Archief Stamboom Kalender Links Gastenboek Contact
Van Sandick
wapen

Van Sandick Stichting

Inventaris R12

In map R van het familie-archief bevinden zich de brieven die generaal O.Z. van Sandick (1759-1822) aan zijn echtgenote Henriëtte Feith schreef tijdens de winterveldtocht van 10 juli 1800 tot 27 februari 1801. De digitalisering is tot stand gekomen met medewerking van Birgitta Feith en Erik IJzermans.


Brief No. 1 ontvangen den 14e Julij

Best, Donderdag Naamiddag, den 10e July 1800

Welk een IJsselijk Ogenblik, dierbaarste Henriette, was dat van deezen ogtend, toen ik U moest verlaaten! – Niemand als wij Zelfs kunnen het recht bezeffen; – Gij, mijn beste, lieve, Zoo geheel alléén; – Verplicht om den geheelen dag, aldus aan Uw Eygen, aan Uwe treurige gedachten overgeleeverd, van mij afgescheurd, weg te moeten reizen, en ik ook zoo eenzaam van mijne Eénige verwijderd! – O Jetje! Welk een dag voor ons! – maar meest voor U die geene Afleiding hoegenaamd hebt kunnen ontmoeten! – met welk eene heevige Aandoening ging ik niet, van U weg uit de Poort; getrouw aan hetgeen wij afgesprooken, en ik U beloofd had, zag ik zelfs niet eens om, vloog in de Poort, en op mijn Rijtuig, en weg ging ik ook; – zoo geheel ijder een anderen Weg, daar wij zoo gaarne saamen gaan; – ditmaal was er geen van ons blijvende, want beyde moesten wij van elkaar: jaa moesten wij, want bij keus: o hoe gaarne waren wij saam gebleeven! God weet het en zal ons hoop ik weldraa weder Verenigen!

Ik reed door, over Vechel, waar ik met de Voerman dat een beste Jonge was, een Borrel nam, en over St. Udenrooy waar ik Coffie met een Boterham nam, en de weg zooals ook het weêr zeer goed zijnde, deeden wij die Agt Uuren spoedig af, en ik kwam bijna gelijktijdig met het Battaillon alhier te Best, 4 uur van den Bosch deezen morgen om half Elf uur aan; mijn Logement was besteld in de Herberg van ’t Dorp, bij en met den Major Van Berchuys.; mijne Lieden voor zo veel die nog niet uitéén waren, zagen mij met veel genoegen weder, en verwelkomden mij hartelijk ’t welk mij veel genoegen gaf; verscheyde onderofficiers zelfs, vroegen mij voort met veel deelneming naar U mijn beste, O hoe ging mij dat aan ’t Hart!

De Oppasser van de Major hielp mijn goed aflaaden; ik dronk met hem een glas water en melk; Hij gaf mij het Commando, en alle de seedert mijn Vertrek ontfangene Ordres oover: en deed mij Verslag van alles wat het Battaillon aanging: – wij aaten om één uur, hadden Soup en een zeer goed diné, en zie daar naa Tafel, nam ik voort mijn schrijfkisje uit mijn Coffer, en begon, /: zooals ik thans nog ben doende :/ aan mijn Eenige te schrijven. – Morgen ogtend om Vijf uur marscheeren wij van hier naar het Camp, werwaarts onze Tenten, gister in den Bosch ontfangen, reeds heden naar toe gezonden zijn, en morgen door ons zelfs opgeslagen zullen worden: en daar zitten wij dan op de Heijde! Ver van allen die ons lief zijn! – Want een yder mist de Zijnen; maar wie van allen word zoo Teeder bemind als ik, en wie weet die liefde Zó te waardeeren, er zó wel aan te beantwoorden als Uw Echtgenoot, lieve Jetje? – O ik gevoel thans eerst recht, hoezeer mijn Ziel aan de Uwe gehegt is: hoe leevendig verbeelde ik mij, U in Traanen verzonken, op dit oogenblik, in onze Koets daar wij Zoo meenig aangenaam Oogenblik in sleeten, eenzaam op de Heijde, niet ver meer van Appeldoorn, te zien zitten: en ik, ik zit hier tegen over de Major van Berchuys, die Eevenals ik een Traan in de Oogen heeft over ’t gemis van Zijne Vrouw, die reeds binnen zes weeken kraamen moet: en tesaamen verwenschen wij den Aanlegger van al dit werk van Verwarring. – Niemand weet, tot hiertoe, wat het oogmerk is van onzen Optocht; het Fransche Camp staat nog bij Eijndhoven; – het onze tusschen Eijndhoven en Valkensweert: het zal dus beeter zijn de Brieven te addresseeren op Eijndhoven en daarbij te schrijven Poste Restante, dan laaten wij ze daar afhaalen.

O hoe verlang ik om te weten hoe gij de reis hebt overgebragd, en of gij wel overgekoomen zult zijn! – Schrijft het mij doch schielijk, beste! – Deeze verzende ik aanstonds met eerste occasie nog heeden avond naar S’ Bosch, om ze dáár, morgenogtend op de Post te doen, om 9 uur, en dan hoop ik dat gij ze Zondagavond zult met de Post ontfangen: – O kon ik mede gaan, om u schielijk geheel gerust te stellen; – maar dat is thans nog Verbooden: – De Generaal Bruce komt overmorgen, den 12e eerst hier in ’t Camp, dus kan ik dan eerst weten hoe het met mijn Request is; maar zeer waarschijnlijk zal hij het niet verzonden hebben, want daar het Battaillon in Activiteit is, moet er de Chef wel bij zijn; dit is eene militaire waarheid, maar thans zeer hard voor mij: morgen zal ik van hier naar het Camp een Koetskar neemen om niet altoos te voet te gaan, want een Rijpaard is hier niet te krijgen. – Ik hoop de mijne haast te zullen zien aankoomen. Daar komt een leege Postwagen van Maastricht op Den Bosch, die zal mijn Brief meede neemen om ze morgen ogtend op de Post te bezorgen. – Dus moet ik Eyndigen, lieve beste Vrouw! – Groet hartelijk van mij, onze waarde ouders, wat zullen die Verwonderd geweest zijn U te zien aankoomen! Groet onze lieve Broeders en Zusters: zegd hun allen hoe ik verlang weer bij Hen en bij U te zijn; heb doch goede Zorg, wel goede Zorg voor U en voor ons Kleintje, dit kan ik u niet genoeg aanbeveelen; denkt er doch wel om; – nu Vaarwel lieve; – Uw tederlievende man omhelst zijn Jettepoetje met de warmte en reynste liefde, duyzend duyzend maal: – meld mij alles, alles van U, tot de Kleynste omstandigheid. Ik ben en blijf geheel Uwen Sandick.

Ik ben zeer wel Vaarend.


Brief No. 2 ontvangen den 17e July 1800

In het Camp bij Eijndhoven, Saterdag Naamiddag, den 12e July 1800

Gisteren mijn Lieve Henriette, heb ik u niet schrijven kunnen, want het was al te warm en al te druk. – Wij marscheerden ’s Morgens om vijf uur van Best, en eeven naa het Dorp uitgegaan te zijn stapte ik met de Major op onze Huifkar, daarin wij op een goed Kussen stapvoets voor het Battaillon hén reeden; tot Eijndhoven alwaar ik bij den Generaal Massabeau Chef d’Etat Major, aan wien wij tot bekooming van onderrigt wegens het Camp, geadresseerd waren, aanging, die mij Vriendelijk ontfing en een Aide de Camp meede gaf om aan het Battaillon het Camp aan te wijzen: – wij kwaamen ten 9 uur à ½ 10 hier in het Camp; onze Plaats wierd ons aangewezen tusschen het 1e Battaillon der 1e lesBrigade en het 3e der 6=1/2, koomende 2e ½ Brigade links van ons te staan. – Wij begonnen direct onze Tenten op te slaan, en den geheelen Dag door was er braaf werk om alles in orde te brengen, want onze Nieuwe Soldaaten verstonden dat werk nog niet en de weynige oude met de Officieren en Onderofficieren moesten het hun leeren: – wij staan met het Camp een groot half uur ten Zuidoosten van Eyndhoven en niet zoo naabij Valkensweert als men gemeend had, zeynde de Positie onlangs door den generaal en Chef veranderd, en naderbij Eyndhoven genoomen, dus het Camp eerder dat van Eyndhoven als dat van Valkensweert moet genoemd worden.

De Vivres moesten gister eerst ontfangen worden en daar het Avond was ér de Fouriers weer kwamen, was er niets warms te pikken, en ik at met den Major Van Berchuys, met wien ik ook voortaan als Buurman Menage zal maaken, een Boteram met een glas wijn. Voor Avond raakten alle de Tenten opgezet, en bij geluk kwam er ook nog Stroo, zoodat wij ons Bed nog vór den Nacht konden maaken: – mijn Tent is geheel van grijs Linnen, met blaauwe Streepen op de Naaden; maar nog zoo groot nog Zoo gerieflijk als mijne Eijgene, omdat de binnen Tent niet van BeddeTiek gemaakt is, maar men kan het er zeer wel in doen. In het Agter binnendeel legd mijn Stroo, zeer dik in form van Bed op de grond, en daar heb ik deeze Nacht reeds bij uitstek wel geslaapen, want ik was zeer moey van al het heen en weêr drentelen gister in het Camp.

Deezen Morgen om zes a 7 uur ben ik opgestaan, heb met den Major Thee gedronken, met Melk en Boterhammen, want er is toevloed van alles in het Camp en een menigte Kooplieden uit de Nabuurige Dorpen en Vlekken, koomen met allerleij Waaren aan, terwijl er ook Vaste Zoetelaars zijn die zig met Tentjes of Hutten agter ons Camp neêrslaan en alles uit Venten, zoodat wij geen gebrek hebben: – te Eyndhoven passeerende bestelde ik een quart Anker Roode Wijn, die ik reeds gister Avond ontfing, en die zeer goed is, voor fl. 18.—’t Anker. –

Heeden morgen wilde ik met de Lt Col. Carteret onzen Neef, eene Visite aan den generaal en Chef Augereau gaan doen te Hees, maar een half uur van ‘t Camp ontmoeten wij Eenige Dragonder Officiers die ons berichteden dat Augereau gister Avond den 11e van Hees naar den Haag was vertrokken, met zijn geheelen Etat Major van den Haag naar Parijs en van daar naar Dusseldorf zoude gaan, als zijnde benoemd om de Armée de Reserve van den Beneden Rhijn welke op 30 Duyzend man zal gebragd worden, te Commandeeren. De Franschen van hier uit het Camp in onze Buurt marscheeren binnen Eenige Dagen daar heen, en of wij volgen zullen, zal de Tijd leeren: – wij retourneerden toen weer naar ‘t Camp en heeden Middag hebben onze oppassers, van de Major en van mij, ons van ons ontfangen Vleesch, met aangekogte rijst en wortelen met selderij, een extra goede Soup gekookt, die, ik Verzeeker het U, met Smaak gegeeten is, als hebbende gister geen warm Eeten gehad: – daarna aaten wij het Soupvlees, en Kerssen tot ons Dessert. Toen een middag uiltje gevangen, en zie daar naa den Thee, schrijf ik U deeze – het is heeden weer zeer warm, zoodat men het bijna te warm heeft, maar gij weet, beste, dat ik er goed teegen kan, dus hinderd het mij minder als een ander, en ik lijde er minder van.

Tot provisionele Oppasser heb ik, in Afwagting van den mijnen, genoomen Jan Welliger die grenadier Musicant die u de … in Wageningen heeft gebragd, en waarmede ik zeer wel te Vreeden ben, als zijnde zeer gewillig, Proper en handig; – Hij slaapt bij mij in de Tent ook op Stroo, tusschen de buyten en binnen muur op de Linker Zijde van de Tent: – ik heb deezen Nagt in mijn Borstrok geslaapen, met mijn Mantel in Plaats van Deeken, en de grijze jas op de Voeten, en zoo was ik zeer wel; niet te warm nog niet te koud: – wij hebben alle zoo officiers als Soldaaten Slaapzakken ontfangen die zeer goed zijn, het zijn grijze linnen Zakken, als een meelzak, waar men de Voeten in steekt en die men dan over zich heen trekt, zoover als ze reyken, zoo dat als met legd, ze bijna tot onder de Armen koomen: – dat lijkt wel naar de Historie die ik u verteld heb van die heer en Dame die ’s Nachts in een zak wierden gestooken: – het is echter zeer goed, om dat het Zuyver en Warm is, en men dan niet door het scherpe Stroo gestooken word.

Onze meubels zijn gering, want Stoelen en Taafels zijn er hier weynig of niet te krijgen, echter weet men zich te behelpen. Ik schrijf bij voorbeeld U deeze, zittende op onze Veldkachel voor de BataillonsCass, dat mijn Taafel is: – ook heb ik mijn Coffertje om op te zitten, en daar wij in de Major zijn Tent /: die naast de mijne staat agter het Battaillon:/ Eeten en Dejeuneren, zoo diend ons dan de kleyne BattaillonssCass tot Taafel en wij zitten beurtelings op Eene Stoel die wij bij de Boeren gehuurd hebben, of op een Mantel of Mantelzak of zoo iets.

Daar komt Capitein Van de Poel aan, die U, mijn lieve, tussen Nijmwegen en Arnhem gerencontreerd heeft; dus weet ik, Gode zij dank, dat gij tot daartoe ten minsten, en dat reeds vroegtijdig, wél overgekoomen zijt; Hij zegd zoo verwonderd geweest te zijn van U daar zoo onverwagt te ontmoeten en Zich te hooren uit de Koets aanroepen, dat hij zelfs vergeeten heeft zijn Compliment aan zijn Vrouw te laten maaken. Zegd haar dus en laat haar weeten dat hij heeden Saterdag Avond van Verhelen koomende welvarende in het Camp is aangekoomen.

Gedurig en zonder ophouden, liefste Jetje, heb ik om u gedagd, en altoos heeft mijn geest in gedachten om u heen gewaard, gedurende den tijd dat ik bereekenen kon gij op reys was: – O als gij maar gelukkig overgekoomen zijt; – maar welke een akelige langwijlige weg, was dat niet voor u; – had ik het maar kunnen veranderen, maar er was niets aan te doen; – O dat de Algoede U doch troost moogen beschikken, en U de noodige lijdzaamheid, en mij ook de behoorlijke onderwerping in ons Noodlottige afweezendheid moogen Vergunnen! Dit is nu mijn dagelijksch gebed, en moet ook het Uwe zijn!

Zondagnaamiddag, den 13e Julij: – goeden dag, lieve beste Vrouw! Ik hoop dat gij weder zoo wel zult geslaapen hebben als ik deezen Voorleeden Nacht; – een knegts Tent die niet opgeslaagen kon worden heeft mij tot een soort van Laaken verstrekt, en dus lag ik nog beeter als de Eerste Nacht! – maar hoelang zal het duuren? – dat weeten wij niet, want reeds heeden meenden wij de Ordre te zullen ontfangen om morgen van hier naar Dusseldorp te marscheeren, en nu is het weder verandert en uitgesteld want de generaal Barbou die zoo eeven in het Camp is geweest bij mijn Buurman de Lt.Col. Carteret van de 6e ½ Brigade heeft ons gezegd dat het weder uitgesteld was: – en zoo gaat het van den Eenen Dag op den anderen; – dus kan men nergens staat opmaaken. Dáár lees ik in de Leidsche Courant dat de generaal Augereau Ordre heeft om daadelijk met alle de Fransche en Bataafsche Troupes hier verzaameld, naar den Rhijn te marscheeren, intusschen is er nog niet meer als Eéne Fransche halve Brigade deezen morgen van hier op Weert gemarscheert, en wij zijn nog hier. – Vooreerst zullen wij op morgen hier op de Heijde manoeuvreeren, zoo als de generaal daar Eeven gezegd heeft: – Ik blijf nog altoos de hoop voeden dat de Zaaken ten gunstig loopen om ons ver weg te laaten trekken, en al was het, dat wij een Eynd weg naar Dusseldorp of den Rhijn verder op marscheeren, wij echter spoedig weder zullen koomen.
Inquieteerd U dus niet mijn beste, want altoos hoop ik een ogenblik tijd te hebben om U ons vertrek, indien het Plaats heeft, te melden. De Intentie geloof ik wel dat geweest is om ons naar den Rhijn te brengen om meede in den Reserve Armée te dienen, of tot bezetting der Plaatsen bij het verder voort rukken der Franschen, maar als de Stilstand van Waapenen ook voor de Donau en Rhijn Armée geld, dan is alles uit, en afgedaan, en wij blijven hier.

Maandag ogtend, den 14e Julij 1800, Altoos nog uit het Camp bij Eijndhooven

Goedenmorgen, lieve, beste Vrouw / al weederom heb ik deeze Nacht wel geslaapen; – de Dagen blijven warm, en de Nachten koud, maar ik heb er niets van gevoeld, als zijnde wel gedekt, en verzorgd met mijn Mantel, Jassen etc. – Mijn hoofdkussen is een grijze Linnenzak waarin de Pinnen van mijn Tent geweest zijn en die daar Zeer wel toe kan dienen. – op dit oogenblik zijn wij gereed om Van hier naar het fransche Camp of omtrek daarvan, met de 6 hier thans vergaaderde Bataafsche Battaillons te geen Exerceeeren, ter Eere van het feith van den Dag naamenlijk den 14e Julij zijnde zooals gij weet de Verjaardag der Verovering van den Bastille, en eerste merkwaardige Dag der fransche revolutie, die altoos bij hun gevierd word, en waarbij wij verzogd zijn te assisteeren, door den thans ons Commandeerende Dienst generaal Barbou, die te Eyndhooven zijn hoofdquartier heeft: – om 12 uur moeten wij in de Vlakte agter het fransche Camp zijn gerangeert, een uur van hier, en teegen den Avond zullen wij weer hier zijn waarschijnlijk, misschien Vraagd de generaal de Chefs bij hem te Eeten, en dat kan niet wel geweigerd worden: – wij verwagten nu heeden het laatste Battaillon zijnde de Jaagers van Witte, en de Hussaren, en dan is ons Corps compleet. – Het Fransche Camp is nu met heeden geheel opgeheeven, want zoo als ik u gezegd heb, is er gister een halve Brigade, de 49e, van hier naar Weert en verder op Ruremonde en Dusseldorp gemarscheert, en eene andere ½ Brigade Ligte Infanterie, de 29e, is heeden uit het Camp naar Bergen op Zoom gemarscheert. – Wij verwagten nog dagelijks de Ordre om ook op te breeken, en naar den Rhijnkant te marscheeren, maar werkelijk is ze nog niet uitgevaardigd, en al vertrekken wij, moeten wij ten minste daar de Franschen volgens de Couranten steeds voorrukken, wel honderd Uuren Ver gaan eer wij de Vijand kunnen ontmoeten, en intusschen is de Vreede of Waapenstilstand wel geslooten, dus word het geenssints eene gevaarlijke Expeditie en ik heb altoos nog een stille hoop dat wij hier blijven.

