In het Rijk van Vulcaan
R.A. van Sandick,
1890.

HOOFDSTUK XI.Na de groote uitbarsting.

Hoe het er op Krakatau uitzag na de uitbarsting. - Verbeek ontdekt eene nieuwe uitbarsting op 10 Oct. 1883. - Waarom niemand die bespeurd heeft. - Indruk van de ramp in Indië. - Schrik voor aardbevingen. - Aardbeving te Padang 21 Sept. 1883. - Tweede aardbeving met gerommel 18 Oct. 1883. - Het gerommel niet op zee gehoord. - De schoten van Krakatau zijn op sommige plaatsen ook niet op zee vernomen. - Beschouwingen over de ramp door de inlanders. God wil het zoo. - De ‘Compagnie’ heeft de schuld. - Het is een straf Gods. - Verhoogde godsdienstzin na de uitbarsting. De zendbrief van den ‘Opperpriester van Mekka." - Geprikkelde gemoedsstemming zich uitende in moordaanslagen. De Toean-toean te Kroë en de Mahdi. - Wasiat- of Zendbrieven. - De zendbrief na de uitbarsting van den Tambora (1815) volgens Junghuhn. - Energiek optreden van het Gouvernement na de ramp. - Het Centraal-Comité. - Krakatau-litteratuur. - De te lenigen nood in Bantam. - 6 1/2 millioen schade. - Bestuursmaatregelen. - Nieuw-Anjer en Menes. - Schade in Tangerang 3 1/2 ton gouds. - De Lampongs zijn moeilijk te bereiken. - Schade in de afdeeling Kroë. - Expeditie van Lt. Koster en Dr. Vorderman naar de Lampongs. Schade in de Lampongs. - De pepercultuur. - Opbouw van Telok Betong. - Reis van den Gouverneur-Generaal met Zr. Ms. ramtorenschip ‘Prins Hendrik der Nederlanden’. - Verbeek's Krakatau. - Reden van dankbaarheid aan de Indische regeering. - Verbeek's werk beoordeeld door de ‘Royal Society’ en in ‘Petermann's Mittheilungen.’ - Hollandsche en Duitsche Universiteiten. - Een welverdiende Nederlandsche Leeuw. - De uitbarsting van Krakatau is zonder invloed geweest op het vulkanisme van Indië. - Java's Eerste punt. - Werking van den Merapi op Sumatra in December 1883. - De angst voor het vulkanisme. - De tijd stompt de indrukken af. - Men kan in Indië de vulkanen niet ontloopen.

Na de groote uitbarsting is Krakatau niet geheel en al in rust gebleven. Bij de opname, door den heer Verbeek in October op het eiland verricht, vond hij het overblijvende gedeelte van Krakatau bedekt met puimsteenblokken, waarvan de grootste een kubieken meter inhoud hadden; hier tusschen lagen kleine stukjes puimsteen, zand en asch. Dit materiaal was opgestapeld tot werkelijke bergen. De regen had hierin diepe kloven uitgespoeld, die dikwijls loodrechte kanten hadden, zoodat de bestijging van den berg zeer moeilijk was. Dit materiaal is bij de groote uitbarsting uitgeworpen. Dadelijk daarna is eene onderzeesche moddereruptie gevolgd, die gedurende de duisternis op 27 Augustus aanving en gedurende een etmaal heeft aangehouden. Deze modder bedekte onder anderen de eruptieproducten op de eilanden Steers en Calmeijer.

De heer Verbeek ontdekte echter, dat er eene latere uitbarsting op Krakatau had plaats gehad, daar hij op de Zuidzijde van het eiland twee slijkstroomen aantrof ter dikte van 0.2 tot 0.3 meter, en ter breedte van 1 tot 5 meter. Zij bestaan uit zeer fijne donkere asch, beginnen 200 meter beneden den top, dus 600 meter boven den zeespiegel en zijn over eene lengte van 1300 meter tot 40 meter boven zee te vervolgen. Die slijkstroomen liggen op de ruggen, die tusschen de uitgespoelde kloven zijn overgebleven, maar zij zijn voor een groot gedeelte te zien in de reeds uitgespoelde kloven: hieruit volgt dat zij eerst na het vormen dier kloven ontstaan zijn. Daarenboven was het slijk bij het bezoek van den heer Verbeek nog nat: de slijkuitbarsting was dus niet lang geleden geschied.

Deze ontdekking van den heer Verbeek is van het hoogste belang. Want niemand ter wereld heeft iets van die uitbarsting bespeurd. Dit is geen wonder, want alle woningen op de kusten van Straat Soenda waren door de vloedgolven weggespoeld, zoodat de kust feitelijk gedurende eenige maanden geheel onbewoond was. Toch is des avonds te 10 ure op den 10den October aan de Wijnkoopsbaai een bijzonder hooge, plotseling opkomende vloed waargenomen, terwijl er een rommelend geluid werd gehoord in de richting van Krakatau.

Waarschijnlijk hebben deze waterbeweging en die geluiden de uitbarsting van slijk vergezeld, waarvan de bewijzen op Krakatau door den heer Verbeek zijn aangetroffen. Wij kunnen dus vaststellen, dat er den 10den October eene slijkuitbarsting geweest is.

Op verschillende tijdstippen werden te Batavia en te Tandjong Priok in September knallen gehoord. Natuurlijk schreef men ze onmiddellijk aan Krakatau toe.

Op Java's Eerste punt werden den 18den en 19den September aardbevingen gevoeld.

