Den 6en Mei 1881 bevindt het barkschip De Suriname, kapitein C. Ouwehand, zich des voormiddags in het gezicht van den Amerikaanschen, speciaal Surinaamschen oever. Schrijver dezes heeft het genoegen als passagier aan boord te zijn met nog slechts één reisgezel, den heer Van der Kun, uit 's-Hage.





Onze overtocht was redelijk gunstig geweest. Den 28en Maart van Amsterdam via IJmuiden vertrokken, passeerden wij reeds den 31en Kaap Lizard en waren drie dagen later op de hoogte van Finisterre. Toen echter verliet ons ons goed fortuin, en vertraagden voortdurende zuidwestelijke winden onze vaart. Slechts met moeite kon de kapitein zuidelijk blijven sturen. Bezoek de meest westelijke kaap van Spanje, de Cabo de la Nave, op de langtong van Fistera aan het "einde van de wereld". De zuidoostpassaat, dien wij noodig hadden om den Atlantischen Oceaan over te steken, liet steeds op zich wachten. Madeira werd den 10den April flauwtjes gezien, waarna wij een driemast-schoener praaiden. Dit bleek een Nederlandsch vaartuig te zijn, De Reiziger, kapitein Alberda, van Pekela, geladen met kolen van Cardiff naar Rio Grande do Sul. Beide schepen deelden elkander hun verkregene lengte en breedte mede, waaruit bleek dat in de berekening van de lengte bij beide gezagvoerders meer dan een graad verschil bestond. Met groote behoedzaamheid werd dus voortgezeild, want met onzen zuidelijken tot zuidoostelijken koers moesten wij de Canarische eilanden spoedig naderen.
Den 14en krijgen wij ook werkelijk Pic de Teyde, de bijna vierduizend meter hooge rotspunt op het eiland Tenerife, in het gezicht, en heeft onze kapitein de voldoening te bemerken, dat zijn lengte-berekening juist was geweest. Bezoek Madeira en de Canarische eilanden en kijk per satelliet in de vulkanische kraters op de Pico del Teide. Den volgenden dag bevinden wij ons geheel tusschen de Canarische eilandengroep: ter rechterhand Palmus, daarnevens Comera, ter linker Teneriffe met zijn majestueus rotsgevaarte, in welks spleten ik met mijn kijker duidelijk de sneeuw kan zien liggen. Een gunstige noordenwind geeft ons hoop in weinig uren tusschen Comera en Teneriffe zuidwaarts door te kunnen zeilen, doch halverwege gekomen wordt het in eens stil, en kort daarna gaat de wind juist uit den tegenovergestelden hoek blazen. Dus wordt het roer gewend, en gaan wij denzelfden weg weer terug, zoodat wij ons des avonds weer bij Palmus bevinden.
Hier wordt de wind meer noordwest, spoedig geheel west. De kapitein wil niet meer wagen zuidwaarts te sturen en besluit te beproeven, al kruisende, thans in westelijke richting, tusschen Comera en Palmus uit deze eilandengroep te geraken.
Des nachts stak de wind al feller op en groeit aan tot een storm. Het schip stampt en slingert, dat het een aard heeft. Alles rolt in de kajuit heen en weer: stoelen, tafel, borden, glazen, koffers, alles wat niet bijzonder vast was gezet, zooals mijn eigen valies, voeren te zamen een soort van dialobischen dans uit, tot groot nadeel merkbaar van sommige dansers. Van mijn verheven standpunt of liever ligplaats in een bovenkooi beschouwd, is het een allervermakelijkst gezicht. Niet aldus voor mijn metgezel, die in een benedenkooi ligt en zeeziek is, vooral niet daar nu en dan een stoel of een kookpot of een karaf met water zijn slaapstede met hem wenscht te deelen, een bezoek waar ook zelfs de niet zeezieke mensch minder gesteld op is.