De Fourgons of Groote legerwagens tot transport der Officiers en ’t Bataillons Bagage worden heeden hier verwagt: – men spreekt ook nog hier dat er meer van onze Troupes herwaarts komen, als onder anderen ons 2e Bataillon. De tijd zal het leeren: – maar om onzer liefde willes, beste Jetje, verontrust u doch niet: en hebt doch goede Zorg voor U en voor ons lieve kleintje! – , met hoeveel Ernst bidde ik niet Morgen en Avond voor Uw en zijn behoudenis! En dat wij ons Spoedig moogen weerzien! Ons lot is immers in de handen van onzen Algoede, albestierder, die alles, hoe het ook zij, ten onzen besten doed uitloopen! Onderwerping en lijdzaamheid, met bedaardheid tot ons eygen behoud is onze plicht. Lieve, lieve Jetje, denkt daaraan, maatig uwe droefheid, tot welzijn van U en uw en mijn jaa ons, dierbaar nog ongebooren weezentje, dat van uw alles moet en kan verwagten, stel u zooveel gericht als gij maar kunt. Deeze geheele Brief kunt gij als gij wilt aan onze lieve ouders laaten leezen, thans denk ik dat gij bij hun zijt! Groet ze hartelijk met Elsje en alle de onzen van Mijnentwegen: zegd hun dat ik hun niet schrijf, en thans niet schrijven kan, om dat ik u zoo uitvoerig schrijf: – dat ik U in hunnen Ouderlijke bescherming en Vertroosting met geheel mijn Ziel op het teederste aanbeveel. – Mijn Stand, de Pligt, de Eer van mijn Beroep en het Behoud van mijn goede Naam verbieden mij, daar het questie is van Voortrektemarscheeren, om Verlof te Vragen, dat begrijpt gij, en het kan niet wezen, dus blijft er niets over als om nu nog meede te gaan, er er mij in te Schikken. – De ordres weliswaar varieren zeer, en daarom is er nog hoop tot blijven, maar daar wij nu de ordre hebben om ons tot den Marsch naar den Rhijn gereed te houden, moet men zich ook niets anders voorstellen, en het is mogelijk dat wij met den Eersten gaan, om bij of om Dusseldorp of Mainz garnisoenen te bezetten!
Hedenavond, denk ik, dat Frederik en Wouters hier zullen zijn met de Paarden; het is de 3e Dag van hun Vertrek en dan ontfang ik tijding van u mijn lieve beste Schat, en van al wat mij dierbaar is.
Alarmeert u maar niet, gelooft geen Valsche gerugten, maar dat allén wat ik u schrijf. Ik beloof u heilig, u in alles de Echte waarheid te zullen schrijven, en dat altijd en overal; doed ook alzoo, om op elkaar te kunnen vertrouwen en de Heere bevestig mijn Zeegen over U.

In de marge op pg. 5:

Ik sluit deeze, Maandag ogtend om 10 uur, als moetende heeden op de Post te Eyndhoven, met de Eerste Post weer naader – Deeze zult gij denkelijk WoensdagAvond ontfangen. O hoe verlang ik ook naar tijding van U, en van uw Reys, en uw gezondheid. De heemel schikke alles ten besten.

In de marge op pg. 6:

Ik heb van neef Willem van Hogendorp van Amsterdam reeds Antwoord en tijding dat hij onze wissels uit Graave aan hem toegezonden ontfangen heeft. Met moeite en hartzeer eyndig ik met U toespreeken. Vaarwel dierbare hartsvriendin.

Kort briefje

ontvangen den 21 July 1800

Au Camps d’Eyndhooven, 15 Juillet au Matin 4 Heures

Hier au Soir Ma Chére, l’Ordre de Marche est Venue, dans ce moment nous allons partir pour Weert, demain a Ruuremond, ensuite Glabbeek, et alors Dusseldorp, ou nous devons attendre de nouveaux orders. – Dieu te garde! – Adieu au revoir bientot j’espere. Tout a toi!! O.Z.V.S.


Brief No. 3 ontvangen den 23 Julij 1800

Ruuremonde, den Woensdagmiddag 16 Julij 1800

Daar zijn wij dan op den weg naar den Rhijn, lieve Henriette! / gij weet dat ik mijn Voorige uit het Camp sluiten moest, voordat we gingen Exerceeren, omdat ik vreesde bij den Generaal Barbou ten Eeten gevraagd te zullen worden, dit is ook gebeurd en daarom kon ik U van de Intusschen gekoomene Marschordre, die wij Echter zoo als ik u melde wagtende waren, geen gewag maaken. Wij kwaamen weder naa het Exerceeren en naa het Eeten, in het Camp hadden intusschen de Ordres om van daar op te breeken ontfangen, en naa die Nacht nog in onze Tenten geslaapen te hebben, braken wij ze ’s Morgens om 3 uur af, gaven ze weer aan den Magazijn Meester over en wij marscheerden naar Weert, alwaar ik in de Herberg gelogeert ben geweest, reedelijk wel maar duur, en waar wij deezen morgen om 4 uur weder naar hier gekoomen zijn. Onze Marsch route is in Zooverre veranderd dat wij in Plaats van naar Glabbeek, morgen, en dat wel om 3 uur wegens de Warmte van hier naar Suchtelen, een Dorp zes uur van hier, marscheeren en van daar overmorgen den 18e te Dusseldorp. Hoe lang wij daar blijven is onzeeker, want men weet niet of de Armée waarvan wij deel moeten maaken, en die schijnt tot een Reserve Armée gedestineerd te zijn, aldaar te Dusseldorp dan wel te Mentz zal georganiseerd en saamen gesteld worden. Hoe het zij, wij moeten er ons geduldig in schikken, maar het is onaangenaam aldus onverwagt uit zijn land gezonden te worden zonder geleegenheid te hebben ordre op Zijnen Zaaken te stellen, maar wat wil men doen? Zijn Ziel in Lijdsaamheid bezitten en geduld hebben met betrachting van zijn Pligt!
Dat is wat ik en wat Gij moet doen, lieve, beste Vrouw, en mijn geduurig gebed tot onzen God is dat hij ons Lijdzaamheid en bedaardheid schenken moge! Deeze Beproeving is bitter voor ons, maar zeeker ten onzen besten geschikt en laat ons daarom niet murmureeren! – Zorgd doch voor Uwe gezondheid en daardoor ook voor die van ons Kleintje. Waagd maar eens aan mij te schrijven geaddresseerd te Dusseldorp, en ik hoop dat ik het ontfangen zal. Is de Armée eens ingerigt dan hoop ik dat er een Veld Brieven Post zal zijn en de Brieven meer regulier zullen kunnen overkoomen.

De Capitein Van de Poel had ik eergister verzogd als ik in het Camp niet zou terugkoomen en de Post weg moest, door zijn Vrouw aan dewelke hij Schreef U te laaten zeggen dat wij naar den Rhijn moesten marscheeren!
O hoe naar zal die Tijding voor U mijn beste geweest zijn, daar gij uit mijn Brief van dien Dag nog een flaauwe hoop kondet overhouden, dat het er niet toe zou koomen, maar nu legd het er toe en wij moeten er ons in schikken! Wie had dat kunnen denken op het oogenblik van de Vreede, want men blijft er nog sterk van spreeken, en iemand van …. heeft het mij heeden hier nog gezegd dat er alle hoop toe was, maar dat men maar zoo veel Troupes verzaamelde om te zeggen: zie daar nog zó veel Volk gereed, als gij niet wilt toestaan wat U voorgedragen word! En dan koomen wij weer naar huis! Ach mocht het spoedig zijn! Dat wij nog Eenige schikkingen voor den winter mogten kunnen maaken; want wat kan er nu geschieden? Niets, en alles onzeekerheid!

Met welk onuitspreekelijk genoegen ontfing ik met eergister door het terugkoomen van Frederik en Wouters met de Paarden, uw Brief lieve Vrouw, met de zeekeren Tijding dat gij wel waart overgekoomen te Zwolle: zij kwamen juist op het ogenblik in het Camp toen wij afmarscheerden om te gaan Exerceeren, en toen ging ik met een veel vrolijker hart naar de Manoeuvres toe.
Ik gevoel leevendig, lieve, Uwe Eenzaamheid en al wat gij mij daaromtrent meld. Nimmer als in de Oogenblikken van Dienstbeezigheeden, gaat de gedagte van U uit mijn hoofd. Blijde ben ik dat gij te Boswijk zijt, groet ze daar doch alle recht hartelijk van mijnentwegen. Zegd hun alles wat uw minnend hart kan uitdenken. Ontfangt ook veel Complimenten van Santheuvel, van wien ik gister te Weert een pak met Brieven ontfangen heb, die te Maastricht voor mij ontfangen had en mij over Valkensweert toezond. Hij spreekt nog van een over De Graaf afgezonden pak met brieven dat mij nog niet geworden is. Hij zegd dat bij ons aan huis alles wel is. Heeden antwoorde ik hem, door eene geleegenheid die er is naar Maastrigt.

Hier ben ik gelogeert bij eene Heer en Mevrouw Van den Ende, dat zeer hupsche en vermogende lieden zijn. Ik ben nu Verpligt om uit te scheyden, want ik wil wat rusten. Het stuift zoo door het Zand, dat men geheel grijs uitziet op de Kleederen. Het is ook nog warm.
Gij zult mijn klein Briefje door den Lt. Berchuys ontfangen, het is geschreeven op ’t Oogenblik van ons vertrek uit het Camp. Nu vaarwel lieve beste, dierbaare Vrouw. De Heemel behoede U en ons allen, en doe ons weder spoedig elkander wederzien! Amen! Ik blijf Uw Sandick

Door Frederik heb ik alles wat gij mij gezonden hebt wel ontfangen, maar nu men op Marsch is, zonder te weeten waarheen, heeft men niet veel noodig en alles is bijna te veel, want hoe minder omslag hoe beeter.

O wat heb ik gekreeten toen ik Uw brief las. Zoo allén geheel alleen te Appeldoorn, en ook op de geheele Reis! Wat heb ik medelijden met U mijn dierbaare gehad! Ik verheug mij dat alles zoo wel is overgekoomen. De Heemel schikke alles ook verder ten besten.

Nu vaarwel, lieve lieve Jetje, al wat gij gedaan hebt is wel, zeer wel! Ik omhels u duizend maal in gedachten!!

In de marge op pg. 2:

De Inkt is hier zoo bleek dat gij het bezwaarlijk leezen zult kunnen, maar ’t is van mij en gij kunt ligt raaden wat Uw man Uw schrijft. Groeten aan Elsje en overige familie. TaVs. Ik ben zeer wel.


Brief no. 4

Benradt, bij Dusseldorp, den 18e Julij 1800, ’s Vrijdagavonds 6 uur

Gister, mijn beste Henriette, zijn wij van Ruurmonde gemarscheert naar Suchtelen, een Marsch van 6 a 7 groote Uuren: Ik was daar zeer wel bij een Amsterdamsche Tabakfabriqueur aldaar geetablisseerd; heeden zijn wij te Dusseldorp den Rhijn gepasseerd zonder in de Stad te koomen, daar langs gemarscheert en hoewel seedert 4 uur deezen morgen op weggegaan, eerst nu dadelijk alhier groote 2 uur van Dusseldorp aangekoomen en gecantonneerd; – ik hier op een Boere Hoeve, en de anderen ook zoo: – morgen betrekken wij weer andere Cantonnementen 3 uur Verder, dus 5 à 6 uur Zuidoostwaarts van Dusseldorp alwaar ik in ’t Dorp Reusraadt zal koomen te leggen, en waar wij waarschijnlijk wel Eenige Dagen zullen blijven cantonneeren.

Een ordonnants die mij hier gebragd heeft, neemt deeze meede naar Dusseldorp op de Post. Ik en alle onze Officiers zijn zeer wel, maar vermoeid en gaan wat Eeten en rusten.

Vaarwel lieve lieve beste Vrouw, en groet de onzen allen. Ik ben en blijve Uw geheel …. O.Z.V.S.

Het is, en blijft warm weder.
Veel Stof en Zand, maar
Geen Vijand


No. 5 ontvangen 27 Julij 1800

Neukirchen tussen Dusseldorp en Keulen, Zondag den 20e Julij 1800 ’s Morgens om 6 uur, verzonden maandag namiddag den 21e dito

Heeden, mijne Waarde beste Henriette, zullen wij dan eens een Rustdag hebben, want Eyndelijk zijn wij gister in onze Provisionele Cantonnementen aangekomen. Wist gij, en alle die belang in mij en in ons alle stellen, nu maar spoedig, hoe wel en hoe stil wij hier zijn, dan was gij gerust, en buijten alle Vrees omtrent ons! – maar eerst overmorgen kan deezen Brief van Dusseldorp vertrekken, en daartoe moet hij morgen maandag naamiddag van hier verzonden worden, dus denk ik dat gij hem niet voor heeden Agt dagen ontfangen zult; en welke onaangenaame tusschen Poozing zult gij tusschen mijn laatste van Ruuremond en deeze niet hebben? Want mijn kleine Brief no. 4 die ik u eergister van Benrad schreef zal wel te laat op de Post te Dusseldorp gekoomen zijn, om nog dien dag /:dat juist de Hollandsche Postdag was :/ te kunnen vertrekken, en dan ontfangt gij Hem niet als gelijktijdig met deeze: echter zult gij altoos mijn goeden wil zien, en de zorgvuldigheid die ik heb om, hoe, en waar het maar mogelijk is, u tijding van Uwen Sandick te bezorgen. Kon ik maar Eeven Zoo wel tijding van U ontfangen! Maar dat zal veel moeylijker zijn! Omdat gij bijna niet weet waar mij te vinden, en door ons gestadig voorwaarts rukken, zullen er al misschien van Uwe Brieven verlooren gegaan zijn, dat mij zeer zoude spijten! Maar misschien zal onze Correspondentie niet lang behoeven te duuren en wij weder vereenigd worden!
Ten minsten gister-avond kwam hier een Reisend Koopman te Paard door, koomend van Keulen, alwaar, zoo hij zeide, de geheelen Dag door de Klokken geluid hadden om de ontfangen Tijding dat de Waapenstilstand ook voor de Donau en de Rhijn Armees geslooten was; hetwelk ons niet weinig vreugde veroorzaakte. En mij nog wel eens zoo goed deeze Nacht heeft doen rusten: het is te hoopen dat het waar mag zijn en zulks zich mooge bevestigen.

Neukirchen, Maandagogtend om 5 uur, 21e Julij 1800

Gister, lieve Wijfje, kon ik niet meer als het hieromme geschrevene afkrijgen, want er moesten daarnaa Rapporten aan den Colonel Crass geschreeven worden, ik moest déjeuneren, mijn grenadiers die Appel hadden naazien, en mij kleeden tot de Kerk, want hier omstreeks veel Protestanten zijnde, is onder anderen hier in het Dorp alles Luthers en de eenige Kerk die er is, is ook tot den Luthersen Dienst; de Dominé /:hier overal Pastoor geheeten:/ is een Braaf bejaard man en alles wierd er met veel Stichting verricht.
De majoor van Berchuys, Capitein van Ingen, de Docter en Lt Roos waren met mij in de Bank van mijn Huiswaard die Schulte heet en een der voornaamste van ’t Dorp is; de Kerk begon laat omdat er eene Begraafenis vooraf ging, hetwelk hier meest Zondags geschied, alzoo daardoor meer Persoonen der beyde kunnen /:want de vrouwen gaan hier ook meede ter ….. :/ meede zouden kunnen gaan en daardoor de Opbrengst voor den Pastoor des te grooter word, want de Pastoor heeft hier geen Tractement maar alleen Accidentalia, dat is Bijvalletjes, van Giften bij Trouwen, Doopen, Sterven, Oogsten etc. De Preek was vrij goed over den H. Doop en ’s namiddags was er ……….. zeide de Pastoor geen godsdienstoefening: na den Eeten ging ik met den Major en mijn Huiswaard naar het Dorpje Oplaaden een half uurtje van hier op de Chaussée gelegen wandelen, en dronken daar Thée, om te hooren of er iets nieuws was wegens de Waapenstilstand. Verscheide Reizigers die daar passeerden en ook de Francforter Courant bevestigden het ons, maar ’s avonds toen wij weder hier terug kwamen, om het Musiek te hooren /:want ik laat ’s Avonds om 6 a 7 uur onze Battaillions Musicanten speelen, om de Boeren wat genoegen te geven en zij ons Volk daardoor beeter behandelen zouden:/ vernamen wij dat er intusschen een Ordonnantz van den Colonel Crats gekoomen was, met een Brief aan mij, en daaruit las ik de Positieve ordre van den Dag, waarbij aan de Armée bekend gemaakt word, dat de Waapenstilstand tusschen de generaals Moreau en Kray getroffen is, en alle Vijandelijkheeden daadelijk ophouden, ook dat wij Agt dagen lang een Zwart floers of Crepe om den Deegen zouden dragen wegens den Dood van den Braven generaal De Saig. Een gedrukt bericht ’t welk gister ook door iemand geleezen is, meld dat er ordre stond gegeeven te worden aan alle de Voortmarscheerende Bataafsche Troupes, om Halt te houden, ’t welk ons nog niet officieel bekend is, maar intusschen is nu de Waapenstilstand en het ophouden der Vijandelijkheeden zeeker, en dus kunt u er met ons over Verheugen. Waarschijnlijk zal men er bij U ook wel spoedig de tijding van bekoomen, en dan kunt Ge gerust zijn.
Wij waren echter nog wel 48 Uuren en meer, van het Toneel van Oorlog verwijdert, want Francfort is hier zoo ver vandaan, en eerst te Hanau leest men van de laatste Actien in de Couranten. Nu is maar de Vraag hoe lang wij nog hier blijven, en daaromtrent moeten wij naadere ordres afwagten, maar tot den terugmarsch zal alles schielijk gereed zijn, en niemand kan het ons kwalijk neemen dat wij verlangen weeder bij onze Vrouwtjes te zijn. Jaa lieve Henriette, ik wensch vuurig U weder te zien, en U weder in mijne Liefde armen te drukken! – Dank, zij intusschen de Heemel voor deeze ten nutte van het Menschdom zoo gewenschte en heilzaame kér van Zaaken, en mooge de Algemeene Vreede nu spoedig volgen! – En hierin weet ik dat Gij, en alle de onzen, hartelijk meede wenschen: –
Nu nog wat naaders en bijzonders van mij alhier. Ik had er in mijn briefje van den 18e deezes uit Benrad /:’t welk ik hoop dat gij ontfangen zult hebben:/ geschreeven, dat ik te Benrad in Cantonnement kwam te leggen, maar bij naader onderzoek bleek het dat dit …. Dorp niet geschikt was tot berging van de Staf, grenadiers en daarom verplaatste ik mijn Staf Quartier naar hier bij Neukirchen, en ligt de 7e en 8e Compagnie met Capitein Chaveau te Reudrath (?) blijven ’t welk aan den Chaussee of Steenweg legd, die van Dusselforf naar Keulen etc. gaat, waarvan wij hier te Neukirchen een half uurtje links leggen: dit land /:’t Hertogdom Berg:/ is een allerschoonst en aangenaam Land, zeer vruchtbaar in ’t algemeen, zoo in graanen als Boom en Fruitgewas, en door de Afwisseling van Hoogland, Valeyen, Bergen, Bosschen en Beeken vind men er de Schoonste gezichten en verscheydenheid derzelven. – Dit dorp Neukirchen legd op de Kruin van een redelijk hoogen Berg van waar men, als men Eenige treeden van mijn huis het Dorp uitgaat, de Stad Keulen aan de overzijde van den Rhijn, in de laagte kleine 4 Uuren van hier, het Stadje Mühlheim, 3 uur van hier, en veele andere Dorpen en Kasteelen zeer duidelijk kan zien leggen; daarbij de kronkelende Rhijn, die men hier en daar van tusschen de geboomheid ziet doorstroomen, de heerlijkste graanvelden, in volle Rijpheid, en een Horizon van Heemelhooge Bergen en rotsen, O dit alles leeverd een uitmuntend onbegrijpelijk schoon uitzigt op. Hoe zoud gij, mijn Jetje, U verheugen dit hier met mij te kunnen zien, en met welk genoegen zoude ik U dit alles toonen!! Zeekerlijk, gij zoud verrukt zijn het te zien, en dan …. Aanbaden wij te Saamen dien Algoeden Schepper van dit alles, dat ik nu maar allén kan doen, terwijl ik echter weet dat gij met mij hierin overeenstemd, en dat hoezeer wij thans gescheyden zijn, en wij daardoor lijden, Zijne goedheid in het andersints alles Zoo ten besten te schikken, mij op dit oogenblik een warmen Traan van Dankbaarheid en Aandoening uit de Oogen perst, waarbij gij, dit leezende, zeekerlijk eenige van de tranen zult mengen. Laaten wij, mijn Waarde, op deeze goedheid blijven hoopen en vertrouwen, maar laaten wij er ons ook waardig van maaken door weldoen en door onderwerping aan Zijn Wil: blijft met mij hoopen dat wij onseren spoedig weder zullen zien, en het genoegen alsdan, al ons leed vervangen zal! – Het zij zoo!!

