In het Rijk van Vulcaan
R.A. van Sandick,
1890.

HOOFDSTUK IV.Aan boord van de “Gouverneur-Generaal Loudon”, tijdens de groote uitbarsting.

Ambtenaren en particulieren. - "Overplaatsing" bij wijze van koudwaterstraal. - De passagiers op eene lndische boot. - Zr. Ms. troepen. - De bannelingen. - Vertrek van de "Loudon" 26 Aug. 1883. - Bestemming van de "Loudon". - Aankomst te Anjer. - De koelies voor het eiland Bodjo bestemd. - Langs Krakatau. - De rookwolk. - Op de reede te Telok Betong. - De branding op de kust verhinderde de communicatie. - Vergaan der inlandsche prauwen gedurende den nacht. - 27 Augustus te half zeven verdwijnt Telok Betong door de zeebeving. - Vergeefsche pogingen om uit de Lampongbaai te komen. - De duisternis. - Modderregen. - Puimsteenbombardement. - Vliegende orkaan. - Inslaan van den bliksem. - Vuurbollen. - St. Elmsvuur. - La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah. - Hulde aan onzen gezagvoerder Lindeman. - Vergaat de wereld?
Op de "Loudon" den 28sten Augustus. - Licht! - De puimsteenvelden bij Poeloe Tiga. - De weg versperd. - Dwars door het drijvende puimsteeneiland in Straat Lagoendie. - Gered. - Wat er op het zoutschip "Marie" gebeurde. - De "Barouw". - Het lot van Telok Betong. - Puimsteenvelden gelijk ijsbergen.
De gloeiende aschregen en het puimsteenbombardement van Katimbang. - De modderregen, eene verademing. - De redding van den controleur van Katimbang. - Het lot van Pajoeng Semangka. - Beneawang. - De vuurtoren aan de Blimbingbaai. - 12500 slachtoffers op Sumatra.

Er zijn onder de talrijke personen, die in Indië eene betrekking bekleeden in dienst van het Nederlandsch-Indische Gouvernement, velen, die met eene bijzondere soort van trots, vol genoegzaamheid, zoo gaarne tegenover particulieren zeggen: "mijnheer ik ben ambtenaar." Ge hebt inderdaad als ambtenaar veel voor. Zijt ge ziek, dan gaat ge op 's lands kosten met verlof naar "boven", en als dat niet helpt voor twee of drie jaren naar patria. Hebt ge het noodige aantal dienstjaren, dan wacht u een kalme oude dag als gepensioneerd hoofdambtenaar in het Haagje, of, als ge het al niet zóóver gebracht hebt, dan kunt ge allicht te Apeldoorn, Lochem of Doesburg van een klein pensioentje fatsoenlijk leven.
De Zuidwestkust van Sumatra.
Daarbij hebt ge oneindig minder te doen dan een particulier; en ge moet het al heel bont maken voor men u uit 's lands dienst ontslaat; terwijl een employé op eene onderneming bij een klein verschil van gevoelen met zijn chef zijn ontslag te gemoet kan zien. Daarbij kunt ge u van tijd tot tijd het genoegen gunnen om in uwe gesprekken te laten doorschemeren, dat alléén ambtenaren op Java thuis behooren, terwijl immers in uw oog al die koffie- en tabaksboeren, die suikerfabrikanten en kooplieden slechts geduld worden. . . . .

Maar opdat ge niet al te overmoedig zoudt worden ten gevolge van uwe schoone positie als ambtenaar overgiet het vaderlijke Nederlandsch Indische Gouvernement u van tijd tot tijd met eene koudwaterstraal. Die koudwaterstraal is steeds op u gericht en ge ontvangt haar als ge er het minst om denkt. Zij draagt den naam van overplaatsing.

De overplaatsing is het geliefkoosde middel, dat wordt toegepast om jonge ambtenaren te temmen, die wat onafhankelijk durven zijn in hunne denkbeelden tegenover hunne chefs. Ge zijt met ontzaglijk veel moeite in uwe omgeving thuis geraakt, ge hebt u op de volkstaal toegelegd; ge hebt van lieverlede uwe bescheiden woning gezellig gemaakt door nette meubelen te koopen. Ge verheugt u in het bezit van een goed rijpaard; ge hebt eindelijk eens goede bedienden; ge zijt intiem geworden met goede menschen.

Hecht u niet te veel aan dat alles. Plotseling komt er een dienstbrief voor u uit Batavia. Ge zijt overgeplaatst naar Sumatra's Westkust met last om per eerste scheepsgelegenheid uwe bestemming te volgen. Daar stort het geheele kaartenhuis in elkaar! De controle-afdeeling, die u zoo ter harte ging, als ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur; de sluis, die een deel van uw leven was geworden, en waarvan ge, als ingenieur van den waterstaat, de fundeering juist gereed had: alles wat u op de een of andere wijze dierbaar was geworden in het vreemde land, blijft achter. Na eene haastige vendutie, die u nagenoeg rĂ¼ineert, hebt ge spoedig de een of andere haven bereikt, die door de booten der Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij wordt aangedaan, en weldra zijt ge op eene stoomboot gezeten, die u naar Batavia voert, om daar zoo spoedig mogelijk verder te worden geëxpedieerd.

Zijt ge eenigen tijd in Indië dan zult ge allicht een trouw lezer zijn van de passagierslijsten der vertrekkende en aankomende booten, die ge in elke courant aantreft. Met een zekere "Schadenfreude" ontwaart ge, dat ge niet de eenige zijt in het leger der ambtelijke wereld, die van tijd tot tijd in 's lands belang eene kolossale parabool beschrijft door den slingerenden smaragdgordel, om plotseling in geheel vreemde omgeving, in nieuwe toestanden en nieuwen werkkring verplaatst te zijn.

