In het Rijk van Vulcaan
R.A. van Sandick,
1890.

HOOFDSTUK VIII.Het gebied der uitgeworpen stoffen.

Wat is erger: modder-, asch- of puimsteenregen? - Gloeiende aschregen te Katimbang. - Puimsteenbergen op Krakatau. - Hoe zijn Steers- en Calmeijer-eiland ontstaan? - Het vulkanische rif, dat rookwolken uitstootte, van de "Loudon" gezien. - De hoeveelheid der uitgeworpen stoffen. - Vergelijking met vroegere erupties. - Skaptar Jökull (1783) en Tambora (1815). - In welk opzicht Krakatau de meerdere is. - De doorgesneden plek Rakata. - De oppervlakte van den aschregen, vergeleken met Nederland etc. - Nog eens Krakatau te 's Gravenhage. - Een vloed van 34 M. + A.P. aan de Noordzee. - 18 kubieke kilometer stof over Zuid-Holland uitgestort. - Dezelfde hoeveelheid over Nederland uitgespreid. - Het verdwenen stuk van Krakatau vergeleken met den Haag en met de "Maliebaan."

Modder, asch en puimsteen, - ziedaar het driemanschap van vaste stoffen, dat de vulkaan van Krakatau uitbraakte. Uit persoonlijke ondervinding kan ik verklaren, dat een hagelbui van puimsteen of een hevige aschregen betrekkelijk aangenaam is in vergelijking van het afgrijselijke van de modderdouches, die de uitbarsting van Krakatau vergezelden.  Bom. Een tufsteenbom uit Krakatau. Dit is echter alleen waar voor zoo ver de asch niet gloeiend is, en de puimsteenstukken niet grooter zijn dan eieren.

Wij zagen immers, dat de rampzalige bewoners van Katimbang de kille modderregen eene verademing vonden, nadat zij gebombardeerd waren geworden met puimsteenblokken zoo groot als een vuist, en nadat zij vol brandwonden waren door de heete asch.

Wel mogen wij dankbaar zijn, dat aan de "Loudon" die bezoeking is bespaard gebleven!

Het materiaal, dat de berg uitgeworpen heeft, ligt natuurlijk voor het grootste gedeelte dicht bij den vulkaan. Zoo vond Verbeek op het overgebleven stompje van Krakatau eruptieproducten, die hij "grof puimsteenmateriaal" noemt. Dit materiaal was werkelijk zeer grof, want de stukken bereikten eene grootte van een kubieke meter, en van de hoeveelheid kan men zich een denkbeeld maken, als men weet, dat de dikte der uitgeworpen stoffen op Krakatau zelf 80 tot 60 meter bedroeg.

In de nabijheid van Krakatau is de zee tusschen Krakatau en Sebesie, die voor de uitbarsting 86 meter diep was, geheel opgevuld door eene groote bank van zand, asch en puimsteenbrokken, waarvan Steers en Calmeijer-eiland de boven zee uitstekende punten zijn.

Hoe die eilanden ontstaan zijn is niet met zekerheid te zeggen. Men zou zich kunnen voorstellen, dat een gedeelte van den vulkaan in de lucht geschoten is, en hier neergevallen. Professor Judd, de geoloog van de Engelsche Krakatau-commissie, noemt dit zeer onwaarschijnlijk. Hij gelooft, dat er zich in de Noordelijke flank van het eiland Krakatau twee of meer zoogenaamde parasitische vulkaankegels gevormd hebben, en dat die in afmetingen zijn toegenomen, tot zij boven de zee uitstaken. Hij beroept zich daarbij op hetgeen wij van de "Loudon" gezien hebben, toen wij na de uitbarsting langs Krakatau voeren. Wij meenden immers te zien, dat zich tusschen Krakatau en Sebesie een rif gevormd had, en dat verschillende kraters op dat rif kolommen van rook opwaarts zonden, Dit was juist de plek, die men later Steers- en Calmeijer-eiland noemde. De vulkanische werking, die op de "Loudon" werd waargenomen op dien plek buiten Krakatau gelegen, is sterk in twijfel getrokken; de heer Emile Metzger te Stuttgart noemde de beschrijving, die ik van de vulkanische werking gaf,* "uit den aard der zaak onjuist."

Neemt men de verklaring van Prof. Judd van het ontstaan der eilanden aan, dan is er zeker niets vreemds in, dat op die plek rookkolommen opstegen. Als men echter vasthoudt, aan het denkbeeld dat de beide eilanden Steers- en Calmeijer door den vulkaan Rakata zelf zijn uitgespuwd, dan is de door ons waargenomen vulkanische werking, na het ontstaan van die eilanden, op eenvoudige wijze te verklaren. De vulkaan heeft dan eenige kilometers vaste stof op dezelfde plaats in zeer korten tijd uitgebraakt, binnen de groote stukken, die zij uitwierp, was zeker stoom besloten. In elk geval kunnen zeer goed, nadat die eilanden in zee gedeponeerd zijn geworden, uit die materialen zoogenaamde secundaire eruptiekegels ontstaan zijn, die rookkolommen uitzonden, zooals men dat zoo menigmaal op lavastroomen ziet.