Twee dagen duurt deze grap: voor mij was het de aangenaamste tijd van de reis, want ontelbaar waren de comische voorvallen, door de onvastigheid van onzen bodem veroorzaakt. Vooral het eten was men of meer lastig. Als een Newton uitroept: Geen probleem is ingewikkelder dan het getal Pi! - zou ik gerust durven aanmerken: uitgezonderd het snert eten aan boord gedurende een storm.
Den 17en April hebben de westelijke en noordwestelijke buien uitgewoed, en krijgen wij eindelijk den passaat, eerst noordoost, later oost en zuidoost. Zie "ons nieuwe vaderland" op een oude Caart van Suriname, J. v. Schley, direx. voor de WIC circa 1770, of Dutch Guyana circa 1860. Van nu af hadden wij den wind voortdurend voor 't lapje, en zoo kon het geschieden, dat wij nog den 6en Mei ons nieuwe vaderland in het oog kregen, nadat ons dit reeds twee dagen te voren door de veranderende kleur van het water was aangekondigd.
Al peilende volgen wij de vlakken en met laag hout begroeide kust. Op ruim twee mijlen van den oever hebben wij niet meer dan drie of vierdehalf vaam water, soms zelfs derdehalf, zoodat de kapitein verzekert, dat wij nu en dan over den grond moeten schuren. Daar alles hier echter weeke modder is, kan dit geen kwaad, ofschoon het vreemd klinkt, den man aan het lood twee vaam (12 voet) te hooren roepen, als men weet dat het schip vijftien voet ligt. Een paar malen zitten wij dan ook werkelijk vast, doch komen spoedig weer los. In den namiddag verandert het uitzicht op het strand. Een ontelbare menigte zwarte en kale stukken volgt op het levendige en frissche groen der bosschen. Het lijkt net, alsof er een massa visscherssloepen voor anker ligt. De kapitein is weltevreden met dit gezicht, en verhaalt ons, dat dit naakt gebrande geboomte op deze gelijkvormige kust het eenige zekere en duidelijke merk voor den zeeman is, slechts enkele mijlen oost van den mond der Surinamerivier gelegen. Bezoek Suriname, bewoond door de Surinen en andere indianen, bezocht door Columbus op zijn derde reis, na 1650 definitief gekoloniseerd, tijdens de Tweede Engelse Oorlog veroverd door de Zeeuwse WIC in 1667 en behouden, ofwel geruild voor het in 1644 verloren gegane Nieuw Amsterdam aan de Hudson, bij de Vrede van Breda 31 juli 1667. Reeds een dertig jaar geleden moet dit bosch verbrand zijn. Ik begrijp echter niet, waarom het, vooral in een tropsich land, in zulk een lang tijdsverloop niet weer opgegroeid is. Het spijt mij, dat ik later geen tijd kon vinden dit nauwkeuriger te onderzoeken: met de kijker kon ik niets tot verklaring van dit raadselachtig verschijnsel vinden.
Als het donker wordt, krijgen wij vooruit een lichtte zien en werpen nog dien nacht het anker uit bij het vuurschip van Braamspunt, de oostelijke oeverpunt van den mond van de Suriname. Wij hadden dus van Amsterdam af tot hier negen-en-dertig dagen reis, dat zeer redelijk is.
's Anderen daags komt de kapitein van het vuurschip Lemscheer als loods bij ons aan boord, doch wij moeten nog tot elf uur wachten, voordat de landwind gaat liggen en de zeebries opsteekt. Braamspunt wordt nu omgezeild, waartoe eenige tonnen den weg wijzen, en thans varen wij de vrij smalle rivier in. Het land werd onafhankelijk in 1975, onder premier Henck Arron ten tijde van het Kabinet-Den Uyl. Het verkeer rijdt links, maar het stuur zit in de meeste voertuigen ook links. De Suriname is niet breeder dan de Maas bij Rotterdam en komt in geen vergelijking met den majestueusen Congo aan de Westkust van Afrika. Evenals deze zijn hier de oevers met laag hout omzoomd, dat spoedig door verschillende plantages van cacao en suiker wordt vervangen. De eerste op den rechteroever is de Resolutie, de grootste suikerplantage der kolonie, toebehoorende aan de Nederlandsche Handelmaatschappij. Zij vormt met haar fabrieksgebouwen en arbeiderswoningen (er werken ongeveer 1000 arbeiders) een stadje op zichzelf.