Maar wie van uwe bekenden ge ook in de passagierslijst zoekt, steeds zult ge, nadat de trekvogels eerste klasse zijn opgenoemd, de volgende formule aantreffen: Verdere passagiers: Zr. Ms. troepen, bannelingen, Arabieren, Chineezen en inlanders. Zulk een boot biedt dan ook een merkwaardig schouwspel aan. Op het voorschip krioelt een bont mengelmoes van alle mogelijke menschenrassen door elkander. Onder Zijner Majesteits troepen vooral zijn vertegenwoordigers van allerlei natiën. In de Europeesche compagniën bestaat de meerderheid uit Nederlanders, maar er zijn bovendien Duitschers, Franschen, Belgen en Italianen bij. Die vreemdelingen zijn menigmaal oude soldaten, veteranen uit de oorlogen, die de Europeesche mogendheden in onzen tijd gevoerd hebben, wier borst versierd is met de herinneringsmedailles aan gemaakte veldtochten. Deze draagt het ijzeren kruis, gene het teeken, dat hij onder de Fransche vanen in Tonkin streed. Onder de niet-Europeesche militairen treffen wij Amboineezen, Javanen, Madoereezen en Alfoeren aan, terwijl er wellicht nog een enkele neger aanwezig is. Deze negers vormden vroeger de Afrikaansche compagnieën; zij hadden den naam van goede soldaten te zijn, hoewel zij woest en bloeddorstig waren. Zij zijn nog steeds een voorwerp van schrik en bewondering bij de inlanders, die hen "orang blanda hitam" - zwarte Hollanders noemen.

De meeste inlandsche militairen zijn gehuwd; de Europeesche soldaten hebben meestal huishoudsters. Deze vrouwen vergezellen hunne mannen aan boord.

De "bannelingen" zijn personen, die tot dwangarbeid in en buiten den ketting veroordeeld zijn. In de wandeling heeten zij "kettingjongens", en vooral in de buitenbezittingen bewijzen zij onbetaalbare diensten bij militaire expeditiën en bij de uitvoering van openbare werken.

Het is niet vereerend voor Zr. Ms. troepen, dat zij zoo in eenen adem genoemd worden met de "bannelingen". Sommige redactiën plaatsen ten minste nog een kommapunt tusschen "troepen" en "bannelingen". Maar ook aan boord worden zij helaas vrij wel over een kam geschoren, wat betreft hunne ligging enz.

---


Meer over gouverneur-generaal James Loudon (1824-1900).

Den 26sten Augustus 1883 vertrok de stoomer "Gouverneur-Generaal Loudon", gezagvoerder Lindeman, des morgens van de reede van Batavia met bestemming naar de havens van Sumatra: Telok Betong, Kroë, Benkoelen, Padang en Atjeh.

Onder de passagiers waren alle categorieën vertegenwoordigd. Er waren Europeesche en inlandsche militairen ter aanvulling der garnizoenen op Sumatra's Westkust en Atjeh. De meerderheid echter vormden 800 bannelingen die bestemd waren voor het dwangarbeiderkwartier te Padang.

Het weder was schoon, er was niet de minste wind, de zee was blauw, de talrijke eilandjes in de Javazee staken vroolijk met hunne groene boomen uit boven den nauwlijks gerimpelden waterspiegel.


Meer over Anjer, op oude kaarten.

Des namiddags te drie ure ankerde de "Loudon" op de reede van Anjer. De Witgepleisterde huizen van Anjer glinsterden in den zonneschijn vlak aan zee; op den achtergrond het donker groene gebergte en daar voor de diep blauwe zee. Helder stak de vuurtoren van Java's Vierde punt tegen de lucht af. Vroolijk wapperde de Nederlandsche vlag op het erf van den assistent-resident. De Chineesche en inlandsche kampongs zijn vlak aan zee gelegen. Het Chineesche kamp heeft het eigenaardige karakter, dat alle Chineesche nederzettingen, in welk werelddeel dan ook eigen is. De inlandsche woningen zijn van hout of bamboe opgetrokken, de muren bestaan uit gevlochten bamboematten, en in plaats van pannen bedekt men ze met gedroogde planten, die eene lichte en ondoordringbare dakbedekking vormen, welke "atap" genoemd wordt.

Onwillekeurig dwalen de gedachten terug naar de eerste aankomst uit Europa in Indië. Anjer is dan de eerste plaats, die u van verre een welkomstgroet brengt.....

Hij, die aan boord van de "Loudon" op de reede van Anjer zou hebben beweerd, dat de laatste dag van Anjer's bestaan reeds was aangebroken, zou zeker als krankzinnig beschouwd zijn.

Te Anjer nemen wij een honderdtal Bantammers aan boord met eenige vrouwen en kinderen. De mannen zijn aangeworven als koelies voor den bouw van een vuurtoren op het eiland Bodjo.

---

Toen onze koelies aan boord waren, zette de "Loudon" koers, langs Dwars-in-den-Weg en Varkenshoek, de Lampongbaai in naar Telok Betong. Aan bakboord konden wij in de verte een blik werpen op het eiland Krakatau, hetgeen reeds beroemd geworden was door zijne eerste vulkanische uitbarsting in Mei.

Krakatau is een oude bekende van de "Loudon". Toen er na die eerste uitbarsting een pleiziertochtje werd gemaakt, ten einde den vulkaan te gaan bezien, bracht de "Loudon" de passagiers ad f 25 naar het eiland. De vulkaan op Krakatau schonk ons nu gratis eene voorstelling.

Hoewel wij ver van het eiland af waren, zagen wij eene zwarte, hooge rookkolom boven het eiland uitsteken, die zich omhoog verbreedde tot eene wolk. Ook viel er aanhoudend asch. Des avonds te 7 ure waren wij in de Lampongbaai op de reede van Telok Betong, waar geankerd werd.