Voor het overige werden volgens gewoonte een behoorlijk getal aardbevingen uit den geheelen Indischen Archipel gerapporteerd, zonder dat men zeggen kan, dat deze met Krakatau in eenig verband staan. De heer Verbeek wijst er zeer terecht op, dat het bijzonder groot aantal aardbevingen, dat na de ramp van Krakatau in de volgende maanden en ook in 1884 is opgeteekend, niet eens bewijst, dat er meer aardschokken geweest zijn dan in vroegere jaren. Nooit is er in Indië eene uitbarsting geweest, die overal zulk een diepen indruk heeft gemaakt als die van Krakatau. Het minste geluid of de kleinste aardschok trok in den eersten tijd aller aandacht, en werd onmiddellijk gerapporteerd, terwijl men vóór de uitbarsting die verschijnsels nauwelijks opmerkte.

Men herinnert zich zeker nog wel het afloopen van Tjilegon, en den moord der Europeanen aldaar door een saamgezworen bende inlanders. Na deze gebeurtenis ontstond er bij sommige Europeanen op Java eene schrikachtigheid, die aan het ongelooflijke grensde; zij zagen in elken inlander eenen moordenaar. Zoo was het ook in Indië na de ramp van Krakatau, vooral bij hen, die de uitbarsting hadden bijgewoond.

Ik bevond mij in de maanden volgende op de uitbarsting op Sumatra's Westkust. Dat is een buitengewoon vulkanisch terrein. De aardkorst is daar alles behalve rustig. Aardbevingen en onderaardsche geluiden zijn er geene zeldzaamheid. Nog geen maand was er verloopen sedert de uitbarsting van Krakatau, toen ik te Padang den 21sten September eene aardbeving bijwoonde. Men beschouwt in Indië eene aardbeving gewoonlijk als eene vrij onschuldige zaak. Maar hem, die nog geen maand geleden eene ondervinding heeft opgedaan zooals de passagiers van de "Loudon", overkomt bij eene eenvoudige aardbeving of onderaardsch gerommel eene gewaarwording van nameloos wee, een onbeschrijflijk gevoel van hulpeloosheid; een ongemotiveerde angst maakt zich van hem meester; hij verwacht niet anders dan dat de golven van den Indischen Oceaan geheel Padang zullen overstroomen, zooals de wateren van Straat Soenda Telok Betong deden verdwijnen.—Trouwens de geschiedenis leert, dat eene dergelijke ramp ook te Padang geene onmogelijkheid is. Het Padang der 18de eeuw toch is juist op die wijze te niet gegaan. Den 10den Februari 1797, toen Padang in Engelsche handen was, onderging het eene hevige aard- en zeebeving. De golven liepen meerdere tientallen van meters op tegen den Apenberg. De geheele nederzetting overstroomde en werd een puinhoop.

Eene aardbeving gepaard met een onderaardsch geluid, gelukkig echter door geene zeebeving vergezeld, had te Padang plaats den 18den October 1883. Men vergunne mij over deze aardbeving iets mede te deelen.

Ik was naar gewoonte op het bureau van den waterstaat, dat aan de Padangrivier gelegen is. Plotseling hoor ik een onderaardsch gerommel en gevoel een schok, die vrij hevig is; ik loop onmiddellijk het gebouw uit, en ontmoet buiten den 1sten luitenant der artillerie Temminck, die adjudant is op het bureau van den kommandant der artillerie, wiens bureau grenst aan het onze. Ook hij is door de aardbeving en het geluid uit zijn bureau verjaagd, ik ben dus de eenige niet, die het gerommel vernomen heeft. Een oogenblik daarna komt de eerstaanwezend ingenieur, de heer van Geuns, terug van een bezoek, gebracht aan een stoomschip op de reede van Padang. Daar op zee, vlak bij de kust, heeft men niet alleen van de aardbeving niets gemerkt, zooals van zelf spreekt, maar men heeft niet het minste geluid waargenomen.

Toch is het nog vreemder, dat op de "Loudon" tijdens de uitbarsting niet één schot gehoord is, terwijl ze overal anders met zulk eene hevigheid hebben weerklonken. Men heeft dit verschijnsel toegeschreven aan de dichte aschwolk, waarin wij gehuld waren, die het geluid zou hebben gedempt. Dit verklaart echter naar mijne meening het voorgevallene niet volledig; die dichte aschwolk heeft ons in diepe duisternis gehuld, maar dit geschiedde eerst den 27sten Augustus ten 10 ure. Toen weerklonken over geheel Indië de hevige kanonschoten van Krakatau reeds bijna een etmaal lang. Hoe is het mogelijk, dat geen daarvan onze ooren bereikte?

Ik vermeldde reeds, dat op schepen op de reede te Atjeh en te Boeleleng (Bali) geene geluiden zijn geconstateerd. Ik kan hier nog bijvoegen, dat de inlandsche lichtopziener op Poeloe Pandang nabij Padang evenzeer beweert niets gehoord te hebben, hoewel de geluiden der uitbarsting te Padang zoo sterk waren.