Wij varen voorbij de uitmonding van de Commewijne langs den rechteroever der Suriname. Iets verder opwaarts aan deze rivier is men bezig de centraal suikerfabriek te bouwen, waarover later meer.
Van het fort Leijden is zelfs, als men er vlakbij is, moeilijk iets te ontdekken.
In den namiddag naderen wij de stad Paramaribo. In de nabijheid van het wachtschip Aruba gooien wij ons anker uit. Paramaribo is op den linkeroever van de rivier gelegenBezoek Paramaribo, met sinds 2000 een brug over de Surinamerivier naar Meerzorg. en levert in de verte een allerbekoorlijkst gezicht op door de afwisseling van het groen en de flora der tropische gewassen met de sneeuwwitte huizen. Slechts een enkele toren steekt daarboven uit. Dit is echter niet de toren van een kerk, maar hij troont boven eenige public buildings, gouvernementsgebouwen, kantoren, enz. In een sloep laten wij ons naar den wal roeien. Wij komen aan wal bij „de waag," het kantoor der douanebeambten, die echter heden, omdat het Zondag is, afwezig zijn. Talrijke zwarte of halfzwarte, heel of driekwart bruine kaailui staan ons nieuwsgierig aan te gapen en bewijzen hierdoor, dat de komst van vreemdelingen, nog grooter zeldzaamheid is dan in een dorp van den achterhoek. Met een neger tot gids laten mijn medepassagier en ik ons naar het Hotel van Emden in de Watergraafsstraat brengen. Dit ligt op korten afstand van de Waag, en wij zijn er spoedig à vijf gulden per persoon geïnstalleerd. Het diner heeft plaats om half drie 's middags, het souper ten acht ure, doch dit laatste bestaat slechts uit koude gerechten.
Des avonds komt de kapitein ons afhalen om een comedievoorstelling in Thalia bij te wonen, een groote bijzonderheid in deze plaats. De voorstellers behooren tot een Braziliaansche, rondreizende troep, die, zooals gewoonlijk, uit alle denkbare elementen is samengesteld en niet zoozeer een comedie als wel een acrobatengezelschap blijkt te zijn. Lees ook De geschiedenis van Thalia in deel III van Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur, proefschrift door Michiel van Kempen, uitgegeven te Paramaribo in 2002. De met twee gaanderijen voorziene comediezaal is alleszins voldoende en dient doorgaans tot het geven van de voorstelling van het liefhebberijgezelschap Thalia, waarvan de landmeter Loth de ziel is. Ik had geen gelegenheid een representatie dezer club bij te wonen, doch ik hoorde er algemeen met lof van gewagen.