De nacht viel weldra in, en men kon daarom niet duidelijk onderscheiden wat er gebeurde. De aschregen nam toe en de zee werd onstuimig. De "Loudon" seinde naar den wal om eene sloep, ten einde de passagiers te landen, maar er kwam geene sloep en evenmin verschenen er laadprauwen, die anders onmiddellijk na de aankomst van eene stoomboot komen opdagen. De "Loudon" streek zelf eene sloep om zich met den wal in verbinding te stellen. Het was echter niet mogelijk om te landen, daar er hooge branding op de kust stond, zoodat de sloep weder onverrichter zake terug kwam. Het havenlicht op den lichtopstand aan het uiteinde van den havendam bleef den geheelen nacht branden, doch er scheen wel iets bijzonders te zijn, daar nu en dan alarmseinen werden vernomen van de op de reede liggende prauwen; het was echter onmogelijk hun hulp te verschaffen, daar het duister was en vooral wegens de zware zeeën.

Eindelijk ging de zon van den 27sten Augustus op, en begon de duisternis te wijken. Toen het licht werd, zagen wij Telok Betong, de hoofdstad der Lampongs, voor ons. Terwijl geheel Anjer vlak aan zee ligt zijn te Telok Betong de benting met het militair kampement, de residentswoning en de gevangenis verder van de kust op eene hoogte gebouwd van 34 Meter hoogte. Maar het overige gedeelte van Telok Betong ligt vlak aan zee, als 't ware op het strand. Men onderscheidde daar de Europeesche huizen, waarvan sommige met pannen, andere met atap gedekt zijn, en de inlandsche woningen, die op Sumatra in bouw geheel afwijken van de Javaansche huizen, die men te Anjer ziet.

Telok Betong lag van boord af gezien, zeer schilderachtig tegen den sterk begroeiden groenen achtergrond van het Lampongsche gebergte. Wij hadden den vorigen avond behalve eenige prauwen, de gouvernements-stoomer "Barouw" en een zeilschip de "Marie" op de reede zien liggen. Deze schepen, met uitzondering van de "Marie", hadden gedurende den nacht allen schipbreuk geleden en waren op het strand geslagen. Hoe dikwijls ook de "Loudon" naar den wal seinde om een sloep, er kwam geen antwoord en geen levende ziel was te zien op het strand. Het licht op den havendam bleef ondertusschen steeds branden. Niemand doofde het uit, hoewel de zon reeds boven de huizen was.

In plaats van asch regende het intusschen kleine stukjes puimsteen.

Te half zeven kwam er plotseling een reusachtige golf uit zee opzetten, waar men letterlijk tegen aan zag en die zich met groote snelheid bewoog. De "Loudon" stoomde op, zoodanig dat zij de golf langscheeps kreeg. Eén oogenblik... en daar had de golf ons bereikt. Het schip maakte eene ontzettende duikeling, doch de golf was voorbij, en de "Loudon" gered. De golf bereikte nu Telok Betong en liep landwaarts in. Achtereenvolgens kwamen er nog drie dergelijke kolossale golven. Door niets gestuit verwoestte zij voor onze oogen geheel Telok Betong. Men zag den lichtopstand omvallen, de huizen verdwijnen; en alles was voor onze oogen zee geworden op de plaats waar nog eenige minuten geleden Telok Betong aan het strand had gelegen.

Het zeilschip "Marie" wordt overdwars op het land geworpen. De stoomer "Barouw" wordt opgenomen van het strand, en van af de "Loudon" zien wij, dat zij blijft zitten, schijnbaar ter hoogte van de klapperboomen. De inlandsche huizen, die op Sumatra gebouwd zijn op stijlen, die gewoonlijk los op stukken natuurlijke steen rusten, zoodanig dat er onder den vloer ongeveer een meter vrij is, zijn een gemakkelijke prooi voor de golf, die hen opneemt en omwerpt. Maar de steenen gebouwen der Hollanders ondergaan hetzelfde lot; afgescheurd van hunne fondamenten verdwijnen zij in de zee.

Het indrukwekkende van dit schouwspel is moeilijk te beschrijven. Het onverwachte van hetgeen men aanschouwt en de reusachtige afmetingen van de verwoesting, die men voor zijne oogen ziet aanrichten, maakt, dat men zich moeilijk rekenschap kan geven van hetgeen men aanschouwt. Men kan het wellicht nog het best vergelijken met eene plotseling verandering van decoratief, die in feëeraën geschiedt door den tooverstaf eener fee - maar op een kolossale schaal en met het bewustzijn, dat het werkelijkheid is, wat men ziet, dat er duizenden menschen zijn omgekomen in een ondeelbaar oogenblik, dat er eene verwoesting zonder weerga is aangericht - en dat de waarnemer zich in dreigend levensgevaar bevindt. Als men al deze dingen samenvat, kan men wellicht den indruk wedergeven, dien zulk een natuurtooneel maakt, maar men blijft nog beneden de werkelijkheid.

Zoo had dan de "Loudon" eene vloedgolf doorstaan, die Telok Betong verwoest had. Waren alle aanwezigen op de "Loudon" aan levensgevaar blootgesteld geweest, zeker in de eerste plaats de passagiers, die voor Telok Betong bestemd waren, doch die, doordat er geen verkeer met den wal te verkrijgen was, niet geland waren. Gewoonlijk doet de zoogenaamde "Westboot" van Batavia naar Atjeh, Anjer niet aan. Bij uitzondering was de "Loudon" naar Anjer gestoomd, omdat aldaar de koelies aan boord zouden komen, bestemd voor het eiland Bodjo. De "Loudon" op de reede van Telok Betong aangekomen, er zou dan zeker nog verkeer met den wal geweest zijn, de passagiers zouden geland zijn en wat zou hun lot geworden zijn?

Daar het post- en telegraafkantoor te Telok Betong ook verdwenen was, zou het wellicht lang duren, voordat men op Java tijding had van de ramp, die Telok Betong getroffen had.

De gezagvoerder Lindeman besloot dus naar Anjer terug te varen, ten einde aldaar te rapporteeren, daar hij een langer verblijf op de reede bovendien gevaarlijk achtte. Wij gingen dus denzelfden weg terug, dien wij gegaan waren in plaats van door te gaan in de richting van Kroë.

