelijk maken. Kinderen loopen geheel of nagenoeg naakt tot hun besnijdenis, die pas als zij volwassen zijn plaats heeft. Bij de meisjes bestaat die plechtigheid in het vertoeven in 't „casa de tinta", woordelijk verfhuis; voor dat een meisje in deze plaats vertoefd heeft, mag ze niet huwen. Als zij het verlaten heeft wordt ze een „kabasje" genoemd, hetgeen ze echter slechts korten tijd blijft.
Indien een negervrouw bevallen is, wil het gebruik, dat zij geen bezoek van een man ontvangt voordat haar kind loopen kan. Zij vertoeft dan gedurende dezen tijd bij hare verwanten.
Dit gebruik kan veel tot de gewoonten der veelwijverij en van andere zondige liefhebberijen onder de negers hebben bijgedragen.
De verhouding tusschen de blanken en de negerinnen is natuurlijk zeer ongedwongen, als men bedenkt, dat er volstrekt geen blanke vrouwen aan deze kust zijn. Velen hebben vaste huishoudsters, die dan per maand 4 à 6 long ontvangen. Zij worden echter weinig vertrouwd, zoodat zelfs de sleutel der dispense de zak des blanken niet verlaat. Ontwikkeling vindt men er niet onder; het maximum van beschaving zijn eenige woorden Portugeesch, zoodat van gezellige conversatie geen sprake is. Haar hemel op aarde is een pijpje tabak, of bij ontstentenis daarvan eenige andere bladen; men vindt hier een soort kruid „leámbo" genaamd, dat op den rooker het effect van opium heeft, en waarvan ik een monster meêbracht; tabak trof ik overvloedig in het wild groeiend aan, zoowel als katoen en maïs, doch wordt niet gecultiveerd.
Indien er nu wat ter verkoop gekomen is, ga ik dat koopen; mocht dit niet het geval zijn, dan houd ik het toezicht over onze luidjes, als zij aan het opzakken van palmpitten, het inkuipen der gom elastiek of met iets dergelijks bezig zijn. Zij kunnen toch niets doen zonder de aanwezigheid van een blanke; geen magazijn wordt zonder hem ontsloten, want de diefachtigheid der negers kent geen grenzen.
Als principe geldt hier, dat de slaven nooit in de week mogen stilzitten; bij gebrek aan wat anders worden ze aan het grashakken gezet.
Tegen 11 uur laat ik de bel luiden en begeef mij naar de eetzaal. De chef is juist opgestaan, heeft echter haarpijn, daarbij niet veel eetlust. Wij gaan ontbijten, dat niet lang aanhoudt; de schotels zijn weinig in getal en spoedig van hunnen inhoud geledigd.
Na afloop van het ontbijt is het weer belluiden, en wordt de dispense uitgegeven, waarna het werk van 's morgens weêr hervat wordt; dit duurt tot het donker toe, wanneer de dagtaak geëindigd is. Om zeven uur of nog later heeft het eigenlijk diner plaats, ofschoon het meer de tijd van het avondeten is, en zoo is de dag al haast om.
Men is met zijn tweeën of drieën spoedig uitgepraat, vooral als men lieden van zoo geringe verstandelijke ontwikkeling en beschaving aantreft als dit thans met mij het geval is. De eerste dagen kwam de Portugees van de overzij om dezen tijd een praatje maken; de chef kreeg echter woorden met hem en wierp hem de deur uit; sinds kwam hij niet terug.
De vele muskieten en zelfs vliegende scorpioenen beletten iemand rustig te zitten lezen, zoodat ik meestal spoedig het voorbeeld van den Portugees volg, en mijn toevlucht achter het muskietennet van mijn bed opzoek.
De chef, om elf uur opgestaan, heeft natuurlijk nog geen slaap; ook heeft hij zijn gewonen roes nog niet gedronken. Aan het hoofdeinde der reusachtige tafel gezeten, zijn pijpje in den mond en de wijnflesch naast zich, zit hij in zijn eentjen „feest" te vieren. Met het hoofd op de ellebogen geleund, filosofeert hij ongetwijfeld over het verledene, en vindt hij dat het leven van chef eener factory der A. H. V. aangenamer is dan dat van een stoker. Bij afwisseling zingt hij een zeemansliedje, of gaat languit op de canapé van bamboes liggen, met zijn hakken een serenade trommelende. Hij neemt het vrij kwalijk, dat zijn bedienden niet verkiezen hem in zijn bachanaliën gezelschap te houden, en wreekt zich door mij soms 2 of 3 keeren in den nacht door den hofmeester te doen opkloppen om in de dispense de wijnflesch te gaan vullen.
Zoo gaat het de eene dag voor, de andere na; men ziet dat het leven in deze buitenposten niet bijzonder idilisch is.Bedoeld wordt: idyllisch. Ik profiteer hier echter van mijn collega den Portugees, om zijn landtaal, die ik reeds in Holland theoretisch bestudeerde, praktisch te leeren spreken. Deze taal is hier toch voor den handel onmisbaar, daar de negers, van de Europeesche talen, haar slechts machtig zijn. Velen spreken haar vrij goed; opvallend is echter hoe zij steeds de h en f en de l en r onderling verwisselen.
De 4 Juli brengt ons eenige afwisseling door de komst van den chef der factorij Longo Bonde, een Hollander; hij voert met zich een monster van zeker zaad, dat in het wild overvloedig groeit, en in smaak en uiterlijk Cayenne-peper gelijkt. Ofschoon het hem afgeraden wordt, zal het op zijn aandringen naar Banana gezonden worden, ten einde te weten of het een artikel van handelswaarde is en er dan een liemiet d. i. opgave van het hoogste bod, dat men er voor bieden kan, voor te krijgen. Men zegt hem echter vooruit dat het zeer onwaarschijnlijk is hij antwoord krijgt, terwijl in Banana zulk een overmaat van ijver niet graag gezien wordt, en ongunstig op iemands carrière kan werken.
Na eenige dagen krijgen wij het stilletjes, daar onze heer chef een uitstapje naar Ponta-Negra gaat doen, en den 10 dezer vertrekt. Werkelijk, 't is zoo veel aangenamer met ons beidjes, den Portugees en ik, terwijl ook de Portugees van de overzij ons weêr durft opzoeken.
Den 22 Juli wordt onze rust door een vreemde tijding verstoord. Een handelsneger verzekert ons, dat hij in Loango de Portugeesche kooplui had hooren vertellen, hoe de Afrikaansche Handelsvereeniging totaal bankroet was, hoe de ééne directeur zich doodgemaakt en men den anderen gevangen genomen had; al de factorijen zouden gesloten worden en de Hollanders voor altijd van de kust verdwijnen! De blanke bewoners van Loango waren zoo blijde geweest, dat zij alle negers, die aan hun deur kwamen, volop rum schonken; ja! zij hadden gedanst van pleizier, dat de Hollanders zouden vertrekken! Wij kijken natuurlijk vreemd op; mijn collega twijfelt nog aan de waarheid dezer tijding, doch ik voor mij beschouw geheel dit nieuwtje als verzonnen en als helschen onzin.
De Afrikaansche failliet! De waardige, soeperige Kerdijk vlucht en maakt zich van kant! En Pincoffs, de groote Pink, de schutsengel van Rotterdam, van zijn troon getuimeld en door ieder van de zwartste dingen beschuldigd! Pincoffs, die mij voor mijn vertrek op de schouders klopte, mij aanmanende steeds de eerlijkheid te betrachten, en mij verzekerende, dat de Afrikaansche bovenal eerlijke lieden noodig had! Door eerlijkheid, meer nog dan door bekwaamheid, kwam men vooruit in de wereld, kon men van een schoone carrière zeker zijn; zoo had ook hij zijn weg in de wereld gevonden. En dit gebeurde begin April; half Mei zou deze catastrophe plaats hebben gehad! Voorwaar, grootere onzin is nooit verzonnen.
Helaas! de chef, die den 23 juli terugkeert, bevestigt alles. De „Liverpool Post" behelst het uitvoerig verslag van het gebeurde, met Pincoffs ontsnapping en Kerdijks gevangenneming. De chef hoorde aan boord der van Europa aangekomene mail te Loango vele bijzonderheden; ook bracht hij brieven van huis voor mij meê; de waarheid is aan geen twijfel meer onderhevig.
Lodewijk Pincoffs is ontsnapt. De courant vermeldt zijn signalement: „lang 1.7 meter, aangezicht rond en bol, kleur bleek, neus krom, spraak lijmerig, eenigszins waggelende gang, een gevolg van vetheid."
Het blijkt nu, dat Lodewijk Pincoffs zich vetgemest heeft met de spaarpotten van anderen; talrijke huisgezinnen zijn in armoede gedompeld; men noemt groote sommen, die zekere firma's en instellingen verloren, doch de dagbladen vermelden niet de kleinere sommen, die vele huisgezinnen het meest noodige doet ontberen, het aangename van het leven wegneemt. De van huis ontvangen brieven vervullen mijn hart met bitterheid tegen de Afrikaansche, tegen mijn eigen patroon. En reeds 10 jaren lang heeft het joodsche tweemanschap ongestoord het publiek kunnen bedriegen en oplichten; niemand zag ooit de van de kust komende inventarissen in, want een pasgeboren kind zou de onzinnige prijzen zijn opgevallen, die voor de onbeduidendste voorwerpen staan uitgetrokken. De inventaris van deze factorij vertoont het drievoud zijner waarde.
Wij verdiepen ons in overdenkingen over onze toekomst; uit de couranten hebben wij gezien, dat er een commissie ter liquidatie benoemd is, doch dat men nog in overweging neemt om de zaken door te zetten. Tot onze verwondering vernemen wij niets officieel van Banana; hoe staat het met onze salarissen? Gaan de vorderingen der employés in den faillieten boedel of zouden ze preferent zijn? Wij hooren van het Hoofdbestuur niets; besluiten echter niets hoegenaamd naar Banana te verschepen voordat wij hieromtrent zekerheid hebben; wij willen toch geen cent van ons salaris verliezen, en in het ongunstigste geval ons zelf uit de talrijke producten in voorraad betalen; deze zijn per mail makkelijk te verschepen. Hetzelfde besluiten ook de employés der andere factorijen der A. H. V. Voorloopig gaan wij, zoolang de voorraad strekt, op gewone wijze voort met den ruilhandel.
Ik sprak daar zooeven van brieven, die ik uit Europa ontving; ze zijn van midden Mei gedateerd en dus circa twee maand onderweg geweest. Zooals ik reeds vermeldde, wordt van Lissabon naar de kust gemiddeld dertig dagen gerekend, terwijl zelfs de stoombooten, die geheel door de A. H. V. afgehuurd zijn, op ongeregelde tijden van Banana naar Rotterdam de reis in minder tijd kunnen doen. Hoogst gebrekkig is echter de correspondentie van Banana naar de andere factorijen. Een postdienst bestaat hier niet. Iedere handelsfirma bezorgt zijn eigen brieven. Zoo er niet toevallig een scheepje direct naar de bestemmingsplaats van den brief gaat, wordt deze van Banana over land naar de eerst volgende factorij gezonden, die hem weer verder stuurt en zoo voorts tot hij de plaats zijner bestemming bereikt.
Voor een enkelen brief neemt men de onkosten eens dragers niet, doch men wacht tot er een zeker aantal stukken ter verzending bij elkaar zijn. Soms is men dan op deze wijze maanden lang van nieuws verstoken. Deze dragers of loopers, portadór genoemd, worden door de A. H. V. betaald, terwijl er dikwijls coromanos voor genomen worden. Zij steken uit gebrek aan een zak, de brieven in een opengespleten houtje, ten einde deze niet vuil te maken.