Dezen avond moeten wij ons dus tevreden stellen met de exploten van Senor Zenardo's trawanten. Dit zijn voornamelijk nog zeer jonge gedresseerde kinderen, waaruit ik het besluit trek, dat in deze kolonie de Nederlandsche wet omtrent den kinderarbeid niet bestaat. Verder danst er een dikke juffrouw in mannekleeren, die viermaal teruggeroepen wordt. Doch het glanspunt van den avond zijn ongetwijfeld de werkzaamheden van Senor Buitelommio op de schommelende trapeze. Na een poos geslingerd en geturnd te hebben, wordt hem een stoel toegereikt. Doodelijke stilte onder het publiek, want het is duidelijk, dat hij nu op dien stoel gezeten op de trapeze zal gaan schommelen : de kans op nekbreker is dus aanmerkelijk gestegen. Vooral de muzikanten, boven wier hoofd bij hangt, staren met zulk een volharding omhoog, dat zij dreigen een stijven nek te krijgen. De kunstenaar zelf vindt echter dezen toer ook een beetje gevaarlijk en probeert voordat bij er in eigen persoon op gaat zitten, of de stoel wel zoo aan het schommelen op een trapeze gewend is, dat hij dit reeds alleen kan doen. De stoel blijkt evenwel aan duizeligheid onderhevig te zijn, want nauw losgelaten valt hij naar beneden, juist terecht komende op de eerste viool en den orkestdirecteur, die ook al geen acrobaat is en op zijn beurt van zijn verheven zitplaats op den bassist tuimelt. De bas valt met dreunend gebrom tussohen het publiek. Tableau. De acrobatische stoel of de gevallen orchestdirecteur! Applaus uit de gaanderijen, schrik onder de muzikanten, woede van den tevoorschijn schietenden heer Zenardo in zijn onderbroek, want hij was juist bezig zich te verkleeden! Senor Buitelommio alleen zit al schommelende rustig en leuk op de woelige menigte onder hem neer te zien: slechts de herinnering aan zijn gevallen schommelkameraad roept een gemengden trek van blijgeestige melancholie op zijn gelaat te voorschijn.
De voorstelling wordt eindelijk besloten met een pantomime, die niemand begrijpt, doch algemeen wordt toegejuicht, en waarin zes personen geschoren, twee opgehangen, en één geworgd worden. Drie laten zich het haar knippen. Ten slotte wikkelen allen zich in een vuil laken met gaten en dansen een polka. Het scherm valt. Het houten gebouw dreigt in te storten onder de toejuichingen.
Zoo hebben wij onzen eersten avond te Paramaribo doorgebracht en ons zelfs geamuseerd. Niet zoozeer met de voorstelling als wel met het publiek. Hier hadden wij dadelijk een vue pittoresque op de inwoners in hun talrijke variëteiten van blank tot zwart of roodbruin: geen denkbare schakering van huidskleur, of men vindt haar hier vertegenwoordigd. Slechts volbloed blanken en volbloed negers en indianen zijn zeldzaam. En wij merken op, dat de blanken achteraftstaan, terwijl de kleurlingen de eerste rangen innemen. Dit is een vingerwijzing voor een pas aangekomen Europeaan waar wij later op terug zullen komen.
De andere dag begint voor mij reeds vroeg, daar ik vernam dat een dergenen, de heer Van L., aan wien ik een brief te overhandigen had, dien morgen voor langen tijd op reis ging. Om zeven uur sta ik dan ook reeds op den kolonistensteiger en heb juist tijd om mijn doel te bereiken. Den geheelen morgen besteed ik verder aan het afleggen van bezoeken ter overhandiging van brieven, want na twaalf uur kan men op geen kantoor meer terecht. Ik bemerk daarbij, dat hier andere beleefdheidsgewoonten gelden dan in Europa of in Engelsche of Portugeesche kolonien, waar ik voorheen was. Een stoel wordt zelden aangeboden: van ververschingen geen quaestie. Door dorst ben ik dan ook genoodzaakt spoedig weer naar het hotel te gaan, na eerst op het postkantoor mijn adres te hebben opgegeven. Mijn bagage was inmiddels onderzocht en in het hotel gebracht.
Het verdere gedeelte van den dag breng ik met slapen door overeenkomstig de Surinaamsche gewoonte. 's Avonds geniet ik de muziek der schutterij in het park, een fraai aangelegde uitspanning, in de onmiddellijke nabijheid van de woning des Gouverneurs gelegen. Als blanke dient men hier geïntroduceerd te worden, doch voor zwarten staan de deuren open. De muziek is niet slechter dan de Hollandsche schutterijmuziek.