Iedereen aan boord van de "Loudon" was geheel onder den indruk van de verwoesting van Telok Betong, die zoo plotseling geschied was. Zouden al de inwoners verdronken zijn? Ziedaar eene vraag, waarop wij geen antwoord konden geven.



Kapitein Johan Lindeman volgens acteur Darrell D'Silva in de Discovery-film Krakatoa:Volcano of Destruction uit 2006.

Wij stoomden intusschen op. Dit gebeurde echter onder protest van een der passagiers, een officier der infanterie, die aan boord was gekomen met bestemming naar Telok Betong. Zijn marschorder toch luidde, dat hij zich had te begeven naar Telok Betong en hij eischte van den gezagvoerder, dat deze hem te Telok Betong aan wal zou zetten, al was die plaats dan ook verwoest. De Heer Lindeman weigerde echter aan zijn verlangen te voldoen.

---

Weldra hadden wij de reede van Telok Betong uit het oog verloren en wij hoopten spoedig uit de Lampongbaai te zijn. Maar zoo gemakkelijk zouden wij er niet af komen. Te acht ure begon het daglicht te verminderen. Het werd hoe langer hoe duisterder, zoodat reeds om 10 ure des morgens eene Egyptische duisternis heerschte. Deze duisternis was volslagen. Meestal toch, zelfs in een donkeren nacht, kan men nog eenige omtrekken b. v. van witte voorwerpen onderscheiden. Doch hier heerschte eene volkomen afwezigheid van licht. De zon klom hooger en hooger; om 12 uur stond zij in het zenith, doch geene harer stralen bereikte ons. En dat die duisternis zich uitbreidde over eene groote uitgestrektheid, blijkt daaruit, dat, hoewel de zon boven onze hoofden stond, niet de minste verlichting aan den hemel, niet het minste spoor van diffuus licht aan de kim te zien was. Overal de dichte nachtelijke sluier! Overal een hemel zonder sterren! En deze afschuwelijke nacht duurde achttien uren!

---

Het spreekt van zelf dat de "Loudon" gedurende dezen poolnacht in de baai moest blijven "overwinteren." Wij ankerden dus reeds te 10 uur nabij het kleine eiland Tegal. Het was toen reeds niet mogelijk verder te gaan, niet alleen wegens de volslagen duisternis maar ook door den steeds in kracht toenemenden asch-en puimsteenregen, ten gevolge waarvan het scheeps-kompas allerlei afwijkingen vertoonde.

---

De volgende oogenblikken, lezer, overtreffen in ijselijkheid, alles wat men zich denken kan. De taal heeft geene uitdrukkingen om naar behooren weder te geven, wat wij hebben ondervonden.

---

De asch- en puimsteenregen werd vervangen door een dichten regen van modder, die al spoedig het dek met eene compacte laag bedekte. Die modder drong overal in en was vooral hinderlijk voor de bemanning, wier oogen, ooren, neus, letterlijk verstopt werden met deze afschuwelijke, kwalijk riekende zelfstandigheid.

Nu en dan viel er weer asch, dan weder was het of het schip gebombardeerd werd met stukken puimsteen.

De ademhaling werd bemoeilijkt door de asch, modder en puimsteendeelen, het was alsof de dampkringslucht zelve eene wijziging had ondergaan. Eene helsche lucht van zwavelzuur verspreidde zich. Sommigen gevoelden suizingen in de ooren, anderen een gevoel van drukking op de borst en slaperigheid. Het was alsof de lucht loodzwaar op ons drukte. Kortom, ik geloof, dat als deze toestand langen tijd geduurd had, wij allen door verstikking zouden zijn gestorven.

Doch dat alles was slechts het begin van onze ellende. Vrij wat erger verschrikkingen waren voor ons weggelegd!

Nadat de duisternis eenigen tijd geduurd had werd de zee onstuimig. De wind stak hevig op en groeide aan tot een vliegenden orkaan. Reusachtige golven, ware zeebevingen volgden elkaar met snelheid op. Die golven openbaarden zich door hooge zeeën, die plotseling opkwamen.

Eenige daarvan kreeg de "Louden" dwarsscheeps, zoodat zij werd opgenomen en zoodanig op zij helde, dat het gevaar dreigde, dat zij zou kantelen. Het schip maakte dan hevige slingeringen, zoodat alles door elkaar rolde en men zich verbeeldde in de golf van Biscaije te zijn tijdens een storm. Die hooge zeeën kwamen zeker overeen met de golven, die voor onze oogen Telok Betong verwoest hadden, maar niemand zag ze aankomen of kon hunne hoogte schatten, want de duisternis bleef steeds even dicht. Onze wakkere gezagvoerder Lindeman verloor echter geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest. De reddingsbooten werden gereed gehouden om ze te strijken als het schip zou kantelen.

Van tijd tot tijd maakten felle bliksemstralen voor een ondeelbaar oogenblik een einde aan de duisternis. Die bliksemstralen troffen soms den mast met een vreeselijk, demonisch geluid en vonden dan hun weg langs den bliksemafleider. Op zulk een oogenblik was plotseling alles helder verlicht, en men zag, dat alles, het tuig, het dek, de bemanning aschgrauw van tint was geworden door den modderregen, zoodat men onwillekeurig aan een spookschip dacht. De brandspuiten stonden gereed, daar de gezagvoerder vreesde, dat het schip in brand zou vliegen door den bliksem. Het is bepaald te verwonderen, dat dit niet gebeurd is, evenals het mij nog verbaast, dat de "Loudon" dergelijke zeeën heeft kunnen doorstaan. Steeds was er stoom op en stoomde zij langzaam achter de beide ankers aan, daar Lindeman vreesde dat het schip driftig zou worden.