Behalve de Europeesche „surfboat" hebben wij hier nog drie fiksche inlandsche „canóa's", die de negers hier weten te vervaardigen, en in grootte en sterkte die van alle andere plaatsen der kust overtreffen. Ze worden uit een enkelen boonstam gehouwen, waartoe de een weinig stroomopwaarts groeiende boomen uitstekend materiaal leveren. Men maakt hier kanos van 10 Meter lengte en 2 Meter breedte, zoodat sommige tot drie ton kunnen laden. Dergelijke groote kanos vereischen een twintigtal roeiers of pagaaiers; een roer hebben ze niet; de twee achterste pagaaiers besturen ze. Ze hebben zeer weinig diepgang, hoogstens 1 d.M. dat voor een rivier met vele banken en ondiepten een groot voordeel oplevert; ze liggen steeds op het water te schommelen, doch de negers bezitten zulk een behendigheid in het besturen, dat zij er zich bij vrij ruw weer op zee meê wagen; zulk een canóa kan trouwens bijna vol water zijn zonder te zinken.
Van hetzelfde hout, waarvan de canóa's gemaakt worden, hakken de negers de vermaarde — Quillo planken; ze hebben het voordeel niet door de witte mier te worden aaagetast, doch zijn zeer zwaar, ja, zinken zelfs in het water.
Meer nog dan Quillo is de Chilúnga-rivier vermaard wegens hare groote canóas; deze rivier werpt zich circa 10 uren benoorden Quillo in zee. Aan haren mond heeft de A. H. V. hare Noordelijkste factory, Concuáte, filiaal van Quillo. Echter maakt de hooge kosten van transport dezer Canóas ze voor de overige kustplaatsen moeielijk verkrijgbaar.
Benevens Concuáte heeft Quillo factory nog 3 andere filialen, en wel aan het strand, tusschen Concuate en hier in, de onbeduidende factoryen van Jombe en Longo Bonde, en aan de Quillo-rivier, op aanmerkelijken afstand der kust, Majombe, niet te verwarren met de veel Noordelijker liggende kustplaats Mayombe, waar de A. H. V. vroeger een factory had.
Dit Majómbe a/d. Quillo-rivier ligt, naar men mij verzekert, meer dan 24 uren in het binnenland en slechts eenige uren beneden de watervallen, Kahamoëka genaamd, die verder opvaren onmogelijk maken. Men koopt daar bijna uitsluitend Gom Elastiek, ook in ballen, en ivoor, terwijl de negers het liefst zout, kruit en geweren in ruil nemen. Op de andere kustfactoryen is de handel dezelfde als te Quillo en is rum en manufacturen meer hoofdzaak. Al deze filialen zijn door slechts één blanke bewoond, wier leven dus nog vrij wat eenzamer dan het mijne is.
Slechts met Majombe hebben wij veel te doen, daar meestal tweemaal 's weeks een canóa met benoodigdheden heen en weer gaat; van de andere filialen merken wij niet veel.
Dit verkeer op de rivier is niet zonder gevaar, en wel door de talrijke hypopotamussen, die soms voorbijvarende booten aanvallen. Ik zag een surfboot hier terugkeeren met een vrij groot lek, dat de bemanning met moeite gestopt had. Bij nader onderzoek bleek het door den stoot van zulk een watermonster veroorzaakt te zijn.
Aan de Quillo-rivier hebben wij, te Impiela Grande, een lingster gevestigd, die voor onze rekening handel doet. Daar deze neger lezen noch schrijven kan, is onze commercieele verhouding een zeer bijzondere. Nu en dan komt hij te Quillo, en neemt in ontvangst de waarde van een zeker aantal maten palmpitten en olie, in longen en flesschen rum berekend, alles in de artikelen, die hij het best oordeelt. Daarna verdwijnt hij, om, als het goed gaat, later met zijn verschuldigd aantal maten weêr terug te komen; daar hij in het bosch goedkooper kan koopen, zal hij, indien hij eerlijk handelt, meer maten meê brengen dan waarvoor hij de waarde ontving, en dit is dan zijn winst. Deze primitieve commissiehandel, door het verlangen naar meerderen omzet bij levendige concurrentie, ontstaan, heeft zijn gevaarlijke zijde, want, eenmaal in de bosschen verdwenen, heeft de blanke volstrekt geen macht meer om zijn goederen bij kwaad opzet van den lingster terug te kunnen krijgen. Zelfs indien zulk een lingster met een kleiner aantal maten terugkomt dan hij ontving, zoo zal de blanke hem toch weêr goederen geven om hem aan het lijntje te houden en een kleine kans te hebben zijn eigendom weér te bemachtigen.
Deze uitstaande goederen worden „schulden in het bosch" (dividas no mato) genoemd, en vertoonde deze post soms een zeer aanzienlijk cijfer, terwijl hun werkelijke waarde met die van chateaux en Espagne overeenkomt. Niettemin las ik hier in een oud journaal, dat toen de A. H. V. deze factory van Quillo van Dom José, een Spanjaard, overnam, zij ettelijke duizende guldens in contanten voor „schulden in het bosch" aan hem uitbetaalde!
Het verlies, door deze instelling aan de A. H. V. toegebracht, bedraagt een zeer aanmerkelijke som, te meer daar ze geheel oncontrolleerbaar is en dus eene fraaie gelegenheid aanbiedt tot stelen voor de chefs.
Te recht heeft de A. H. V. korten tijd geleden hiervoor bij hare factoryen een stokje gestoken, en bij circulaire bericht, dat ze dezen post niet meer op de inventarissen wil zien; de nog geboekt staande „schulden in het bosch" moesten naar Banana worden overgedragen.
Deze lingster van Impiela is thans de eenige van belang, dien wij op deze wijze hebben.
Van allen handel aan deze kust is de Ivoorhandel stellig de ingewikkeldste. Terwijl, zooals reeds uitgelegd is, alle andere producten eenvoudig met longen en flesschen rum betaald worden, is dit bij het ivoor niet het geval. De waarde van een olifantstand wordt bepaald in „coisas grandes" (groote dingen) en in groote en kleine longen. Onder één coisa grande verstaat men: één geweer, een vaatje kruit van 12 pd., één neptuun (groote geelkoperen schotel tot het drogen van zout), en één Gallon rum. De groote long is 6 vaam of 1 ½ gewone; de kleine long is 3 vaam of ¾ gewone long. Voor een tand, die bepaald wordt op 5 coisas grandes en 20 groote en kleine longen, betaalt men dus: 5 geweren, 5 vaatjes kruit, 5 neptuuns, 5 Gallons rum, en 20 X 1 ½ long plus 20 x ¾ long, is 45 long.
Ook de waarde van een tand is zeer afwisselend.
In het algemeen onderscheidt men drie soorten, door het gewicht in Engelsche ponden bepaald, nam.:
„meão" is het dubbele van „escravilho," „lei" het drievoud van „escravilho" waard.
Ook de vorm van den tand, het aanwezig zijn van scheurtjes (crags), het verweerd zijn (stalish en stalecoat), en meer bijzonderheden hebben veel invloed op zijne waarde. Bijzondere attentie wordt geslagen of zij geschikt zijn om bracelets te vervaardigen, in welk geval ze „bangles" genoemd worden, en of het massieve gedeelte zich leent tot het verkrijgen van billartballen, genaamd „ball-ivory".
Het is een toppunt van heerlijkheid als de tand geschikt is èn voor het vervaardigen van bracelets, èn voor dat van ballen; dit is dan ook een „bangle ideaal"!
Een ware plaag aan de geheele kust en hier in het bijzonder zijn de witte mieren. Deze diertjes vreten zelfs door de hardste voorwerpen heen. Ze zullen nooit in de open lucht loopen, doch waar zij op hun weg een houtsoort aantreffen, die hun niet lijkt, bouwen ze er een gangetje van zand en klei over heen. De palen van het door hen ondermijnde woonhuis zijn geheel met deze gangen bedekt, waardoor zij in het dak kruipen. Deze gangetjes hebben de dikte van een pink tot die van een duim, ofschoon de mieren, geheel wit of lichtrood van kleur, in gestalte niet boven het middelmatige zijn. Het helpt niets ze er af te krabben.
Toen ik het eens deed, zag ik eerst vele gewone witte mieren in de bres, die echter snel in de gangen verdwenen. Na eenige seconden vertoonden zich een groot aantal mieren van een andere soort, met in het oogvallend grooteren kop en meer zwart van kleur; deze draafden in den omtrek der bres rond, elkaar gedurig met de sprieten aanrakende. Langzamerhand werden ze bedaarder en verzamelden zich weer, waarna ze in goede orde de gang weer binnentrokken. Kort daarna kwamen de gewone witte mieren voor den dag, die ieder een klompje klei meêbrachten, en waarmeê de gang in enkele uren hersteld was. Het is een zeer amusant gezicht.
Deze witte mieren tasten alles aan, hetgeen ze dan geheel leeg eten, zonder dat het echter van buiten zichtbaar is. De waarde, die ze aan manufacturen, fustwerk, hout enz. jaarlijks vernielen, is moeielijk te schatten, doch hoogst aanzienlijk. Gelukkig dat een hier groeiende boomsoort voor hen veilig is; de dingen van waarde worden op van dit hout vervaardigde stellages geplaatst, die dan geteerd worden, ten einde de mieren te beletten er gangen over heen te maken.
Het beweren, als zoude deze mier door ijzer kunnen vreten, acht ik overdreven, ofschoon het mij gebeurde, dat ik ze binnen in mijn met zink beslagen kist aantrof. Bij nauwkeurig onderzoek zag ik echter, dat ze op een roestige, dus minder sterke plaats, waren binnen gedrongen.
Ik verzuimde nog aan te teekenen, hoe ik een acht dagen geleden, de dispense 's morgens uitgevende, in een hoek der kamer een spinneweb aantrof, waarin ... een slangetje hing. Het was 3 d.M. lang bij de dikte van een pink; het was door tallooze draden omwonden, die het verstikt hadden, en hing ruim 1 Meter van den grond. Een groote spin, wier lijf den omvang van een tienstuiverstukje had, scheen bij de slang te hebben gezeten, doch vluchtte bij onze nadering in een hoekje van het web, waar het stil bleef zitten.
9 Augustus 1879.
Een groote verandering is voor mij op til. Eergisteren kwam hier een mulat aan, die mij een brief van den hoofdagent meebracht, waarin mij wordt gelast naar Massabe factory te vertrekken. Ik zal daar voornamelijk met de administratie belast worden. Mijn voorganger te Massabe heeft op het vernemen der catastrophe eensklaps het voorbeeld des grooten Pinken gevolgd en is geëclipseerd, zoodat ik zoo spoedig mogelijk vertrekken moet. Nog behelst de brief een postscriptum, vermeldende dat ik mij niet moet laten afschrikken door de ongunstige berichten omtrent mijn toekomstigen chef in omloop; deze zijn allen lasterlijk. Ik had nog volstrekt geen ongunstige geruchten over hem gehoord, zoodat ik dit bericht aanneem voor kennisgeving en overga tot de orde van den dag.
Heden morgen mijn reis aangevangen met een verlicht hart en in verwachting van mijn toekomstige standplaats, in mijn onnoozelheid meenende dat die toch moeielijk onaangenamer kan zijn dan die ik nu verlaat. Het deed mij echter genoegen als goede vrienden van den chef te scheiden; wij wisselden zelfs een geschenk tot aandenken.
Mijn weg gaat weer langs het strand en is tot Ponta-Negra dezelfde als toen ik herwaarts kwam. Echter had hij nog noodlottig kunnen worden.
Dicht bij Loango is het strand zeer smal, en bij vloed met eenige meters water bedekt, dat dan tegen de bijna loodrechte rotsen aanstaat.