De volgende dagen besteed ik met het doorkruisen der stad in alle richtingen. Deze is, vreemd genoeg, geheel op Hollandsche wijze gebouwd: de huizen staan dicht op elkaar, de straten zijn nauw, slechts op enkele plaatsen, zooals in de nabijheid der kerk, op de markt en in voormeld park, wordt de eentonigheid door eenig groen afgewisseld. Zie de Gravenstraat op foto's rond 1900, op 25 april 2003 omgedoopt in Henck Arronstraat. Slechts één straat is bekoorlijk. Dit is de Gravenstraat, die tevens een fraaie allee vormt. Hierin bevinden zich de huizen van den eersten rang: het paleis van den Gouverneur, de Roomsch Katholieke kerk, de Surinaamsche Bank en bovenal het heerlijke hospitaal, een der fraaiste en meest welingerichte in de geheele West-Indiën (eerste klasse kost slechts ƒ 3.90 per dag). Maar het plaveisel is overal even slecht, of liever ontbreekt geheel en al. De bodem bestaat uit een soort van klei of leem, die bij den minsten regen een modderpoel vormt. Daarbij is hij zeer ongelijk, zoodat er lichtelijk plassen en kuilen ontstaan. De zich overal aan weerszijden der straat bevindende „drains" of slooten, waarover de huizen met een vonder bereikt worden, bieden overigens een goede gelegenheid ter afwatering. Het doel van deze stinkslooten nu is totaal duister, en zij veroorzaken bij fellen zonneschijn walgelijke uitwasemingen. Dit moet wel nadeelig voor de gezondheid zijn. Toch kan er geen beter bewijs voor de onwaarheid der ongunstige berichten aangaande het klimaat alhier zijn dan de omstandigheid, dat ondanks deze door de menschen aangelegde miasmabronnen, gevoegd bij het totaal gemis aan gelegenheid tot het nemen van baden en de ongezonde, onmatige levenswijze van velen, het sterftecijfer hier minder is dan te Amsterdam.
Een wandeling door de stad moet op ieder, die nadenkt, een treurigen indruk nalaten. Kolossale huizen, steeds van hout, doch fiksch gebouwd, staan geheel verlaten of zijn slechts voor een gedeelte bewoond door een armoedige negerfamilie. Geheel verveloos en vervallen staan zij daar als treurige getuigenis eener vroegere grootheid.
Hoor de
kolibrie, de
grietjebie en andere Surinaamse vogels.
(Slot volgt.)
Den volgenden Zondag besteedde ik aan het brengen van een bezoek aan een Hollandschen boer, wiens boerderij op drie kwartier uurs afstand van de stad is gelegen. Zijn gastvrijheid gelijkt nog op die oud-Hollandsche, waarvan men bejaarde menschen hoort gewagen, en die de overige Surinamenaars steeds in den mond hebben zonder haar toe te passen. Hij kwam hier arm, doch door voortdurende vlijt en spaarzaamheid is hij nu zeer welgesteld. Hij is opnieuw een levend bewijs van de onwaarheid der bewering, dat een Europeaan in de tropen geen veldarbeid kan verrichten; hij kan het wèl, mits het met overleg geschiede. Het zou natuurlijk dwaasheid zijn op dezelfde wijze als in Holland te willen werken, en men dient de morgen- en de avonduren te benutten. Hij verzekerde mij trouwens, dat met drie uur in de vroegte te werken men minstens de dagtaak van een zwarte verricht en men het verdere van den dag, desverkiezende, kan gaan slapen.
Deze boer, Velthuis genaamd, is een van de weinigen, die nog zijn overgebleven van de kolonisatie van ds. Arend van den Brandhof, die in 1845 naar Suriname vertrok als herder en bestuurder der volkplanting, die zich aldaar te Groningen aan de Saramakka-rivier zou vestigen. In 1854 moest de bekwame en ijverige man echter reeds terugkeeren, daar men door bedrieglijke verzekering, dat alles voor de ontvangst gereed was, en door de keus van de ongezondste plek, waardoor zeer velen aan hevige koortsen bezweken, onder welke ook Van den Brandhofs liefste betrekkingen, deze in hoofd en leden zoo uitnemend toegeruste kolonisatie, om geen erger woord te gebruiken, roekeloos had doen mislukken.