Ik ben hier gebilletteerd bij Eenen heer Schulte, een welgesteld man, van Circa mijn Jaaren, die een Fabriquant is in Catoen, Bonten & ….. die hier omstreeks gemaakt worden, en waarvan hij in Holland veel debiet heeft, zoo dat hij dikwijls naar Amsterdam en andere Hollandsche steeden heenrijst en dus redelijk goed hollandsch spreekt; anders spreekt hier alles Hoogduyts maar doch een weinig verbasterd en naar het Hollandsch Zweemende, wat hooger als het …. – Vrouw van zijn Jaaren en Kinderen zoo van deeze als van zijn vorige Vrouw zijn hier in huys, 3 kleyne en twee op school. De Huizen zijn hier meest op de Dorpen van houten gebinten saamengesteld en de tusschen ruymten met teenen gevlogten en met Leem bestreeken en van buyten en van binnen gewit zijn, terwijl de houten Balken of gebinten Swart of Bruyn geverfd zijn. – Ik heb hier zeer goed Eeten, wordende alle voor mij in de Beneden Voorkamer opgediend; en ik slaap in een lief Vierkant Boovenkaamertje ’t welk vór ziet naar de Kerk die teegenover mij staat en regts op de Plaats of Markt van ’t Dorp die met Boomen beplant is, een Venster tot Uitzigt heeft. Ik heb een goed Ledikant met een Rood, bruin en wit Sitse Behangsel, een schrijftafel, stoelen en een soort van klein fortePiano dat zeer smal en reedelijk ontsteld is; de Menschen zijn allerbest en gedienstig, en met ons Volk zeer wel tevreeden.
Zij hebben hieromstreeks alle zeer veel door den oorlog geleeden, het is jammerlijk hun dit te hooren verhaalen; thans zijn zij weder Eenigsints bijgekoomen maar nu zijn wij hun weder tot last, en al dit strekt volkoomen ter bevestiging van het Heil van den Vrede. Op sommige Plaatsen vind men hier in hetzelfde Dorp een gereformeerde, Luthersche en Roomsche Kerk en Pastooren der drie gezindheeden, in andere 2 of maar een, naarmate de grootte van de Dorpen, en alle Leeven verdraagsaam met elkander.

De Majoor van Berchuys legd hier in ’t huys naast het mijne, en de Capitein Van Ingen teegenover ons, maar de huizen staan hier yder afgezonderd op zichzelf, en niet aan elkaar sluitend, yder heeft zijn Tuyn en Vrugt Bogaard, met Kersen, die hier thans in volle Rijpheid en zeer goed overvloedig zijn, Appelen en Peeren die ook al beginnen te rijpen. – men maakt hier ook Appelwijn, maar de wijnbergen vind men eerst hoger den Rhijn op, beginnende te Keulen. – Waar wij eygentlijk naaderbij zijn als bij Dusseldorf want naar Dusseldorf is 5 en ½ à 6 Uuren, en naar Keulen maar 4 kleine Uuren. Dus kunt Ge onse Cantonnementen vinden op de Kaart op de Regter Rhijnoever tusschen die beyde Steeden, oostwaarts af. Capt van der Poel legd met 2 Compagnien en Lt Stronst te Lützenkirchen, Capt Oudendijk met 3 te Leichlingen, Capt Chaveau te Reudrath (?), en Capt Thooft met Van Ingen hier bij mij. Alle zijn zeer wel varende, maar verbrand van de zon, zó dat wij geheel in ’t gezicht vervellen: – nu dat zal wel vergaan en verbleeken! – Bij het Bataillon hebben wij onder ’t Volk ook bijna geen Zieken, ’t welk bewijst dat de Beweeging gezond is. Men is hier in het Algemeen met de onzen zeer wel te Vreeden, en wij ook met de Inwoonders die al doen wat zij kunnen om ons te gerieven. Capt Chaveau legd aan de Chaussée en heeft veel Passage, ook heeft hij mij gister de tijding van den Waapenstilstand het eerst gemeld: wat zal die tijding van het ophouden der Vijandelijkheeden een Algemeen genoegen onder onze Dames geeven! Ik verheug mij met de gedachten daarvan, want nu zijt gij, mijn lieve, en alle andere Vrouwen buiten alle Vrees van gevaar voor ons. Groet ze alle van mijnentwegen, indien gij ze ziet, maar ik denk gij zult wel ’t meest te Boswijk blijven en niet meer in de Stad koomen als Volstrekt noodzaakelijk is voor den Huishouding.

Toen ik de Batt. Cassa met den Lt van Berchuys uit het kamp van Eyndhoven naar Zwolle gezonden heb, had ik vergeeten mijnen gage van de maand Juni daaruit te neemen, zoodat het geld daarvan, als nog daarin is leggende, en daar ik hier geld genoeg hebbe van dat wat ik in de Graaf getrokken heb, en eerstdaags weder mijne gage van July staa te ontfangen, zoo laat ik heden aan de quartiermeester Eymael schrijven, dat hij die gemelde gage van July, naa aftrek van zijn verschotten, voor mij als de f 30 Reisgeld aan Frederic voor met de Paarden /:die bij aanhoudendheid zeer wel zijn:/ en andere Bagatellen, aan u zoude afdraagen; gelieft dat dan maar te ontfangen volgens het Briefje dat hij U daarvan zal geeven, noteert het maar en houd het tot Uw gebruik: laat u vooral doch niets ontbreeken lieve beste Vrouwtje! – op Marsch heb ik niet extra duur geweest, en hier is het, en zijn wij vooral, zeer goedkoop, dus behoeft gij niet ongerust te zijn over onze finantien.

Uit Roermonde heb ik aan Santheuvel en ook aan Tante Van Hogendorp geschreeven dat wij naar Dusseldorf gingen – ook heb ik een klein Briefje aan Mathieu geschreeven om het hem te melden en hem de goede Zorg voor het Huys aan te beveelen, zooals ook den goede Verstandhouding tusschen hun, Domestiquen onder elkaar: – Nu blijf ik nog de hoop voeden, dat wij weldra weder bij elkander zullen zijn, en dan met meerder Zeekerheid onze Schikkingen zullen kunnen maaken.

Ik hoop dat wij het huis van Queijzen in de Bloemendaalstraat nog zullen krijgen, ten minsten als gij het goed en bekwaam voor ons Kind. Kon ik nu maar zoo gereegeld Brieven van U bekoomen, als ik ze u toezenden kan; maar daar is weinig of geen kans toe, want hoe kan ik zeggen hoelang of hoe kort wij hier of ergens anders blijven, en wat zullen die Brieven niet omdoolen, als wij eens vertrokken waren: Echter ook, U te zeggen Schrijft mij niet, kan ik niet toe resolveeren, en dus liever een Brief verlooren of Verdoold gerisqueerd: – het zal waarschijnlijk aanstaande Zondag den 27e July zijn eer U deeze ter hand gesteld word want Schielijker kan ik niet bereekenen dat de Post gaan zal, en dan weer Agt of 12 dagen om van daar Uw Antwoord over te zenden naar hier, want vór Woensdag kunt gij weer niet schrijven, en teegen dien tijd hoop ik dat wij weder weg, of thuys zullen zijn.

Toen ik Eergister met het Battallion bij Dusseldorf den Rhijn op de voor onze Passage gelegde Schipbrug overtrok, vond ik een weynig verder, de Ritmeester Blok die daar omstreeks met zijne Compagnie Dragonders gecantonneerd was, en met den Generaal Perine die onze avantgarde moest commandeeren derwaarts van de kanten van Eyndhoven gekoomen was. Hij was verheugd mij daar te treffen, zoo als ik ook; Hij had dien Dag aan zijne Vrouw geschreeven en als de Brief niet weg was geweest zou hij haar verzogt hebben U te laaten melden dat hij mij aldaar wel gezien had; In mijn Quartier gekoomen waagde ik het u mijn No. 4 te zenden, maar het zal wel te laat geweest zijn. Van hier zenden wij onze Brieven naar Oplaaden, het naaste Dorp aan de Chaussée en van daar worden ze morgen ogtend door de voorbij rijdende Post opgenoomen en met 2 Stuyvers dit geld, zijnde 1 Stuyver hollands franco naar Dusseldorf op de post bezorgd. – Het is bedroefd dat wij op onze Correspondentie geen beeter ordre kunnen houden, want eeven zoo gaarne als gij van ons de Brieven ontfangt, eeven zoo gaarne wilden wij ook de Uwe kunnen ontfangen maar het Eenige onderscheid is, dat wij weeten dat onze Vrouwen stil en vreedzaam te Zwolle zijn, en dat gijlieden ten onzen opzichten, in meerder Bekommering moet wezen; – maar nu daar het stilstand van Waapenen is, verminderd natuurlijker wijze uwe bezorging. Wij moeten nu van wederzijden het beste hoopen en vertrouwen omtrent onze gezondheid. Ik gedraag mij ten deezen opzichte aan dat geene wat ik u in mijn Voorig gemeld hebbe, en beveel u ons Kleintje. Hoe maakt die het? Is het nog onrustig en woelig? Ik hoop het, want dat is goed teeken! O nu heb ik goede hoop om ten tijde van zijne komst bij u mijn waarde te kunnen zijn, God geeve het en wel, hoe eerder hoe liever! – Ik hoop ook dat mevrouw Van de Poel, die bij het vertrek van haar man nog zoo zwak was, reeds bijgekomen zal zijn, en tot welzijn van haar Familie zal in ’t Leeven blijven.

Ik heb vreemd opgekeeken toen ik gehoord heb, dat Thooft nog voor zijn vertrek met Juffr. Bello ingeschreeven was, hij heeft er mij nog niets van gezegd en schijnt mij zelfs te mijden; dat zal dan doch nog doorgaan! Waarlijk wat schoons!!

De Lt Roos verzoekt mij met zijn respect Vermelding aan U en Onze familie, aan Papa te willen zeggen, dat hij te Deventer bij zijn Doormarsch aldaar, de Commissie wegens de Tulpen Bollen bezorgd heeft, en dat ze daar te Bekoomen zijn tegens den tijd dat men ’t graan afmaaid bij den Schoenmaaker Bulk in de Rijksmansstraat, die een liefhebber van Bloemen is, en ze leevert in differente soorten teegens andere in ruiling; Papa kan ze daar maar laaten afhaalen.

Het is nu middag geworden; – ik zal gaan Eeten en deeze naamiddag moeten onze Brieven weg; – dan gaan ik met de Major /:die onderweegs te Roermond een Paard gekogt heeft:/ naar Lutzenkirchen eens bij Van de Poel zijn Cantonnement bezien, en zoo alle dag eens een tour maaken om te zien hoe ons Volk ingequartierd is: de wandelingen zijn Superb, overal hieromstreeks; – kon ik er ze U maar eens laten zien! Het weer is dagelijks best, en nu niet meer zoo warm als toen wij op Marsch waren. Zoo er nu nog Eenige ordres of tijdingen van Aanbelang voor het Vertrek der Brieven van hier mogten aankoomen, zal ik de Major, die niet meede gaat, maar volgens naadere Afspraak hier blijft, verzoeken dat hij het aan zijn Vrouw meld om het U te laaten zeggen, maar zoo niet en als zij u niets laat zeggen, zoo weet en vertrouwd dat het alles blijft bij wat ik u hier gemeld heb, en dat er verders niets nieuws alhier is.
Niemand kan zeggen hoe lang ons Verblijf hier zal zijn, en wanneer wij de ordre tot den terugmarsch zullen ontfangen. De …... van ons 2e Battaillon zal zeeker veel sensatie in Zwolle gemaakt hebben, maar die zullen nu ook wel ordre bekoomen om niet verder voort te rukken, intusschen zijn wij reeds zoo veel verder: De Colonel Grass commandeert hieromstreeks alle Bataafsche Trouppes in Afwagting dat de generaal Bruce arriveerd, en hij legd te Ratingen een Landsladje Agt uuren van hier.

Nu, beste lieve Jetje, des Heemels beste Zegeningen smeeke ik af over U en alle onze waarde Vrienden af! Groet ze alle hartelijk van mij en zeg hun dat ik ze spoedig hoop weder te zien! Dit is een lange Brief, maar gij zult er U niet over beklaagen. Ik veheug mij, tijd en geleegentheid gehad te hebben U dus ongestoord te kunnen schrijven. Vaart wel, beste, Eenig geliefde van Uwen
O:Z:V:S:

In de marge op:

Pg. 1: Seedert Uwe door Frederic overgebragd, heb ik heden bij ’t Vertrek deezes, geene meer van Uw ontfangen. – Het is nu naamiddag en ik gaa met den Docter een tourtje rijden naar van der Poel. Adieu! Lieve!

Pg. 8: Als gij deeze, Zondag den 27e Julij ontfangt, zoo wagt nog de volgende Post van Woensdag den 30e Julij af, waarmede gij nog Eene van mij waarschijnlijk ontfangen zult en ik U misschien meer melden kan, als dan kunt gij mij Zaterdag den 2e Augustus schrijven en addresseeren, per Dusseldorp, Neukirchen, bij Oplaaden.


Brief no. 6 ontfangen: 30 Julij 1800

Keulen, den 23st Julij 1800 woensdagogtends om ½ zeven uur

Wie zou eergisteren toen ik mijn Voorige aan U mijn lieve Henriette sloot, gedacht hebben dat ik de eerstvolgende van hier gedateerd zoude hebben en dat wel van hier in Garnisoen: – misschien zullen de Couranten het U reeds gemeld hebben, vór dat gij deeze ontfangt, maar zoo niet, weet dan dat ik Eergister maandag den 21e naadat ik Uw Brief en Eene aan den quartiermeester toegezeegeld had, met den Doctor te Paard naar het Cantonnement van den Capt. Van de Poel reed, op het Dorp Lutzenkirchen, en van daar over twee Gehugten weder naar huys door de Schoonst mogelijke Landsdouwe, waarlijk Schilderagtig, want al wat de kunst in naagemaakte Engelsche Tuinen bevalligs vermag naa te bootzen was hier Enkel in de Natuur en dus veel schooner daargesteld! – O hoe dikwils hebben wij beyde niet gewenscht onze Vrouwtjes bij ons te hebben!
Het was Avond toen wij thuys kwamen te Neukirchen en ik vond ordres van den Colonel Carteret die onze ½ Brigade te Velde commandeerd, om Lijsten en Rapporten te zenden van den Staat der Inquartiering, dus naadat ik gesoupeerd had ging ik aan ’t schrijven om de rapporten sanderendaags vroegtijdig te kunnen verzenden, dus was het half elf uur toen ik te bed ging, maar nauwlijks was het Licht uit en ik in ’t begin van mijn slaap, of er werd gebeld en ziet er kwam een Ordre op van de 6e ½ Brigade gezonden als Ordonnantz en brengende de Marschordre om ’s morgens anderendaags vroegtijdigh temarscheeren naar Mülheim, waar de ½ Brigade zich zoude vereenigen en verder naar Keulen om aldaar Garnisoen te houden tot naader ordre: – gij kunt denken hoe zeer mij dit verwonderde en weinig aanstond omdat de Nacht zeer duister was, en het had begonnen sterk te reegenen, zoodat het bijna ondoenlijk was om het zoo wijd uiteen verspreide Battaillon /:want wij lagen wel 4 a 5 uuren uit elkaar gecantonneerd:/ in én te verzaamelen. Het moest echter geschieden want om Agt uur ’s morgens was het rendez vous te Mulheim bepaald, en ik requireerde dat boeren booden om onze Compagnien te gaan waarschouwen, en met de verzorging van alles werd het Eén uur eer ik weder te bed kon gaan. Ik sliep dus niet langer en teegen 5 uur à ½ 6 marscheerde ik weg met zooveel volk als er bij elkander hadden kunnen gebragd worden; – de ooverigen kwaamen naa, of Vervoegden zich bij ons op Marsch, zoodat eerst gisterAvond laat alles hier in de Stad was: – In ’t begin hadden we nog een weinig reegen, zoodat ik de mantel omsloeg, maar weldra werd hij mij tot last, want het helderde op, en wij behielden den geheelen Dag dór best Schoon weêr: – wij passeerden Mulheim dat een aardig welgebouwd Stadje is, en te Deutz dat een uurtje verder is, passeerden wij de Rhijn op eene groote Gierbrug die nog grooter is als die van Nijmwegen; – dus zijn wij dan weder op den linker Rhijnoever en in deeze Stad die bijne zoo groot is als Amsterdam; er was al seedert eenige tijd hier geen Fransch garnisoen, en dus zullen wij hier heeden den garnisoens dienst beginnen te doen, wij leggen er met de 6 Bataafsche Bataillons die in ’t Camp van Eyndhoven gelegen hebben, naamentlijk het 1ste der 1ste het onze, het 3e der 6e en de 3 der 2de ½ Brigade, alle gebilletteerd, en ik onder anderen bij den Burger Beiweg, een Rentenier die een zeer schoon huis heeft, en uit den Stoet die hij voerd, een zeer vermogend man schijnt te zijn, want hij houd Equipage, en is Extra wel gemeubileerd en bediend. Hij vroeg mij gister middag te Eeten, had Eenige vrienden te gast, alle bejaarde Heren en Dames, zooals hij zelfs en zijn vrouw ook is; kinderen hebben zij niet en het Diné was …. en lekker, dat mij zeer goed kwam want ik had grooten honger. – Dit te gast vragen van een officier die bij iemand gebilletteerd is, is hier iets Vreemds, want daar bijna de geheel Franschen Armee hierdoor gedefileerd is, zijn de Inwoners zodanig aan de Inquartiering onderworpen geweest dat men er weinig Complimenten meer meede maakt, en het thans hier /:en zoo ik hoor op den geheelen linker Rhijnoever:/ de gewoonte is om als een militair, het zij officier, onderofficier of gemeene, bij een Burger in het Billet komt, men hem zijn Kaamer aanwijst, het licht en vuur te legging geeft, en voor de rest niets, zoodat meest alle de Onzen een Verkeerde Reekening gemaakt hebben, als denkende iets te Eeten te zullen krijgen daar ze in ’t Quartier waren, en dat die Eenig geld had zich het middagmaal heeft kunnen in ’t Spijsquartier bezorgen en die niets had, honger lijden, waarover dus veel geklaagd is. – Onze Boeren daar zij alles bijna voor niets hadden, worden dus zeer geregretteerd. Wij bekoomen echter daarteegen weder Vleesch en Brood, en daarmeede moet het zich redden.

Het is waar, men is ons, net hebbende onze Soldij, niets verschuldigd maar men zou zeggen de beleefdheid vorderd ten minsten dat men een Vermoeid van Marsch koomende Militair iets aanbied, maar ziet, aan de meesten van ons is niet eens een glas water gepresenteerd, en aan onze gemeenen die minder delicaat en als niets wetende te bekoomen, wijl zij bij de Intreede geen Verzet hadden, wel eens iets aan hun huyswaarden te Eeten gevraagd hebben, is geantwoord dat men niet verschuldigd was hun iets buiten ’t Logement en Licht te geeven. Hierin ben ik dan weder gelukkig Jantje van Schevelingen geweest, want eerstelijk ben ik, mijn knegts en Paarden, hier aan huis zeer wel gelogeert, en word van alles bediend wat ik wensch. Gister zooals ik U gezegd heb dineerde ik hier best, gisterAvond heb ik niets begeerd te Eeten en ben naa het Avond Appel en een weinig wandelen door de Stad, vroegtijdig om 9 uur naar Bed gegaan.

Nu, zoo eeven, weetende dat ons niets toekomt had ik aan Frederic gezegd dat hij in de keuken een Trekpot, Theekopje en Melkkan zou vragen, en wat gekookt water om Thee te drinken, waartoe ik dan de Thee uit het Blikje /:daar nog niet aangeroerd was:/ zou gebruiken en ook mijn Eygen Suyker uit uw Trommeltje, en hem belaste Brood en Booter te gaan koopen voor mijn Déjeuner.
Maar, ziet, daar komt hij met een Blaadje met het geheele Thee gerey, en een Bord met 2 warme lekkere witte Broodjes en Excellente Booter weer de Kaamer binnen, en zegd dat toen hij de Theepot aan de meiden en knegts vraagde zij hem antwoorden, of wedervroegen Will der brave Oberst Thee drinken, en hij dit met Jaa beantwoordende Zij hem verder toevoegden …….. en direct daarop hem alles gegeeven hadden. Is dat niet gelukkig getroffen?