Het is mij niet gelukt eene verklaring van die eigenaardige voortplanting van het geluid op te sporen. Toch is het natuurlijk, dat men daarnaar zoekt. Dit zou zeker niet in den geest zijn van de inlanders van Bantam, die na de verwoesting der kustplaatsen zich het hoofd niet braken met het uitvorschen der oorzaken. "God heeft het zoo gewild, en Hij kan doen wat Hij wil! het past ons menschen niet naar de redenen te vorschen."—Ziedaar de gedachtengang van den vromen Mohammedaan, na de uitbarsting van Krakatau. Er waren echter ook inlanders, die de "Compagnie", dat is het Nederlandsch Indische gouvernement, beschuldigden de ramp met opzet in het leven geroepen te hebben, om de inwoners te gronde te richten. Blijkt hieruit in de eerste plaats welk een hoog denkbeeld zij hadden van de macht van het Nederlandsch gezag, men kan er bovendien uit zien, welke groote mate van liefde voor den Javaan zij ons toedichten!

Een derde categorie van personen in Bantam en in de Lampongs beschouwde de geheele ramp als een straf Gods, die hen als onderdanen van de "Compagnie" trof. De Hollanders zijn "Kafirs" of ongeloovigen, zij gelooven niet in den profeet Mohammed. En toch durven zij het wagen oorlog te voeren met de goedgeloovige Atjehers! Voor die euveldaad bereikt Gods wraak de Hollanders en de inlanders, die hunne onderdanen zijn.

 

Het is zoo natuurlijk, dat de mensch een natuurramp van den omvang als de zondvloed, die de steden en dorpen aan Straat Soenda gelegen wegvaagde, beschouwt als een wraakgericht Gods. Het eerste gevolg is dan dat de mensch tot zich zelf inkeert, en zeer ontvankelijk is voor godsdienstige begrippen. Na de ramp van Krakatau keerde zich de bevolking van Bantam en de Lampongs tot Toean Allah, en verootmoedigde zich voor den Almachtige. Priesters en Hadjies maanden de bevolking aan tot getrouwe opvolging van den Koran. Vooral in Bantam, waar het godsdienstig leven toch altijd opgewekter is dan elders op Java, bespeurden de bestuursambtenaren—niet zonder zorg—eene religieuse opgewondenheid, die zich soms uitte door onverdraagzaamheid tegen de Europeanen, die honden van ongeloovigen. Op de pasar (markt) te Serang werd den 2den November 1883 een Europeesch soldaat, zonder eenige aanleiding, aangevallen en gewond door een inlander met een klewang gewapend, in een vlaag van godsdienstige dweeperij.

Op een anderen dag drong een Bantammer "in overprikkelde gemoedsstemming,"—zooals het Koloniaal Verslag het uitdrukt—met een geopend knipmes, gehuld in het bekende witte opperkleed, in het blokhuis te Serang, en wondde den schildwacht.

Die gevallen stonden op zich zelf en beteekenden schijnbaar niet veel. Maar zij bewezen toch, dat het in de harten der schijnbaar zoo berustende Bantammers smeulde, en toen veel later te Tjilegon al de Europeanen op de meest beestachtige en wreedaardige wijze werden vermoord, zonder dat de aanleiding ooit duidelijk geworden is, toen herinnerde men zich huiverend die op zich zelf staande uitingen van fanatisme na de ramp van Krakatau! De politie had toen bij voorbeeld de hand gelegd op een zendbrief, die, zooals het opschrift luidde, was geschreven door "den opperpriester uit Mekka." Die zendbrief was in de landstaal geschreven en spoorde den inlanders aan tot meerderen geloofsijver. De "opperpriester uit Mekka" wees op de gevolgen van Krakatau, en noemde ze de voorboden van het vergaan der wereld.

In de geheele Mohammedaansche wereld trouwens was het in het laatst van 1883 en 1884 onrustig. In de afdeeling Kroë, die het Zuidelijke gedeelte der residentie Benkoelen uitmaakt, volgden de zoogenaamde Toean-toean, met spanning de berichten, die tot hen kwamen over den opvolger van Mohammed, den Mahdi, die in Egypte de scharen van den Khedive vernietigd had. Men noemt daar "Toean-toean" het gegoede gedeelte der bevolking, dat uit geestelijken, hadjies en handelaren bestaat. In het binnenland is de bevolking er nog heidensch. Maar de bekeeringen tot den Islam namen na de ramp van Krakatau sterk toe, en er was geen doessoen (dorp), waar niet een soeran (bedehuis) verrees. Talrijk waren de wasiat-of zendbrieven, die, uit Arabië afkomstig, verspreid werden over Kroë en de Lampongs. Vele werden door de politie in beslag genomen, maar hoevele ontsnapten aan alle nasporingen, en verspreidden het gif der onverdraagzaamheid in de gemoederen?

 

Is het niet merkwaardig, dat na de groote uitbarsting van den Tambora in 1815 ook dergelijke zendbrieven onder de bevolking van Oost-Java en de Oostelijk van Java gelegen landen verspreid werden? Tambora gezien vanuit de Endeavour space shuttle in september 1992. Bovenin is het noordwesten. Ongetwijfeld heeft die uitbarsting destijds ook een diepen indruk gemaakt op de overblijvenden. Deze, minder gelukkig dan hunne broeders in 1883 op Java en Sumatra, waren na de ramp aan zooveel gebrek ten prooi, dat zelfs de dochter van den koning van Sangar van honger stierf. Het lot, dat den koning van Tambora trof, is, zooals Junghuhn het beschrijft, een stof, waardig een Oud-testamentisch profeet te bezielen. Evenals, volgens het bijbelverhaal, de bewoners van het dal der Jordaan eenmaal wegvloden voor den vurigen regen, vluchtte de koning van Tambora gevolgd door zijne vrouwen en kinderen, en omstuwd door zijne Rijksgrooten, die zijne schatten droegen. Een regen van gloeiende steenen daalde uit den hemel, en doodde den koning en al zijne onderdanen op één na.