Met regelmatige werkzaamheid leidt het alzoo geen twijfel, dat een kundige landbouwer hier spoedig tot welstand zou geraken, doch deerlijk teleurgesteld zou worden, Een "nabob" is, naar Arabische nâib, "onderkoningen", een Engelsman die "in de Oost hooge posten bekleed of door den handel een aanzienlijk vermogen verkregen heeft" volgens F.A. Stoett in Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden, 1902. indien hij verwachtte in korten tijd als een Nabob te kunnen repatrieeren. Ook hierbij geldt: langzaam maar zeker, en een landverhuizer naar deze streken dient Suriname als zijn nieuw vaderland te beschouwen. Er schijnen bepalingen te bestaan omtrent de voorwaarden, waarop aan boeren land kan gegeven worden, maar het is mij niet gelukt hierover iets bepaalds te horen. Het ware te wenschen, dat aan die bepalingen meer openbaarheid gegeven werd, niet alleen in Suriname, maar vooral in Holland onder de boerenbevolking, en dat tevens bevoegde personen, die bij ondervinding land en klimaat kennen, de moeite namen het publiek op de onjuistheid van de hieromtrent heerschende denkbeelden opmerkzaam te maken. Van Nederland toch moet de versterking voor Suriname komen: van de Surinamenaars zelf kan men niets verwachten. Hun hoogste ideaal zou zijn een lading Hollandsche boerenjongens te zien aankomen om voor hen te werken, en dan zelf nog langer te gaan slapen dan ze nu reeds doen. Den toekomstigen landverhuizer zij dus aangeraden goed uit zijn oogen te kijken en bedaard zijn eigen weg te gaan, ten einde niet door een klaploopenden Surinamenaar te worden geëxploiteerd.
Mijn verblijf te Paramaribo loopt langzamerhand teneinde, en ik vat het voornemen elders te gaan zoeken, wat ik hier niet kan vinden, namelijk mijn brood, want meer wensch ik voorloopig niet. Het moge vreemd schijnen dat ik dit zelfs hier niet vinden kan, maar dit is misschien aan mijn bijzondere omstandigheden toe te schrijven... Doch ook voor ieder ander Hollander, geloof ik, zou het moeilijk geweest zijn te slagen, en de hoofdoorzaak is, zooals ik reeds met een enkel woord aanstipte, de concurrentie met de kleurlingen. Het grootste gedeelte der plantageëigenaren is van gemengd bloed, en hieraan is het zeker toe te schrijven, dat zij bij voorkeur tot opzichters menschen van hun afkomst nemen. Doch het is minder begrijpelijk, hoe ook de geboren Europeanen hierin hun voorbeeld volgen; misschien willen zij het doen voorkomen Surinamenaar te zijn. Voor een groot deel zal dit echter ook toegeschreven moeten worden aan hen, die in de kolonie den hoofdtoon aangeven. Althans een feit is het, dat een geboren Hollander te zijn, op dit oogenblik een bepaald ongunstig antecedent in Suriname is, en men dwaalt indien men zich voorstelt als blanke daar eenige voorrechten te hebben. Het tegendeel is waar.