Om nu van mijnen Zijde ook niet indiscreet te zijn, zal ik heeden in de Auberge aan een publique Taafel gaan Eeten, en vraagen eenige van onse officieren die het juist niet te breet hebben /:onder ons gezegd:/ te gast. Wil mijn huijsheer mijn dan morgen eens weêr te dineeren hebben, ben ik tot zijn dienst. Ik heb hier een beneeden kaamer, dat een Zaal is, waar ook altoos fransche generaals of Commandanten gelogeerd hebben, zij is wel 15 treeden lang, en 10 breed, behangen met ligt groen Papier met Bruine Randjes, 3 groote Taafels, een dito laag taafel, een Cabinet, een Kaggel, een marmeren Schoorsteen met Spiegel daarbooven, een Alcove waar mijn Excellent Bed in Staat, een groote .. Canapé, 9 stoelen, 3 extra groote Raamen op een binnenplaats uitziende, en naast de Zaal een klein kaamertje waar Frederic slaapt, dus kan ik het er best houden, en uitgenoomen ’t Bed dat wat smal is, zoud Gij mijn waarde er zeer wel met mij kunnen logeeren. – Nu beste Jetje, heb ik al onder ’t schrijven gedejeuneerd, nu gaa ik mij kappen en kleeden en dan dienstzaaken en Parade, dus, tot wederziens, of wederschrijvens om beeter te zeggen.

Keulen, donderdags ogtends om ½ 7 uur. Goedemorgen lieve Vrouwtje – mijn eerste werk is weeder om mijn Journaal te vervolgen en U Verslag van den Dag van gister te doen, in de hoop dat gij zoo wel geslaapen zult hebben als ik den Voorleeden Nacht! – Terwijl ik nog aan mij te kleeden was, ontfing ik een Brief van den franschen Commandant de la Place, die mij verwittigde dat de Luitenant Generaal Dumonceau hier gearriveerd was, en dezelve verlangde mij te spreeken. Ik ging daarheen en vond reeds de Colonel Crass daar en vervolgens kwaamen ook alle de andere Chefs de Corps van onze zes hierleggende Battaillons; de generaal was uitermaaten vriendelijk teegens mij, en over en weeder naar onze Vrouwtjes informeerende, kunt gij begrijpen, beste Jette, dat ik geleegentheid had om van mijn Bemind Voorwerp, mijne Wedervereeniging met U, geheel uitvoerig te spreeken.
Veel kan, en mag ik u niet zeggen, maar dit wel, dat ik u aanraad om goede moed, en hoop op Spoedig goede Uitkomst te hebben. En dit zij U vooralsnog genoeg!
De generaal vroeg mij ten Eeten, met de andere Chefs, maar ik excuseerde mij daar ik reeds zelfs gasten gevraagd had naamentlijk de Quartiermeester Van den Berg en Adjudant Schlosser. Wij gingen vervolgens ….. bij den Commandant de la Place doen, en toen naar de Parade. En de generaal ging de ’s Naamiddags over den Rhijn op den Regter Oever waar hij zijn Hoofdquartier plaatst, te Mülheim het steedje ’t welk wij hier heen koomende, zoo als ik U gezegd heb, doorgetrokken zijn, een uurtje van hier. Wij zullen nog wel Eenige Dagen hier in garnisoen blijven, en als alle de Trouppen ……… van Generaal Dumonceau verzaameld zijn, weder Cantonnementen betrekken, in Dorpen aan de overzijde van den Rhijn gelegen. Sinds heden gaat ….. Berg daarheen om …. hoe veel volk er kan geplaatst worden, en hoe er de geleegentheid is; – maar eer het er toe komt, kan er nog wel Contra ordre koomen!

Gister heb ik verder, met onze officiers veel door de Stad gewandeld om ze te bezien, zoo als ook de Kerken die hier in Meenigte zijn, en nog alle Eevenals de Kloosters geen reforme ondergaan hebben, uitgenoomen de groote of Domkerk waarvan de Tooren nog niet afgeboud is, en die thans tot een Fransch Fourage Magazijn van Hooij, Haver en Stroo diend. Het is een waarlijk grootsch Gebouw, en voorzooveel de Bouwkunde aangaat wel jammer dat het verwaarloosd word.
Eerscheyde Schoone Markten en oopene Plaatsen waarvan de Paradeplaats een van de grootste is, treft men hier aan, zij ‘t, eevenals te Maastricht met groote Boomen omgeeven, en onze 6 Bataillons kunnen er gemakkelijk gerangeert staan. Wij hebben gister ook een schoone Redoute en Bal concertzaal gezien, die met een tot Vauxhall diend. – Ik heb in het Roode huijs, zijnde eene voornaame Auberge gegeeten en voor het vervolg aldaar voor ons Officieren, Accoord gemaakt a 24 Stuyvers van dit geld, zijnde 12 Stuyvers hollands per hoofd voor ’t middageeten en ook 12 Stuyvers voor een fles Moesel wijn; – dus ziet gij dat het hier niet duur is, en ik kan U verzeekeren, dat er zeer goed gegeeten word, Tweemaal opgedischt, en in een Superbe Zaal, op weijnig naa zoo groot als onze Zwolsche Concertzaal, met ligt blaauw Papier in Antique Basreliefs daarop geplakt. De Catheleijn en zijn Vrouw Eeten volgens Duitsche gewoonte meede aan Taafel, en zijn wat beleefder als onze Hollandsche Catheleijns. Naa den eeten gewandeld door de Stad, Thee gedronken met van Ingen, de Majoor Chaveau en de Doctor in een Coffiehuis, en ons braaf gekeeven met den Slager die ons volk slegt Vleesch wou leeveren, en wij niet hebben willen aanneemen, en met het vallen van den Avond een yder naar huys en naar Bed, want hier gewennen wij ons het souperen weer af, en houden ons bij én goed middag maal Daags: om half elf toen ik reeds lang sliep, want een weinig naa 9 was ik te bed gegaan, kwam er een ordonnantz …. met Eenige militaire Brieven, van onzen Agent, wegens de Soldijen en van niet veel Belang en ik moest op om hem zijn Reçue te geven, maar Sliep schielijk weêr in.

Ik heb U gezegd dat Keulen bijna zoo groot was als Amsterdam, en dit is ook zoo, maar het is bij lange naa niet zoo digt bewoond, nog zoo volkrijk, want men berekend hier op 40 a 90 duyzend inwoonders, en yder huis, behalven dat het op zich zelven groot en ruim is, heeft bijna een Tuin en er zijn er zelfs die Tuinen als Velden hebben, waar geheele Wijngaarden in zijn. Ook zijn er magtig Veele …… huizen, die het merkteeken der Antiquiteit draagen; en den Hollandschen Zindelijkheid vind men er op Verre naa niet.

Nu, mijn beste, gaa ik weer aan mijn Toilet en Werk, en wil ook eens aan Santheuvel, aan Tante en aan mijn Amsterdamsche Correspondenten schrijven dat ik hier ben, morgen vertrekt de Hollandsche Post en dan moet alles gereed zijn; – ik moet ook Raad van …. houden.

Toe lieve Jette Poesien, schenk mij nu eens gaarne mijn Thee die ik naa mij geschooren te hebben zal gaan drinken …. Maar jaa dat is leelijk mis, en dat moet ik zoo náár alleen en zelfs doen! Nu maar goede hoop, dat het haast weer anders en beeter zal zijn! En Uw getrouwe Sandick /:jaa, die naam durf ik mij geheel en ten vollen geeven:/ dan weer bij U, zijn Eenigen.

Donderdag Namiddag om 4 uur: daar ben ik deezen morgen toevallig vór de Parade bij den Postmeester geweest en heb vernoomen dat de Hollandsche Post deezen naamiddag daadelijk op dit uur vertrekt, dus mijn lieve Henriette, moet ik deezen sluiten en verzenden. Het 1ste Bataillon der eerste Halve Brigade marscheert morgen van hier naar Bonn, werwaarts men zeide dat wij ook volgen zouden, maar volgens zoo eeven gekoomene ordres, is het vertrek van onze Fouriers die weêr over den Rhijn zouden gaan quartieren maaken weer afgesteld en wij blijven nog Eenigen tijd hier in garnisoen. – God geeve spoedig de Vreede en dan is dat alles afgedaan! – was ik maar weêr bij U; want hoe woelig het hier is, binnen in mij is het eenzaam en ledig want gij mijn belle zijt er niet. – Groet onze waarde ouders, Broeders en Zusters hartelijk van mij, en nu hoop ik doch haast een Brief van U te krijgen. – Addresseert maar direct, in garnisoen te Keulen, of En Garnison à Cologne. En vertrekken wij, dan zal ik zorgen dat de Brieven ons naa gezonden worden. – Nu, vaarwel beste lieve Henriette. Tà vS.

Alle onze officiers zijn wel, en wie U vraagd kunt gij zeggen dat ze wel zijn en hun Vrouwen, Vrienden en bekenden groeten.


Brief no. 7 ontvangen den 6. Augustus 1800

Oberbieber, een Dorp 2 uur oostwaarts Van Neuwied aan den Regter Rhijnoever, den Sondag morgen 27 July 1800

/:Zoo ik geloof:/

Ons verblijf en garnisoen te Keulen, lieve Henriette, is van korten duur geweest. De Nacht tusschen den 24e en 25e ontfingen wij weêr ordre om te marscheeren. – Vrijdag den 25e ’s morgens om 5 uur vertrokken wij van Keulen met onze 6 Bataafsche Bataillons en kwaamen naamiddags te Bonn, 5 uur van dáár, aan.
Ik logeerde te Bonn met den Major in een zeer goed logement de Keulsche Dom genaamd, wij bezichtigden het schoone en nu vervallene Slot van den Keurvorst, waar bij Superbe Tuinen, wandelingen en uitmuntende gezichten zijn. – gingen vroeg te bed, en gister, Saterdag den 26, zijn wij weder van Bonn gemarscheerd, de Rhijn op een vliegende of gierbrug overgevaaren, en langs den Regter Rhijnoever opwaarts gemarscheerd tot bij Neuwied iets hoger als teegenover Andernach, vanwaar wij hier op de Dorpen hieromstreeks ons nachtquartier bekoomen hebben; – De marsch was zeer groot en fatiquant want van 4 uur ’s morgens zijn wij opgebrooken en ’s avonds om Elf uur ben ik met de Staf en grenadiers eerst hier aangekoomen. Ik ben hier bij eene Boeren Oude Weduwe zeer wel onthaald geworden op een melksoepje, heb zeer wel geslaapen, ben volkoomen weer uitgerust en gaa zoo daadelijk /:het is nu Agt uur:/ weer met de onzen op Marsch, heeden naar Montabauer, en morgen zoo men zegd naar Limburg aan de Lahn, waar wij waarschijnlijk Cantonnementen zullen betrekken. – Kon ik maar eens schrijvens van U hebben, maar daar zie ik met dat geduurig marscheeren voorwaarts geen kans toe. – Zegd aan alle onze Dames dat alle onze officiers zeer wel zijn. En zij de hunne groeten. – Schrijft niet voor ik u weer een Adress opgeef. – Groet onze waarde ouders: – Inquieteerd u maar niet, ik ben wel. Vaarwel lieve dierbaare Vrouw. – ’s Heemels Zeegen en Bewaaring zij over U!

In de marge op:

Pg. 1: Ik zend deeze te Neuwied op de Post. En hoop dat ze wel over zal koomen! Ik omhels u nogmaals. Weêr en weg zijn bij aanhoudendheid goed en gunstig. Groet Elsje en onze Broeders!


No. 8 ontvangen den 6 Augustus 1800

Limburg aan de Lahn, den 28 Julij 1800, Maandag Namiddag

Daar zijn wij reeds tot hier gevorderd, lieve Henriette! – Gister ogtend schreef ik u Van Ober Biber; – Wij marcheerden daarnaa uit ons Cantonnement, En hoewel de marsch maar Zes uuren Ver was, bleeven wij door de buitengewoone Hitte En door de ongemakkelijke weg, Van Bergen En Daalen, Rotsen En Steenen, Van S’morgens Agt tot S’Avonds om 9 uur onderweegs. – Ik ben te Montabauer deeze Nacht, in Een Logement /het witte Paard:/ wel gelogeerd geweest. – En heb wel uitgerust. – Deezen morgen Zijn wij met den Dag Van daar weg gemarcheerd, En deezen middag om 12 uur hier te Limburg aangekoomen. – Ik heb bij den Chef d’État major général, Rostoland gedineerd En Schrijf u deezen nog voor het Vertrek van de Post, in Een Logement waar ik Chaveau vond Zitten, die ik Verzoek deezen aan Zijn Vrouw intesluijten. – Excuseerd Slegte Pen En Schrift, het is hier niet anders te bekoomen. – Morgen hebben wij Eyndelijk hier Een Rustdag, En Zullen Een weinig uitrusten, dat wij Zeer nodig hebben, want de Hitte is Zeer groot, En Vermoeid ons Volk uittermaaten. Ik kan Er, Zooals gij weet, wel tegen En bevind mij Zeer wel. – overmorgen, marscheeren wij denkelijk naar Weilburg 4 uur van hier En Van daar waarschijnlijk naar Wetzlar; – Dus koomen wij bij of omtrent de door den Waapenstilstand getroffene En bepaalde Demarcatie Linie. – Alles blijft met ons op Vreede hoopen En de Heemel neige alle Harten daartoe, dan Zie ik u mijn waarde haast weder, ’t welk de Eenige En Vuurigste wensch van mijn hart is! – Daar ik in onze geduurige ...staat, geen Kans Zie om Een Brief Van u Ergens te doen addreseeren, Zoo moet ik, hoezeer het mij tegen de Borst Strijd u Verzoeken om mij voor als nog niet te Schrijven. – Tot gij naadere Tijding van mij hebt. – Vaarwel, lieve beste, Eenige, En ontfangt mijne hartelijke groetenis Voor u En de onzen. – Eeuwig blijf ik uw getrouwen O.Z.v.Sa


No. 9 ontvangen den 6 Augustus 1800

Limburg aan de Lahn, Dinsdag ogtend om 10 uur 29 July 1800

Onze Vermeende Rustdag alhier, waarvan ik U gister naamiddag bij mijn No. 8 melding maakte, lieve Henriette, is weder op Niets uitgedraayd, want gister Avond bekwaamen wij weder ordre om heden op te breken en deezen Avond naar het vlek Wilmer, 2 uuren van hier te marscheeren, hoezeer dat men Eerst gemeend had, dat het 3e Battaillon der 6e Brigade daarheen had zullen gaan. Maar nog het Een nog het ander zal nu Plaats hebben, en op eenen naaderen ordre moet mijn Battaillon nu nog heeden Dinsdag naamiddag naar Weilmunster, een Dorp zes uuren van hier, in het Weilburgschen geleegen, marscheeren. – Wij zullen dan om half Twee van hier afmarscheeren, en teegen den Avond laat in ons Nachtquartier koomen, want uur op uur kan men bij de teegenswoordige warmte niet doen. Te Weilmunster blijven wij waarschijnlijk niet lang, en denkelijk wel van daar naar Wetzlar; – Chaveau marscheert niet met ons meede, want hij is gister Avond, naa het Vertrek van de Post door den generaal aangesteld tot Commandant de la Place alhier, om de doormarschen der Trouppes die nog hierdoor moeten, en den Dienst alhier te verzorgen, Hij zal dus hier blijven, denkelijk tot dat wij in die Plaatsen of Cantonnementen zijn waar onze destinatie is, hieromstreeks, wie weet wáár! – Want zooals gij bemerkt komt er wel eens verandering in de Destinaties. – Chaveau heeft mij verzogd om U te vraagen of gij zoo goed zoud willen wezen aan zijn Vrouw te laaten zeggen, dat Hij hier Commandant de la Place is geworden, en dat daar hij nu waarschijnlijk wel een dag of 10 of 12 hier zal blijven, zij hem hier kan addresseeren te Limburg aan de Lahn par Cologne. Gij kunt ook wel van die geleegentheid gebruyk maaken om een Briefje aan mij in de haare in te sluiten, dan is er ten minsten kans dat ik eens tijding van u mijn beste ontfang, want seedert Uw Brief door Frederik heb ik niets meer van U ontfangen, en wie weet hoe of waar uw Brieven, die gij mij misschien te Dusseldorp of te Keulen geadresseerd hebt, heen en weer kruissen! – Wie weet ook hoelang de mijne misschien wel onderweegs blijven. – Ik wil echter niet naalaaten U bij alle moogelijke geleegentheeden Berigt van mij te geeven, wel weetende dat U niets aangenaamer kan zijn, als te weten wat uw Sandick wedervaart, en gij het BriefPorto niet regretteeren zult, hoewel het zich wel wat hoog zal beloopen – maar dat is niets. En gaarne gaf ik een Ducaat om Echt te weeten hoe het met U en de onzen is, maar hoe is dat moogelijk door onse geduurige Bewegingen? – Ik moet dus maar het beste wenschen en hoopen; – goede moed hebben, en beveelen allen onze Belangens in de Hand van den Algoeden bestierder van ons lot! – altoos, altoos denk ik aan U, en ben in gedachten bij U, lieve, dierbaare Vrouw! – Mogt het mij vergund worden U spoedig weder te zien en weer bij U te zijn; – O! dat is mijn wensch! – En de Heemel verhoore hem! – wij hebben hier zoo weinig tijd om te schrijven, dat de Correspondentie met het Battaillon en de quartiermeester zeer gebrekkig gaat; – zoo gij hem spreekt of ziet, zegd hem dan maar dat wij nu in de Buurt van Weilburg en Wetzlar zijn, en hem weldraa schrijven zullen. Zegd ook aan alle Dames die u vragen dat hun aller mans wel zijn, went niemand is hoegenaamd geïncommodeerd.

Nu moet ik Eijndigen en maaken mij tot den Marsch gereed. Waarschijnlijk zullen wij nu binnen Eenige Dagen wel wat rust genieten, want wij koomen nu naabij de grenslinie door den Wapenstilstand bepaald. Groet Mevr. Van Ingen en Van de Poel ….. van hun mans die wel zijn en van mij. Gister moest ik met een omgedraayde Pen schrijven, daardoor zal mijn Brief bijna onleesbaar zijn, en heeden is het al niet veel beeter. – want het Schrijfgereij is ellendig en men kan zoo alles niet uitpakken. – Nu vaarwel dierbaare Vrouw. – haast schijf ik u weder. – Groet ouders en vrienden, ik omhels U! en blijf altoos Uw Sandick.

Eergister den 27e deezes was de nootlottige Verjaardag van mijn Vertrek uit Zwolle naar Noordholland. Daar heb ik wel dikwijls aan gedacht, en wat is het nu! Hoe wijd ben ik nu ook niet van u af! – maar laat ons de moed niet laaten vallen en het beste hoopen! Het kon immers veel slimmer zijn als het is.

De generaal Dumonceau is hier bij ons!
Ik ben hier bij een Raadsheer gelogeerd, die uit de Stad was en een oude meid heeft mij alles bezorgd wat ik nodig had: dus ben ik weer wel tevreeden geweest: nu tot naader Schrijvens, lieve!

In de marge op:

Pg. 2: Misschien zult gij nu wel eens twee Brieven tegelijk op Eenen Postdag ontfangen van mij, want ik durf mij niet vleijen dat de Posten heel regulier zullen gaan, en ik neem het maar waar als ik tijd of gelegentheid heb.