De zendbrief, die in 1815 onder de inlanders even gretige lezers vond, als de brief uit Mekka in 1883 na de ramp van Krakatau, behelst, over deze episode de volgende treffende beschrijving.

"Een reizend koopman, een godvreezend Arabier, verdreef een hond, een onrein dier, uit de moskee te Tambora; de hond behoorde aan den koning. Deze liet den koopman in plaats van geiten-, hondenvleesch eten, en toen hij hoorde, dat de Arabier smadelijk van hem had gesproken, liet hij hem op den berg Tambora onder zware mishandelingen van het leven berooven. Maar daar ving de berg aan vlammen uit te braken; deze vervolgden de dienaren des Vorsten tot in de stad en Tambora met zijn koning werd door de aarde verzwolgen. Waar vroeger de stad der goddeloozen stond ankeren thans schepen op drie vademen diepte."

 

Men heeft in Indië wel eens de gewoonte het "Gouvernement" van alles de schuld te geven, wat er gebeurt. Maar ook de meest zwartgallige zal moeten toegeven, dat het Nederlandsch-Indische bestuur aan de ramp van Krakatau geen schuld had, en na de uitbarsting op waardige wijze de eer van Nederland heeft opgehouden.

Aan de ambtenaren, die het hunne hadden verloren, werd eene gratificatie van 6 maanden tractement uitgekeerd. Met beleid en energie werd in de geteisterde streken opgetreden, om de bevolking gerust te stellen, te helpen en de stoffelijke schade te vergoeden. Het beroep op de particuliere weldadigheid in Indië en Europa was trouwens niet te vergeefsch. Van alle zijden, in Indië en in Nederland, vloeiden bijdragen toe aan het "Centraal Comité!"

De vrijmetselaarsloge "de Ster in het Oosten" te Batavia nam het initiatief tot het scheppen van een fonds, om zoodoende op blijvende wijze de betrekkingen der omgekomen Europeanen te helpen.

In Nederland werden bovendien, bij wijze van watersnoodpoëzie, verschillende kunstbladen uitgegeven.

"Holland-Krakatau" verscheen met medewerking van tal van letterkundigen en teekenaars; ter gelegenheid van een fancy-fair te Amsterdam zag een polyglottisch courantje aan Krakatau gewijd het licht, waarin hartelijk gemeende woorden aan de ramp werden gewijd in allerlei talen, tot zelfs in het Hongaarsch, Spaansch en Russisch toe.

Ook de "spes patriae" wilde niet achter blijven.

Een "Gymnasiasten-Krakatau" getuigde van den goeden wil van het jonge Nederland.

Er was echter veel ellende te lenigen. De 21500 Bantammers, die verdronken waren, behoefden geen hulp meer, niet altijd echter waren geheele gezinnen uitgeroeid en de overblijvenden bezaten letterlijk niets meer. Bantam is eene der armste residenties van Java. Hongersnood, koortsepidemie, veepest en, erger dan die trits, de maatregelen tegen de veepest door een doctrinair Bestuur genomen, toen in 1880 en 1881 nagenoeg de geheele veestapel van Bantam was afgemaakt—ziedaar de wonden, waaraan Bantam bijna doodgebloed was, toen het op nieuw geteisterd werd. De dorpen zien er in Bantam over 't algemeen armoedig uit. Eene uitzondering maakten hierop de vriendelijke kampongs langs Straat Soenda. Maar de rijke, welvarende plaatsen, Anjer en Tjaringin, de bloeiende Chineesche kamp van Laboean, de volkrijke dorpen Tjerita, Tjiloerah, Pasaroenan, Sirih, Tjikining en Bodjong waren allen verdwenen. In 1892 verscheen bij dezelfde uitgever van R.A. van Sandick Leed en Lief uit Bantam, een eruptie in 240 pagina's van eigen visies op een aantal toestanden in de residentie. De eerste druk was in drie maanden uitverkocht, maar ook anti­qua­risch wordt het boek nog hoog gewaardeerd. W.F. Hermans stelt in De Raadselachtige Multatuli "dat die hele adat­kwes­tie al in 1892 of nog eerder door Van Sandick op het tapijt is gebracht". Men schatte de schade der bevolking op niet minder dan zes en een half millioen gulden. De vluchtelingen uit de verwoeste plaatsen werden gehuisvest van bestuurswege, en door particulier initiatief werd gedaan wat gedaan kon worden, om in den eersten nood leniging aan te brengen. Aan hen, die konden en wilden werken, werd betaalde arbeid verschaft. Zij werden aan het werk gezet om de overblijfselen der verwoesting op te ruimen, de lijken te begraven, de andere organische rottende zelfstandigheden te desinfecteeren of, met petroleum begoten, te verbranden. Men beoogde hiermede vooral het voorkomen van verpestende uitwasemingen.

Levensmiddelen en kleeren werden uitgedeeld. Met moeite was de bevolking langzamerhand te bewegen nieuwe dorpen te stichten op het verraderlijke strand van Straat Soenda.—Tjaringin was één poel van vuilheid, de hoofdzetel van het Bestuur werd dus naar Menes verlegd. Tegenover Poeloe Merak besloot men eene nieuwe stad te bouwen, die Nieuw-Anjer zou heeten. Het oude Anjer lag echter vrij wat geschikter voor de schepen, die van ouder tot ouder die reede aandeden, om water in te nemen. De plaats, die voor Nieuw-Anjer was uitgezocht, bleek daarentegen niet te voldoen aan den eersten eisch, dien men moet stellen aan een aanlegplaats. "Er is geen water te Nieuw-Anjer!" zoo luidde het oordeel van de scheepsgezagvoerders. En zij keerden terug naar hunne eerste liefde. Weer ankeren nu de koopvaardijschepen, die uit Nederland komen, op de reede van het verdwenen Anjer, waar zij goeden ankergrond en diep water aantreffen, zooals zij eeuwen lang deden, en in plaats van het oude Anjer, verrijst daar het dorp Bodjong.