Het getij, als wij zoover gekomen zijn, is reeds eenigszins verloopen, doch de hangmatdragers meenen dat wij nog zonder gevaar het opwaarts leidende pad kunnen bereiken. Het water is steeds stijgende en komt den dragers reeds tot de knieën, straks tot de heupen, terwijl door de thans onzichtbare steenen en oneffenheden van den grond wij slechts langzaam vorderen. Reeds komt er eenige branding; het schuim der tegen de rots slaande golven slaat in mijne hangmat. Meer en meer stijgt het water; om niet doornat te worden ondersteunen de bijloopende negers de hangmat in het midden, en klem ik mij met armen en beenen aan den stok vast. Door deze beweging valt mijn oog op het zich hoog boven mijn hoofd bevindende hoogwatermerk, hetgeen tot weinig opwekkende overwegingen aanleiding geeft. Ook de negers beginnen angstig te worden en ben ik bevreesd, dat zij mij met mijne hangmat in den steek zullen laten om zelf een goed heenkomen te zoeken.
Wij zijn thans nog 10 minuten van het gewoon gebruikte pad, dat landwaarts voert, verwijderd. Tot mijn groote voldoening merk ik echter op, dat de rots meer glooiend wordt, zoodat dit ons spoedig in staat stelt, het strand te verlaten en, na de hangmat verlaten te hebben, al klouterende, de hoogvlakte te bereiken. Hier kan het slingerend vervoermiddel weer bestegen worden, en ik bevind mij weldra onder het gastvrije dak van Parks te Loango. Een hartversterking brengt mij en mijne dragers weêr op streek, terwijl de zon het drogen mijner kleederen reeds onnoodig maakte.
Het aanbod om hier te overnachten, meen ik niet te mogen aannemen, en zetten wij onze reis nog heden tot Ponta-Negra voort, waar ik tegen den avond behouden aankom.
Deze factory beschreef ik reeds eerder, en kan ik nu volstaan door twee nieuwe handelsartikelen te melden, die ik, schoon in zeer geringe hoeveelheid, in het magazijn aantref. Het zijn:
Verfhout en kopererts. Ik verneem echter, dat ze niet meer gekocht worden, op order van Banana.
10 Augustus.
De afstand van hier naar Massabe is niet meer dan circa 7 uur; 't was dus niet noodig vroegtijdig te vertrekken. Het is middag, als ik in mijn hangmat lig. Wij gaan steeds zuidwaarts, evenwijdig met het strand, door dicht gras en velerlei waterplanten, waaronder talrijke moerassen zich verschuilen. Door de vele slangen en krokodillen, die ze bevatten, is het hier vrij gevaarlijk; het is echter een troost, dat alle wilde beesten meer van negers dan van blanken houden, en ze dus naar alle waarschijnlijkheid eerst mijn dragers zouden oppeuzelen.
Een drietal keeren tref ik een open plek aan, door negerdorpen ingenomen, in wier midden wij passeeren.
Ze bestaan uit onregelmatig gebouwde hutjes, van riet en stroo en vierkant van vorm, waarvan de meesten een afdakje hebben, die tot keuken dient. Ofschoon zulk een dorp niet meer dan een 25-tal hutjes telt, is de groote bevolking, die zij bevat, soms een paar honderd, zeer opvallend. Vooral is merkwaardig het aantal vrouwen en kinderen.
De vrij zeldzame passage van een hangmat veroorzaakt groote opschudding; massa's geheel naakte kinderen blijven nog geruimen tijd meê rennen, een verbazend leven makende. Onder al het getier en gejoel zijn alleen verstaanbaar de kreten van „mundéle" (blanke) en „senhór landáaz" (heer hollander); de negers maken toch wel degelijk onderscheid tusschen een Portugees en andere nationaliteiten, hetgeen een groot compliment voor de niet-Portugeezen is. Zoo zal een tafeljongen meer willen verdienen bij een Hollander dan bij een Portugees, omdat hij, zooals er mij een verzekerde, bij een Hollander geen extra verdienste heeft.
Deze dorpen zijn door mandioca-tuinen omringd, hetgeen het eenige spoor van landbouw der negers is. 't Is trouwens het werk der vrouwen, terwijl haar heer gemaal op zijn rug ligt.
Wij ontmoeten eenige inlanders met hunne „matéta" of draagkorf op het hoofd, die hun olie of pitten naar Ponta-Negra ter verkoop brengen. Zij groeten mij beleefd, dat door een buiging en gebaar met de hand geschiedt. De negers onderling groeten elkaâr door in de handen te klappen en ze daarna op het hart te leggen, waartoe zij echter eerst tegenover elkaâr gaan knielen. Dit handgeklap verrichten de negers ook als zij iets zeer ootmoedig van den blanke willen vragen.
Circa half weg verlaten wij het binnenland, om het strand te gaan volgen. Wij passeeren hier een verzande monding der Loëmarivier, die slechts één voet diep is bij 15 Meters breed.
Hier lag voor weinige jaren de factory Winga, die door de negers werd verbrand, na den chef vermoord te hebben. Van een ooggetuige vernam ik het uitvoerig verhaal van het gebeurde.
De chef, een Portugees, had verschil met de prinsen, hij riep ze daarom tot een fundatie of samenkomst bijeen, die onder den thans nog aanwezigen bondéraboom plaats had. De chef was gezeten op een stoel, terwijl de negers op den grond voor hem gehurkt zaten. Hij bemerkte echter, dat velen der aanwezigen gewapend waren, en stond op, verklarende niet op zoodanige wijze te willen fundeeren. Een groot rumoer liet zich toen hooren en er werden bedreigingen tegen hem geuit. Hij ontblootte toen zijn borst, en riep den negers toe, dat als zij moed hadden, zij hem, geheel ongewapend als hij was, het hart mochten doorboren. Nauwelijks had hij uitgesproken, of een schot knalde en hij zonk dood ter neêr. Zijn 2 Portugeesche employés vluchtten, waarna het huis geplunderd en verbrand werd.
De dader van het schot is nooit gestraft en velen verzekeren, dat hij thans te Massabe als patroon der boot in dienst der A. H. V. is. Het zou de gevierde Sambo zijn!
't Is onderwijl donker geworden; gelukkig, dat de weg thans langs het strand voert, daar het in het binnenland vrij gevaarlijk zou zijn door de wilde beesten, vooral tijgerkatten, panthers, rhinocerossen, nijlpaarden en krokodillen. Leeuwen komen hier niet voor, zoomin als tijgers of olifanten.
Het is 8 uur, als wij aan den mond eener rivier stilhouden; 't is de Loëma- of Massáberivier, aan wier anderen oever Massabe factory ligt. Eenige hutjes van visschers is het eenige, dat wij hier aantreffen; hunne canóas zijn echter zoo armzalig, dat ik er mij niet in wagen durf, vooral in het donker.
Het dauwt sterk, zoodat ik doornat geworden ben; de frissche zeebries doet mij huiveren en bibberen van kou, waartegen mijne dunne kleeding slechts een gebrekkige beschutting vormt.
Na een half uur wachtens wordt het geschreeuw mijner hangmatdragers eindelijk aan de overzij gehoord en beantwoord, doch duurt het nog eens zoo lang voor de canóa mij komt afhalen. Zij is verre van schitterend en staat half vol water, hetgeen, daar ik geen waterlaarzen aan heb, een vochtig uitwerksel op mijne voeten heeft. De overkant is spoedig bereikt, en ik ijl dadelijk naar het woonhuis.
De chef schijnt reeds te bed te zijn geweest en verschijnt in profond négligé. Hij is echter zoo goed den hofmeester last te geven mij wat brood en eieren op te disschen, zoodat ik mij een weinig verkwikken kan.
31 December 1879.
Ik ben thans vier maanden te Massábe en had ruimschoots gelegenheid mij hier een weinig te oriënteeren.
Het woonhuis is een paleis in vergelijk bij dat van Quillo; geheel van planken gemaakt en met vilt gedekt, is het op steenen pilaartjes gebouwd, dat het zekerlijk gezonder en minder toegankelijk voor de witte mieren maakt. Ook is het vrij wat grooter en heeft eene ruime verande met een paar gemakkelijke stoelen. Het ligt een vijftig pas van den oever der rivier; behalve de gewone magazijnen van riet en stroo, heeft men hier nog eene fiksche kuiperij om de olievaten te monteeren.
De handel in olie is hier meer hoofdzaak, daar Gom elastiek en ivoor zeldzaam voorkomt. Ook wordt de olie, die van de 2 stroomopwaarts gelegene filialen Cayo en Chissambo komt, hier gezuiverd en in de groote vaten ter verzending naar Europa gedaan. Een ruime oliestore met 4 depots en 4 potten dient daarvoor. De chef is een Portugees, die verontwaardigd is over de bewering, dat alle Portugeezen aan de kust ontvluchte gedeporteerden zijn, en mij den eersten avond den besten het verhaal opdischt hoe hij uit Angóla, strafkolonie van Portugal, ontsnapte; dit is werkelijk zeer merkwaardig. Overigens is zijn eigenlijk beroep stratenmaker en erkent zelf lezen en schrijven aan de kust geleerd te hebben; hij is al een goede vijftiger en ruim dertig jaren aan de kust, hetgeen hem zeer ervaren in de gewoonten en gebruiken der negers maakt. Voor zijne zeden en verstandelijke ontwikkeling zij het genoeg gezegd dat hij een Portugees is. Ik denk er dikwijls om, dat, als er nog bijbelsche wonderen gebeurden, deze Afrikaansche kust bij gelegenheid in eene tweede Doode Zee zou veranderen.
Hiertoe bepaalt zich het blanke personeel, en daar er hier geen andere factory zich bevindt, is de conversatie min of meer beperkt. Echter zijn hier nog twee negers, die meerdere attentie dan de rest verdienen.
De eerste is de fameuse en vermaarde Tiába, een negerprins, die in Loanda eenige opvoeding genoot en goed lezen en schrijven kan. Hij kleedt zich als een blanke, hetgeen het effect van een aangekleede gorilla maakt. Hij is als gewoon employé in dienst, en de eenige neger, op wien men zooveel vertrouwt; hij is toch met den ruilhandel belast, en heeft zoodoende vrijen toegang tot den winkel en magazijnen. Dat hij hiervan misbruik maakt, spreekt van zelf, doch is het verlies dat de A. H. V. door hem lijdt misschien niet grooter dan dat door den chef. Hij eet met ons meê aan tafel, waartoe hij voldoende manieren heeft, ofschoon hij nu en dan bij verstrooiing zijn vork vergeet te gebruiken. Ik redeneer gaarne met hem, daar ik veel van hem kan leeren, wat de gewoonten zijner landslieden betreft. Hij spreekt zeer goed Portugeesch en een mondvol Engelsch. De tweede hybried is een zoogenaamde „Akrakuiper", die van het land der crew-boys komt. Hij kleedt zich ook als een blanke, en wordt even bekwaam als een Europeesch kuiper beschouwd. Evenals zijne confraters spreekt Nelson, zoo heet onze kuiper, uitsluitend Engelsch, dat zelfs Engelschen niet verstaan. Hij heeft zijn eigen menage.
Het personeel is vrij groot; wij hebben 22 coromanos en 10 vrije negers in dienst, die met het zuiveren der palmolie en het voorzien der filialen steeds genoeg werk hebben. Zij wonen in niet onaardige hutjes, achter het huis gelegen.
Ik ben voornamelijk met de boekhouding belast, daar mijn chef, volgens copie van een door hem aan den hoofdagent geschreven brief, hiertoe „noch competent noch bekwaam" is. Hij bemoeit er zich volstrekt niet meê, en heeft er trouwens blijkbaar geen de minste idée van.
Ik bemerk, dat alle stukken en boeken in het Portugeesch zijn, zelfs de correspondentie met Banana of die met de filialen moet in die taal geschieden, hetgeen voor mij gelukkig geen moeielijkheden biedt.