No. 10 ontvangen den 10e Augustus 1800

Wetzlar, den Vrijdag 1st Augustus 1800. Verzonden vandaar, zondag den 3e Dito

Eijndelijk, lieve Henriette, hebben wij eens hoop op Eenige dagen Rust! En misschien geleegentheid om Eens tijding van ons Vaderland te ontfangen. Mijne laatste, No. 9 schreef ik U van Limburg aan de Lahn, het oogenblik vór ons vertrek vandaar den 29 Julij. Om 2 uur namiddags vertrokken wij, en marscheerden eerst door eene groote hitte, maar teegen den Avond verkoelde het, en langs zeer ongebaande wegen door bosschen en over hooge Bergen, die zeer steil waren, kwamen wij des Avonds om Elf uur in ons Nachtquartier te Weilmunster, 4 uuren van Weilburg, aan. Verscheijde Compagnien van het Battallion die regts, links of voorwaarts gedetacheerd waren, kwaamen eerst ’s Nachts om Een of ½ uur in hun dorpen aan; – maar gelukkigerwijs hadden wij s‘anderen Daags den 30st Julij eerst een volle rustdag, en konden dus eens uitslaapen.
Het Dorp van Weilmunster is niet groot maar aangenaam geleegen in een Dal, en oomgeeven van hooge Bergen. – In ‘t algemeen kunt gij u niet begrijpen hoe aangenaam deeze Landstreeken zijn door de geduurige Verwisselingen van gezichten; maar ook door het geduurige klimmen en daalen zijn de wegen zeer moeijelijk voor de Passanten, voor rijtuigen en Paarden! Het opklimmen is niets voor de Paarden, en tusschen Limburg en Weilmunster hadden wij onder anderen een weg teegen een zoo steijlen Berg op dat de Paarden bijna regt overend stonden, maar het afgaan is slimmer, en als het mij te erg word, gaa ik van ’t Paard af, en laat het leiden door Frederik of Wouters die altoos trouw bij mij zijn en waarvan een van beyden ook mijn 2e Paard rijdt, terwijl zij daartoe beurt houden, en afwisselend een stuksweegs te Voet gaan.
Dus doen zij de Marschen ook gemakkelijk, en zijn niet zoo vermoeijd als of zij geduurig te Voet moesten loopen. – Wie had dat gedacht dat wij zoo schielijk en zoo diep in Duytschland zouden inrukken! – Daar zijn wij nu juijst in die Landstreek gepasseerd waar ik voor 16 jaar in 1784 door reisde, toen ik van Maastricht naar Weilburg ging, om bij den Prins van Weilburg te koomen, bij wien ik toen Adjudant generaal was geworden. – Maar toen hield ik de groote Postroute, oover den linker Rhijnoever van Keulen over Bonn, Reimagen en Andernach, en ging te Coblenz over den Rhijn, terwijl wij nu langs den Regter oever over Neuwied naar hier gekoomen zijn.

Om nu mijn Journaal te vervolgen, zal ik U zeggen dat wij dan woensdag, den 30e Julij gerust te Weilmunster bleeven, en ik U dien Dag niet schrijven kon omdat ik de geheelen Morgen met het maaken der bestemmingen tot den Marsch voor s’anderen Daags bezig was, en bij de Boeren gelogeerd zijnde er ook geene Inrigting tot schrijven was en, nog minder, geleegentheid ter verzending. – Ik was er echter andersints wel, bij de voornaamste Boer van ’t Dorp, alwaar ook de generaal Jourdan bij de Passage der Fransche Armée gelogeerd had, en in ’t algemeen passeeren wij hier geen Plaats of de Franschen zijn er geweest bij de Verschijdene Inmarschen der Armée, naar en uit Duitschland.

Eeven voor mijn Uitmarsch uit Limburg had ik de ordre ontfangen om den 31ste Julij met mijn Battallion van Weilmunster naar Welzlar te marscheeren en aldaar te verblijven tot nadere ordre. – Dus verliet ik, naa wel uitgeslaapen te hebben, des donderdags morgens 31 Julij om 4 uur mijne goedhartige Weilmunstersche Boeren, en marscheerde met het Battallion over Millaux en Graft, Solms, naar hier te Welzlar, alwaar ik circa ten halftien uur ’s morgen aankwam, dus een korte en gemakkelijke Marsch. Juijst met of voor mij arriveerde hier ook het 3e Battaillon der 6e ½ Brigade die ’s nachts te Weilburg geweest waren, en toen zoude ik bijna weer weg gemoeten hebben op de Dorpen hieromstreeks naar de kant van het Hessische Steedje Giessen, maar het wierd gemiddeld, en wij wierden hier ook ingequartierd en gebilletteerd.
Deezen ogtend vroeg is het gen. Battaillon der 6e ½ Brigade weder van hier uitgemarscheerd naar buiten om te gaan Cantonneren, en dus is mijn Battaillon nu hier alleen met eenige Hussaaren; – De generaal Dumonceau die hier thans zijn Hoofdquartier heeft, en de Colonel Crass, die de Eene Brigade van de Divisie van Lt. Generaal Dumonceau commandeerd, welke Divisie nu bijna hieromstreeks vereenigd zal zijn. De Waapenstilstand blijft altoos voortduuren, en denkelijk zullen wij wel eenigen Tijd hier blijven. – De Postmeester heeft aangenoomen om ons de Brieven die voor ons koomen mogten, al waren wij vertrokken, naa te zenden als wij maar het Adress van ons Verblijf opgeven, dus kunt gij eens wagen om naar hier te addresseren. Postes restantes.

Zoo lang reeds van U mijn dierbare afgeweest te zijn, en nog niets van U te hebben kunnen ontfangen, O dat is hard! Gister is het 3 weeken geworden dat wij van elkaar gescheiden zijn, en nog niets van U ontfangen als op den 14e Julij door Wouters en Frederik; maar ik kan het U niet wijten, en gij moet niet denken, lieve, dat mijn hart er u het alleminste van toerrekend, want ik weet dat het uw Schuld niet is; – en het allén aan onze geduurige Plaatsverwisselingen te wijten is. – Denkt eens dat wij nu, alles wel gereekend, reeds 107 uuren gemarscheerd hebben, dat is met alle onze gedaane omwegen, want wij zijn op verre naa zoo wijt niet van huis, en wij hebben nu 17 dagen gemarscheerd over een weg die onze Weilburgsche Verlofgangers altijd in Agt Dagen deeden. – Gij hebt het dan wel geraaden toen gij Zeide dat wij naar den Rhijn zouden gaan; – en nu zijn wij reeds al zoo veel verder, dat wij aan de Lahn en niet ver meer van de Nidda zijn; – De Hoop op Vreede blijft altoos bij ydereen huisvesten, en gij kent mij genoeg om te weten hoe ik daaromtrent denk.

Voorleeden Jaar, juijst op heeden, juijst op ditzelfde oogenblik, schreef ik U uit Enkhuizen, deeze dag was de Dag die voor onze inschrijving bestemd was; – O! ik herinner het mij zoo leevendig, alles, alles staat mij nog zoo wel voor oogen; – en nu wederom moet ik mij verwijderd van U bevinden, daar onze Betrekking zoo veel naader, en den Afstand echter zoo veel grooter is! O lieve beste Henriette, mogten wij doch spoedig weder vereenigd zijn! En met deeze wensch gaa ik te Bed!

Zaterdag ogtend 2e Augustus. Goede Morgen lieve beminde Vrouw! Mogt gij zoo wel geslaapen hebben als uw Sandick, die met de gedachten op U gevestigd, ingeslaapen en ook weder wakker geworden is. –

Quelle difference pourtant ma Chere, de ces temps heureux ou tu etais pres de moi, ou à chaque moment je pouvais epancher mon Ame, tous les Sentiments de mon Coeur dans le tien, à cette solitude où je me trouve maintenant, où je ne peux que t’écrire combien je t’aime et que ca me donne du plaisir de te le dire: – quelle cruelle Separation, et combien doit elle encore durer? – Dieu le sait et nous ne pouvons que désirer ardemment notre reunion. Nous voila lancés en Allemgane, et il n’y a que la Paix qui puisse nous ramener bien vite dans nos foyers. – Puisse t’elle bientot avoir lieu, et consoler l’humanité souffrante au plus tot!

Nu nog wat van onze gesteldheid alhier. – Ik heb U gezegd dat wij allen gebilletteerd zijn in de Stad bij de burgers aan huis: – Ik heb het weer zeer wel getroffen, en ben gelogeert bij Eenen heer Assessor von Neurath, die met zijn vrouw uit de Stad is en bij zijn zoon, woonagtig te Wisbaaden, thans voor Eenigen tijd gelogeerd is. Ik ben dus door de Dienstbooden, die thuys zijn gebleeven, ontfangen en zeer vriendelijk bejeegend. Het is een der schoonste huyzen van de Stad, zeer groot en wel gebouwd; – van binnen zeer modern gemeubleerd. Ik occupeer de beneeden kaamers, bestaande in een Appartement van Eene Antichambre of voorkaamer, een groote kaamer waar ik slaap, die voor op de markt uitziet, en 2 Cabinetten daarbij, alles met smaak getapisseerd en rijkelijk gemeubleerd. Dit quartier was bestemd voor den Generaal en Chef Augereau, die reeds eenmaal hier gelogeerd heeft, en hij nu vooreerst niet hier komende, is het mij provisioneel overgegeeven, dus kunt gij begrijpen dat het goed moet wezen. Ook ben ik er zeer wel mede te Vreeden. Er is tenminste ruimte genoeg. De generaal Hoche heeft voortijds hier ook gelogeerd en is hier in huis gestorven, hij occupeerde de boovenkaamers booven de mijne. Frederik en Wouters logeeren ook hier in huis, en de Paarden staan er digt bij, alzoo de Stal en Koetshuis hier verbouwd worden. Men zegd dat de Heer en Vrouw van ’t Huis zeer hubsche lieden zijn, dus doed het mij leed dat zij niet hier zijn.
Deeze Stad legd eeven als ik U van Weilburg gezegd heb, op het hangen van een Berg, en daardoor is het in de Straaten niets als op en af. – Op de markt tegenover Mijne Vensters staat eene oude Gothische Kerk over 900 jaar gebouwd, waarin zoowel voor Roomschen als Lutherschen, met afscheiding van het Choor voor de laatsten, den godsdienst verricht word; – eene andere gereformeerde kerk is er ook waar ik morgen ogtend denk in te gaan. En deeze 3 gezindheeden leeven hier zeer Broederlijk met elkander. – Gij weet dat hier de Zeetel van het Hooge Gerechtshof van het Duitsche Rijk is, daardoor woonen hier veel voornaame Lieden, die daarin Zitting hebben of gedeputeerd zijn van verschillende Duitsche Vorsten, ook een Pruisische Minister bij wien wij Hoofd Officieren en de generalen deezen Avond op eene Assemblée verzogd zijn.

De Divisie van den generaal Dumonceau komt nu hieromstreeks op de omliggende Plaatsen en Dorpen bij een. Wij blijven denkelijk vooreerst hier, en gij kunt nu maar met de eerst vertrekkende Post naa aankomst van deeze direct addresseren, au quartier general du general Dumonceau, à Wetzlar: dan is er meer zeekerheid voor den rigtigen ontfangst, want ik verlang naar een Brief van mijn Jetje als een Visch naar ’t Waater!
Misschien komt er eene Geleegenheid waardoor deze U spoediger zal geworden, als met de ordinaire Post want er zal wel eens iemand als Courier of Expresse vertrekken naar ’t Vaderland en ik neem alle occasies waar om U tijding van mij te geeven. – Mogt ik maar eens die van ons retour kunnen overzenden! Maar wie weet wanneer het daartoe komt! – Intusschen troost en welzijn zij over U, mijn waarden!. – Uw 7e maand begint nu te naaderen en is in weinig dagen vervuld: – dan word het doch tijd om aan Wieg en Vuurmande te denken, en die zult gij dus maar moeten aanschaffen; – doet dat volkoomen naar Uw zin, zoo als gij ze het het Liefst had; – groen meen ik met een witt Passementje; – spaar er niets aan, gij weet dat wij het doen kunnen en daarom maakt het naar uw zin; het komt altijd te Pas, want al was het dat ik nog tijdig genoeg kon overkoomen om met U naar Maastricht te gaan voor het kraamen, dan was er aan de Wieg en Vuurmande /:die dan te Zwolle zouden moeten blijven :/ niet veel oover Stuur. Het Ledikant moet gij ook maar bestellen, wij hebben het doch ook hoog noodig, en dus doed het maar, zoo Gij het nog niet besteld hebt bij Worst, zooals wij afgesprooken hadden, en schrijft mij maar hoeveel het kost, dan zende ik U een Wissel op Amsterdam of Rotterdam. Ik hoop doch vooral dat gij geen geldgebrek hebt, want dat zoude mij uitermaaten spijten.
De quartiermeerster zal u nu zeekerlijk op den laatst ontfangen Brief van mij, mijn laatst vervallene gage van Junij uitbetaald hebben, en dat zal U nog wat geholpen hebben.
Hoe onaangenaam is het niet, dus zijne eerste Belangen van zooverre met elkander te moeten afhandelen, en echter moeten wij er ons aan onderwerpen, dus kunnen wij ons niet genoeg het Lijdzaamheid en Geduld aanmoedigen.

Zondag ogtend, den 3e Augustus, om 5 uur. Nu zet ik mij, beste Wijfje, om deeze te Eindigen, want heeden gaat zij voort, hetzij met de Post ofwel met de Jonge Buisman onze Cadet, die waarschijnlijk met Depeche van den generaal Dumonceau naar den Haag als Courrier zal gezonden worden, en dan ontfangt gij ze nog eerder en beeterkoop als met de gewoone Post, want dan doed hij ze te Nijmeegen of Utrecht op de Post naar Zwolle. Dat is wel een aardig reisje voor hem, maar daar hij niet naar Zwolle gaat nog gaan mag, benijd ik het hem niet.

Gister avond ben ik dan te 6 uur op den Assemblée geweest waar ik u gezegd had, hierbooven, dat ik verzogd was. Wij vonden er veel ongeschikte en Nieuwmodisch gekleedde Heeren en Dames, Jonge en ouden, schoone en leellijke, maar alles onbekend, men vroeg ons voor ’t ….spel wij speelden, en ik wierd gezet aan een …. Partij met de Vrouw van ’t Huys, een bejaarde Dame en met haar Dogter die te Frankfort woont en nu met Vier van haare Kinderen, die om haar heen liepen, bij haar ouders te logeeren was, dus geen van beyden Dames, meer jong nog Schoon, en nog een Staadsheer; – ik won hun Circa én Hollandschen gulden af, want men speelde heel laag, aan een Balz, dat is Vier Kreutzers, iets meer als een Hollandsche Stuiver de Partij, maakte mijn Compliment en ging een weinig naa 9 uur naar huis en naar bed, met Intentie om deezen morgen weder vroeg op te staan en aan U te schrijven zooals gij merkt dat ik ook nu doe.

Ik schrijf nu ook eens aan mijn geweezen huisheer te Keulen om te Informeeren of er daar ook misschien Brieven voor mij leggen; – maar nu hoop ik doch eerstdaags iets van U te bekoomen, want eyndelijk zullen de Brieven die zeekerlijk op de wandeling zijn en ons naageloopen hebben, ons eens kunnen aantreffen, daar men nu verneemen zal door de Couranten, dat de Bataafsche Trouppes in of bij Wetzlar zijn, en vooral daar ik het voordeel heb hier, met mijn Battallion bij het hoofdquartier van den generaal Dumonceau te zijn. – Wij grenzen nu aan het Hessische, want Giessen de Eerste Hessische Darmstadsche Stad is hier maar drie Uuren van afgeleegen, en van Francfort aan den Main zijn wij 12 uur. – Het Land hieromstreeks leevert graan van allerly soort, en ook vind men er Bergwerken vooral van IJzer, waarvan de groote kaggels gegooten worden, dien men hier vooral in de Vertrekken heeft, in differente formen, en waarvan er onder anderen hier in mijne groote Slaapkamer een zeer schoone bij wijze van Vaas, wel zes voet hoog in een Nis staat, terwijl er in de Antichambre nog eene wit gepleisterde dito staat: – ik ben hier over ’t geheel genoomen nog veel beeter gelogeert als te Keulen. – En daar de Huisheer niet thuys is, en de Inwoonders ons de kost moeten geeven, zoo eet ik voor reekening van den Heer seedert mijn Komst alhier in een Spijshuys, de KroonPrins genaamd, waar de Knegt mij direct gebragd heeft en waar aldus ook meer van onze Officieren en Heeren van de Stad eeten. ’s Avonds eet ik zelden, en ik ben en blijf bij Aanhoudendheid zeer welvarende.

Mogt ik dit, lieve Henriette, ook eens van U hooren en verneemen, O! dat was zulk Eene gerustheid voor mij! Schrijft het mij doch omstandig hoe het met U is, zegd mij alles onbewimpeld; – Uw Brieven lees ik immers alleen, en ik ben immers Uw beste Vertrouweling, Uw Eeenige. Wat zijt gij nog gelukkig dus bij Uw waarde ouders te kunnen zijn, daar zoo veele van onze Bataafsche Officiersvrouwen geheel onbekend in Steeden of Plaatsen hebben moeten blijven, waar zij geen Bekenden of Vrienden hebben!
Daar ik zoo omstandig schrijf, heb ik nu ook nog niet aan Papa nog Mama geschreeven, en dit hoop ik neemen zij mij niet kwaalijk, gij zegd hun immers alles wat mij aangaat, en meer tijd heb ik ook niet oover, echter wil ik hun eerstdaags schrijven want wegens Lindenberg en zijn schrijven heb ik Papa iets te melden.

Het is nu Zes uur, daar beginnen de klokken reeds te luiden voor de Kerk, dien zo begind om 9 uur. Nu vaarwel beste, beminde Vrouw, ’s Heemels Zeegen zij over U: – ik moet Eyndigen maar het kost mij oneyndig veel, altoos door zoude ik met U willen praaten. Ik blijf altoos Uw getrouwe.

In de marge op:

Pg. 6: Duyzend groetenissen aan Papa, Mama, Elsje, de Broeders en …… en zijn Octavia als gij hun schrijft. Kon ik maar zeggen of bepaalen wanneer wij weder koomen! – Nu, Geduld en Lijdzaamheid, nogmaals!!


No. 11 ontfangen den 20 Augustus 1800

Butzbach in de Wetterau, 4 uur van Wetzlar. Donderdagavond 7 Augustus 1800. Verzonden van daar den Sondag 10e dito ’s namiddags

Eyndelijk Eyndelijk, waardste Henriette! Heb ik gister Avond voor het Eerst van Uw Schrift gezien, en een Brief van U gehad, de eerste seedert mijn vertrek uit het Vaderland! – Gister Avond kwam Berchuys met Bartlo bij ons aan, en welkom jaa duizend maal welkom waren Zij mij om dat zij mij tijding van mijn lieve Beste Vrouwtje bragten! – O! Gezeegend zij hun Komst, die mij uit zoo veel Angst en bekommering voor U,redden! En dank zij den Algoeden, dat Gij mij zoo goede tijding van Uw gezondheid geeft!
O! ik was zoo ongerust daarvoor, dat U die overmaat van droefheid kwaad zou doen; – dan nu ben ik het minder, en blijf vast berusten in onze Afspraak van elkaar volkoomen de waarheid onbewimpeld te zeggen ten opzigte van onze omstandigheeden, teneynde geheel en altoos staat te kunnen maaken op ons wederzijds schrijven. – Nu moet ik u zeggen hoe en waar ik deeze Uw eerste Brief /: die Echter no. 4 gequoteerd was :/ ontfing: – drie zijn er dus verlooren, of neen Twee maar, want no. 1 ontfing ik door Wouters en Frederik nog in ’t Camp van Eyndhoven, en daarop No. 4 van Maandag 21 Julij /: maar zonder Plaatsteekening, hoewel ik echter uit den Inhoud opmaak dat ze van Boswijk geschreeven is :/.
Gij had niet gedacht, lieve, toen gij ze schreef dat ze mij aan de Boorden van de Nidda zou geworden, en echter is het dáár geweest dat Berchuys ze mij ter hand gesteld en er mij meede Verheugd heeft. Herhaalde reizen heb ik ze gekust toen ik naa ze ontfangen te hebben mij in mijne kaamer bevond om ze te leezen. Gaarne mijn beste Vrouwtje vergeef ik U Uwe droefheid over mijn Afweezigheid, en zal er U niet over berispen, zooals gij het mij zegd van niet te doen, want ik voel altewel wat het is, dus van al wat ons dierbaar is afgescheiden te weezen, en de eenzaamheid, vooral als ik aan U kan schrijven is mij eeven zoo aangenaam als U. Maar dit beding ik dat Gij er U niet teveel aan overgeeft, en met het Uiterste genoegen verneem ik van U dat gij welvaarende blijft en de droefheid geen nadeelige Uitwerking op Uw gezondheid nog toestand doed. – Lief is het mij dat Broeder Hendrik zegd U nog nooit zoo volmaakt gezond gekend te hebben; dank zij Hem, en zijn lieve Manna /: die ik beyde hartelijk groet :/ voor zijn hierin gegeeven getuigenis, en de Heemel schenke U de Voortduuring daarvan!