Het zij mij vergund ten slotte op te merken, dat het niet aangaat onze waarneming als onjuist te verwerpen, omdat zij niet strookt met "de theorie." Ik ben gelukkig niet de eenige, die op de "Loudon" rookkolommen heb zien opstijgen op Steers- en Calmeijer-eiland. Kapitein Lindeman vermeldt hetzelfde feit in zijn rapport aan de Stoomvaartmaatschappij.

---

In de veronderstelling, dat er nergens opheffingen van den zeebodem ontstaan zijn, is de vermindering van diepte en het ontstaan der eilanden Steers en Calmeijer alleen te wijten aan eruptieproducten.

Uit de hydrographische opname van Straat Soenda na de uitbarsting, uit de opgemeten verspreiding der puimsteen en aschlagen op de eilanden, is dan te berekenen hoeveel materiaal er uitgeworpen is in de onmiddellijke nabijheid van den vulkaan, waar het grove puimsteenmateriaal neergevallen is. Ongelukkig mist men eene juiste kennis van den vorm en de plaats der eilanden vóór de uitbarsting en ook was de kennis der diepte van Straat Soenda vóór de uitbarsting vrij onvolledig. Dit maakt, dat de berekening der uitgeworpen stoffen slechts bij benadering juist is.

Volgens de berekening van den heer Verbeek ligt eene hoeveelheid van 12 kubieke kilometer vaste stoffen binnen een cirkel, die met een straal van 15 kilometer om Krakatau is getrokken. Daar buiten zou volgens dezelfde berekening nog 8 kubieke kilometer liggen, zoodat de totale hoeveelheid uitgeworpen stoffen 18 kubieke kilometer zou bedragen, dat is achttien duizend millioen kubieke meter.

Het is mogelijk, dat de hoeveelheid uitgeworpen stoffen veel grooter is dan deze berekening aangeeft. De bekende wetenschappelijke nauwgezetheid van den heer Verbeek is ons daarentegen borg dat zij zeker niet kleiner is. We hebben dus alle recht om te zeggen: de uitbarsting van Krakatau heeft minstens 18 kubieke kilometer vaste stof verplaatst, of wel een gewicht van 36 billioen kilogrammen. Op het eerste oogenblik komt ons die hoeveelheid zóó groot voor, dat wij zouden gelooven, dat ook met het oog op de quantiteit, die uitgebraakt is, de uitbarsting van Krakatau, haar gelijke niet heeft onder de bekende erupties. Toch zijn er in de laatste honderd jaren minstens twee uitbarstingen geweest, waarbij die hoeveelheid ver is overtroffen. De uitbarsting van Skaptar Jökull op IJsland in 1712, verplaatste eene hoeveelheid van niet minder dan 600 kubieke kilometer vaste stoffen, dat wil zeggen eene massa even groot als zesmaal de Mont-Blanc. In de 19de eeuw kunnen wij wijzen op de groote uitbarsting van den Tambora op het eiland Soembawa in 1815. Volgens eene berekening van Junghuhn werd toen 300 kubieke kilometer uitgeworpen; dit is wel is waar slechts de helft van de geschatte hoeveelheid, die de IJslandsche vulkaan uitbraakte, maar het is toch nog de inhoud van drie bergreuzen van het kaliber van den Mont-Blanc. De heer Verbeek, die de berekening nog eens verrichtte, vond echter 150 kubieke kilometer. Dit kan zeker nog wel te hoog zijn, maar er blijkt toch uit, dat ook bij die uitbarsting de hoeveelheid uitgeworpen stof veel grooter was dan bij Krakatau. In onze koloniën is de uitbarsting van den Tambora zeker de meest grootsche die wij kennen. De duisternis duurde toen op Madoera, 510 kilometer van den vulkaan, nog drie volle dagen; zij strekte zich uit tot Solo en Djokja. Een regen van gloeiende steenen doodde de bewoners van Soembawa, 12000 in getal; op het eiland Lombok, dat anderhalve graad of 160 kilometer van den Tambora ligt, kwamen 44000 menschen om. De geheele Indische Archipel schudde op zijne grondvesten: Borneo, Celebes, de Molukken, Sumatra tot Benkoelen toe, Java, de kleine Soenda-eilanden tot Nieuw Guinea toe, trilden door aardbevingen. Te Amboina scheurde de aarde vaneen. Een wervelwind hief boomen, huizen, menschen en vee op, en deed ze als stroohalmen in den dampkring ronddraaien. Na vier jaren was de geheele streek nog een tooneel van woeste eenzaamheid, en men zag toen nog op het eiland Bima wrakken van schepen zitten, die er door een vloed, die 4 meter boven den hoogsten zeestand gerezen was, waren neergezet.