Behalve bliksem en donder werden er nog andere electrische verschijnselen opgemerkt. Vuurbollen werden gezien op het schip, die zich met groote snelheid bewogen en in het water verdwenen.
Meer over St. Elmsvuur.
Op de uitstekende punten van mast, stangen en ra's vertoonden zich blauwachtige vlammetjes. De inlanders hebben het bijgeloof, dat dit St. Elmsvuur de voorbode is van het vergaan van het schip. Vandaar dat, zoo spoedig zich een vlammetje vertoonde, al was het ook hoog in het tuig, de inlandsche matrozen in het want klouterden om het uit te dooven en deze ongeluksbode te verdrijven. Hoewel de modderregen het touwwerk glibberig had gemaakt, en ondanks het gevaar bij de ontzettende slingeringen, die het schip maakte, vlogen zij naar boven en sloegen op die vlammen, in hunne oogen ware fakkels van de hel. Maar tot hunne wanhoop slaagden zij er niet in ze uit te dooven; en als zij dachten, dat zij er hier een hadden uitgebluscht dan ontstonden er ginds weder nieuwe; zij doofden niet uit, maar veranderden alleen van plaats.

0, ik verzeker u, lezer, de uren kan men nimmer vergeten, die men aldus doorleeft.

Na elke golf heerschte er stilte en kalmte in de zee. Soms hield dan ook de modderregen op, de "Loudon" was dan geheel in rust. Maar deze kalmte was nog onrustbarender dan de orkaan. Men hoorde dan aanhoudend het hulpgeschrei van de kettingjongens en koelies in het voorschip. Zij toch waren zonder bedekking blootgesteld aan weer en wind. Kalm en gelaten, met de berusting, die de Mohammedaansche godsdienst hun schonk, droegen zij hun lot, en in de oogenblikken van verpoozing, die de golven en de orkaan ons schonken, weerklonk machtig en breed uit hun aller mond over de wateren van de Lampongbaai het vurige gebed tot den God van den Islam, zonder wiens wil geen hunner eenig letsel zal bekomen.
Meer over Shahada, de eerste pijler van de islam, de geloofs­ge­tuigenis.
Met kinderlijk vertrouwen zongen zij allen onophoudelijk in een bepaalden ryhthmus: La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah. Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet.

---

Ons schip bleef aanhoudend onder stoom; het was echter te vreezen, dat de machine haar dienst zou weigeren, omdat de modder in alles doordrong.

---

Hulde aan den kok, die ondanks alle zeebevingen, er toch in geslaagd is om eten te koken. Natuurlijk had alles de "couleur locale", dat wil zeggen, dat de spijzen niet geheel vrij waren van asch, modder en puimsteen maar toch, er was iets te eten.

Maar het middagmaal is niet vroolijk, want de golven zijn nog niet bedaard. Het schip slingert sterk, en men hoort steeds het eentonige geluid van de modder en de puimsteen, die op het dek boven onze hoofden neervalt. Het was daarenboven alles behalve frisch in de kajuit, waar wij waren opgesloten. Alle openingen waren zoogoed mogelijk toegestopt, ten einde de modder zooveel mogelijk te weren. Sommige passagiers waren tengevolge van de afgrijselijke bewegingen van de "Loudon" in hooge mate zeeziek. Zij gevoelden zich tengevolge van dien zóó ellendig, dat er in hunne gedachten geen plaats was voor het dreigende gevaar, waarin zij verkeerden.

---

Niemand begreep goed, wat er eigenlijk gebeurde Het vergaan van Telok Betong voor onze oogen, de helsche duisternis op het midden van den dag, de electrische verschijnselen, de zeebevingen, de modderregen, de toestand van de atmosfeer; dit alles was te veel vreemds op eens om naar eene verklaring te zoeken. Ik geloof niet dat iemand vermoedde, dat Krakatau, het doelwit der vroegere pic-nic van de "Loudon", de schuld van alles was.

Onze dappere Lindeman week geen oogenblik van zijn post, evenmin als de scheeps-officieren onder zijne bevelen. Hoewel zij bijna verblind en verdoofd waren door de modder, bleven zij op het dek, en verschenen alleen van tijd tot tijd in de kajuit om ons gerust te stellen en ons mede te deelen, dat het gevaar geweken was. Maar nauwelijks hadden zij uitgesproken of er gebeurde iets vreemds, dat hunne woorden logenstrafte en dan stormden zij uit de kajuit naar hunnen post - in het gevaar.

Lindeman was een echte zeerot; hij had, zooals men het noemt, "heel wat bijgewoond." Maar ook hij wist, evenmin als wij, welk natuurverschijnsel er plaats greep.

"Ik dacht werkelijk, dat de wereld verging", zeide hij later, toen wij nog eens de gebeurtenissen van die vreeselijke uren bespraken.

---

Zelden is de morgenstond met meer vreugde begroet, dan aan boord van de "Loudon" op den 28sten Augustus. Des nachts te vier ure, toen wij volle achttien uren in de duisternis hadden doorgebracht, wordt er aan de kim eenig flauw licht waargenomen; een schijntje van de maan breekt door en de lucht is minder drukkend. Er valt nog wel puimsteen en ook de aschregen begint weder, maar het "Oog van den dag" - "Mati hari" - zooals men in 't Maleisch zegt, hebben wij weder terug. Het wordt lichter en lichter: er is dus kans om die ongelukkige baai te verlaten.

De Sumatra-wal is dichtbij. De kust ziet er hier allertreurigst uit: alles is kaal; de boomen zijn door het gewicht van asch en modder omgevallen of door de golven der zeebeving medegenomen. De zee is overal bedekt met drijfhout en puimsteen. In de verte, in de richting van Poeloe Tiga, is de ingang van de Lampongbaai geheel afgesloten door groote opeenhoopingen van puimsteen, die eilanden vormen, welke boven de zee als riffen of klippen uitsteken, en die eene aaneengesloten verbinding schijnen te vormen tusschen Poeloe Tiga, Seboekoe en den vasten wal. Deze eilanden van puimsteen drijven als ijsbergen, zij vereenigen zich met elkaar en worden grooter, want de zeestroomingen zijn nog steeds sterk en voeren steeds puimsteen aan. Maar ondanks die drijvende puimsteenbergen moeten wij, het koste wat het wil, de Lampongbaai uit.