Butzbach, Vrijdag ogtend, den 8e Augustus om ½ 6 uur.

Gister Avond lieve JelleP. wierd ik door Ampstbeezigheeden en het gehoorgeeven aan ongelukkige verhinded U meer te schrijven, en het werd, hoezeer ik ook vermoeid was, elf uur eer ik te bed kon gaan want ik moest nog eene groote Missive aan den Colonel Gelderman naar Usingen, 5 uur van hier afzenden, en Bartlo heeft mij als Copist of Secretaire voor de eerste maal gediend; /: maar onder ons hij is in het Hollandsch zeer Slegt ervaren, en schrijft eene bedroefde keukemeids hand :/ maar daar hij goede wil en geen gebrek aan vermogens heeft hoop ik, dat het wel met hem zal gaan, en hij wel aanleeren zal; zijn Charakter staat mij wel aan, en om te zien wat er bij is heb ik hem hier bij mij aan ’t Stafquartier gehouden, hoewel zijne Compagnie gedetacheerd is, 3 a 3½ uur van hier. ‘t Hooft is zijn Capitein, en dat kon niet anders omdat er geen andere Cadetsplaats vacant was als bij die Compagnie.

Nu, Vrouwtje, gaa ik oover om U iets van mij, die men thans met mijn Battallion de Doolende Ridders zou kunnen noemen, te vertellen en u te melden waar ik al seedert mijne laatste No. 10 geweest ben. Ik schreef U dezelve maandag den 4e Augustus uit Wetzlar en verzond ze met den Cadet Buisman die naar den Haag gezonden zijnde, op zich nam om u denzelven van Utrecht of Nijmwegen in het doortrekken aldaar toe te zenden. – Dienzelfden dag nog ontfingen wij weêr ordre om te marscheren en de geheel Divisie van Dumonceau met zijn Hoofdquartier moest die noordelijke Streeken verlaaten, om Zuidelijker naar den kant van Francfort aan den Main en Nidda zich te plaatsen. – dus weer opgepakt! En dinsdag den 5e deezes kwam ik met mijn Battallion to Butzbach, een stadje 4 uur van Wetzlar zuydwaarts geleegen op de weg of Chaussée van Wetzlar naar Francfort. Ik logeerde daar in het Voornaamste Logement, de Ridder, op de markt, /: waar ik nu weêr ben :/ en was er vrij wel. Ik trof aldaar aan een HessenDarmstadsche Lieutenant, die hier op Sauvegarde legd en die van Aaken geboortig en te Maastricht wel bekend en dikwijls geweest was, zoo dat wij veel van Kennissen aldaar konden praaten; – ’s Avonds ontfing ik ook nog eene Visite van een oud oud Hollandsch Officier bij wien Roos gelogeerd was, en die mij toen hij hoorde dat ik te Weilburg geweest en bekend was, absoluut eens Visite wilde doen; hij was in anno 1747 te Namur Krijgsgevangen gemaakt, had gequiteerd en leefde nu stil en rustig reeds seedert lange Jaaren alhier in zijn geboorteplaats. Een goed, braaf oud man. Hij had dus ook lans en speer afgelegd, om ….. Heeden /: als ik hier blijf, want daar is men juyst niet altijd zeeker van :/ wil ik hem een contra Visite gaan doen; thans is de Major bij hun gebilletteerd, want seedert eergister hebben wij nog een goede wandeling gedaan. – Woensdag den 6e zetten wij, ingevolge onze marschordre, onze Marsch voort van Butzbach zuydwaarts naar Dortelweil, een dorp aan de Nidda 7 uur van hier, en 2 a 2 en ½ uur van Francfort, alwaar de staf moest koomen, en de overige Compagnieen gedetacheerd te Nieder-Erlebach ook in die Environs. Eerst was mijn destinatie het Dorp Vilbel geweest, maar dit veranderde nog bijtijds eer wij er waren …… /: daar komt de meid en brengd mij de Coffy tot dejeuné met een warm witte Broodje :/ O!! op de Coffy hier in Duitschland zou men verlekkeren want die is hier zelfs op de Dorpen bij Uitstek goed) ….. Nu weer aan onzen Marsch!

Wij gaan tegenswoordig uit hoofde van de hitte zeer vroegtijdig ’s morgens op Marsch als wij verplaatst worden /: dat nogal dikwijls geschied :/, dan koomen wij om 2 uur à ½ drie in het geweer en marscheeren precies om drie uur af zoodat wij nog Eenigen tijd in de maaneschijn marscheeren want met de Volle maan is er bijna geen Nacht en als de Marsch dan niet te groot is kan men in het Nachtquartier zijn, eer de groote hitte van den Dag dáár is. Om 3 uur dan, den 6e, vertrokken wij van Bulzbach en kwaamen over Friedberg een zeer hoog gelegen Bergstadje teegen de middag te Dortelweil aan, alwaar het armoedig uitzag, maar ik echter, met den Major in een ordentelijk groot Boerenhuys wel ontfangen en onthaald wierd. ’s Naamiddags naa den Eeten deeden wij een Slaapje, want ’s Nachts weinig of kort rustende en daarbij de Hitte en de vermoeidheid van den Marsch, word men naa den Eeten ligt Slaaperig: – daarnaa deeden wij een aangenaame Wandeling met Roos en Hillers langs de lommerrijke Boorden van de Nidda, die kort langs ons huys en het Dorp vloeid en somtijds diep, somtijds waadbaar is en aldaar zoo breed of iets breeder als de Vecht; de keyzerlijke Voorposten staan tot digt daar aan toe aan de overzijde van de Nidda, maar de Waapenstilstand doed alle de Vijandelijkheeden ophouden, en men heeft niets van elkander te verwagten als goede behandeling, welke zoo men vermoed, weldra in Volmaakte verstandhouding zal veranderen als de Vreede geslooten is, waarvan de Couranten nog altoos veel van spreeken. – Gij begrijpt wel lieve Jette, waarvan wij op deeze onze Wandeling of in de Schaduw en op ’t Gras aan de Boorden van de Nidda leggende, onder ons spraaken, Zwolle, Boswijk, en ons Vaderland was het Voorwerp van ons discours, en van onze Wenschen, maar ik wist niet dat ik zoo naabij was om de zoo gewenschte tijding van mijn Vrouwtje te bekoomen, en naa dat wij daar op ’t gras in Vreede ons Pijpje gerookt hadden, gingen wij met Intentie om te Souperen naar ’t Dorp, toen in het Inkoomeen daarvan een grenadier ons vroeg of wij de Lt Berchuys reeds gesprooken hadden, die met een Jonker, Neef van de overste, aangekoomen en reeds Eenige tijd op ons gewagt had; – Wij vlug naar mijn huis en vonden daar de lang verwagte Paquetten en Brieven; – O wat waren zij welkom voor een ieder van ons, en met hoeveel nieuwsgierigheid informeerde een ieder zich niet naar de Zijnen. – Roos was juyst bij ons en ik gaf hem terstond het Pakje van Elsje, waarmede ik eenigsints bedroogen wierd, want ik dagt dat het alles voor mij was, en ziet het grootste Pak was voor een ander.
Niettemin ben ik wel te Vreeden van maar eens tijding van U allen te hebben gehad, en vooral dat Berrhuys en Bartlo U zelfs hebben gezien en gesprooken.

Nu verder weer mijn Journaal vervolgd. Eer wij te Dortelwiel had ik reeds het vermoeden dat ons Verblijf aldaar niet lang zou zijn en dit wierd bewaarheid, want ’s Nachts om elf uur half twaalf kwam er een ordonnantz van den Colonel Crass, die mij uit den slaap opwekte en de ordre bragd om met den Dag weder het marscheeren naar Bulzbach en omliggende Dorpen waar ik daags tevooren vandaan was gekoomen.
Daar ik niets als de Staf, de grenadiers en 7e en 8e Compagnie bij mij had, en de overige Compagnieen te Nieder Erlebach, een klein uur daarvandaan lagen, moest ik Bodens zenden en ordres schrijven en daarmeede ging de Nacht voorbij. Eer ik Van den Berg als quartiermaaker gedepecheerd had, zoo dat ik maar tijd had om mij te kleeden en te dejeuneren, en om klokslag drie uur in ’t faveur van de Maaneschijn kuyerden wij weer dezelfde 7 uuren van den voorigen dag weer terug over Friedberg naar Bulzbach, alwaar bijna een yder weer zijn voorig quartier betrok, uitgenoomen de Major die in het quartier van Roos bij den ouden heer Van Gündenroth kwam, die laatst bij mij een Visite had gedaan.
Niets als de Staf en grenadiers kwaamen hier te Bulzbach bij mij, de overige compagnien zijn op een verren afstand van 2à 3, a 3½ uur van mij, west en noordwestwaards gedetacheeerd. En hebben het niet te Breed, dus hoop ik op Verbeetering voor hun. Op den Marsch van Dortelweil naar hier hadden wij veel wind, waardoor de Stof die bij de teegenswoordige ongemeene Droogte zeer sterk op de wegen en landen is, ons geheel grijs bepoederde, en daarop volgde een klein reegenbuitje vlak in ’t gezigt, zoodat wij er lief uitzagen en de Stof al in de kleeren raakte, maar daarnaa heeft het weer tijd gehad om te droogen en nu hebben de oppassers maar wat meer werk gehad met uitvrijven en borstelen, en alles is weer vergeeten, maar doch was het wenschelijk voor groentens en Vrugten dat er wat reegen kwam, want het Aardrijk is zoo droog dat niets opgroeid. Ook is het bijna zonder voorbeeld dat wij seedert den 3e July dat het Battallion uit Zwolle is gegaan maar eenmaal tot nu toe Regen op marsch hebben gehad, naamentlijk een weynig bij het uittrekken uit Neukirchen, want dat van gister was niet te tellen.

Zondag Namiddag, den 10e Augustus nog te Bulzbach

Gister, lieve Henriette, was er volstrekt geen tijd om te schrijven, anders als voor dienstzaaken want het is zoo druk geloopen dat ik geen oogenblik vrij had; Lijsten, rapporten, Berigten, Depeschen van Plaatsing en Verplaatsing van Compagnieen in hun Cantonnementen, ordonnantsen ontfangen en verzenden, dat volgde zich alles geduurig op en tot deezen ogtend toe bleef het voortduuren, want zelfs kan ik deezen morgen niet, zooals ik gemeend had, in de Kerk gaan en ben er dus deeze Naamiddag geweest, want ik kom er daadelijk uit, naamentlijk uit de Luthersche waar de Dominee heel wel gepreedikt heeft, anders is er hier geene Kerk. Het is hier Hesse Darmstadt zoo als alle de meeste Environs hier.

Deezen Ogtend is hier gekoomen de Capitein Cordes, vader van de Juffrouw die op ’t Fransche School legd te Zwolle, koomende met Zijne Compagnie Rijdende Artillerie van Wetzlar hier door, houd heeden hier en hieromstreeks Nachtquartier en gaat dan verder naar de kant van het Hoofdquartier van generaal Dumonceau te Homburg aan der Höhe. Cordes heeft mij uit Wetzlar een Brief meede gebragd van de quartiermeester dato Zwolle, den 29e Julij, daarbij onder Couvert verscheide brieven van onze Dames als Chaveau, v.d. Poel etc maar van mevrouw Van Sandick geen Brief, en niets als op een Cartebelletje door den quartiermeester genoteerd dat hij mevrouw mijne Beminde /: Jaa, daar zegd de man waar bij! :/ had gerene…… en zij gezegd had Eerst Eene Brief van mij te zullen wagten en dan te schrijven, dus hoop ik dat gij woensdag den 30e een van mijn Brieven zult ontfangen hebben. Hij zegd dat gij wel waart en wel gemoed. Ik geloof het gaarne, maar O!! Een woordje van U zelfs, lieve, wat mij zoo oneyndig dierbaarder geweest, als zijn geschrijf. Nu! Geduld dan, en hoop op Schielijk een Brief van mijn Stoute Vrouwtje, die dien dag geen lust tot schrijven had, maar neen, ik ben niet boos, gij hebt zeeker niet gekund en dat vertrouw ik vast. Gelukkig ben ik maar dat gij wel zijt en den Heemel verhoore mijn geduurige smeeken voor de voortduuring daarvan, zooals ook voor ’t welzijn van Papa, Mama en alle onze Broedes en Zusters, die ik hartelijk groet. – Och was ik maar weer bij U allen! – Ik ben hier wel, en bij braave lieden in huys, de warmte is daagelijks groot en de Droogte buyten gemeen, echter geen zieken hoegenaamd bij ’t Battallion nog de Divisie.
De brief van Tante heb ik geleezen, Uw Excuse is goed van niet te Nijmeegen bij haar geweest te zijn. Waarom hebt gij de andere niet geoopend? ‘T was van Oom Ittersum antwoord op mijn Communicatie van Moeders overlijden.
Nu gaat de Post weg dus Vaarwel, Chaveau is nog altoos Commandant te Limburg aan de Lahn. – Ik alhier te Bulzbach. Ik omhels u mijn beste, in gedagten. En blijf altoos uw getrouwen man O.Z.V.S.

In de marge op:

Pg. 5: Bedankt Elsje voor haar lief Briefje, met den eersten antwoord, wij blijven hier ook niet lang dus addresseerd maar onder couvert van Chaveau te Limburg aan de Lahn.
Wat ongeluk van die dood van de jonge Onno v.d. Poel, ik zal het aan de vader die én uurtje hiervan daan ligd, langsaam doen weeten. Nu Gods Zeegen zij over U allen.


No. 12 ontfangen den 24e Augustus 1800

Laubach, een stadje in de Wetterau, woensdag Naamiddag, den 13e Aug. 1800

Ik had het wel geraaden, lieve Henriëtte, toen ik u in mijn laatste van Sondag de 10e deezes No. 11 van Bultzbach schreef, dat wij daar niet lang zouden blijven, want dienzelfden nacht tusschen Zondag en Maandag des ogtends teegen 4 uur ontfing ik weder eene marsch ordre, om met het Battallion naar Laubach te gaan Cantonneeren; de Staf en Grenadiers alhier, en de overige Compagnieen gedetacheerd op de Dorpen hieromstreeks. Eer ik ze alle bij malkaar kon krijgen zoude het middag geworden zijn, en dus verkoos ik om het Volk eerst te laaten Eeten, en Naamiddag te marscheeren, te meer alzoo alsdan de Hitte al langsaamerhand aan ‘t minderen gaat. De Distantie tusschen Bulzbach en Laubach word op 6 Uuren gaans gereekend.

Wij marscheerdem ’s Naamiddags om 2 uur af, en over Lech, ook een klein steedje en over de Abtdey van Arensberg /: waar thans de Colonel Gelderman zijn Hoofdquartier heeft :/ kwamen wij des Avonds om half tien hier te Laubach aan. Maar sommige der wijd afgeleegenste Compagnieen kwaamen eerst diep in de Nacht in hun Cantonnement aan. De Hitte is en blijft alsnog buitengewoon, zoodat alles op het Veld verdroogd en verdort is en alle de Beekjes die hieromstreeks anders in overvloed zijn, meest alle uitgedroogd zijn, waardoor het maalen van ’t graan zeer moeyelijk word voor de moolens. Zeedert maandag Avond zijn wij nu weer hier, maar wie weet hoe lang het duuren zal, want wij zijn thans Wandelaars. Wij zijn hier 12 uuren van Francfort en 12 uuren van Fulda en zijn hier aan den oorsprong van de Wetter, en niet ver van die der Nidda. Heeden vertrekt de Post van hier over Giesen en Wetzlar dierhalve wil ik niet naalaaten U deeze te depecheeren, zij mooge dan aankoomen wanneer ze wil, dat waarschijnlijk niet schielijk zal zijn. Echter is hier een Koopman in Tabak en Thee die in Relatie staat met de hn. Thorbeke in Zwolle en die zegd dat de Brieven meest in 7 à 8 dagen heen en weêr overkoomen, dus willen wij het beste hoopen.
Dit stadje is de Residentie van den graaf van Solms Laubach, die hier zijn Slot heeft en ons zeer vriendelijk ontfangen heeft, het geheele Land waar mijn Battallion en dat der 3e ½ Brigade dat naast ons legd, ingecantonneerd is, behoord aan diezelfde graaf van Solms. Gister en heeden zijn wij officiers bij hem te gast geweest te dineeren, naamentlijk gister de Major, Capitein van Ingen en ik, en heeden alle de Officiers van de grooten en kleinen Staf en van de grenadiers die hier leggen. Zijne Vrouw, een Gravin van Degenfeld, was de eerste dag niet hier, maar heeden heeft zij met ons gegeeten. Zijn schijnt een hupsche Vrouw te zijn van 28 jaar en heeft een zoontje van elf maanden. – Zeg mij dan lieve JettePoesie, waarom het aanzien van jonge Kinderen /: want de kleine wierd op ’t Dessert binnengebragd :/ mij thans meer aandoed als ooit anders? O! denk ik dan, zag ik het mijne ook alzoo! En was ik maar bij mijn Jetje!
Nu de Hoop op Vreede blijft altoos zeer groot, en geeft ons altoos nog een goed Vooruitzicht! En dan hoop ik dat wij weder bij U koomen!

Ik ben intusschen alweer reedelijk wel hier gelogeerd, in een Herberg genaamd De Gouden Leeuw, waar ik een booven Voorkaamer heb met een goed bed en reedelijk wel gemeubleerd, maar de Stad is zoo groot niet als Bulzbach, en dus nog veel minder als Wetzlar waar wij nu 7 uur noordoostwaarts van afgeleegen zijn. Het Hoofdquartier van de generaal Dumonceau dat te Homburg aan de Höhe was, is voorleeden maandag ook van daar verlegd naar Friedberg, omdat wij het Land van Hessen Darmstad als neutraal zijnde, verlaaten hebben.
De Environs hier zijn zeer aangenaam, met Afwisseling van Bosschen en Bergen; met genoegen zoude men daar omwandelen indien de groote hitte het niet belette, want nu kan men bijna niet voor den Avond teegen 7 uur uitgaan wandelen en alreeds beginnen de Dagen iets te korten. Indien gij te Zwolle en daaromstreeks dezelfde Hitte en droogte hebt als hier, dan zijt gij ook te beklaagen, want dan kan er ook niet veel groeyen.

Ik kom nu van Taafel van bij den graaf waar wij goed gegeeten hebben in een groote Zaal waar het koel was. De hofhouding is niet groot maar alles prooper en wel. – De graaf is een best man, die Philosooph en niet voor de Practijk is. – De Ingezeetenen van Stad en land zijn arm en hebben zoo als ooveral alhier zeer veel geleeden door den oorlog, zoodat het onderhoud van ’t Militair zeer drukkend voor hun is. Die arme Lieden zijn wel te beklaagen! O! dat de Vreede hun en alle Lijdenden mogt koomen verheugen. Dit is de wensch van alle Menschenvrienden.
Lang kunnen wij hier niet blijven, dus eerstdaags staat ons weer eene Verplaatsing voor de Deur, maar waarheen is niet te bepaalen, en intusschen kan ik U geen vaste Adresse opgeeven als dat van Capitein de Chaveau die nog altoos te Limburg aan de Lahn is.
En dus zou Uw Adresse moeten weezen aan mij, Naam en Tytel en dan daarbij gezet: addressée au Capitain de Chaveau Commandeur de la Place de Limburg à la Lahn, franco Cologne ou Dusseldorff zooals men het op de Post te Zwolle begeerd. Zegd mij doch ook waar Gij Uw voorige Brieven op geäddresseerd hebt opdat ik er informatie naa kan neemen. – Niet meer als No 1 en 4 heb ik ontfangen, en verders niets! – Nu is van mij het Douzijntje compleet, en ik hoop maar dat gij ze ook alle rigtig zult ontfangen hebben. – Ik zoude u wel het Adress van ’t Hoofdquartier van Dumonceau te Friedberg opgeeven, maar dat veranderd ook dikwijls en Chaveau zal nog wel eenigen tijd te Limburg blijven, die is daar als Vergeeten en kan intusschen ons wel de Brieven bezorgen, want ik houde hem au Courant van de Plaatsen waar wij ons bevinden.