---

Bij de uitbarsting van Krakatau ontstond ook eene dichte aschwolk, die de zon verduisterde. De duisternis duurde echter, zooals wij zagen, minder dan één etmaal, terwijl het gebied van de duisternis zich in hoofdzaak bepaalde tot de kusten van Straat Soenda. Daarbuiten strekte zij zich niet ver uit en duurde slechts een paar uur.

In één opzicht slechts heeft de uitbarsting van Krakatau haar gelijke niet: nimmer was de menschheid getuige van explosie zoo hevig, als die van 27 Augustus te 10 uur. De oorzaak van het geweldige karakter, dat de uitbarsting toen aannam, ligt in de ligging van den vulkaan op een klein eiland, en de gemakkelijkheid, waarmede groote hoeveelheden zeewater hun weg vonden naar den vulkanischen haard.

 Rakata uit het noorden gezien, tekening uit Verbeek.

Staan wij nog een oogenblik stil bij de instorting van het eiland. De schoonste plaat in Verbeek's Krakatau-album is ongetwijfeld het aanzicht van de vertikaal doormidden gesneden piek Rakata. Is het niet voor een geoloog om te watertanden, als de natuur plotseling eene ideale, vertikale doorsnede van een vulkaan te aanschouwen geeft? De bouw van den vulkaan blijkt uit die doorsnede even duidelijk, als de constructie van een bouwwerk uit de doorsneden, die bij geene bouwkundige teekening ontbreken. En als men denkt, dat waar nu de blauwe zee meer dan 300 M. diep is, eens de andere helft van den berg en het overige Krakatau was, zoodat op de plaats waar nu de schepen varen, eene verdieping van 1100 meter is ontstaan, dan wordt men overweldigd door een gevoel van innigen eerbied en bewondering voor zulke natuurverschijnselen als de uitbarsting van Krakatau!

Wegens de onvoldoende verlichting mislukte de voorgenomen photographie van den steilen wand van piek Rakata, tijdens de opname van de verwoeste streken in October 1883. Later echter, in 1886, slaagde de heer Verbeek er in eene uitstekend geslaagde photographische opname van de piek te verkrijgen. Op deze photographie is ook de krater duidelijk te zien. Terwijl in 1883 de wand eene hoogte had van 832 meter, was ten gevolge van het afstorten van los materiaal de hoogte in 1886 zestien meter verminderd.

---

De oppervlakte van het gebied van den aschregen wordt door den heer Verbeek geschat op 827.000 vierkante kilometer, dat is 23 maal de oppervlakte van Nederland, of de uitgestrektheid van Nederland, België, Duitschland en Denemarken te zamen. Bij het bespreken van de schemeringsverschijnselen in hoofdstuk X zullen wij zien, dat het gebied, waar asch gevallen is, waarschijnlijk nog veel grooter is.

---

Wanneer men verneemt, dat de berg 18 K.M3. uitgeworpen heeft, dat de zee 34 meter rees, en dat van Krakatau 28 KM2. weggezonken is, dan vrees ik, dat die getallen als zoodanig, droog en dor als ze zijn, niet veel indruk zullen maken.

Evenals wij gedaan hebben met het gebied van het geluid en dat van den aschregen, kunnen wij echter ook deze cijfers overbrengen op meer bekend terrein.

---

Wij verplaatsen dus weder in onze gedachten Krakatau naar 's Gravenhage, en wij begeven ons naar het strand der Noordzee. Plotseling rijst de vloed zes en dertig meter boven Arnsterdamsch peil, tengevolge van de uitbarsting, die in den Haag plaats vindt.

Door niets gestuit verzwelgen de wateren het grootste gedeelte van Nederland. Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Groningen, Friesland en Zeeland worden geheel overstroomd; op de meeste plaatsen is de zee tientallen van meters diep, zoodat er van de inwoners dier provinciën waarschijnlijk geen mensch meer in leven is.

Een enkel hoog duin langs het Noordzeestrand verheft nog zijn kruin boven de golven, als het ten minste niet weggeslagen is door de vloedgolf, wat in de hoogste mate waarschijnlijk is. In de overige provinciën van Nederland is de schade alles behalve gering. Het vier vijfde gedeelte van Noord-Brabant is ondergedompeld, tegelijk met de helft van Overijsel en een groot gedeelte van Gelderland. Het is zeker korter om te zeggen, dat geheel Nederland overstroomd is, behalve drievierde van Drente, half Overijsel, een vijfde van Noord-Brabant, de Veluwe, het deel van Gelderland oostwaarts van Nijmegen, en geheel Limburg.