Daar het vaarwater in Straat Lagoendie tusschen het eiland Lagoendie en den Sumatrawal betrekkelijk open was, werd er koers gezet in die richting.

Ongelukkig ontdekken wij dat de uitgang van die straat eveneens gesloten is door een groot drijvend puimsteeneiland, dat ongeveer twee meter dik is en den weg geheel verspert.

Maar de "Loudon" moest tot elken prijs uit de Lampongbaai en zij stoomde dus dapper op het puimsteeneiland in. En het eiland opende zich en liet de "Loudon" door, terwijl de puimsteen zich achter liet schip weder sloot - zoo voeren wij dwars door het eiland henen. Wel geraakte de vangpijp van de machine verstopt, maar gelukkig waren wij reeds door het eiland gevaren, in open zee en gered.

---

Wat ziet de "Loudon" er uit! Geen baggermolen kan zoo vuil en smerig zijn. Alles zit vol vieze, stinkende modder. Alle losse voorwerpen op het dek zijn verdwenen, de stijlen, die de zonnetenten dragen, zijn midden doorgeknapt; de hut van den gezagvoerder is gevuld met modder. Als de boot een jaar of tien geleden was gezonken en nu geJicht, zou zij er wellicht niet zoo walgelijk hebben uitgezien. Het is een tafereel, de pen van Zola waardig. Behalve het scheepsvolk helpen ook de militairen, de Bantamsche koelies en de dwangarbeiders om het dek te wasschen en de modder te verwijderen, die letterlijk overal is ingedrongen. Het duurde echter een paar dagen voor de "Loudon" er weer toonbaar uitzag.

---

Wij verlaten thans voor eenige oogenblikken de "Loudon" en keeren nog eens terug naar de reede van Telok Betong. Behalve de "Loudon" bevonden zich aldaar tijdens de verwoesting van deze stad nog twee schepen: het zeilschip "Marie" en het stoomschip "Barouw". Deze schepen lagen dichter bij Telok Betong dan de "Loudon." Zooals reeds vermeld is werden zij beiden door de vloedgolf medegenomen, die voor onze oogen Telok Betong had vernietigd en toen het water was afgetrokken, zagen wij de "Marie" dwars op het strand liggen, terwijl de "Barouw" veel hooger op de kust bleef vast zitten.

---

De lotgevallen van de "Marie" grenzen aan het wonderbaarlijke. De "Marie" was een zeilvaartuig in dienst van de firma Landberg en Co. te Batavia, de aannemers van het transport van gouvernements-zout van zoutverkooppakhuizen.

De kapitein was afwezig, zoodat de eerste stuurman, de heer K. P. Stokhuijzen, als gezagvoerder fungeerde. Op den avond van den 26 Augustus, toen wij van de "Loudon" de "Marie" zagen liggen, had zij even als wij voortdurend te kampen met zware zeëen. Vele prauwen sloegen van hun anker en botsten tegen de "Marie" aan, of werden op den wal verbrijzeld; op de "Marie" werden nog tien schipbreukelingen van verongelukte prauwen opgevischt.

Toen de heer Stokhuijzen den volgenden morgen de hooge golf zag aankomen, die Telok Betong zou vernietigen, liet hij alle luiken en gaten dicht spijkeren. Hij was daar juist mede gereed toen de vloedgolf de "Marie" bereikte. Toen werd de "Marie" op zijde op het strand geworpen en toen de "Loudon" wegstoomde, zagen wij haar liggen.

Ik kan niet nalaten hier de eigen woorden van den heer Stokhuijzen aan te halen, waarmede hij zoo eenvoudig en onopgesmukt het verder wedervaren van de "Marie" verhaalt in een brief aan zijne betrekkingen.

"Het schip hield de zware zeëen goddank goed uit, maar het werd op het strand geworpen, zoodat ik bij het afloopen van het water droogvoets om het schip kon loopen. Terstond daarop belegde ik scheepsraad, waarin de equipage verklaarde niet langer aan boord te willen blijven, omdat wanneer wij nogmaals zulke zeeën kregen, het schip groot gevaar liep geheel verbrijzeld of ten onderste boven geslagen te worden. Ik gaf hun verlof het schip te verlaten, doch zelf besloot ik het mij toevertrouwde schip niet te verlaten, en dus aan boord te blijven.

Daarop verliet de equipage het schip, maar een gedeelte bereikte slechts den wal en de anderen kwamen met veel moeite weder aan boord terug, zoodat ik weder 8 mannen en 3 vrouwen aan boord had.

Tegen 10 uren zag ik weder drie zware zeeën aankomen en dacht nu dat mijn levensloop gesloten was, want het schip lag op het strand en daarbij dwars, zoodat de aanrollende golven met volle kracht op het schip konden neerkomen."

"Ik deed een kort gebed, herdacht u allen en wachtte gelaten af wat komen zou. Het schip werd als een bal opgenomen en plat op zijde geworpen. In deze positie liepen de zeeën over de "Marie" heen.

Intusschen werd het duister. Eensklaps hoorden wij een knal, alsof een buskruitmagazijn in de lucht vloog. De hemel stond als het ware in vuur en er was een zwaveldamp, benauwend tot stikkens toe. Tegen 3 uur 's namiddags kreeg ik nogmaals 3 zeeën over en daarna niet meer. Het werd geen dag meer. Waar ik was wist ik niet; ik dacht hoog en droog op het strand te staan. Eindelijk kwam de lang gewenschte dag. Toen ik aan dek kwam stond ik van ontzetting als verstomd. Van alle schepen op de reede was alléén de "Marie" als door een wonder gered."

"Wij lagen weer in diep water. Ik houd het er voor, dat de laatste hooge zee ons weer van strand heeft afgeslagen.