Deze boekhouding is natuurlijk zeer eenvoudig en is er voor dezen handel geen omslachtiger wijze denkbaar dan de Italiaansche. Iedere 6 maanden is er inventaris en sluiting der boeken; de laatste gaf onlangs, zooals ik verwacht had, een aanzienlijk te kort op de Goederenrekening (mercadorias), tot groote verwondering en verontwaardiging van den chef, die het zich niet kon begrijpen, en het aan mijne achteloosheid van noteeren toeschreef. Hij zette toen bij de door mij opgenomen hoeveelheid palmolie nog 2000 Gallons op, waarna de balans nog eenige winst liet zien!
Eene bijzonderheid van de boekhouding is de gewoonte alles te berekenen in milreis; Portugeesche muntsoort van 1000 reis; hierin hebben wij onze limieten, en ontvangen wij alles van Banana in gefactureerd. Echter is dit niet de eigenlijke Portugeesche „milreis", die circa ƒ 2,50 waard is, doch een volkomen denkbeeldige, in Afrika uitgevondene, die slechts ƒ 1,70 geldt, hetgeen veel verschil oplevert! Doch de prijzen der goederen volgens ƒ 1,70 reduceerende, komt men nog tot vreemde uitkomsten, en in den regel meer als het dubbele der Europeesche waarde. De inspecteur Brücher, die door de likwidateuren der Afrikaansche uitgezonden werd om de nauwkeurige waarde der aan de kust aanwezige goederen te noteeren, vertoefde hier van den 15/22 December. Vele goederen werden afgeschreven, of voor een bagatel genoteerd, zooals oorbellen, goud & zilvergallon enz.; andere zaken, vooral oudere soorten manufacturen, werden zeer in prijs gereduceerd, doch als regel toont toch de inventaris het dubbele van zijne Europeesche waarde aan, indien men de milreis voor ƒ 1,70 berekent. Het moet erkend worden, dat bepaald waardelooze of vergane voorwerpen niet meer op dezen nieuwen inventaris voorkomen.
Deze zelfde inspecteur gaf toen last om de nieuwe rekening te openen in „milreis fortes", de eigenlijke milreis van ƒ 2,50 en dus het eindcijfer der balans door 13/8 te deelen; een maand later werd dit uit Banana herroepen, en weêr tot het oude systeem teruggekeerd. Dit gaf tot vele doorhalingen en terugboekingen aanleiding, en maakte alom een treurigen indruk.
Deze inspecteur brengt ons tevens uit de onzekerheid omtrent onze salarissen. Hij heeft voldoend Engelsch goud bij zich om alle employés, die dit verlangen, volkomen te betalen. 't Is het verstandigst wat men doen kon. Het oorlogschip de Alkmaar, dat naar men beweert te Banana is geweest om „de orde (?) te handhaven", zou weinig er aan hebben kunnen doen, dat van het aanwezige ter kuste niet veel terecht kwam!
Behalve het weinige boekhouden is mijn werk het fourneeren der 2 filialen, en het in ontvangst nemen harer producten. Beiden zetten ieder zooveel om als Massabe, circa 21 contos de reis of 35 mille inventarisprijs per semester, uitsluitend palmolie en palmpitten.
Naar het aanzienlijkste filiaal Chissámbo maakte ik een uitstapje; hiertoe begaf ik mij per canóa stroomopwaarts, daarna door een reeks van meertjes of moerassen, door smalle kreeken verbonden, en bereikte zoo in weinige uren het aan eene vrij uitgestrekte, doch ondiepe laguun gelegen huis; het is niet onaardig van riet en bamboes saâmgeknutseld, en heeft een levendigen handel in olie en pitten. Te Chissambo zijn 25 coromanos.
Nu en dan komen de negers uit ivoor gesneden voorwerpen ter verkoop aanbieden, die, in aanmerking genomen hunne gebrekkige werktuigen, werkelijk verrassend zijn. Het zijn steeds olifantstanden en zeer zelden nijlpaardtanden, die zij in de rondte en relief met allerlei voorstellingen naar hunne fantasie versieren. Dit gaat zeer langzaam. Een ivoorsnijder, dien ik voor mij een tandje van 6 pd. liet besnijden, werkte hieraan 3 weken; hij kraste eerst met een mesje de verschillende figuren, waarna hij, gehurkt en de tand met zijne teenen vasthoudende, ze in het ruwe uithakte met een beiteltje en een stuk hout voor hamer. Ten slotte werd het met zijn mesje afgewerkt.
Ook de servetringen met handteekeningen versierd zijn curieus, vooral als men bedenkt, dat de maker lezen noch schrijven kan.
Schoon in geen vergelijk met de besneden olifantstanden zijn ook de door hen gevlochten voorwerpen van stroo en gras zeer merkwaardig; zoowel vloermatjes als de fijnere kleêmatjes vertoonen soms fraaie patronen; verder vervaardigen zij van stroo: mutsen, die echter mooier van ananasvezelen gemaakt worden, en mandjes, waaronder de zoogenaamde „jogos de gonga", dat stellen van 6 of 12 mandjes zijn, die in elkaâr gesloten zijn.
Bij gelegenheid eener inscheping, die wij in November deden, bemerk ik, dat wij hier niet, zooals overal elders, maandelijksche schatting aan de prinsen van het land betalen, doch slechts voor iedere verscheping.
De prinsen zijn hier schooiers als overal aan deze kust; echter vindt men er twee, die bijzonder rijk zijn, en steeds per hangmat in de factory verschijnen.
Geen echter mag het huis binnentreden. Voor de aanzienlijksten wordt als gunst een stoel onder het afdak van het magazijn gezet, waarop een stuk manufacturen gelegd is, bij voorkeur het antieke „fazenda de lei". Hij krijgt dan een glaasje jenever van de kwaliteit, die de blanken gewoonlijk drinken; hierop zijn ze zeer verzot.
Deze prinsen hebben verschillende titels, die steeds met het woordje „ma" aanvangen, dat hebben of bezitten beteekent. Zoo heeft men: „mafúca" *)De u in alle Afrikaansche woorden wordt op zijn Duitsch uitgesproken, dus als oe., „manifúnba", „manitáte", „manitóttele" enz.
Gedurig ligt de blanke met de prinsen overhoop.
Nog onlangs gebeurde het volgende:
Onze coromanos hadden een boot met goederen naar de filialen gebracht, en op den terugweg zich te goed gedaan aan de palmvruchten van een naburigen prins. Zijn lieden bemerkten het en zaten hen achterna, doch kregen slechts drie hunner kleeden. Zij kwamen nu met deze drie lappen als onomstootelijk bewijs der schuld onzer coromanos in de factory. Het was klaar, dat wij in het ongelijk waren, en moesten wij 90 long betalen, de waarde van 3 slaven; wij hadden ook kunnen volstaan met de 3 coromanos aan hen over te geven, die dan volstrekt niet gestraft zouden zijn geworden, doch alleen van eigenaar verwisseld hadden.
Kort daarna stal een ander coroman visch van een naburigen visscher. Het werd ontdekt, en hij was zoo dom onder de hand dit met den eigenaar der visch te willen schikken. Toen het zoover gekomen was, ging deze het aan zijn prins meêdeelen, die dadelijk op hooge pooten naar de factory kwam. Ook nu werd de waarde van één slaaf of 30 long betaald.
Deze coromanos gingen natuurlijk dadelijk in den ketting, zooals dat hierna beschreven zal worden.
De meeste geschillen ontstaan door galanteriën der coromanos jegens de vrouwen der vrije negers.
Zooals te begrijpen is, is de blanke alleen aansprakelijk voor wat hij of zijn slaven doen; een in zijn dienst staande vrije neger moet zijn eigen schip maar schoon wasschen.
Als een staaltje van inlandsche „rechtspleging" diene het volgende, ofschoon het ons niet aanging:
Een bosch verbrandde, en een daarin gelegen dorp werd hierdoor vernield. De bewoners van dit dorp riepen toen, evenals de geheele wereld na de catastrophe der Afrikaansche:
aan wien de schuld?
en, omdat er toch één de schuld moest hebben, duidde de prins van het verbrande dorp 2 timmerlieden aan, die den boschbrand zouden hebben ontstoken. Deze lieden waren tijdens den dag van het onheil in het bosch geweest om planken te hakken; zij behoorden aan Tiaba, onzen prins-employé, toe. Een fundatie van alle omwonende prinsen werd belegd, en ofschoon Tiaba duidelijk aantoonde, dat zijne timmerlieden beneden den wind op geruimen afstand der plaats, waar het vuur uitbrak, aan het werk geweest waren, hield zijn tegenpartij hunne schuld vol. Er werd toen besloten zijn toevlucht tot een soort van Godsgericht te nemen, en „káska" aan de timmerlieden te geven. Dit is een drank, die door de „surgôes", de in een reuk van heiligheid staande dokters der negers, wordt klaar gemaakt.
Indien de beschuldigde hem uitspuwt, is hij onschuldig; verdraagt zijn maag hem echter dan gaat hij dood, daar het vergift is, en is tevens bewijs van schuld geleverd. De eigenaar van den beschuldigde, indien dit een slaaf is, moet dan nog bovendien betalen.
Blijkbaar berust de uitslag op de samenstelling van den drank, en vertelde mij Tiaba, dat hij zich de gunst der surgôes verzekerd had en dus voor den uitslag geene de minste vrees koesterde.
De timmerlieden namen op den bepaalden dag „kaska" en ... stierven. Tiaba moest nu nog veel aan zijn tegenpartij betalen. Hij was woedend, en verzekerde mij dat zijn antagonist een schurk was, daar deze aan de „surgôes" meer betaald had voor de omkooperij dan hij!
Dit muisje had nog een staartje en een echt Afrikaansch staartje. Tiaba, wiens dorp met dat des prinsen in quaestie aan deze zelfde zijde der rivier ligt, liet dezen leukweg mede deelen, dat dezelfde oever te klein voor beiden was; hij had zich reeds herhaalde malen over hem geërgerd. Een van tweeën moet dus vertrekken! Hij bood hem nu aan zijn in aanbouw zijnd huis te koopen *)Tiaba kon dit te geruster zeggen, daar hij bezig is een geheel planken gebouwtje te maken, van 2 verdiepingen, waartoe de hoofdagent hem vele materialen ten geschenke gaf, als vilt, verf, teer en spijkers., benevens al de hutjes zijner lieden, in welk geval hij, Tiaba, met de zijnen naar elders zou gaan. In tegenovergesteld geval moest de prins zich voorbereiden te verhuizen, waartoe hem 3 dagen tijd gegeven werd. De prins, wel inziende, dat Tiaba machtiger was, d. i. meer slaven bezat, en ook rijker, d. i. meer geweren en manufacturen had, pakte zijn biezen, en zag ik hem hier voorbij trekken om de rivier over te steken. 't Was een grijsaard, die in een hangmat gedragen werd, gevolgd door zijne slaven met hunne huisgezinnen. Veel bagage hadden zij niet; een paar schapen en een aantal kippen waren de eenigste dieren, die zij met zich voerden. Ik telde slechts 12 geweren. Ook droegen zij met groote vereering hunne „feitíços" of afgodsbeelden. Dit waren uit hout gesneden poppen, circa één halve meter groot, menschenbeelden voorstellende.
Deze feitíços is het eenige, dat men van den godsdienst der negers merkt. Zij schijnen die bijzonder te vereeren, ofschoon het niet recht duidelijk is, tot hoever zich dit uitstrekt. Zie een aantekening over feitiços. Het zijn niet alleen menschenbeelden, doch zag ik verscheidene feitiços, die een miniatuur-olifant voorstelden. En op een afstand van een kwartier der factory, vond ik er één, uit een steenhoop saâmgesteld, waarop een aantal beenderen en doodshoofden. De menschenbeelden maken zij zoo leelijk en wanstaltig mogelijk, ofschoon zij, zooals uit hun ivoorsnijwerk blijkt, het wel beter kunnen doen. Zij hebben steeds geen geslacht.
Ik hoorde wel eens beweren, dat ieder feitíço door hen verondersteld werd te zijn een geneesmiddel tegen een bepaalde ziekte, doch het is mij niet gelukt daaromtrent eenig licht door hen te verkrijgen.