---

Na den vloed in Straat Soenda liep het water onmiddellijk weder naar zee terug. In Nederland is de ramp van meer ingrijpenden aard. De zeestand daalt zeer snel. De bovenlaag van het water stort zich met eene snelheid van eenige tientallen meters in de seconde, als een waterval bruisend, naar zee en voert alles mede, wat hoog uitstak boven het landschap. Maar Nederland blijft diep ondergedompeld onder de baren. Het water verlaat het polderland niet meer, het bedekt onze vruchtbare provinciën voor goed. De zeedijken, duinen en bandijken langs de rivieren, dienen nu als waterkeering in tegengestelden zin als vroeger; zij verhinderen het water naar zee te stroomen. Maar daar vergeet ik, dat het naar zee terugkeerende water geheel Nederland kaal geschoren heeft, zooals de kusten van Straat Soenda. Er zijn dus geen dijken of duinen meer, en het water kan wel degelijk dalen tot op het niveau der zee. Het polderland blijft echter toch onder water. Nederland is weer zee geworden en het is niet waarschijnlijk, dat de Limburgers en Drentenaars, die met de helft der Overijselaars en Gelderschen de overgebleven bevolking in Nederland uitmaken, kapitaal en moed genoeg hebben om het ooit weer uit het water op te pikken. Men herinnere zich slechts, dat eene soortgelijke onderneming op veel kleiner schaal, de droogmaking der Zuiderzee, de hartewensch van alle ingenieurs, niet tot stand kon komen, toen Nederland nog in zijn geheel bestond. Toen gold het slechts de drooglegging van een kleine provincie, terwijl na de uitbarsting van den Haag-Krakatau bijna geheel Nederland in hetzelfde geval verkeert, en er niet veel Nederlanders over zijn.

Gelukkig behoeft eene eruptie niet altijd gepaard te gaan met een vloed van 34 meter. Het is dus mogelijk, dat Nederland voor overstrooming is bewaard gebleven. De vulkaan in den Haag heeft echter evenals Krakatau, 18 kubieke kilometer vaste stof uitgeworpen. Wanneer die hoeveelheid alleen gevallen is in de provincie Zuid-Holland, die eene oppervlakte bezit van 3000 vierkante kilometer, dan is geheel Zuid-Holland bedolven onder eene laag, die 6 meter dik is, dat is juist de dikte van de laag uitwerpselen, die Pompeji in '79 voor Christus bedolven heeft. The author is mistaken. Vesuvius erupted the 24th of August anno Domini 79. Is echter die hoeveelheid over geheel Nederland verspreid, dat 32,600 vierkante kilometer groot is, dan is ons geheele vaderland bedekt met eene vulkanische laag van 0,55 meter.

---

Van het eiland Krakatau verdween eene oppervlakte van 23 vierkante kilometer in de golven van Straat Soenda. De oppervlakte van den Haag is 460 hectare; Present day The Hague measures about 7000 hectares. dus is 23 vierkante kilometer eene oppervlakte van ongeveer vijfmaal de oppervlakte der stad.

De ingenieur van den waterstaat H. G. Beijerman, aan wien ik deze cijfers verschuldigd ben, gaf mij nog een punt van vergelijking aan de hand, dat ik niet kan nalaten mede te deelen. Het Haagsche Malieveld - zoo populair in Nederland door het lied "we zijn gegaan" enz. - is lang 550 meter en breed 200 meter, dat is 9 hectare oppervlakte. Het in zee weggezonken stuk land, 23 vierkante kilometer oppervlakte, heeft dus eene uitgestrektheid van niet minder dan 255 maal de oppervlakte van de "Maliebaan".

---

De rampen, die de uitbarsting van Krakatau in werkelijkheid heeft aangericht, zijn veel minder erg dan men uit deze vergelijking met Nederland zou afleiden. Dit ligt aan verschillende toevallige omstandigheden. Vooreerst is het grootste gedeelte van de uitgeworpen stoffen neergevallen in zee, waar zij oneindig minder schade hebben aangericht dan het geval zou geweest zijn, als zij geheel en al op het land waren uitgestort.

Vervolgens zagen wij, dat de hooge vloed nagenoeg geheel Nederland zou te gronde gericht hebben. Ware Sumatra of Java in Straat Soenda een vlak land geweest, dan zou de ramp groote overeenkomst hebben gehad met onze gefingeerde overstrooming in Nederland. De afmetingen van de overstrooming in Straat Soenda zijn gelukkig veel geringer, omdat het gebergte tot dicht bij zee doorloopt. Ware dit niet het geval, dan zou men de slachtoffers bij honderduizenden geteld hebben, zooals nu bij tienduizenden.


Noten

  1. Zie pag. 80.