De schoone dagen van het Anjer van voorheen keeren echter nimmer terug, want de zeilschepen uit Europa zijn verdreven door den grooten alleenheerscher, den stoom. De mailbooten echter vertoeven niet in Straat Soenda; zij gaan de reede van Anjer met minachting voorbij, en stoomen met onverminderde vaart naar de Javazee.

 

Intusschen werd Tjilegon tot hoofdplaats der afdeeling Anjer verheven. Hierop rustte echter naar het schijnt ook geen zegen. In Juli 1888 werd de Europeesche bevolking van Tjilegon vermoord door eene bende samenzweerders. De dood, in de golven van Straat Soenda tijdens de uitbarsting van Krakatau, was minder verschrikkelijk, dan de met Oostersche verfijnde wreedheid uitgevonden folteringen, die de besturende ambtenaar van de afdeeling Anjer te Tjilegon onderging, vóór hij den geest gaf onder de moordende handen der oproerlingen van Tjilegon en nadat hij het had moeten aanzien, dat zijne vrouw op de meest laaghartige wijze mishandeld, en daarna met zijne kinderen werd geslacht! In vergelijking van de wreede, lafhartige moordenaars van Tjilegon, is de vloedgolf van Krakatau, die plotseling doodde, zachtmoedig geweest.

 

Ook buiten Bantam had de zeebeving op Java belangrijke schade aangericht.

In de afdeeling Tangerang der residentie Batavia waren de strandkampongs tusschen de moeara's* Mauk en Angke weggeslagen; in de residentie Krawang waren de dorpen Pakis en Sadari, op het Noorderstrand gelegen, vernietigd. 2500 menschen waren gestorven, en er was voor 350000 gulden schade aangericht. Die plaatsen waren van uit Batavia het gemakkelijkst te bereiken en er kon dus spoedig hulp gebracht worden. Bezwaarlijker was dit echter in de Residentie der Lampongsche districten. Daar waren 90 dorpen verdwenen en 12500 menschen gedood. Maar het duurde niet minder dan tien dagen, alvorens men te Batavia eenig bericht had, behalve de door de "Loudon" medegebrachte tijding van Telok Betong's verdwijnen. Want de telegraafkabel tusschen Java en Sumatra was vernietigd, en de Semangkabaai en de Lampongbaai waren onbevaarbaar, daar ze opgepropt waren met drijvende puimsteenbergen, die daar vastzaten, en maanden lang elke communicatie te water verhinderden. Het was dus niet gemakkelijk dáár hulp te brengen, want er moest eerst eene landingsplaats gezocht worden, vrij van puimsteen, en dan was bij gebrek aan wegen het transport over land in de Lampongs vol bezwaren. Toch had Sumatra minstens evenveel behoefte aan hulp als Java.

In het Zuiden der afdeeling Kroë in de residentie Benkoelen waren slechts eenige tientallen van menschen verdronken. De vloedgolf had hier echter eene groote slachting aangericht onder de kippen, die, zooals men weet, in grooten getale door de inlanders worden aangefokt.

De bevolking bestaat hier uit visschers; een ander deel echter verzamelt boschproducten, die worden uitgevoerd. Eene hoeveelheid boschproducten, die ter verzending gereed was, ter waarde van f. 10,000, werd naar zee gesleept door de golven, terwijl er tevens voor f. 15,000 schade werd aangericht aan woningen, vischtuig en sawahs.

De residentie der Lampongsche districten was echter veel zwaarder getroffen en, zooals ik reeds zeide, zij was moeilijk te bereiken wegens de puimsteen blokkade der baaien van Zuid-Sumatra.

 

Verschillende expedities vertrokken uit Batavia om berichten in te winnen over het lot der Lampongs: men was immers in de eerste dagen na de uitbarsting te Batavia zonder eenige tijding van Sumatra.

Zoo vertrok den 3den September 1883 eene expeditie per hopperbarge "Kedirie." Het personeel bestond uit den chef, den luitenant ter zee Koster, adjudant van Z. Exc. den Gouverneur-Generaal, den stads-geneesheer Dr. Vorderman, den schout van Hagen met 10 politieoppasses en 20 dwangarbeiders. Het kommando over de "Kedirie" werd gevoerd door den gezagvoerder 't Hoen.

Het gezelschap werd spoedig vermeerderd. Eene boot met Lampongsche handelaren was de "Kedirie" tegengekomen, en de opvarenden verzochten gratis medegenomen te worden, hetgeen hun werd toegestaan op voorwaarde, dit zij bij het landen als gidsen hulp zouden bewijzen. Dit hebben zij ook trouw gedaan, en wel is het de vermelding waard, dat de leden der expeditie op hun zoo moeilijken tocht, de meeste hulp en bijstand genoten hebben juist van de hadjies, die onder de opgenomen Lampongsche handelaren waren. Men stoomde van Tandjong-Priok, de haven van Batavia, naar de Lampongbaai, en trachtte te landen, waar eens Kalianda lag. Met de stoomfluit werden herhaalde signalen gegeven om de aandacht te vestigen op de aanwezigheid van een stoomschip. Weldra snelden uit het gebergte eenige gevluchte inlanders naar het strand, die de leden der expeditie behulpzaam waren bij het aan land komen.