De merkwaardigste feitíço is een menschenbeeld met een spiegeltje op den buik, waaronder drie gekleurde kralen; de dader van een misdaad wordt geloofd dood te vallen, als hij er in durft kijken. Dit geloof is natuurlijk zeer praktisch voor de ontdekking van een diefstal, indien de dader zich onder het personeel van het huis bevindt.
Een dergelijk geloof is het slaan van een spijker in een feitíço; de schuldige zou dadelijk sterven, indien hij den spijker durfde treffen. „Battér feitíço" of feitiço slaan is dan ook eene belangrijke zaak in deze plaatsen; het dient niet alleen ter ontdekking van een misdaad, maar zelfs ter voorkoming er van!
Eens was ik bij dergelijke plechtigheid tegenwoordig. De chef had den surgāo van een naburig dorp verzocht om met zijn machtigsten feitiço in de factory te komen om feitiço te slaan over de citroen-boompjes, die achter het huis groeiden en waarvan de negers steeds de vruchten stalen. Het was een 2 voet hooge, houten pop, bont beschilderd, waarin zeker wel meer dan 50 gewone, ijzeren spijkers staken, die ieder op eene bepaalde zaak betrekking hadden. Het geheele personeel werd nu hier bij geroepen, en hield de surgāo een aanspraak, waarvan ik niets begreep, terwijl hij beurtelings op den spijker in zijn hand, en alsdan op de citroenboompjes wees, nu en dan opspringend of met zotte gebaren om zijn op den grond geplaatsten feitiço dansend. Eindelijk sloeg hij den spijker met een lichten slag in het weeke hout van den feitiço; al de aanwezige negers tikten nu beurtelings met een stuk hout op den spijker, terwijl de surgāo met dansen en gillen voortging. Nadat ieder zijn beurt gehad had, werd de surgāo eensklaps weêr bedaard, vroeg gemoedelijk een glaasje rum, en met zijn feitiço op het hoofd wandelde hij wêer naar zijn dorp terug. Hij ontving voor deze plechtigheid 2 long.
Later hadden wij nooit meer last van diefstal der citroentjes!
Nevens deze grootere feitíços, die slechts bij buitengewone omstandigheden hun dorpen verlaten, bezitten zij nog talrijke kleinere. Geen neger gaat op reis zonder minstens een half dozijn van deze soort meê te nemen, die hem tegen gevaar of ziekte zullen beschermen. Het zijn stukjes hout, een botje, schelpje, vogelveertjes of een verdroogd kruid, die hij met een bandje aan zijn arm vastbindt.
Een prins zal nooit zijn dorp verlaten zonder gevolgd te zijn door den feitíçodrager, die in een soort van knapzak, om den schouder gehangen, een geheelen voorraad dezer amuletten meêdraagt.
Ofschoon misschien niet tot hunnen godsdienst behoorend, is vrij zonderling hun dansen, geheel verschillend der Europeesche wijze; het zijn slechts zelden vrouwen, doch meestal mannen en jongens, die bij het eentonig geluid eener trom of leeg blik op de meest vreemdsoortige manier zich in allerlei bochten wringen en op en neer huppelen. Soms zijn het 2 tegenover elkaâr geplaatste personen, die dan een dialoog schijnen te houden. Er zijn blanken, die het mooi vinden.
Zoo is het oudejaar geworden. De chefs der filialen zijn over gekomen, zoodat wij feest vieren! En hoe? Wij wachten middernacht af bij het licht eener kaars; de petroleum is toch op; eten gedroogde visch in water gekookt, want zelfs olie om haar te bakken ontbreekt, terwijl het gebrek aan rum veroorzaakte dat de negers noch kip noch schaap te koop hadden aangeboden; drinken absinth, die wij op eigen kosten aan boord der mail lieten koopen; en zoo vieren wij oudejaarsavond, weinig reden tot genoegelijke overpeinzingen hebbende.
In de laatste maanden was de handel slap, door gebrek aan geschikte goederen, zoodat men weinig afleiding had, en des te beter voor het eten kon zorgen! Trouwens in dit klimaat is goed eten de eenigste manier om op den been te blijven. En de dispense is totaal leeg. Indien wij niet de voorzorg genomen hadden eene groote hoeveelheid visch te drogen en te bewaren, dan zou het met ons en de coromanos slecht hebben uitgezien. Lees het gedicht De protégé, postuum gebundeld in Vreemdelingen, van ds. P.A. de Génestet (1829 – 1861). Ik kon thans met de Génestet uitroepen:
„Men riep: geduld, geduld maar, wees tevree,
„Want gij zijt onze protégé!
„Intusschen, ik mocht goed geprotégeerd zijn,
„Toch zou ik haast van honger gekrepeerd zijn!"
De slechte kost veroorzaakte mij scorbut, waardoor ik verscheidene dagen veel pijn doorstond.
Door het gebruiken van een aantal blikjes met groenten en vleesch, geschenk mijner familie, en spoelen met citroenzuur, geneest het gelukkig, doch laat nog langen tijd zwakheid achter.
Eenige hevige moeraskoortsen waren tevens van dit slechte eten gedeeltelijk het gevolg; ofschoon wijlen Dokter Rienderhoff mij in dertijd verzekerde, dat de Westkust van Afrika zoo interessant is, omdat men daar de echte, onvervalschte moeraskoortsen kan waarnemen en bestudeeren, is dit voor iemand in deze streken een schrale troost, daar men zonder eenige geneeskundige hulp is. De quinine blijkt mij echter een heerlijk geneesmiddel te zijn; ja, kan men zelfs zeggen, dat deze kust zonder haar voor Europeanen onbewoonbaar zoude zijn. En hoevelen vinden er nog hun graf!
De vele miasma veroorzaken mij gedurig koortsachtigheid; vooral 's avonds en 's nachts. heeft men hier dikwijls een zeer onaangenamen uit het moeras opstijgenden geur, en zelfs gebeurt het, dat als ik 's nachts wakker word, mij een droog korstje de lippen bedekt. Vooral thans zijn de uitwasemingen van het moeras hevig, nu het de warme en regentijd is. De thermometer wijst over dag in den schaduw van 90° tot 106 graden aan, terwijl dit in de maanden Mei tot October slechts 70° à 80° was.
De laatste dagen vermaakte ik mij met een jongen gorilla, dien ik van een neger gekocht had. Hij was reeds 7 palmen hoog en geleek verbazend veel op een mensch, veel meer dan de ook hier voorkomende Chimpense, wiens gelaat platter is. De gorilla moet in Europa 12 duizend gulden waard zijn, doch is moeielijk in het leven te houden. Ook de mijne stierf spoedig aan dysenterie.
Van 9 tot 10 januari 1880 vertoeft hier de hoofdagent op zijn jaarlijksche inspectiereis. Een inspectiereis, die op zijn Afrikaansch geschiedt, want hij slaat hier geen oog in de boeken!
Hij verwondert er zich over, dat wij zelfs geen meel meer hebben, en gekookte bananas in plaats van brood eten. Hij zegt, dat er in Banana meer dan 100 vaatjes meel liggen, doch dit helpt ons weinig.
26 Februari 1880.
Een ware uitkomst is voor mij een heden ontvangen bericht, dat ik naar Banana terug kan gaan. De stoomboot „Banana", die hier ook eenige provisie bracht, zal, na geladen te hebben, mij meênemen. Echter moet zij in Chinchoxo bijladen, zoodat ik liever overland daar heen ga, daar ik met den chef dier factory bevriend ben. De chef van Massabe weigert mij hangmatdragers te geven, zoodat ik die nu op eigen kosten in dienst neem.
De afstand is klein, niet meer dan 2 uren gaans, doch de wijze van reizen kostbaar, al heeft de chef er circa de helft van gestolen, toen hij mij, zooals uit mijn rekening-courant blijkt, hiervoor ƒ 13 in rekening bracht.
Te Chinchoxo bezichtig ik de inlandsche zoutpannen, de eenige aan deze kust. Zij zijn op korten afstand der factory aan een zeer zoutrijk moeras gelegen, waarvan zij het water gebruiken. Deze pannen bestaan eenvoudig uit toegedekte kuilen, waarin door hen vervaardigde aardepotten staan om het water te laten verdampen.
Het is vreemd, dat dit alleen hier geschiedt, daar zelfs in het naburige Massabe de negers het zout van de blanken koopen, ja, nog kieskeurig zijn. Slechts fijn zout willen zij aannemen, zoodat ik te Massabé 25 tons klipzout zag wegwerpen. Wij gebruikten dit toen om den grond onder het huis er meê te bestrooien tegen de witte mieren.
Den 28 Februari komt de stoomboot hier ten anker, en is twee dagen later afgeladen.
Den 1 Maart scheep ik mij in, en kom den volgenden dag behouden te Banana aan.
Ik krijg een kamer in factory Rotterdam, het loodshuis, doch heb voorloopig niets te doen.
Een kort daarop ontvangen brief van den hoofdagent, want ofschoon hij hier ook woont en ik hem dikwijls tegen kom, geschiedt alles zeer formeel en omslachtig, verwittigt mij, dat ik in factory Holland werkzaam zal zijn; ik kan echter voortgaan in factory Rotterdam te slapen.
(Nota Bene: slaapen met twee „a" 's, terwijl als een ondergeschikt ambtenaar een briefje schrijft waarin een schrijffoutje is geslopen, dit bij ontvangst op het kantoor in een lijstje wordt opgehangen!) — Door de vele miasma, leg ik hier eenige dagen te bed met een hevige galkoorts, die echter gelukkig passeert. De hier gevestigde „dokter" der A. H. V. helpt er mij weer af.
Ik ben nu aan het likeur aftappen gezet, van Bananalikeur, die voor de negers uit zuren wijn met verschillende specerijen vervaardigd is. Zij ruikt sterk naar anijs. De flesschen worden daarna in kisten verpakt, die met het aantal gemerkt worden.
Ik heb het niet druk en besteed eenige avonduren aan het opstellen van het hier volgend geschrift:
De Afrikaansche Handelsvereeniging en de Slavenhandel.
De vaste prijs der negers, zoowel te Quillo als te Massabe, bedroeg:
en als toegift voor den lingster of verkooper:
Bij den toenmaligen kustprijs der goederen kwamen zij per stuk op circa 30 milreis of ƒ 51. Zij werden echter naar Banana verscheept tegen 35 milreis, waardoor winst voor de factory ontstond; hierdoor konden te Massabe in November 1879 vier der gekochte negers als winst werkzaam blijven.
De onkosten van eten en verpleging werden eerst afzonderlijk berekend, doch daarna 5 milreis per hoofd omgeslagen.
Zij hadden in de boeken geen afzonderlijk hoofd, doch werden bij verscheping Banana debet en Goederen credit. Te Massabe werd dan geboekt; para fornecidos a — moços ou passageiros Rs: — (voor verstrekt aan — werklieden of passagiers Rs: —) De gezagvoerders der schepen maakten soms bezwaar om ze meê te nemen, uit vrees voor de Engelsche kruisers; zoo weigerde de kapitein der stoomboot „Banana" den 15 November 1879 ze te ontvangen zonder ieder voorzien te zijn van een „mokanda" of contract als werkman; er werd toen ook aan ieder der te verschepen slaven zulk een contract gegeven. Ter voorkoming van vergissing werd er echter onder gezet:
pago Banana (betaald te Banana).
Er werden niet veel negers door de A. H. V. gekocht; in mijn tijd 100 à 150 stuks, waaronder enkele vrouwen. De gekochten werden onmiddelijk in den ketting of „libámbo" gesloten; deze bestaat uit een ijzeren halsring, waardoor aan ééne zijde de ketting gaat, die hem tevens sluit. Het einde van den ketting wordt met een letterslot gesloten. Te Quillo was men er niet goed op ingericht en werden zij 's nachts opgesloten in een vertrek, bestemd voor het bewaren van teer en verf.