Alle onze Heeren zijn wel, en wie u vraagd kunt gij Zeggen dat alle bekende welvaarende zijn en hun Vrouwen groeten. Ook dat ons Battallion geen zieken heeft van Aanbelang, en de minste van alle anderen Deserteurs heeft gehad, ’t welk mij veel genoegen geeft.

Frederik is hier bij mij in huys gelogeerd, en Wouters daarnaast met de Paarden die zich ook goed houden, maar veel van de Vliegen gestooken worden, bij de warmte als men op Marsch is.

Nu zal Papa en mama wel te Groningen zijn! Wil de groetens van mijn aan hun. Elsje zal wel met U te Boswijk gebleeven zijn, ik zeg haar hartelijk goedendag, ook Meder en Octavia als gij hun schrijft. Zou Hendrik en Manna nog bij U zijn, zoo groet ze ook van Uw reysende man, insgelijks de Broeders op School. Kreeg ik maar weer eens tijding van U, mijn lieve JettePoesien, dan was ik weer beeter tevreeden in mijn lot. – O zoo menige Zucht ijld door de Lucht naar U toe, mijn beste! De Heemel vereenige ons doch spoedig weder. Schrijf mij dan ook eens of het Ledikant, de Wieg en den Vuurmand nu reeds klaar zijn, want daar neem ik zoo wat belang in. – hebt doch goede Zorg voor U mijn lieve en voor ons kleintje!
En de heemel zeegene U! Ik ben wel en blijf uw getrouwen O.Z.V.S.

In de marge op:

Pg. 1: Ik heb de Capitein Van de Poel wegens Schrijven van zijn Vrouw langsaam geprepareerd tot het Verlies van zijn zoon, mijn Peetekind Onno Zwier, en eyndelijk heb ik het hem heeden finaal gemeld en zooveel ik kon getroost; hij legd anderhalf uur van hier op het Dorp Wetterfeld. – als gij ze ziet zoo zegd haar het boovenstaande.
De Bataaven formeeren tot nu toe altoos nog een Corps op hun Zeeven in Duytsland.

Pg. 2: Wij zijn uit de Brigade van Crass in die van den Colonel Gelderman met het Battallion overgegaan, dus zijn wij nu in de 2e Brigade der Divisie van Dumonceau. De quartiermeester Eymael heeft mij geschreeven dat hij U f. 194.9.14 van mijn gage van Juny had ter hand gesteld; zeg mij doch of gij nog geld noodig hebt, dat ik het U dan bezorge. Want gij moet rijkelijk hebben en u niets laaten ontbreeken.

Pg. 3: De Brieven die voor mij te Zwolle koomen moet gij maar oopenen, leezen en mij den Inhoud melden. Nu Vaarwel lieve beste, Eenige.

Pg. 4: De reeden waarom het Avertissement van Moeders dood niet in de Zwolsche Courant heeft gestaan bestaat daarin, dat Berchuys mijn Brief waarin ik het hem verzogd, eerst in de graaf ontfangen heeft, teruggezonden van Zwolle en dat hij het doen reeds zelfs in de Haarlemsche geleezen hebbende, meende dat het te laat was, en de Brief gehouden heeft. Ik bedank onze ouders voor het laaten aanzeggen.


No. 13 ontfangen den 31 Augustus 1800

Laubach, Sondag ogtend, den 17e Augustus 1800
geëindigd en verzonden Dinsdag den 19e Augustus ’s middags

Nog altoos zijn wij hier, lieve Henriëtte! En dit is nu de langste Verblijfplaats die wij gehad hebben Seedert ons Vertrek uit het Vaderland, want morgenavond word het Agt Dagen dat wij hier gekoomen zijn, en zoo lang zijn wij nog niet stil geweest op Eéne Plaats.
Zondagavond! Meer kon ik deezen morgen wegens opkoomende Militaire Beezigheeden niet schrijven; – dan nu hervat ik mijn waarde Vrouwtje, de Pen om U te melden dat ik daar zoo Eeven Gode Zij Dank! eyndelijk wederom Schrijvens van U, mijn dierbaare, ontfangen heb, en dat wel drie Brieven tegelijk! Dus Vreugde, jaa onuitspreekelijke Vreugde voor uwen Sandick! –
Capitein Oudendijk was naar het Hoofdquartier van Lt generaal Dumonceau naar Friedberg, 7 uur van hier, gereisd om bij den Betaalmeester geld te haalen voor de …. van morgen, en terugkoomende brengd hij mij Eenige Brieven voor ons mede, die, lang omgedoold hebbende, eyndelijk terigt zijn gekoomen, waaronder voor mij Uw numeroos 2 van Boswijk 15 July, geädresseerd te Eyndhoven, Poste restante, No. 5 dato Boswijk 26 July geädresseerd te Dusseldorp, en Uw No. 6 dato 2e Augustus geädresseerd te Keulen. Op alle welke Plaatsen zij mij op verre naa niet meer aangetroffen hebben, daar wij reeds zoo verre wijder in Duitschland ingerukt zijn.
Maar genoeg, ik heb ze, en gij begrijpt, lieve Eenigbeminde Vrouw van mijn hart, met welke greetigheid ik ze geöopend en geleezen heb.

Op den 2e Augustus, dus gister veertien dagen, was dan mijn beste nog in volkoomen Welstand, en ons kleintje, het gewenschte onderpand onzer zuyvere Liefde, was, zijn aanweezen doende gevoelen, eene Reede van Matiging der droefheid van de aanstaande beste Moeder! Want dat zult Gij immers zijn, beminde Jetje!
Gij zijt dan nog altoos wel! Oh welke een troost voor uw Echtgenoot! – De Algoede heeft dan tot dusverre mijne daagelijksche en ik mag zeggen geduurige Beede voor U verhoord! En ook, zoo eeven heb ik met geboogen Knieen en traanen in de Oogen Hem met aandoening voor die weldaad gedankt, en om voortduuring daarvan gebeeden.
Houd moed mijn beste; blijft hoopen en vertrouwen op eene goede Uitkomst, en laaten wij, zoo gij als ik, ons doch geduldig in Zijne voor ons ondoorgrondelijke wegen lijdzaam schikken. Gij bid immers dagelijks met mij: Ta Volonté soit faite!

Nu meene ik alle Uwe Brieven van No. 1 tot 6 ontfangen te hebben, want No 1 kreeg ik door Frederik en Wouters in ‘t Camp te Eyndhoven. No 2, zooals gemeld, heeden, No 3 moet zooals ik het voor No 5 zie, U van Eyndhoven weer teruggekoomen zijn, en No 4 ontfing ik, zooals ik u in mijn No 11 gemeld heb, te Dortelweil, en 5 en 6 ontfing ik heeden, dus is de reeks voltallig tot daar, en vervolgens willen wij hoopen, dat de ooverigen ook zullen terecht koomen. Als Gij nu maar ook mijn 12 Voorige wel ontfangen hebt, dan is het wel: tenminste weet ik uit Uw No. 6 dat gij den 30e mijn No 6 van de 23e July uit Keulen ontfangen hebt, en indien er U nummers tusschen beyden manqueerden, zoud gij het mij wel gemeld hebben, dus vleye ik mij, hoewel gij mij buiten No 1,2,3 en 6 geen direct Adres ervan geeft, dat 4 en 5 ook wel aangekoomen zullen zijn.

Seedert hebben wij al wat om gewandeld, en dus de Brieven ook, maar wij moeten maar goede Notitie houden van Nummer en datum der Verzendingen en Ontfangsten die wij doen; en dan kan het best naagegaan worden, zooals gij nu hiermede ziet.
Wat het lange uitblijven betreft dat is de schuld van den Afstand die ons separeerd, en van onze Plaatsverwisselingen, en dáár kan men niet vór. Mijn wensch gaat maar om U altoos zooveel te kunnen schrijven als moogelijk is, en om ook zoo veel te ontfangen van U, zoolang als wij gescheiden blijven. En Ach! Mochten wij het schrijven in het geheel niet noodig hebben, en weeder bij elkaar zijn! – dat geeve de Heemel spoedig en daarmeede Goede Nacht, lieve lieve JettePoetien. Uw man omhelst u duizendmaal in gedachten en ook ons Kleintje!

Maandagogtend / 8 Augustus om 6 uur.

Nog al van Laubach en tot nu toe geen ordre om te marscheeren. Goeden Morgen, lief wijfje! Daar heb ik reeds seedert 9 uur opgeweest en mijn dagelijks Rapport voor het Hoofdquartier gereedgemaakt hebbende, met de ordre voor mijn Battaillon koome ik weeder tot U. Welk onderscheid tusschen mijn voorige Nachten en dagen die ik bij U doorbragd, en deeze die ik zoo geheel alleen slijt, en gij ook! – maar – Geduld! En Hoop! Dit is ons woord thans!

De warmte en droogte blijft bij Aanhoudendheid voortduuren zonder Voorbeeld, want er komt maar geen Reegen nog onweer. Het is hier warmer en gestadiger warm als bij ons, ook leggen wij hier bijna 2 graaden Zuijdelijker als in Holland. Woensdag is het Nieuwe Maan, dan verandert het misschien. Wij Eeten hier nog dagelijks, de Major, de ….. en ik bij de graaf van Laubach ’s Middags, en ’s Avonds eet ik niet.
Een Prins van Leiningen die daar gelogeert is, leend mij Boeken en thans lees ik een Nieuw uitgekoomen werk, Mémoires sur la Russie.

Nu wat tot Antwoord op Uw Brieven, mijn beste. Ik gevoel en bezef Leevendig Uwe Verleegentheid, met het Huis en met de Meid, zooals ook met de Baaker. En het is niet fout van er niet aan te denken, dat ik er u niet van geschreeven heb, want ik denk er veel, veel aan. En wilde U maar eens kunnen een goeden raad geeven.
Het Project in Uw No. 2 vermeld om met Elsje maar voor uit naar Maastricht te gaan, en Miene af te danken en ook het huis op te zeggen, was wel goed en had zeer mijne Approbatie, als de Zaaken zoo gebleeven waren en ik in ’t Camp te Valkensweert was blijven staan, maar nu, daar ik zoo iet of wat verder af ben geraakt, zonder te weeten voor hoe lang, nog wanneer ik kan terugkoomen, en er zoo lang het voorzeeker geen Vreede is, geen Apparentie tot Verlof voor mij daar is, zoo verandert de Zaak. En nu moeten wij, om niet in Verleegentheid te geraaken, ons op Twee gevallen beraadslaagen en voorzien. – want zoowel als er moogelijkheid is, dat het Vreede word, en ik nog bijtijds terugkoom, om met U naar Maastricht te gaan om daar alles te schikken en Uw Kraam uit te breiden, eeven zoowel is er moogelijkheid dat, hetzij Vreede of niet, wij hier moeten blijven, en ik niet voor eerst nog koomen kan, of te laat voor nog te kunnen en durven reizen.
Ik wensch zooals gij wel begrijpt het eerste, maar het laatste is ook mogelijk, want ik moet reedelijk en ernstig alles bedenken en overweegen, en daarom lieve Jette, moeten wij het wel overleggen.
Maar alles moet daarop uitloopen om U mijn beste, het meest moogelijke Gemak en Welzijn te bezorgen, al kost het dan ook wat meer als in gewoone tijden. Zie, dat is mijn hoofdoogmerk.
Nu daarop gebouwd en geredeneerd, dan dunkt mij dat Gij nog het Huis te Zwolle nog Miene volkoomen moet laaten gaan, maar als gij wilt en kunt u met beijde behelpen, ze beijde nog aanhouden om altoos gehuisd en bediend te zijn.
Ik verneem uit Uw No. 2 dat Miene 10 Stuyvers in de week Opslag heeft moeten hebben, dat is nogal zooveel niet, en kan er wel door. En Gij zijt ten minsten zeeker dat ze trouw en geen loopster is. De Idee om naar Maastricht te gaan met Elsje was goed en ik verheug mij dat onze lieve ouders er genoegen met neemen; maar dat was wel als ik zeeker was aldaar bij U te kunnen koomen, hetwelk nu niet zoo zeeker zijnde weder andere maatreegelen vereyscht, want hoewel gij natuurlijker wijze meer ruimte en gemak te Maastricht in ons huijs zoud hebben, als in dat van Zwolle, zoo dunkt mij dat gij doch ook zoo geheel allén dáár zoud zijn zonder mij, en dat ik meer gerust omtrent u zou zijn als ik wist dat gij temidden in uwe geliefde Familie, en onder het opzicht van eene ervaaren Moeder in de Kraam kwaamt.
Wanneer het God zoo behaage van mij afweezig te houden, ’t welk ik echter niet hoop dat gebeuren zal – mij dunkt dan dat gij aan de Pastoor het huis nog niet moest opzeggen, Miene nog zoeken aan te houden naa Alderheiligen als Gij ze noodig had, en de Baaker ook nog niet opzeggen. Intusschen raakt er misschien ook nog wel een Huijs, het zij dat van Qucijzen of een ander los, dat gij huuren zoud kunnen als het naar uw Smaak is, en er zelfs in overgaan, als het U aanstaat, dit stel ik volkoomen in Uw wil en keus.
Kan ik nu nog ooverkoomen, eer gij in de kraam komt en tijdig genoeg om nog met U de reis te doen, dan blijft ons Project om naar Maastricht te gaan standhouden, en intusschen schrijf ik aan Santheuvel van dáár ook een Baaker in ’t oog te houden. – en dus zijn wij in beyde gevallen gered, al kost het dan ook wat meer, want als ik maar weer bij U ben, dan acht ik die weynige Kosten in ’t geheel niet: en dan is vanzelf Leiden ontzet, en Vrouwtje en Mannetje verheugd.

Nu is er dit nog op, dat de Zaak zich weldra beslissen moet en ook zal, en gij dus, zooals gij wel zegd in het Slot van uw No. 6, nog Eenige tijd kunt geduld hebben om te zien hoe het afloopt. Alles hangd af van Vreede of Oorlog, en daaromtrent kan ik U niet anders als naar de Couranten wijzen: – die melden het overal, zoo schielijk als ik het U zeggen kan, en daarvan allén hangd ons retour of Verblijf af: binnen weinig dagen moet het Zich decideren. In ons Vaderland heeft men zich reeds met de Vreede verheugd, zooals wij in de Couranten zien, maar hier Vereijscht het nog Confirmatie.
Korten tijd nog maar, en het zal zich ontdekken wat er van word; – waarnaa men ook vastere Plans, en wij ook voor ons huishouden zullen kunnen beraamen; heeden is de laatste Thermidor, en morgen de 1e Fructidor in welke maand ik niet Twijfel of alles zal zich ontwikkelen, zelfs in het begin en dan schrijf ik u aanstonds mijne naadere gedachten omtrent koomen of blijven, waarvan ik U nu hieromme reeds voorloopig verwittigd heb. De Heemel schikke alles ten besten.

Ik zie verder uit Uw Brieven hoe brillant Uw Zwolsche kermis geweest is, en dat Vrouwtje er niet van genooten heeft, en allén daarvan tot Vermeerdering en Verbetering van haar kindergoed gebruik heeft gemaakt! Dat is wel gedaan, kon ik het gekogte en bijgemaakte maar eens zien! O! met welk Genoegen zou Vrouwtje het mij wijzen en ik het bezien en uit haar handen overneemen! Maar dit genoegen is ons ontzegd.

Octavia en Meder met Sara Budde zijn dan vertrokken! Manne en Hendrik ook; ik geloof gaarne dat die laatste veel naar kinderen verlangen, maar het is nog vroeg, en een ijder is daarin niet zoo gezeegend als wij! Dus in ons leed alweer een Vertroosting, en ik lees met genoegen al wat gij mij desweegens meld; – zeer wel deed gij, lieve, van den Eersten Avond na Uwe Komst toen Gij u zoo geagiteerd gevoelde van Nieuwenhuis te laaten koomen en gedankt zij de Heere dat gij zulk goed Effect van zijn Drankje ondervond! Blijft doch, mag ik u bidden, voor U en voor ons Kleintje zorgen, Zie, daar reeken ik op! Nu zullen de eerste opgeslaagene Kousjes wel vaardig zijn, en wel moogelijk weer een ander Paar, want er moeten er immers meer zijn, als het Kleintje eens Pipi doed.
Gij weet wel waar gij mij meede gedreigd hebt mee te wassen? Nu dat zoude ik wel noodig hebben want, zeide Berchuys u dat ik Bruinder van Vel geworden was, thans is het met altoos in de Zon en in de hitte in de Lucht te zijn, zoo bruijn dat het op ’t Zwarte af is. Daar heb ik gister ook een Brief van Neef Willem bekoomen die mij, dato Amsterdam 12e Augustus meld, dat zijn vrouw zondagavond den 10e deezes zeer voorspoedig van een Dochter in de kraam is bevallen en alles zich tot daartoe wel schikt, dat hij hoopt dat ik teegen den tijd van Uw Kraamen ook weder terug mag zijn om Eeven zoo gelukkig te worden als hij nu is! O mag zijn Wensch vehoort worden!
Hij had ook op een Zoon gereekend. Wij willen ons liefst daar niet op bepaalen, en ons maar verheugen als alles maar wel gaat. Wat zijt gij gelukkig en ik ook dat gij intusschen zoo wel zijt en blijft. Maatigd doch maar Uw droefheid, lieve, beste Wijfje. Willem geeft mij ook het Adress van een huis van Negotie, de gebroeders Bethman in Francfort op, ingeval ik iets benoodigd was in die omtrek waar wij nu nog 12 uur van af zijn, maar misschien binnenkorten naader bij zullen koomen. Hun huis is met hetzelve wegens Negotie in Correspondentie en wij kunnen dit ad Notam houden. Ik had een wissel van f. 290 op Willem en Karel getrokken uit Wetzlar om aan den Doctor /: onder ons :/ te leenen, tot betaaling van zijn Promotie tot Doctor in de Medicijnen die hij te Giessen, 3 uur van Wetzlar waar eene Academie is in het Hessisch heeft laten doen en welke som hij te Amsterdam weer aan Karel en Willem comptoir zal laaten restitueeren, en hierover was de Brief van Willem ook roeleerende. Dit blijft tusschen U en mij.