Deze voorkeur voor het zwarte komt nog sterker uit in de bepalingen omtrent den houthandel. Deze handel, die in de onoverzienbare bosschen een onuitputtelijke voorraadschuur heeft, zou ongemeen tot den bloei der kolonie kunnen bijdragen, indien hier ook niet zooveel mogelijk Europeesche invloed en kapitaal werden gehouden, zoodat deze tak van bestaan schier uitsluitend tot de negers wordt bepaald. Deze brengen thans het hout uit het bosch, waarna het door de Surinaamsche joden wordt opgekocht. De negers hebben hiervoor geen patent of eenige belasting te betalen, de blanken wel. Ware dit privilege nog aan de Indianen als oorspronkelijke eigenaren van het land gegund, het kon zeker nog goed gezien en billijk heeten; doch hoe men een dergelijk voorrecht aan de Boschnegers, die evengoed vreemdelingen zijn als wij, kon geven en thans nog handhaven, dit behoort tot een politiek, waarvan men haast vermoeden zou, dat zij gebaseerd is op de genoeglijke zekerheid, dat tekorten door het rijke Nederland gedekt worden. Niet alleen hout, en dit is er in vele en prachtige varieteiten, zou het bosch opleveren, ook tal van andere voortbrengselen, als gom-elastiek, gom-kopal, grondnoten enz., die in andere werelddelen een voornamen tak van handel uitmaken, zouden hier met evenveel voordeel geproduceerd kunnen worden, ja, met nog veel meer gemak met het oog op de goede verkeerswegen, die de vele rivieren en haar talloze kreeken en beken vormen.
Van het binnenland is thans het eenige noemenswaardige product, behalve het hout, het goud: een woord, dat voor velen een betooverenden klank heeft, doch waarbij men vergeet, dat niet alles, wat glinstert, goud is. Zie een Surinaamse klomp goud en de vloek in de gedaante van een jachtgeweer in een politiebericht uit 2004. Het goud is de vloek van Suriname. Tot de politiek van de vroegere gouverneurs behoorde het steeds het goudzoeken tegen te werken, want men moet niet denken, dat het eerst kort geleden hier ontdekt werd; er is alleen meer leven in de brouwerij gekomen, sinds men gemeend heeft deze industrie te moeten bevorderen. Zij brengt thans eene menigte hoofden en handen in beweging: voor den pachtprijs van tien cents per hectare kan men zooveel land bekomen als men wil om er goud te gaan delven. Velen vinden wat, doch niet genoeg om de kosten hunner expeditie te dekken. Slechts zeer enkelen winnen bepaald, en tegenover zeer enkele winners staan talrijke geruïneerden. Velen in Paramaribo moesten reeds hun boedel aan de goud koorts opofferen, en velen zullen nog volgen. Alleen met een matig kapitaal van 20 à 40 mille schijnt er eenige kans op goede winst te zijn, daar men het lied dan eenigen tijd kan uitzingen. Dat er werkelijk veel goud in het binnenland is, is aan geen twijfel onderhevig.
Of de tegenwoordige aanmoediging der goudindustrie gunstig op den bloei der kolonie zal werken, moet de tijd leeren, doch het wordt door velen betwijfeld. Ook mij schijnt deze veel nuttige werkkrachten aan de cultuur te onttrekken. Het kan in dit opzicht zijn nut hebben de Nederlandsche met haar zusterkoloniën te vergelijken, vooral met Cayenne. Sedert den tijd, dat daar dezelfde politiek gevolgd is, is daar alle cultuur verlaten, en is het een feit, dat op dit oogenblik daar nog slechts één plantage bestaat, namelijk die door de gouvernements gedeporteerden bearbeid wordt! In Demerara heeft men de oude politiek gevolgd en hoort men van geen goud.