Het einde van den ketting ging door een gat in de deur, en werd rond een buitenstaanden paal vastgemaakt. Over dag werden ze gebruikt voor het dragen van verschillende voorwerpen of het uittrekken van gras. De chef der factory noemde ze heel grappig „de Normaalschool". Een normaalschool is evenals een kweekschool een vroegere benaming voor pedagogische academies.
Te Massabe werden ze 's nachts met één been in een daarvoor ingericht blok gesloten, maar was overigens hun behandeling dezelfde.
Zij kregen geregeld eten, zooals een vrije neger het niet beter verlangen kan.
Natuurlijk stierven er nu en dan; voor de factory gaf dit geen verlies, daar ze toch naar Banana gedebiteerd mochten worden. De meeste slachtoffers kregen een zeer zonderlinge ziekte, die nooit bij vrije negers voorkomt; de inlandsche naam is „makúla", en bestaat uit beestjes, die zich rond den anus invreten, en soms tot in de ingewanden doordringen. Indien wij deze ziekte tijdig bemerkten, genazen wij haar soms door het aanwenden van een pap, samengesteld uit buskruit met limoensap.
De gekochte negers werden steeds door andere negers te koop aangeboden; zij waren soms kustnegers, die door hunnen meester verkocht werden, of wel als „feiticeiros" (toovenaars) beschuldigd waren; in deze gevallen beproefden ze niet te ontvluchten, daar ze het bij hunne stamgenooten erger hadden dan bij den blanke, of wel waren het door andere negers buitgemaakten en, dan moest men ze hoogst zorgvuldig bewaken.
In Massabe wist een libambo van 7 negers los te komen; binnen één week waren echter allen weer opgevangen en teruggebracht door de omwonende negers, die dan per stuk 5 long en 1 Gallon rum kregen voor belooning.
Soms begeeren de ge- of verkochten volstrekt niet van meester te veranderen en in den ketting te gaan.
Echter wordt er op hunne vertoogen niet veel acht geslagen, en worden hunne tegenstribbelingen met krachtige hand onderdrukt.
In October 1879 woonde ik bij, hoe er één niet ophield te gillen en te schreeuwen: „senhór landaáz, grácia-grácia" (heer hollander, erbarming). De chef gelastte toen om hem door geeselen tot zwijgen te brengen, hetgeen gebeurde. Geheel bebloed, bleef hij gevoelloos liggen en schreeuwde niet meer.
---
Deze gedurig terugkeerende wreedheden, die zoowel te Massabe door een Portugees, als te Quillo door een Duitscher gelast werden, verklaren reeds genoegzaam mijn tegenzin in het leven aan de kust.
Het ligt misschien in mijn weeker gevoel, dat ik aanstoot vind in zaken, waarmeê anderen vrede hebben.
Het likeur aftappen is een vrij eentonig werkje, en ik ontvang dus den 18 Maart met genoegen de tijding om mij naar Cabéça de Cobra factory te begeven.
De reis zal per „Congo" geschieden; zij is een der vaartuigen als schoener getuigd, en uitsluitend door negers bemand, die alleen voor de kustvaart dienen. De „Congo" is veel kleiner dan de „Eersteling", ongemakkelijker gedachtenis, doch hare kajuit is grooter; deze heb ik thans alleen, daar de negerkapitein zijn fortuin maar op het dek moet zoeken.
Wij treffen het met den wind, zoodat na 2 dagen, den 20 Maart, wij te Cabeça de Cobra geankerd zijn. Deze plaats ligt 14 uren aan de kust bezuiden den Congomond; haar naam beteekent: „slangenkop", naar een vroeger hier in zee uitstekende landpunt, die daarop geleek. Deze is echter thans in zee verdwenen, en de kust heeft hier een geheel regelmatig verloop.
Het strand is als dat in den Noord; men beweert zelfs nog gevaarlijker, door een dicht bij de kust liggende zandbank.
De factory der A. H. V. is geheel van riet gemaakt en zeer praktisch ingericht, daar het woonhuis, de winkel en al de magazijnen onder één dak staan. Dit geeft veel gemak.
Binnen een omheining van bamboes, ligt de keuken, de schepenstal, en O, wonder! een koeienstal.
De kudde schapen bestaat uit 70 stuks, waarvan echter zeer weinige volwassen zijn, zoodat er slechts zelden een geslacht kan worden, wil men de fokkerij niet te gronde richten. De veestapel bestaat uit één rijos, een stier, en 2 koeien. Deze worden hier vrij zeldzaam door handelsnegers uit het binnenland, waar er velen moeten zijn, meêgebracht; zij kunnen echter aan de kust niet aarden, te meer door het gebrek aan voedsel. De dorre grassprieten kunnen kwalijk als zoodanig betiteld worden. De dieren zijn dan ook broodmager.
De rijos deed den vorigen chef veel dienst en heeft een zilveren pen door den neus gestoken, waaraan de leidsels bevestigd zijn.
Het personeel bestaat hier enkel uit den chef, een jovialen Hollander, die de merkwaardige eigenschap heeft, dat ... hij niet drinkt.
Deze omstandigheid, gevoegd bij het feit, dat wij hier geen slaven houden noch koopen, doet mij het leven hier aangenamer vinden dan op mijne vroegere plaatsen.
Wij hebben een zestal vrije negers in dienst, voor de dagelijksche bezigheden, terwijl bij ontschepingen extra lieden worden aangenomen. Deze werklieden, „manangámas" genoemd, ontvingen tot mijn komst één flesch rum per dag, doch maakten strike, waarna dit nu anderhalf is geworden.
De lingster van het huis wordt hier „mafúca" genoemd.
De handel is in hoofdzaak dezelfde, als ten Noorden der Congo; ivoor en gom elastiek is echter meer hoofdzaak, terwijl de handel in palmolie en palmpitten zeer onbeduidend is.
Tevens worden eenige producten gekocht, die in den Noord niet voorkomen, namelijk:
Grondnoten, een langs den grond groeiende peulvrucht. Zij wordt tegenwoordig slechts gepeld gekocht, dat bij het gewicht geschiedt. In Europa maakt men er olie uit, die, naar Genua gezonden, als olijvenolie in den handel komt.
Sesamé-zaad, op koren gelijkend, doch in kleiner korrels. De opbrengsten der oogsten is zeer verschillend en dit jaar onbeteekenend. Ook dit artikel dient tot de vervaardiging van zeer goede olie. De negers gebruiken het als voedsel en weten er koeken van te bakken.
Orseille, een grijsachtige, op mos gelijkende parasietplant; zij groeit op de stammen van palmboomen, dat als de cochenille, een ziekelijke toestand is, en dient ter bereiding van eene roode verfstof. Dit artikel is zeer licht en steeds vol vlooien.
Gom Copal, of fossiele gom. Zij wordt uit den grond gegraven, en komt voor in zeer harde stukken, rood tot bruin van kleur, geheel doorschijnend en aan den buitenkant verweerd. Zij gelijkt zeer veel op barnsteen, onder welken naam dit artikel in Europa aan het publiek dikwijls in handen wordt gestopt. Het dient voornamelijk ter bereiding van vernis.
Ook ten Noorden der Congo moet dit artikel vroeger gekocht zijn, doch na een slecht regenjaar verklaarden de „surgōes", dat dit door het opgraven der gom ontstaan was. Sinds is dit in die streken „kiesiele", d. i. verboden.
Hiervan slechts in kleur onderscheiden is de Witte Gom, die één derde der Gom Copal waard is, en naar hare zuiverheid in 3 kwaliteiten verdeeld wordt. De minste kwaliteit is haast het koopen niet waard, daar die nog minder dan palmpitten geldt.
Alle deze artikelen worden inzakken verscheept, ook de Gom elastiek, daar het leege rumfust voor de palmolie gebruikt wordt. Deze laatste wordt hier vuil verscheept, daar de geringe hoeveelheden, die wij koopen, de kosten ter inrichtingen voor het schoonmaken niet waard zijn.
Graszakken heeft men hier bijna niet en dus worden uit Europa gonje-, linnen-, en jute-zakken aangevoerd.
Men moet den handel der kust van dien, die uit het binnenland komt, onderscheiden; laatstgemelde, ivoor en gom elastiek omvattende, is geheel verschillend van den anderen, en heeft meerdere moeielijkheden.
Ook bij dezen is de long de eenheid. Hij komt van zeer verre, dikwijls 2 à 3 maanden reizens uit het binnenland, en steeds bij groote partijen te gelijk. Zulke karavanen, „kibúkas" genaamd, bestaan soms uit twee tot drie honderd negers, en staan steeds onder bevel van eenige aanzienlijken onder hen, „kapáters".
Deze boschnegers, populair masjikóngos genaamd, d. i. van het water der Congo afkomstig, zijn geheel verschillend der kustnegers of mussorongers, ofschoon deze laatsten ook in naam aan den koning van Congo Pedro V onderworpen zijn. Zij spreken een verschillende taal, die slechts enkelen der kustnegers verstaan.
Nog onbeschaafder dan dezen, zijn zij echter minder dief- en schurkachtig.
Zij maken bijzonder veel werk van hun kapsel, in tegenstelling van de kustbewoners, die zich hiermee niet druk maken. Bij sommigen heeft dit den vorm van een hoorn, bij anderen van een hanekam of van een koningskroon of paddestoel!
Daar er in vroegere jaren *)Volgens G. Tams (Hamburg 1845) in 1491 voor het eerst, en daarna gedurende de 2 volgende eeuwen tot 1700 toe. Ik herinner hier tevens, dat de mond der Congorivier ontdekt werd door den Portugees Diego Cam in 1484. bij hen in het binnenland paters gevestigd waren, hebben zij hiervan nog eenige herinneringen behouden. Velen dragen kruizen om den hals, terwijl allen heilige namen tot doopnaam hebben, waarvoor zij steeds den titel van „Dom" zetten als zij elkaar aanspreken. Het maakt een zot effect, deze schier naakte negers elkaar te hooren begroeten als Dom Bartholomeo, of Dom Miguel. Sommigen van hen kunnen schrijven.
Onbekend als zij zijn met de zeden en taal der blanken, worden zij door sommige, meer slimme en ontwikkelde negers begeleid, die dan voor tolk spelen, en „lingster" heeten. Deze maken van de onnoozelheid hunner lieden misbruik, om ze schromelijk te misleiden en op te lichten, schoon niet meer dan zij weer op hun beurt door den blanke.
Deze boschnegers zijn van 2 zeer verschillende landen afkomstig, namelijk van de eigenlijke Congo (Babwendés) en van Dambe. Die van laatstgenoemd land zijn krijgshaftiger.
De olifantstanden worden op een bijzondere en meer ingewikkelde wijze gekocht. Men drukt de waarde hier uit in: geweren, vaatjes kruit en „bandekíes", waaronder men verstaat kleinigheden als spiegeltjes, hangslotjes, balengoed enz. Kruit en bandekíes zijn steeds het dubbele van het aantal geweren. Deze worden echter betaald met eenige afwijkingen van het gezond verstand. Bijvoorbeeld voor een tand, vastgesteld op 12, 24, 24, d. i. op 12 geweren, 24 vaatjes kruit, en 24 kleinigheden, wordt slechts betaald:
1/4 van de 12 geweren = 3 werkelijke geweren, de rest der geweren zijn plaatsvervangers of 2 long manufacturen, dus 9 X 2 long = 18 long.
1/4 van de 24 vaatjes kruit = 6 werkelijke vaatjes kruit, de rest van het kruit zijn weer plaatsvervangers of 2 long manufacturen, dus 18 X 2 long = 36 long.
1/4 van de 24 bandekies = 6 werkelijke bandekies, de rest der kleinigheden zijn plaatsvervangers van slechts één long, dus 18 long.
Voor dezen tand van 12, 24, 24, ontvangt de eigenaar dus:
3 geweren, 6 vaatjes kruit, 6 kleinigheden en 18 + 36 + 18 long = 72 long manufacturen.