De hopperbarge "Kedirie" was eenige dagen geleden, den 1sten September, ook reeds te Kalianda geweest, en zij had toen de familie Beijerinck gered, wier treurig wedervaren in hoofdstuk V beschreven is.

De bevolking van Kalianda was voor 3/4 gedeelte verbrand door de gloeiende asch, verpletterd door de puimsteen of verzwolgen door de vloedgolf. De overblijvenden werden van rijst en zout voorzien, die de "Kedirie" medegebracht had, terwijl Dr. Vorderman aan de gewonden geneeskundige hulp verleende.

Het hoofddoel van de reis was echter Telok Betong.

Men scheepte zich dus weder in op de "Kedirie", en stoomde in de richting van Telok Betong. Weldra was de injectiespuit van de machine verstopt en bovendien raakte het schip vast in de puimsteenbergen, die eene laag vormden, dieper dan de diepgang van de "Kedirie". Na eene wanhopige worsteling tusschen de stoomkracht van de "Kedirie" en de puimsteenbergen, slaagde zij er in, door telkens op te stoomen zich eene geul te graven in het puimsteen, op dezelfde wijze als in Noordelijke streken in het ijs vastgevroren schepen zich uit het ijs bevrijden. Van doordringen was geen sprake! Telok Betong was over zee niet te bereiken. De "Kedirie" stoomde toen Zuidwaarts en ankerde dicht bij het dorp Gebang; aldaar werd de geheele expeditie ontscheept. Men besteedde drie volle uren om van de landingsplaats tot Gebang te komen, een afstand van slechts anderhalve kilometer. Hier werd men door het hoofd en de bevolking gastvrij ontvangen. Na den nacht te Gebang te hebben doorgebracht, ging men den volgenden morgen te voet in de richting van Telok Betong. Aldaar was de "Kedirie" ook opgemerkt, en de resident had den controleur J.G.W. Lux last gegeven het gezelschap tegemoet te gaan. Weldra ontmoette men den heer Lux, en toen ging het verder over omgeworpen boomstammen, tot het dorp Kedjadjian. Daar bleef de schout van Haagen met de meeste kettinggangers achter. De meesten van deze lieden waren door vermoeienis uitgeput, en niet in staat om verder te gaan. De heeren Koster en Vorderman zetten echter met 6 kettinggangers en 2 politieoppassers hun tocht voort naar Telok Betong. Intusschen was de avond reeds gevallen. Gelukkig ontmoetten zij aan de rivier van Telok Betong twee mannen met obors (fakkels), welke de resident had afgezonden. Ik zal niet in herhaling treden over hetgeen er te Telok Betong gebeurd was. Alleen wil ik nog mededeelen, dat de Europeesche ingezetenen nog steeds gehuisvest waren bij den resident, wiens woning, op een heuvel gelegen, een der weinige huizen was, die nog bestonden. Den volgenden dag bezocht de heer Koster de "Barouw", het stoomschip, dat drie kwartier gaans van de zee op het droge lag, in het dal der Koeripan-rivier.

Den 9den September werd de terugreis aanvaard. Aan allen, die mede wilden gaan naar Batavia, werd daartoe de gelegenheid verschaft. In het geheel gingen 10 personen mede. De meesten waren vrouwen en kinderen. De tocht geschiedde van Telok Betong te voet, alleen eenige zeer kleine kinderen werden gedragen. Het was eene moeilijke reis. Bruggen waren nergens te zien; men ging door de trouwens ondiepe, kleine kali's (rivieren) heen; nu eens langs het strand, dan weder hooger op. Overal waar de vloedgolf den weg bereikt had, was het een rizophorenwoud, omgewoelde aarde met zware boomstammen, struikgewas en steenen tot één chaos opgestapeld. De grond was modderachtig en op tallooze plekken kreeg men den stank van herten- of wilde zwijnen-krengen in den neus. Iedereen was diep onder den indruk van de afschuwelijke gebeurtenissen. De kinderen echter, niet in staat om de vreeselijke beteekenis van de verwoesting te begrijpen, waren verreweg de opgeweksten van het geheele gezelschap; zij lachten en zongen, en beschouwden de zaak klaarblijkelijk als een nieuw en zeer bijzonder pretje.

Bij al deze rampen was er echter ééne lichtzijde. Alle muskieten zijn verdelgd! In de Lampongs, ten minste in het gedeelte door de expeditie bezocht, is er geen enkele meer te bespeuren. Zijn zij door de asch gedood of door de modder? Of zijn ook zij, evenals de zeevogels van Straat Soenda door een voorgevoel gewaarschuwd, vóór de uitbarsting gevlucht?

Na een marsch van 13 paal (20 kilometer) bereikte men het dorp Kedjadjian, waar de inwoners de vluchtelingen in hunne hutten opnamen.

De heer Koster ging nu vooruit, en de expeditie, die zich natuurlijk slechts langzaam bewoog, zette zich eveneens in beweging. Toen men kwam op de plaats waar men aan land gekomen was, was de "Kedirie" verdwenen. Men vond hier gelukkig een brief van den heer Koster, die meldde, dat het aan boord gaan op die plaats eene onmogelijkheid was geworden ten gevolge van eene beweging in de puimsteenbergen, zoodat de "Kedirie" gedwongen was geworden te wijken in Zuidelijke richting. Toen werd de expeditie weer marschvaardig gemaakt. En weer ging men voorwaarts met opgezwollen en gekneusde voeten, door dalen en poelen, door rivieren en moerassen, langs het strand of over steile heuvels.