Tot de vele zaken, die verbetering noodig hebben, behoort vooral de cultuur van suiker, het hoofdproduct van de kolonie, niettegenstaande men allicht uit de exclusive begrippen der Surinamenaars zou afleiden, dat zij hierin ten minste de hoogste wijsheid in pacht hadden. Doch niets is minder waar. Ik mag het aan bevoegder personen overlaten dit nader aan te tonen, maar ik ben thans dagelijks in staat dit hier in Demerara op te merken. Bezoek Demerara, gesticht door Nederlanders in 1752 als laatste van de drie kolonies die Brits Guyana werden bij het Congres van Wenen in 1815; genoemd naar de rivier, waaraan de hoofdstad Georgetown ligt. Demerara Distillers Ltd. brouwt de wereldberoemde Demerara Rum. Van een stelselmatige, wetenschappelijke cultuur is ginds (in Suriname) geen sprake, terwijl dat hier (Eng. Guyana) als de eenvoudigste zaak van zelf spreekt, Nickerie uitgezonderd, dat trouwens door Engelschen bewoond en gekoloniseerd is. De winsten schijnen ginds ook minder te zijn, ten minste te oordeelen naar de bezoldiging der opzichters, die ƒ 150, hoogstens ƒ 200 per jaar bedraagt, voorwaar, een fraaie bezoldiging, en het is klaar als de dag, dat eigenaren van plantages hiervoor geen ontwikkelde opzichters kunnen krijgen, noch dat deze bijzonder hun plicht zullen doen.
De Handelmaatschappij zat thans een poging doen om de suikerindustrie op te beuren. Het groote struikelblok was in den laatsten tijd het aanzienlijke kapitaal, dat voor een suikerplantage, wegens de talrijke en kostbare machinerieën, vereischt wordt. Zij is thans bezig een centraal-suikerfabriek te bouwen, waar kleinere planters dan hun riet kunnen brengen om het te laten malen. De fabriek zal wel klaar komen. Waar men echter de kleinere planters vandaan zal halen is vrij raadselachtig: als men op de Boschnegers en de Surinamenaars vertrouwt, zal er wel niet veel van terecht komen.
De eenige andere cultuur in Suriname is de cacao. Deze schijnt bijzonder solied en aan weinig wisselvalligheid onderhevig te zijn. Een groot bezwaar is evenwel het lange tijdsbestek, dat verloopen moet voordat zij vrucht geeft. Het duurt omstreeks vijf jaren, ofschoon reeds in het derde jaar eenige cacao gewonnen wordt. Door den gelijktijdigen aanplant van bananen en maïs kan men wel bemerken, dat zulk een plantage reeds in het tweede jaar haar kosten dekt, doch ook hierbij is blijkbaar een aanzienlijk kapitaal voor aanleg noodig. Daarentegen zijn de exploitatiekosten gering, vooral voor de machinerieën zijn ze luttel en in geen vergelijking met die welke het suikerriet vereischt.
Katoen en koffie hebben geheel opgehouden. Een belangrijk struikelblok ter ontwikkeling van de cultuur is, benevens gebrek aan kapitaal, het gebrek aan werkkrachten. Eigenlijk zijn deze overvloedig in de kolonie aanwezig, doch zij verkiezen niet te werken. Men is nu van staatswege begonnen koelies aan te voeren, doch ook hierin ondervindt de Staat weinig medewerking van de planters, ja zelfs kost het dezen nog aanzienlijke sommen, zoodat van een aanvoer op groote schaal, zooals in Demerara, Trinidad, enz., geen sprake kan zijn. En dan klagen de planters nog over de groote kosten van koelies, over het bouwen van hospitalen te hunnen behoeve, enz. Het groote geheim ligt echter hierin, dat zij nog niet gewoon zijn menschen aan het werk te hebben en nog steeds denken aan den gulden tijd der slaven, die toch in hun oog geen menschen zijn. In den tegenwoordigen immigratie-agent, den heer Cateau van Rozevelt, bezit de kolonie wel is waar een knapper en energieker man dan zij tot dusver getoond heeft waard te zijn, maar het is blijkbaar voor één persoon haast niet mogelijk tegen den stroom op te roeien.
. . . . .
Tot zoover waren deze aanteekeningen gesteld. De dood heeft den jongen, maar veel bereisden en bekwamen schrijver verhinderd ze voort te zetten.
J. Reitsma. De bezorger is vermoedelijk Johannes Reitsma, echtgenoot van Jenny Louise van Sandick, een zuster van de auteur.