De lingster of makelaar ontvangt als regel nog voor toegift zooveel long als de tand nominale geweren telt; dus in ons voorbeeld 12 long.
De gomelastiek komt hier niet in ballen voor, doch in kleine stukjes gesneden, „thimbles" of „bobras" genaamd. In dezen vorm is zij zuiverder en één derde meer waard dan in „balls". Zij wordt veel vervalscht en men vindt er dikwijls steentjes tusschen. Eén zeer slechte kwaliteit is de lichtroode; deze is niet goed gekookt, niet rekbaar, vezelig en bros. De roode kleur komt van een soort van aarde „takúla" genaamd. Goede gomelastiek is wit of zwart van kleur, dat afhangt van den ouderdom. Geheel versche is wit, doch men koopt deze goedkooper, daar zij verbazend indroogt. Dit is soms 20 %.
De negers onderling verhandelen de gomelastiek bij het aantal, waartoe het noodig is al de stukjes te tellen; hierbij dient men zich voor te stellen dat deze dikwijls de grootte van een erwt hebben!
Zij hebben zelfs een afzonderlijk woord voor tienduizend („kiáge"). Voor de telwoorden van één tot tien, alsook voor honderd, hebben zij afzonderlijke namen, waarvan de overige telwoorden worden afgeleid of samengesteld. Hier volgen de voornaamsten:
} cosjmoëka mosj | één. |
| kolle | twee. |
| tátoe | drie. |
| kóeje | vier. (kabinda:naa). |
| tanoe | vijf. |
| sámbanoe | zes. |
| sambwáli | zeven. |
| inána | acht. |
| ivoi | negen. |
| komi | tien. |
| komi-mosj | elf. |
| makómi-ólle | twintig. |
| makómi-tátoe | dertig. |
| kama | honderd. |
Daar de gomelastiek hier steeds in groote partijen voorkomt (van 500 K.G. tot 1500 K.G. en meer), wordt eerst de prijs van een zeker gewicht vastgesteld, waarin dan alles afgewogen wordt. Zoo hebben wij hier een gewicht van 50 pd. bruto in een kistje.
Door de hevige concurrentie in dit artikel, want de negers, die al zoo ver geloopen hebben, is het volmaakt onverschillig des noods nog eenige dagen verder te gaan, wordt het soms zeer moeielijk onder de limieten te blijven. De chefs stellen er een eer in zooveel mogelijk te koopen, dat van invloed op hun salaris kan zijn, en hun den naam van een goed koopman bezorgt. Van daar talrijke knoeierijen en kwade praktijken.
Een der eenvoudigste is de schaal of balans, waarop de gomelastiek en het ivoor gekocht wordt, onzuiver te maken. Hierdoor heeft men al licht eenige ponden voordeel. Wij hebben hiertoe zakjes met hagel van 1, 2 en 5 pd., die naar omstandigheden gebruikt worden.
De negers van het land zijn Mussoróngers, en dit is ter hunner beschrijving haast genoeg gezegd.
Lui en verwijfd van aard, zijn zij tot niets in staat. Onze kok, timmerman, waschjongen, ja, zelfs tafeljongens en huishoudsters, zijn kabinda's, die wij tegen vaste betaling in dienst hebben en in een huisje achter de factory verblijf houden. Daarbij zijn de Mussoróngers nog diefachtiger dan andere negers; als voorzorg moeten iederen avond de schapen geteld en opgesloten, na iederen maaltijd het tafelgereedschap geinspecteerd worden. Zij zijn trotsch en zouden beleedigd wezen negers genoemd te worden; het zijn „zwarten"; zij beschouwen de blanken als slaven, die door hunnen meester naar de kust worden gestuurd om geld voor hem te verdienen; zij zelven zijn allen prinsen!
In tegenstelling der Kabindas, rooken zij in het geheel niet, doch snuiven.
De meesten verstaan en spreken Portugeesch. Hun eigen taal is slechts weinig van die der Kabindas of Loangos onderscheiden.
Banden van bloedverwantschap schijnen zij niet te kennen, uitgezonderd moederliefde; hiervan ziet men dikwijls treffende bewijzen, te meer treffend, omdat die nooit vergolden worden.
Het zedelijk standpunt dezer negers blijkt het best uit hunne wet, omtrent het aangeven van een misdaad: de denunciant is strafbaarder dan de dader! Hiervan hadden wij het volgende bewijs: Een neger steelt een onzer kippen; een andere ziet het en roept: „de kip van den blanke" „de kip van den blanke". Wij hooren het, schieten toe en pakken nog juist den dief met de kip onder den arm. De schuld was klaar en duidelijk; de dief betaalt ons dan ook. Hiermee was voor ons deze zaak afgeloopen. Doch wie heeft den dief het betaalde vergoed?
De man, die geroepen had: „de kip van den blanke"! Deze persoon zal bij een volgende gelegenheid wel zwijgen.
Geen wonder, dat bij deze verfoeilijke instelling de ontdekking van een misdaad meestal onmogelijk is. Nog onlangs werd bij een ontscheping één vaatje kruit gestolen; dader onbekend, ofschoon misschien wel honderd negers het hebben zien stelen.
Zij zijn geheel verdierlijkt door misbruik van sterke dranken; men heeft er dagelijks voorbeelden van onder de oogen. Voor korten tijd wilde een dronken neger mij, terwijl ik voor het huis stond, te lijf. Een zijner vrienden wil hem tegenhouden; zij raken aan het bakkeleiën, en de dronken man bijt zijn tegenstander totaal een lip af.
Bij deze gelegenheid hoorde ik zeggen, dat, terwijl bij de blanken de nagels vergift bevatten, doch de tanden niet, dit bij de negers in het algemeen juist tegenovergesteld is. Werkelijk heb ik waargenomen, hoe bij „sarnes", een veel voorkomende huidziekte, het verergert door zelf te krabben, terwijl dit niet zoo is, als men het door een neger laat doen. Dit is een feit.
Deze negers zijn bijzonder fraai gebouwd, ofschoon men er ook mismaakten onder aantreft. De vrouwen hebben doorgaans een fiksche buste en een paar krachtige schouders; echter is bij haar zeker deel bijzonder ontwikkeld, zoodat zij bij de mode der „cus" in Europa de kunst niet zouden behoeven.
Een geliefdkoosde tijdpasseering is de uitroeiing op elkaârs hoofd der talrijke insectenkoloniën, die zich dikwijls in hun wollig hoofdhaar gevestigd hebben.
Een dwaze zaak is de witbeschilderde „feiticeiro" of toovenaar. Er komt schier geen partij handel in de factory, zonder dat men er één bij ziet. Zij moeten zoo veel of zoo weinig werken als de andere negers, die hen echter niet mogen aanraken; ja, zij mogen hun zelfs niets toereiken. Indien dit noodig is, zetten zij het op den grond, waarna de „feiticeiro'' het opraapt. Zij hebben een andere taal dan de rest der negers, en mogen geen doeken van Europeesch fabrikaat dragen; het moeten uitsluitend uit gras of stroo zelf vervaardigde doeken of zaken zijn.
Ik vroeg eens een meer ontwikkelden neger, hoe zulk een man „feiticeiro" geworden was, en of hij bang er voor was. Hij antwoordde op het laatste „neen, hij kan toch niets doen, ik heb voor hem denzelfden eerbied, als dien ik voor een grijsaard koester", op de eerste vraag luidde het antwoord: hij had hardop gedroomd!
Men vindt hier dezelfde soorten van wilde beesten als ten noorden der Congo, doch de hyenas zijn hier talrijker. Schier elken nacht komt er een onder het raam van mijn kamer huilen; het is een akelig en luguber geluid, dat op het schreien van een kind gelijkt. Ook hoor ik 's nachts dikwijls het blaffen van den boschhond.
Slangen zijn er in overvloed, in alle grootten en soorten; een onzer schapen werd er nog het slachtoffer van; na haar door een geweerschot gedood te hebben, mat ik deze slang; zij was 5.12 M. lang bij 11 c.M. gemiddelde doorsneê, en was een exemplaar der niet vergiftigde soort der „boa constrictor". Kleinere boas constrictors zijn zeer tam te maken, en worden in vele factoryen gebruikt voor het vangen van ratten; de hiervoor gebezigde hebben een lengte van ½ tot 2 Meters.
Onder de meest voorkomende dieren behoort de „caméleon". Deze is zeer merkwaardig, daar zij de kleur aanneemt van het voorwerp, waarop zij geplaatst wordt. Ofschoon ik dit door geleerden in Holland heb hooren tegenspreken, zag ik menigmaal, hoe zij van grijs in wit, groen of bruin veranderde. Zij heeft een verbazend spits en lang tongetje, gelijk dat eener slang, waarmee zij bliksemsnel een vlieg of ander insect weet te treffen, en op te happen. Het is aardig om te zien.
Voor enkele dagen had ik gelegenheid op mij zelf de zonderlinge uitwerkselen der zon waar te nemen. Door een ontscheping was ik genoodzaakt den ganschen dag aan het strand te blijven, waar het door het flikkeren der zon op het zand nog vrij wat warmer dan elders was. In de schaduw stond de thermometer op 106° fahrenheit.106° fahrenheit is 41 °C. 's Namiddags was het mij of tallooze sterren langs de oogen voorbij schoten, alles begon om mij heen te draaien. Al waggelende en zwaaiende bereikte ik mijn kamer en mijn bed, waar ik langzamerhand weer op streek kwam!
Men heeft hier niet de canóas uit een enkelen boomstam gehouwen, die men in den Noord aantreft, doch zijn ze hier uit 2 helften saâmgesteld, die door bamboes aan elkaâr gebonden zijn. Deze canóas slaan niet zoo licht om, doch kunnen schier geen lading nemen; zij worden door de negers alleen om te visschen gebruikt. De langste, die ik zag, was 4 meter. De negers visschen de kleinere soorten met angels, de grootere met houten harpoenen, die in een ijzeren punt eindigen. Ook verstaan zij de kunst, om netten te knoopen, waartoe verschillende plantaardige vezels de grondstof leveren. Deze vezels zijn een handelsartikel geweest, doch worden thans niet meer voor export gekocht.
Het leven is hier vrij wat rustiger dan in den Noord, daar men voor geen slaven te zorgen heeft, terwijl de vrije negers in onzen dienst in hun dorp slapen, en niet voor 7 uur of half acht in de factory verschijnen.
Ook de handel komt vrij laat, zoodat wij dan ook niet zooals elders om 6 uur opstaan, daar in de eerste uren er toch niets te doen zou zijn en de dag reeds lang genoeg is.
's Avonds na het eten komt geregeld een nabij gevestigd Spanjaard, wiens handel onbeteekenend is, een kaartje leggen. Dit is reeds een schijntje van gezelligheid, dat ik nergers anders aantrof.
Eenige avonden besteden wij aan het „goochelen" met katoentjes. Ik bedoel het omvouwen in „Afrikaansche yards" van oudere soorten manufacturen, die nog in werkelijke yards zijn.
De dagelijksche eentonigheid wordt den 19/21 Juni afgebroken door een ambtelijk uitstapje naar Mase Mandombe; zwart water beteekenende, naar de kleur van het water eener naburige rivier. Het is filiaal van Cabeça de Cobra, waarvan het circa 3 uur ten Zuiden ligt, ook aan het strand. De factory der A. H. V. is daar het eenige huis, zoodat het er doodsch eenzaam is.
Mase Mandombe ligt in de onmiddelijke nabijheid van Mangue Grande, berucht door den daar plaats gehad hebbenden aanval op de factory der A. H. V., waarbij één blanke gewond werd.
Het Nederlandsch oorlogsschip de „Aruba", comm. Jhr. Röell, kwam hierheen en als resultaat eener fundatie met de prinsen, werd de dader van het schot uitgeleverd. Deze werd opgehangen, doch het is thans aan geen twijfel meer onderhevig, dat de eigenlijke dader nog leeft ! Ik zag hem zelf, en hij beroemde zich op zijn daad; de opgehangene was een zijner slaven!