Gelukkig ontmoette men den heer Koster, die de marcheerenden te gemoet was gekomen, en door hem geleid bereikte men eindelijk de Rateh-baai, die 5 paal (8 kilometer) zuidelijker ligt dan de vorige landingsplaats. Daar lag de "Kedirie" omringd door puimsteen, die van alle kanten in de Lampongbaai dreef. Daarmede was de expeditie ten einde, en men keerde naar Batavia terug.

Ik heb deze expeditie uitvoerig beschreven, om te laten zien hoe moeilijk het was hulp te brengen op Sumatra! Te zelfder tijd werden de Lampongs bezocht door eene tweede expeditie, onder bevel der heeren Deijkerhoff en Willemsteijn met het Stoomschip "Ophir."

 

Maar het wordt tijd dat wij den toestand van de Lampongs eens ter sprake brengen.

 

De bevolking van Kalianda en Katimbang, die niet gedood was door den vloed, was deels bezweken aan de brandwonden, door de gloeiende asch veroorzaakt, en van de overblijvenden waren velen gewond door puimsteen-projectielen of half verbrand door die heete asch.

Meer peper.

De pepercultuur, waarop zich in de Lampongs de bevolking met zooveel ijver toelegt, had een zwaren slag gekregen. Honderdduizenden jonge peperranken stierven door modder en asch. De geheele koffiecultuur ging te niet. Eene ongelooflijke hoeveelheid rijst (padi) ging op de velden verloren; handel en vischvangst stonden stil, daar de zee verstopt was door puimsteen. Geen wonder, dat de bevolking moedeloos was, en dat de controleurs alle moeite hadden om hen te bewegen nieuwe kampongs te stichten aan het strand, daar, waar zij het gunstigst zouden liggen voor handel en landbouw. Na eenige maanden konden de controleurs met trots rapporteeren, dat er in de Ommelanden van Telok Betong 19, in Semangka 20 en in Katimbang 20 nieuwe dorpen gesticht waren. Telok Betong werd opgebouwd. Katimbang en Beneawang waren echter in een moeras herschapen, zoodat de zetel van het Bestuur werd verplaatst naar Kalianda en Kotta-Agoeng. Er werd later door het Bestuur op groote schaal zaai-padi (rijst) uitgedeeld. Gelukkig spoelden hevige regenbuien langzamerhand de sporen van asch en modder van de velden. Overvloedige oogsten, zooals men in jaren niet gekend had, beloonden de inlanders voor hunnen vlijt en de Lampongs hadden zich weldra weer geheel opgericht.

De Gouverneur-Generaal, de heer F. 's Jacob, bezocht met Zs. Ms. Ramtorenschip "Prins Hendrik der Nederlanden" de geteisterde streken twee maanden na de uitbarsting, ten einde zich persoonlijk op de hoogte te stellen van den toestand en te overleggen met de residenten, wat er nog gedaan kon worden voor de bevolking. Ieder deed wat hij kon, en men kan het Bestuur den lof niet onthouden van veel energie ten toon gespreid te hebben.

Toen ik echter zeide, dat de Nederlandsch-Indische regeering op waardige wijze de eer van Nederland heeft opgehouden, had ik daarbij minder het oog op hare flinke wijze van optreden in Bantam en de Lampongs, hoe lofwaardig dit ook zij.

 

Hetgeen ik bedoelde, is vervat in de voorrede van Verbeek's Krakatau.

"Grooten dank"—zegt daarin de schrijver—"ben ik verschuldigd aan de Indische Regeering voor de liberale wijze, waarop zij, geheel doordrongen van de belangrijkheid dezer gebeurtenis, mij in staat stelde het onderzoek der Krakatau-eruptie op de meest volledige wijze te verrichten, en de breede schaal, waarop zij de resultaten van dat onderzoek in twee talen openbaar maakte."

 

De dankbaarheid van den heer Verbeek tegenover de Indische regeering is volkomen gemotiveerd; het Nederlandsche volk echter is vooral dankbaar voor de keuze van de Indische regeering. De wijze, waarop de heer Verbeek zich van zijn opdracht heeft gekweten, is boven lof verheven. Hoe men in het buitenland over het werk van dezen Nederlandschen geleerde denkt, moge uit een paar citaten blijken.

Het Rapport der "Royal Society" zegt bij monde van Prof. Judd het volgende: "het Nederlandsch Indische Gouvernement was zoo gelukkig tot zijne beschikking te hebben de diensten van den uitstekenden geoloog R.D.M. Verbeek, wiens opnemingen van Java, Sumatra en van het tooneel der uitbarsting zoo algemeen bekend zijn in de wetenschappelijke wereld. Zijn werk is een "very valuable permanent record of the event."

In "Petermann's Mittheilungen" noemt de heer Emil Metzger Verbeek's werk "een sieraad voor Indië en een gedenkteeken van den arbeid van Indische ambtenaren."

In 1909 maakte de Tech­nische Hoge­school Delft, in 1906 ont­staan uit de Poly­tech­nische School waar hij had gestudeerd, Verbeek haar achtste eredoctor.