Wij hebben 4 personen, waaronder 2 vrouwen, verloren."

Zonder voorbeeld is inderdaad het lot van de "Marie"! Wel zeer terecht mocht Stokhuijzen schrijven, dat de "Marie" als door een wonder gered was. Dat de golf een schip uit zee opneemt, omwerpt en zóó hoog op het strand zet, dat is op zich zelf al geen dagelijksch verschijnsel. Maar dat eene nieuwe golf het schip weer opricht en, evenals of het van de werf afloopt, behoorlijk in zee plaatst, grenst dit niet aan het ongelooflijke?

---



Het radarstoomschip "Barouw" boven de bedding van de rivier Koeripan. Gravure uit Krakatau et le détroit de la Sonde door Edmond Cotteau in 1884, herdrukt 1886 in het tijdschrift De Aarde en haar volken als Krakatau en de Straat Soenda. De anonieme vertaler van Cotteau schrijft dat "de kapitein en de machinist [...] verdronken. De bemanning daarentegen, die aan boord was gebleven, kwam met den schrik vrij." Volgens een andere naamloze bron sleepte de golf de "Berouw" (sic) "over a mile inland, thirty feet above sealevel, killing all 28 of its crew members".

Het tweede schip, dat wij hadden zien opnemen door de vloedgolf te Telok Betong, was het stoomschip "Barouw". Toen wij wegstoomden zagen wij het stoomschip hoog op de kust zitten. Later bleek de "Barouw" echter spoorloos verdwenen te zijn.

Geruimen tijd na de ramp vond men de "Barouw" terug, op drie kwartier afstand van de zee, op het droge, evenals de arke Noachs na den zondvloed.

Wat was er intusschen geworden van de inwoners van Telok Betong?

Den 26sten Augustus des avonds, toen de "Loudon" verwacht werd, begaven zich vele Europeanen op het havenhoofd, want er komt niet dikwijls een stoomschip uit Batavia en men heeft niet veel afleiding te Telok Betong. Toen verscheen de eerste vloedgolf; het havenhoofd overstroomde, en de bezoekers redden met moeite hun leven. Den volgenden morgen te half zeven kwamen de golven, die wij van de "Loudon" af zagen; het lage gedeelte van Telok Betong werd vernietigd, maar alle Europeanen waren gevlucht naar de woning van den resident en de benting, gelegen op 24 meter boven de zee. Te tien ure knalde eensklaps een slag, als van een vuurmond, in de onmiddellijke nabijheid. De hemel is koperkleurig, de zon is onzichtbaar, bliksemstralen doorklieven de lucht. Om half elf is de duisternis volkomen. Modder en puimsteenregen doordringt alles, het loeien van den wind overstemt alles, de orkaan is allerhevigst, evenals bij ons op de "Loudon", die niet ver van hier hetzelfde lot ondergaat. Toen het licht werd, zagen de geredden eene kale vlakte, geen huis, geen boom was gespaard. Lijken van menschen en dieren, stukgeslagen vaartuigen, ontwortelde boomen en drijfhout, alles onder de modder begraven, ziedaar wat van Telok Betong over was. Niemand had in de duisternis het dreigende levensgevaar bespeurd, waarin allen verkeerd hadden. Tijdens die duisternis toch was eene vloedgolf gekomen, die tot op eene hoogte van 22 M. boven de zee was opgeloopen en die het water tot de onmiddellijke nabijheid van hun toevluchtsoord had opgestuwd.

In het geheel vonden in de residentie Lampongsche districten 12500 menschen den dood ten gevolge van die vreeselijke golven.

---

Wel betaamt ons, passagiers van de "Loudon", een gevoel van dankbaarheid tegenover kapitein Lindeman! Was hij niet onmiddellijk, na de vloedgolf van half zeven 's morgens, weggestoomd, dan waren wij zeker met de latere, zooveel machtiger vloedgolf op de kust van Telok Betong geslagen.

En, wanneer hij niet den moed had gehad om dwars door het drijvende puimsteen-eiland van Straat Lagoendie te varen, dan waren wij niet meer uit de Lampongbaai gekomen. Want ontzettende massa's puimsteen dreven voortdurend de Lampongbaai binnen. Zij bedekten weldra, als ééne compacte massa, de geheele watervlakte, en maanden lang was de Lampongbaai geheel gesloten voor de scheepvaart. Evenals eene Noordsche haven, die een gedeelte van het jaar door het ijs geblokkeerd is, was de geheele baai totaal afgesloten door puimsteenvelden. En er verliepen meer dan drie maanden na de verwoesting van Telok Betong voor er weer een schip kon ankeren op de reede.

Want eerst in December 1883 raakte de puimsteen in beweging en dreef weg uit de Lampongbaai. In dien tusschentijd was Telok Betong alleen over land te bereiken van uit de Ratehbaai. Die geelachtige, grijze laag puimsteen in de Lampongbaai verhief zich op sommige plaatsen meer dan 4 M. boven de zee. De heer Verbeek vergelijkt die drijvende massa's met vuil ijs. Zij kunnen het gewicht van een mensch niet dragen en ze zijn te dik, te veel door elkaar gewoeld, te goed aan elkaar verbonden door modder, slik en asch, om een schip te laten passeeren.

---

Het ligt voor de hand, dat de ontzettende golven, die Telok Betong wegvaagden, eene niet minder volledige verwoesting hebben aangericht over het geheele Kustland van de Lampongbaai. Heb gebergte is hier overal vlak bij de kust zoodat de strook, die schoongeveegd werd door de wateren niet breed is. Maar aan het strand lagen verschillende welvarende, volkrijke kampongs, waarvan geen spoor meer over is gebleven. Zoo verdwenen aan den voet van den berg Radja Bassa, de plaatsen Kalianda en Katimbang reeds te gelijk met Telok Betong, den morgen van den 27sten Augustus te half zeven. Maar toen ook daar de duisternis inviel, begon er een echt bombardement; hevige schoten en knallen vergezelden een hagelbui van puimsteenbrokken, grooter dan een vuist. De controleur van Katimbang, de heer Beijerinck, was reeds den vorigen avond met echtgenoot en kinderen gevlucht op de helling van den berg Radja Bassa, naar eene kleine kampong, Oemboel Balak geheeten.