Om mijne ondervindingen voltallig te maken, heb ik een rid gemaakt op den rijos; gezeten op een stevig zadel en mij goed vasthoudende aan den zadelknop, ging dit schitterend. Echter hield één neger hem steeds bij den kop, om hem te besturen, en dreef een ander hem van achter met een stok op, daar hij anders niet loopen wilde. Zoo galoppeerden wij een half uurtje landwaarts in, door een dorre grasvlakte en 2 negerdorpen, die er nog armoediger en vuiler uitzien dan die der Kabindas.
Het leven begint mij hier meer en meer tegen te staan, en ik verzend daarom den 17 September mijn aanvrage om ontslag. Dit is trouwens slechts een formaliteit en wordt als kennisgeving beschouwd.
Ik ben vooral moede:
Den bedriegelijken ruilhandel op bedrog gegrond.
Gebrekkige correspondentie
(de brieven laat men soms anderhalve maand in Banana liggen. Drukwerken opent, scheurt en bekladt men. Kistjes worden geopend en bestolen.)
De eenzaamheid.
De stuitende onzedelijkheid van vele chefs.
De slechte kost.
Het gebruik en mishandeling der slaven
Gevoegd bij een verslappend en doodend klimaat door hitte en moerassen.
---
Zooals ik na mijn aanvrage om ontslag verwacht had, komt den 25 September 1880 mijn plaatsvervanger, en scheep ik mij den 19 October in de „Henriqueta" naar Banana in, waar ik den 20 October aankom.
Ik krijg weer een kamer in factory Rotterdam, waar ik ook voorloopig werkzaam zal blijven.
Van de andere employés verneem ik, dat de hoofdagent een feestje gaf ter eere der „nieuwe directeuren". De Afrikaansche Handelsvereeniging zou toch opgehouden te bestaan hebben, en in eene nieuwe Vennootschap overgegaan zijn. 't Is vreemd, dat hiervan aan alle employés geen mededeeling geschiedde, daar wij slechts contract met de oude Afrikaansche hebben. Thans reken ik mij volstrekt niet aan de nieuwe Vennootschap verbonden.
't Is hier uitsluitend expeditie, het laden en lossen der van de buitenfactoryen en van Europa komende schepen.
Ik ontmoet nog 2 handelsartikelen, die ik nog niet kende, en van Ambriz en Loanda komen. Namelijk:
Koffie, van slechte kwaliteit en die in Europa ter vervalsching van betere soorten dient. Zij wordt in zakken verscheept, die een uniform gewicht van 62 ½ K. hebben. Men draagt altijd groote zorg, dat deze zakken niet vuil of nat worden, dat van invloed op de opbrengst der koffie schijnt te zijn.
Was, gewone bijenwas, in blokken van bepaalde afmetingen gegoten.
Het is misschien niet overbodig op te merken, dat de zoogenaamde „Congo-thee" in deze streken niet voorkomt, doch haar naam ontleent aan een tweede Congo in ... China!
Banana is kolenstation der Engelsche en Portugeesche marine; gemiddeld 2 oorlogsschepen per maand komen hier hun voorraad kolen aanvullen. Zij betalen 65 francs per ton, dat voor deze streken niet duur is.
Het laden der kolen geschiedt met mandjes, waarvan er circa 30 in een ton (van 2240 Eng. ponden) gaan. Deze moeten dus geteld worden, dat in het Engelsch geschiedt; voor iedere tien mandjes wordt een streepje op het boek gezet, en begint men weer van meet af te tellen; in plaats van „ten" zegt men echter „talie"; dit is de wortel van een Afrikaansch Engelsch kolenwerkwoord geworden, en spreekt men van:
„do you tally" ? telt gij.
„how many tallys you got" ? hoeveel mandjes hebt ge geteld!
Bij oorlogsschepen wordt soms elk tiende mandje gewogen.
Ik merk op, dat terwijl op de buitenfactoryen alle gewicht in Engelsche ponden en arobas (70 arobas in een ton) berekend wordt, dit hier steeds in Kilos geschiedt.
Ter dezer plaatse volge een lijst der vaartuigen, aan de A. H. V. toebehoorende, en dienende ter communicatie tusschen de verschillende factoryen:
---
De factoryen, die de A. H. V. bezit zijn de volgende:
Op het voetspoor van Stanley, doch steeds nog beneden de watervallen, worden twee nieuwe factoryen gesticht:
Zooals men ziet zijn talrijke factoryen gesloten. Dit sluiten bestaat eenvoudig hierin, dat de nog aanwezige goederen en materialen weggehaald worden, en daarna het huis aan zijn lot overgelaten wordt. Een naburige prins krijgt dan gewoonlijk wat om het te bewaken, doch andere invloeden, vooral witte mieren, doen dergelijke huizen spoedig instorten.
---
De scheepvaart beweging op Europa is hier op het oogenblik niet druk, doch van een vrij raadselachtigen aard.
De „Neptun", een Duitsch zeilschip, kwam met een lading diverse spiritualien uit Holland aan, en loste. Het schip de „Concord" van Stavanger kwam in ballast lading halen, waarna de „Neptun" met den ballast der „Concord" vertrok! Tevens ligt hier de Engelsche stoomboot de „Abbotsford" kapt. Jones, die voor 28 pond sterling per dag gecharterd is, en reeds bijna veertig dagen op lading wacht.
Aan alles komt een eind, zoo ook aan het laden der Abbotsford.
Den 7 November 1880 des namiddags vertrekt zij naar Europa, met den schrijver dezes als passagier aan boord.
einde.
Van zijn groote reis door Afrika terug gekomen, werd Stanley door den Koning van Belgie in dienst genomen, ten einde een reeks van stations langs den door hem reeds afgelegden weg te stichten.
Hij kwam met het meerendeel zijner reisgezellen in Juni 1879 te Banana aan, met een daarvoor opzettelijk gebouwde stoombarge van Cockrill te Seraing, en bracht eenige uit elkaar genomene schroefstoomscheepjes meê, bestemd voor de navigatie der Congo boven de watervallen van Ilala. Eén dezer bootjes, „la Belgique", doet dienst beneden de watervallen, tusschen Banana en Veveij, dat het verste bevaarbare punt der Beneden-Congo is en gelegen 26 geogr. mijlen van Boma of 96 mijlen van Banana.
Het zwart personeel der expeditie bestaat uit circa 200 Zanzibar-boys, oud-gedienden, die de moderne Argonautentocht door Afrika meêmaakten en de „garde d'honneur" vormen; verder uit even zooveel coromanos of slaven, die echter bij massa's schijnen weg te loopen, waarom men ze door van elders aangevoerde ... muilezels tracht te vervangen.
Stanley heeft een contract aangegaan met de A. H. V., voor het opslaan zijner per mail aangebrachte provisiën en benoodigdheden in hare pakhuizen te Banana, van waar ze dan door de „Belgique" worden afgehaald en naar Veveij gebracht.
Dit is het 1e station. Zekere heer bankroetier Sperhawk voert hier namens Stanley het bevel. Hier begint het landtransport, waartoe een weg werd gebaand, die echter altijd de door de negers gebruikte paden volgt en dus niet vele bochten en slingeringen is. Met de grootste krachtsinspanning mocht men er in slagen reeds 2 booten naar boven te krijgen en daar weêr in elkaâr te zetten, zoodat Stanley hiermeê weer dieper landwaarts in gevaren is.
Men meende, dat het binnenland gezonder zou zijn, dan de kust, doch de ondervinding schijnt dit te loochenstraffen. Velen, zooals Geoffroi van Maastricht en de Amerikaan Kirkbread, vielen reeds als offers van 't klimaat; anderen, zooals Losewitz van Antwerpen en More van Londen, zijn meer dood dan levend gerepatrieerd. Ter aanvulling zond men korten tijd geleden een tiental Belgische officieren, waaronder één majoor.
Deze geheele expeditie wordt uitsluitend bekostigd door den Koning van Belgie, met wien alle expeditie-leden gecontracteerd zijn. Uitvoerend bewind is een „comité d'étude du Haut-Congo", waarvan kolonel Strauch te Brussel president is.
Naar ik van verscheidene personen vernam, heeft deze expeditie volstrekt niets te maken met het internationaal comité der Congo, dat ook te Brussel zijn zetel heeft.
Deze expeditie werd in 't jaar 1874 door de „Afrikanische Gesellschaft" uitgezonden om van de Westkust uit de bovenloop der Congo te onderzoeken. Zij splitste zich in tweeën; het eene gedeelte onder Dr. Oskar Lenz begaf zich naar de Corisco-baai en de Gaboen (0°27' N.B.), het andere onder Dr. P. Güssfeldt en Dr. Falkenstein met den botanicus Soyaux naar Chinchoxo.
Zij drongen niet diep in 't binnenland door, en beperkte zich het geografisch onderzoek tot de benedenloop der Gaboen en der Moeni door Dr. Lenz, en tot die der Quillo- en Chiloango-rivier door Güssfeldt.
Het langdradig verslag der expeditie werd te Leipzig uitgegeven. (1878. „Die Loango-expedition").
Gussfeldt noemt haar de „Loango-Luz"; wat „Luz" beteekent heb ik niet kunnen gewaar worden en is deze geheele naam den inlanders onbekend.
Hij maakt melding van een zijriviertje, de Loecoela, waaraan twee aanzienlijke negerdorpen Mankalla Jabo en Toendo gelegen zijn. — Tot de samenvloeiing met de Loecoela is de Chiloango, volgens Güssfeldt, 40 pas breed, hooger op slechts 25 pas.
Omtrent de beteekenis van dit woord, met zijne vormen „feiticiero" en „enfeitiçar" zegt Roquete in zijne nieuwe uitgave van Fonseca's Diccionario da Lingua Portugueza het volgende:
„Feitiço, veneficio, samenstelling van vergift in magische beteekenis; fig.: bekoring door helsche kunsten; iets dat bekoort."
Ook Bernardes gebruikt het in deze laatste beteekenis in zijne Rimas:
„Ah que gostos de amor são feiticeiros,
„Feiticeiros enganos m' enlaçarão."
Fonseca en Roquete in hunne Diccionario dos Sijnonymos zeggen op het woord „encanto":
„De gewoonte, die ons met alles gemeenzaam maakt, verdrijft de bekoring (encanto); daarentegen wordt de feitiço door de gewoonte en het nadenken vermeerderd", enz. (O costume, que nos familiariza com tudo, destroe o encanto; o feitiço, ao contrario, cresce com o habito e a reflexāo).
De negers gebruiken het thans ook. Feitiço mundéle is hun naam voor God, doch zij noemen Dezen ook met één woord manipancha. In de namen hunner feitiços komt het woord „feitiçó" volstrekt niet voor; zij beginnen allen met ma.
Ik noteer hier, dat het woord feitiço in het Portugeesch den klemtoon op de tweede of middelste lettergreep eischt, terwijl de o aan 't einde van een woord steeds de klank van oe heeft. De veel voorkomende neusklanken (āo, ōe) worden min of meer uitgesproken alsof er ng of nk achter geplaatst ware; deze uitspraak doet denken aan het nijdig blaffen van een hond! De neusklanken, evenals de uitgangen or of ar hebben in den regel den klemtoon.
Dit is geteekend op de schaal van
1 : 3.000.000.
De afstanden zijn berekend in Geografische of zeemijlen, die gelijk zijn aan 1/60 graad of aan 1855 strekkende meters, zoodat er nagenoeg 3 in één uur gaans gerekend kunnen worden.
Deze mijl is niet te verwarren met
de Duitsche Geografische mijl =
1/15 (equator-) graad = 7420 meters;
of met de Engelsche mijl =
5000 Eng. voeten = 1524 meters.