Vreemd is het zeker, dat geene der Nederlandsche universiteiten het noodig vond de verdiensten van Verbeek te erkennen, terwijl eene Duitsche universiteit—die van Breslau—hem den doctorstitel, honoris causa, verleende.

 

Z.M. de Koning benoemde in 1886 Verbeek tot Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Met innige vreugde werd die tijding in Indië vernomen en geheel Buitenzorg spoedde zich naar Verbeek's woning. Zelden viel iemand eene zoo welgemeende ovatie ten deel, als toen aan Verbeek te beurt viel van de zijde zijner medeburgers.

 

Mocht men zich vleien met de hoop, dat de uitbarsting van Krakatau het laatste woord was van de Indische vulkanen? of dat er ten minste eene periode van vulkanische kalmte zou volgen op de rampen van 1883?

Er was niet de minste reden om deze vragen toestemmend te beantwoorden. Want de uitbarsting van Krakatau, hoe vreeselijk hare gevolgen ook waren, is slechts een locaal vulkanisch verschijnsel. Al was dus ook de vulkanische werking van Krakatau voor goed uitgeput, hetgeen nog niet eens heel waarschijnlijk is, dan was er nog slechts één vulkaan te niet gegaan van de vele tientallen van vuurspuwende bergen, die alom in den Indischen Archipel verrijzen. Wij zagen trouwens reeds, dat de ongelukkige veelgeschokte Eerste punt van Java, die met haren vuurtoren op de Soendadwarsspleet staat, en reeds het mikpunt is geweest van zoovele aardbevingen, ook na de uitbarsting geen rust genoot. De aardschuivingen langs die spleet gaan dus nog altijd door, en de uitbarsting heeft hierin geene verandering gebracht. Voor de kalmte en rust van de aardkorst langs straat Soenda heeft dus de uitbarsting niet gearbeid.

Op Sumatra gingen de aardbevingen hun gang, alsof er geen Krakatau bestond. De Merapi, die tegelijk met Krakatau eene ascheruptie had vertoond, begon in December 1883 weer te werken.

Aan den voet van den Merapi ligt het plaatsje Padang-Pandjang. Toevallig bracht ik één nacht aldaar door, komende van Fort de Kock. Het was van den 28sten op den 29sten December. Terwijl alles in het vrij primitieve logement in diepe rust was, hoorde men plotseling een knal; hierop volgden eenige aardbevingen, die alles behalve geruststellend waren.

"Blijf toch gerust t'huis," zeide de lakonische logementhouder tot zijne logé's, "dit beteekend niets, het is slechts een prop, die uit den Merapi vliegt."

De man had gelijk, het was niets. Maar wie kon zeggen of eene knal en aardbeving vlak bij den werkenden Merapi niet het begin was van eene ramp zonder weerga!

Waarom ik deze onbeteekenende feiten mededeel vraagt gij wellicht?

 

De ongeoefende soldaat heeft angst voor het vijandelijk vuur. Heeft hij echter den vuurdoop doorstaan, dan gaat hij met opgeheven hoofd in het gevecht, het gevoel van angst bestaat niet meer voor hem.

 

Het omgekeerde heeft plaats bij den mensch tegenover het vulkanisme der aarde.

De ongelukkige, die den vuurdoop van eene vulkanische uitbarsting heeft ondergaan, kent daarna eerst den waren angst voor bewegingen der aardkorst en onderaardsche rommelingen. In elk abnormaal geluid, in elke aardschudding ziet hij den voorbode van eene hevige vulkanische gebeurtenis, terwijl de nieuweling zich alleen daarover verbaast, dat eene aardbeving hem zoo kalm laat. De eer van ooggetuige te zijn geweest van de uitbarsting van Krakatau was gekocht ten koste van de gemoedsrust! Want erger nog dan het gevoel van levensgevaar tijdens de uitbarsting, is de vrees voor onbekende, dreigende gebeurtenissen, die elke aardschudding onwederstaanbaar opwekt. Zoo zal de nacht te Padang-Pandjang doorgebracht, toen ik elk oogenblik de uitbarsting van den Merapi verwachtte, mij niet licht uit de herinnering gaan...

Elke indruk, zelfs de hevigste, stompt af met den tijd. Weldra komt ook de verloren gemoedsrust weder terug tegenover de wereld van Vulcaan. Ten slotte eindigt men, waar men begonnen is: de lichte manifestatiën van het vulkanisme, die ge zoo menigmaal ondervindt, laten u even koud, als toen ge nooit eene uitbarsting hadt bijgewoond.

Ge denkt er zelden aan, dat er op Java vijftig vulkanen zijn en dat Sumatra door zeventig vuurspuwende bergen onveilig wordt gemaakt, terwijl bovendien elk vulkanisch eilandje in den Archipel eene herhaling van het treurspel van Krakatau zou kunnen opvoeren.

Trouwens waarheen zoudt ge kunnen vluchten? Als ge den eenen vulkaan ontvlucht, nadert ge den anderen. Want op Java en Sumatra liggen zij nog geen vier uren gaans van elkaar.

Tenzij gij Nederlandsch Indië verlaat, blijft ge overal in de macht van Vulcaan.

Wellicht is de terugkeer naar Nederland nog voor u weggelegd. De vlakke alluviaalstreken van het vaderland zijn zeker wel het rustigste plekje van den geheelen aardbol. Ge mist Insulinde's blauwe bergen, maar ge kunt u troosten met de gedachte, dat ge hier nimmer geplaagd zult worden door aardbevingen of uitbarstingen.


Noten

  1. Riviermonden.