Toen het bombardement met puimsteen geëindigd was, ontstond er een regen van gloeiende asch, terwijl er een benauwde zwaveldamp was.

De rampzaligen werden levend geroosterd, zij werden overdekt met brandwonden. De toestand was zoo afschuwelijk, dat zij den hemel dankten toen de gloeiende aschregen vervangen werd door een stortregen van koude modder. Die modder plakte vast op de open brandwonden en met dat stinkende slijk koelden zij zich af. Onder de hevigste pijnen, niet in staat hunne wonden te verbinden, omringd door tal van gevluchte, gewonde inlanders, in de diepste duisternis gehuld, brachten zij een ontzettenden dag door. De arme ouders moesten het beleven dat hun jongste lieveling in hunne armen aan zijne brandwonden bezweek.

Eindelijk werd het licht, maar waar zouden zij heen? Buiten staat zich te bewegen, een ondenkbaar lijden verdurende aan hunne brandwonden, brachten zij vijf dagen en vijf nachten onder een afdakje door; toen sloeg voor hen het uur der redding. De hopperbarge "Kedirie" kwam 1 Sept. 1883 op de reede van Kalianda. Aan wal gekomen vernam men, waar de heer Beijerinck was; de arme lijders werden meer dood dan levend naar land gedragen en naar Batavia gevoerd, alwaar zij door goede verpleging en zorgvuldige medische behandeling allen genazen.

---

Het lot dat de Semangkabaai trof was even tragisch.

De Resident der Lampongs, de heer N. Altheer, die te Telok Betong woont, was van plan om den 27sten Augustus in de Semangkabaai te komen, ten einde den controleur van Pajoeng Semangka, den heer P. L C. le Sueur te bezoeken. De controleur was verwittigd van dit bezoek; toen hij dus den 26sten Augustus te half vijf des avonds een kanonschot hoorde, moest bij gelooven dat de resident zijn bezoek een dag vervroegd had. Hij begaf zich dus met alle hoofden van zijne afdeeling naar Beneawang, de havenplaats van de Semangkabaai. Maar de resident kwam niet en men zag ook het vaartuig niet, dat het kanonschot zou gelost hebben. Plotseling overstroomt een gedeelte van het strand; des nachts ziet men een roodachtig licht. Den volgenden morgen verzamelden zich te 6 ure de controleur en de inlandsche hoofden op nieuw aan het strand ter eere van den resident.

De zee was toen zóó laag, dat er klippen te zien waren, die nooit van te voren waren waargenomen. Plotseling komt de zee opzetten. De controleur en de inlandsche hoofden vluchten naar de woning van den controleur, die op eene hoogte gelegen was.

Het water keert naar zee terug, maar het komt terug, hooger dan te voren. Het huis wordt overstroomd, vernietigd en medegevoerd door de naar zee teruggaande golf. De klerk van Zuijlen en al de inlandsche hoofden verdwijnen. De controleur wordt eveneens medegesleept doch blijft op het droge achter. Van de overige vluchtelingen wordt nimmer meer iets vernomen.

Toen viel ook hier de duisternis in. Wederom wordt de controleur door eene golf medegesleept; in doodsangst klemt hij zich aan een boomstam vast; en ten tweeden male wordt bij gered. Na een wanhopigen tocht over omgevallen boomen, door puimsteen en modder, mocht het den heer le Sueur gelukken op het voorgebergte van den Keizerspiek eene veilige schuilplaats te vinden.

---

Aan den ingang van Straat Soenda is in de residentie Benkoelen een ijzeren vuurtoren gebouwd bij de dorpen Laboean-Blimbing en Blimbing gelegen bij de Blimbingbaai. De golven van 26 Augustus en die van 27 Augustus te half zeven ure deden hier weinig schade. Maar de groote golf, die in de duisternis kwam opzetten, verwoestte letterlijk alles, behalve den toren zelf. De ijzeren en steenen gebouwen, die om den toren stonden, werden alle totaal weggevaagd. De dorpen Blimbing overstroomden, 34 menschen kwamen om; op grooten afstand van den toren vond men nog lijken van menschen, stukken ijzer, ontwortelde boomen, alles door en in elkander gewoeld.

De lichtopzichter, de heer T. Hamwijk, werd begraven onder de puinhoopen van de keuken, die ingestort was. Hij werd zwaar gewond, doch wist zich te bevrijden. Het personeel van den heer Hamwijk kwam grootendeels om. De inlandsche mandoer met 10 dwangarbeiders verdwenen. De overigen werden bijna allen zwaar gewond naar Batavia vervoerd.

Vele van de 12500 slachtoffers op Sumatra zijn naar zee gespoeld. Maar duizenden lijken bleven op de kust liggen. De bevolking van dat gedeelte van Sumatra is schaarsch en de middelen van gemeenschap zijn moeilijk.
Meer luchtvervuiling of Grieks μίασμα, 19e-eeuwse miasma's.
Weken na de verwoesting van de kustlanden lagen die lijken onbegraven te rotten op de kust, zij verspreidden eene afgrijselijke lucht en vulden den dampkring met miasma's.

Niets vermag den verbijsterenden indruk weder te geven, dien die kustlanden van Sumatra maakten, zooals ze aanschouwd werden van de "Loudon" nog geen etmaal na de verwoesting. Op eene hoogte van 22 à 24 M boven de zee zag men eene streep. Beneden die streep was alles kaal, grijs of geel; eenige door elkander gegooide klapperboomen gaven hier en daar de plek aan, waar gisteren nog een bloeiend dorp lag en waar nu alleen eene kale plek te zien was of wel een onbeschrijflijke chaos van boomen, steenen en planken.