Laubach, Dinsdag morgen, den 19e Augustus 1800

Voorleeden Vrijdag had ik Eenige der Cantonnementen van mijn Battaillon gevisiteerd en was bijna de geheele Dag te Paard met Bartlo en Frederik, ook bezag ik dien dag een ijzersmelterij van onzen Graaf van Laubach en doorreed zeer schoone Bosschen en Bergen. Heeden ben ik nog drie Dorpen gaan Visiteeren en kom daar zoo eeven van terug. Het is nu half elf en om half 5 reed ik uit /: het blijft nogal warm :/. Capt. V.d. Poel is hier van zijn Dorp Wellerfeld, en zal deezen middag met ons bij den graaf en gravin eeten, want zij hebben mij eens vooral verzogd de Officiers die van de Dorpen hier kwaamen bij hun met ons te gast te noodigen, het zijn zeer vriendelijk Persoonen, en het spijt mij dat wij hun Land zoo opeeten want zij zijn niet rijk en hebben door den Oorlog veel geleeden.
Gij hebt uit mijn Voorige gezien dat ik aan van der Poel het overlijden van zijn Onno gemeld heb, en ik heb mij daarin zoo voorzigtig gedraagen als moogelijk, hij was wel overstuur, en begind nu een weinig te bedaaren.
Het is ook hard en dan nog ongerust te zijn oover de andere. Gij doed wel van er niet te gaan, omdat gij die Ziekte nog niet gehad hebt. Gij hebt waarlijk al leed genoeg, en die Traanen die ik duidelijk op uw Brieven bespeurd heb, geeven er toch duidelijk bewijs van; maar O! ze zijn niet verlooren voor Uw Sandick en ….. ook het Aandenken aan U, uit Zijne Oogen! – Gij zit dan en rust op mijn Stoeltje! Ik dank er u voor. Het Trommeltje dat gij gepakt hebt is hier ook nog bij mij, uw Ring met Uw Silhouette draag ik dagelijks en de gravin heeft hem al geadmireerd.
Aan die fatale Dagen van 27 July en 1e Augustus heb ik eeven zoowel gedacht als gij mijn Waarde. Mijne Voorige Brieven hebben het u beweezen, dus eenstemmigheid daaromtrent tusschen ons. En dat is geen wonder!
Het was lief van Santheuvel aan U iets troostelijks te schrijven. Ik schrijf klein om meer op ’t Papier te brengen want een Brief met een Couvert of Enveloppe kost meer Post als een enkele Brief met hetzelfde Papier toegemaakt.
Onze Cadet Buisman is weder terug van zijn Commissie naar den Haag en men was in het Hoofdquartier zeer wel tevreeden over zijne Schiklijkheid en oeconomie. Wij vernamen met genoegen door hem dat den 7e deezes alles nog wel was in ons Land.
Gister is Papa en Mama volgens Uw schrijven naar Groningen vertrokken, dus Elsje en Jetje alleenig te Boswijk, que n’y suis je en troisième! Mais c’est un Voeu inutile.

Ik ben bij aanhoudendheid zeer wel vaarende, en wij allen verzoeken onze groetens aan onze Vrouwen. Zijt maar niet ongerust over ons. Ik groet Elsje en de geheele familie en druk u in gedachten aan mijn hart, aan dat hart dat altoos zoo geheel voor u slaat en zal blijven slaan. Vaar wel, beste Vrouw, en de Heemel zegene u zooals het wenscht uw getrouwen man. O.Z.V.S.

In de marge op:

Pg. 1: Het beste Adress zal nu weezen: naa mijn Naam en Tytelin ‘t Fransch: Adresse au quartier general du Lt General Dumonceau, commandant des Troupes Bataves, en Allemagne à Friedberg près de Francfort.

Pg. 3: Wat jammer dat die groote Brief van Vrouwtje haar weer terug is gezonden, ik zou hem zoo gaarne geleezen hebben, want thans is er voor Uw Sandick geen aangenaamer tijdverdrijf als iets van de hand van Vrouwtje te leezen.


No. 14 ontfangen den 31 Augustus 1800

Laubach, den Vrijdag Ogtend 22 Augustus 1800

Gister ogtend teegen den Middag , liefste Henriëtte, werd ik weder Verheugd met den ontfangst van uw No. 7, dato Boswijk 9e deezes, welke mij door den Capitein Chaveau van Limburg aan de Lahn wierd toegezonden, maar van daar tot hier nog 4 Dagen onderweegs was geweest, zijnde den 17e verzonden en eerst den 21e hier aangekoomen, anders had ik ze nog zoo veel vroeger en dat wel zeer schielijk ontfangen. – Nu, ik ben er al vergenoegd meede want op zulk een Afstand regulier de Brieven over en weder te ontfangen is al wat men verlangen kan, en ik ben, mag ik zeggen de Gelukkigste van alle onze Heeren daar ik de Eenigste ben met Chaveau, die reeds Antwoord op mijne, den 28e en 29 July van Limburg aan de Lahn geschreevene Brieven heb, en daarbij de Verzeekering dat de Voorige alle over en weder wel aangekoomen zijn. Zie, dat is wat waard voor iemand die zijn Vrouwtje lief heeft. Maar ook niemand kan de Zijne zoo liefhebben als ik U, mijn beste Jetje. Dat voel ik nu eerst daar ik van U verwijderd, daagelijks mijn hart uit het lijf /: zooals men zegd :/. Verlang om weer bij U te zijn. En waarlijk gij behoeft mij niet te bedanken als ik veel en dikwijls aan u schrijf want daarmeede voldoe ik aan de weezenlijkste behoefte van mijn hart en nu zult gij van uw zijde ook beeter tevreeden zijn daar gij weet dat de Brieven wel en rigtig overkoomen.
Chaveau zal nog wel eenige tijd te Limburg aan de Lahn blijven Commandeeren, tenminsten zoo lang als de Armée niet weezentlijk bij malkaar trekt en geformeerd word om weder te ageeren, en dat hangt van den Uitslag der Onderhandelingen af; aan de andere Zijde gaat er alle weeken een Capitein van ons Battallion /: en dat wel meest Capitein Oudendijk :/ van hier naar het hoofdquartier van Lt. Generaal Dumonceau om ’t geld voor de …. te haalen, dus zijn er twee goede kansen om ons de Brieven te doen toekoomen, hetzij onder Couvert of Adresse van Capt. Chaveau of wel Adresse au quartier general à Friedberg zooals ik U in mijn laatste No. 13 opgegeeven heb, en dit is nog wel zoo secuur omdat men vast alle Agt daagen daar moet koomen geld haalen, en men alsdan de Brieven daar kan vinden en bekoomen, zoo ze niet nog eerder, direct naa hun Aankomst, per ordonnants aan de hoofdquartieren der Brigade Commandanten /: waarvan de onze Col. Gelderman is :/ verzonden worden, zooals gister met een geheel Pak Brieven voor ons Battaillon geschied is, en waaruit wij in dato den 9e deezes van Zwolle volgens het schrijven van Eenige Dames vernamen dat alle de weerbaare manschappen van ons Dépot, met Capt. Dietsch van Zwolle naar Delfzijl /: waarschijnlijk tot Verdeediging der bedreigde Kusten :/ vertrokken waren: – gij schrijft mij daar niets van in uw Brief van Zaaterdag den 9e, No. 7 maar het is zeer moogelijk dat gij het niet geweeten hebt: – of ook dat gij het niet vermeend hebt van zoo veel aangeleegentheid te zijn om er melding van te maaken. Ik weet dat gij veel te Boswijk alleen zijt en U weinig met het overig omgaande bekommert en dus kan dat zeer wel gebeuren, dat het Plaats gehad hebbe zonder dat het U ter ooren is gekoomen. Maar Joseph zegd gij is den 8e bij u geweest en toen moeten de overige volgens het schrijven der Dames reeds weg geweest zijn en dan zou hij, zooals ook Sieverts gelijk men schrijft weder vrij gespeeld hebben: Nu, hetzij zoo het wil, ik hoop dat het alle onnoodige moeite zal zijn of geweest zijn, en er geen Visite zooals die van Voorleeden Jaar zal plaats hebben.
De vrouw van Joseph moet dan weer in de kraam! Wel dan is het dubbeld goed, dat zij maar van ons af is; en gij hebt het wel geraaden.
Apropos van hem, ik geloof dat hij áán is, met het geld dat ik hem, zooals gij weet beloofd heb, want ik heb bij ons laatste Vertrek uit Zwolle hem maar voor Julij en Augustus gegeeven, dus verzoeke ik U, als ik mogt tot September uitblijven, hem het beloofde à f. 2. – ’s weeks uit te betaalen voor September en het op zijn Papier dat hij van mij heeft aan te teekenen /: de ooverige Aanteekeningen van Ontfangst en Uitgaaf gaan hun gang, zooals ik vast vertrouw van Vrouwtje :/ dit tusschen 2 haakjes. Schrijft maar toe, lieve, wat gij mij van onze huishouding te melden hebt; gij ziet de Brieven koomen terecht en worden niet geoopend, en al was het; onze huishoudelijke Zaaken zijn van geen Belang voor een ander, en veel voor ons: – ik schreef u daaroover in mijn Voorige: – Miene gaat weg zegd gij teegen Allerheiligen, maar beste Gij moet u niet blootstellen om zonder meid te zitten, en liever de kosten van ze een half jaar huur om niet te geeven, draagen, als in de Verleegentheid te zijn: het is waar, Allerheiligen is eerst den 1e November maar met tot het laatst te wagten is dat wel raadzaam? Ik stel het u voor, en in de tusschentijd dat wij te Maastricht zijn, zoo wij er nog vór den Winter kunnen koomen, moeten wij immers iemand in het huis /: welk het ook zij :/ te Zwolle houden, dus dunkt mij dat wij Miene of een andere meid moeten houden en hebben, en handeld daarin naar uw welgevallen, om maar niet in Verleegentheid te zijn. Wieg, Vuurmand en Ledikant denk ik dat gij nu op mijn laatste, volgens Uw Volkoomen goedvinden besteld zult hebben; want een nieuw Ledikant moeten wij immers volgens Afspraak in alle gevallen eens hebben. Kunnen wij geen ander huys krijgen, zoo moeten wij ons in dit vooreerst behelpen. Gij zegd zelfs, in uw laatste No. 7, dat gij er wel in wilt blijven bij voorkeur. Met der tijd komt er doch wel een beeter los. Intusschen feliciteer ik U, mijn waarde, van harten met het voltooyen van Uw Luyermand, mocht ik er ons kleintje reeds het genot van zien hebben. O! dat vergunne ons de Algoede in wiens handen wij ons Volkoomen moeten overgeeven! – maar hard, zeer hard, ik beken het, is voor ons deeze Scheyding, zoo onverwagt als in allen Opzichten onaangenaam en nadeelig!
Ik heb met deeze Post ook aan Santheuvel geschreeven, om naar een goede Baaker voor ons om te zien, want het mogt eens gebeuren dat wij nog tijdig, zooals ik hoop mogten overkoomen, om naar Maastricht te kunnen gaan dan moeten wij daar ook in dat geval voorzien zijn, en liever iets meer uitgeeven, want mijn Vrouwtje moet wel bezorgd zijn; – voor wie anders zou ik zorgen in de Waareld als voor haar en voor ons Kleintje?
Hij zal U waarschijnlijk wel daarover schrijven, en dan voert Gij daaroover maar verder de Correspondentie met hem, gij kunt het hem wel vertrouwen.

Wij zijn nog altoos stil hier! En hebben het goed. De warmte is met den 20e deezes met de Nieuwe Maan en het Eynde der Hondsdagen opgehouden; een weinig onweer en toen is de Lucht verkoeld, seedert hebben wij zwaare Reegens gehad die het drooge Aardrijk verkwikt hebben, en nu is het weer lief weder. – met die ijsselijke warmte had men bijna geen Lust om iets te doen, thans kan men zich weer beweegen en wandelen, maar nu word het hieromstreeks in de vette Kleij braaf morssig om te gaan. Onze, of tenminsten mijne leevenswijze is hier zeer stil: – de morgen, hoe vroeg ik ook opstaa, gaat met de ordinaire militaire Zaaken meest altijd heen, zoodat ik zelden, als ik iets dan nog voor mij zelfs wil doen, tijd heb om in een Zogenaamde Souciteyt te gaan, daar onze Heeren ’s Middags bijeenkoomen: dan eeten wij dagelijks bij den graaf en hebben dus een goede Taafel. Daarnaa wandelen en bij én van ons Thee drinken /: met Caneel die men hier daarbij doed :/ – ’s Avonds om 7 uur een half uur ons musiek bij de Hoofdwagt, en dan weêr allen bij mij thuys, leezen of schrijven; niet soupeeren als een glas wijn, en vroeg naar Bed, zonder mijn Jetje, dat is dan altoos zoo naar, dus is Weeder Vereeniging, een woord dat altoos in Avond- en Morgengebed komt van Uw recht hartelijk liefhebbenden en getrouwen Echtgenoot O.Z.V.S.

Mijn Adres blijft het best aan ’t Hoofdquartier van Dumonceau te Friedberg.

In de marge op:

Pg. 3: Vriendelijke groeten is aan Broeders en Zusters, waardste Ouders als gij hun schrijft, want ik denk zij nu in Groningen zijn; Papa heeft nu wel mijn laatste Brief en zal mij wel een woordje antwoorden. Vaarwel dierbare!


Brief no. 15 Ontfangen den 7 September 1800

Laubach, den 26e Augustus 1800 Dinsdags morgens

Tot mijn groot genoegen ontfing ik gister ogtend tegen Elf uur met de Post Uw lieve Brief no. 8, mijn beste Henriëtte. Het is die van den 13 Augustus in antwoord op de Mijne no. 10 zoo ik meen, van Wetzlar; – Ik was buyten huis, op de markt alhier bij de Hoofdwagt en wagte een Eskadron Hussaren af, dat hier met de Lt Col. Collaert Nachtquartier kwam houden; – maar Frederik bragt mij de Brief die zoo eeven aan huys was gekoomen, en ik oopende ze schielijk toen ik zag dat het van de hand van mijn Jetje was, verheugd om weêr wat van Vrouwtje te hebben, maar, beste, nauwelijks had ik Eenige Reegels geleezen of de Traanen barsten uit en ik maakte dat ik schielijk naar huis kwam, waar ik in mijn Kaamer de Brief uitlas, niet zonder heevige Aandoening over al wat gij mij in die waarlijk melancholieken Brief zegd en voorhoud; – jaaa mijn beste Vrouw, ik gevoel leevendig alles wat gij moet lijden, door mijne Afweezigheid, en ik lijde niet minder door de dagelijksche overdenking van al het onaangenaame van onze Verwijdering van elkaar, zoo voor U als voor mij. – Niemand kan de Plaats voor U inneemen zegd gij, waarde, en datzelfde zeg ik ook; – en gij zijt allén waar ik niet ben; – terwijl ik, uitgenoomen in die oogenblikken waarin Amptsbeezigheeden mijn hoofd geheel vervullen, ook altoos en zonder ophouden in gedachten bij U ben; – en midden in de Verstrooying waaraan ik zie dat anderen zich kunnen overgeeven, Uwe Omstandigheeden mij altoos voor de Oogen zweeven. – Hard is deeze Beproeving voor ons, mijn lieve, mijn Eenige Jetje; en de meenigvuldige Traanen die Uw Papier besproeid hebben, toonen mij het leevendige bezef dat gij er van hebt; – ik heb er de mijne meede gemengd, en geeve de Heemel dat onzer beyde Smeekingen nog dat moogen verwerven, dat wij tenminsten weder vór Uw Kraamen moogen vereenigd worden: – maar Gij zelfs begind er ook aan te twijfelen en ik durf er U niet veel hoop toe geeven want de tijd verloopt reeds zoo verre. – Bitter Bitter is voor Uw zoo oprecht en zoo teeder U liefhebbende man, die gedachte van U alsdan niet te zullen kunnen met die teederheid en zorg oppassen, waarvan hij zich zulk een genoegen maakte in U de Blijken van te geeven; – En die wel door een ander geëvenaard kunnen worden in welmeenendheid, maar nimmer dat voldoende voor onser beyder harten hebben als of wij het zelfs deeden: – harde Pligt die mij hier zoo verre van U geboeid houd, en dat juyst in Zulk een Oogenblik waar zulke wigtige reedenen mij te huis roepen! Waar alles wat voor een man dierbaar kan zijn, hem naar zijn wooning heentrekt! En nog, beste, zijt gij nog reedelijk genoeg om te bezeffen dat ik moet en dien hier te blijven en niet zonder mijn Battallion diene te koomen, en u dus aan Reede en Pligtsbetragting te onderwerpen; – waarlijk dat is voorbeeldig, en verheft U in mijn oogen! – een yder denkt zoo niet! – maar laat ik van dit afstappen om u niet te weemoedig te maaken, en mij zelfs in overdenkingen die ik U dan meededeele niet te veel uit te breiden, waarvan meer mureeren welligt het Eynde zoude weezen. Laat ons liever den Heemel te saamen danken met behoorlijke Erkentenis voor de zoo volmaakte gezondheid waarin zoo gij als ik ons bevinden. – Dit is een allergrootst Voorrecht, waar van ik mij ten Uwen opzichte zoo veel te minder had durven vleyen dat ik weet hoe naadeelig de droefheid voor U is. Maar daar ik op Uw zeggen vertrouw en mij verzeekerd houde dat gij aan onze belofte getrouw, mij ook alles zeggen zult juyst zooals het is, zoo kan en moet ik mij over uwen voortgaanden welstand verheugen. En wensche van harten de voortduuring daarvan; – terwijl ik echter ook nog niet ten volle de gedachte opgeef om voor uwe bevalling weder bij u te zijn: – de moogelijkheid is er nog wel toe: – want half October of Eynde October zouden wij er weer kunnen zijn, als de gerugten van Vreede zich bevestigen, zoo als er alle hoop is; – de marsch zal zeeker langwijlig zijn, want de Dagen beginnen te korten en de wegen worden Slegt, maar dat is alles niets, waren wij maar eens weer op weg naar huis, dan was elke dag er Eén en een aangenaame hoop zou al het leed verzachten. De Heemel vergunne het ons Spoedig! – maar hoe het ook zij houd doch niet op lieve Henriëtte, om voor uw gezondheid te zorgen, en houd u meer met hoop op goede Vooruitzigten beezig als met droefgeestige, want denkt hoeveel invloed dit op ons Kleintje kan hebben; – en of het niet veel aangenaamer voor ons zal zijn een vroolijk welgemoed Kindje te hebben als een Melancholiek gestel. Hoeveel Voorrechten genieten wij niet booven anderen, die in Eeven dezelfde omstandigheeden omtrent de Verwijdering en het Kraamen, zooals ook met de nadeelen in de onmoogelijkheid van voor Eyge Zaaken te kunnen zorgen, nog boovendien met Ziekte of Armoede te worstelen hebben! – en laat ons dan bij Sloth erkennen dat de Heere goed is en alle Zijne Wegen wijs! – Ik ben immers ook verzeekerd dat gij wel opgepast zult worden, en u niets ontbreeken zal, en hoe gaarne Vleye ik mij niet met de gedachte dat alles wel afloopen zal.

Gij wilt dan, zooals ik uit Uw no. 8 zie, geen Ledikant bestellen en behelpen u met het teegenwoordige; – ook Wieg en Vuurmand van Mama leenen, en de kleedjes bij Engelaar laaten maaken. – Ik heb er u reeds meermaalen over geschreeven dus mijne Intentie gezegd, maar vind gij het zoo beeter, dan is het al aanstonds bij mij verantwoord, en ik stem er in toe; – maar ik weet doch dat gij zelfs een Zwak op het nieuw Ledikant had en dat daar wij het doch moeten hebben, het dan voor uw kraamkaamer doch ordentelijker was; maar met een woord ik steun op dat wat gij mij in uw laatsten zegd; – Vrouwtje zal alles zoo goed redden als haar maar mogelijk is. En daarop verlaat ik mij. – Om het geld behoefd gij het althans niet te laaten.

Misschien ontfangt gij nog van mevr. Häberly in Persoon de restitutie der 250 Guldens die ik aan haar man geleend heb, en dan moet gij het maar aanneemen, want ik heb het in zijn Keus gesteld om het te Amsterdam aan ’t Comptoir van Karel en Willem, ofwel aan U zelfs ter hand te stellen, dus, zonder er van vooraf aan haar te spreeken, zijt gij er nu van verwittigd en weet in het geval hoe te handelen, want als gij ’t ontfangt geeft gij er een quitantietje van, en dan is ’t afgedaan, maar ik zal op eene of ander wijze altoos vooraf door hem verwittigd worden.

Vind gij niet, beste, dat wij magtig lang hier vast op Eene en dezelfde Plaats blijven? Het is jammer voor de landlieden die wij zoo tot last zijn, maar het is waarlijk onze schuld niet. En wij willen gaarne een End aan hun Leed maaken. Het weer is nu wel verkoeld en ik hoop dat gij te Boswijk Eeven zooveel Reegen zult gehad hebben als wij hier; dan is het weer beeter voor Mensch en Vee. Ik wagt een klein Extract van u van alle de ontfangen Brieven, want die zelfs over te zenden zou veel te kostbaar in Port weezen.
Chaveau is nog altijd te Limburg maar addresseerd gij maar au quartier general du General Dumonceau à Friedberg, près de Francfort, maar niet meer daarop Poste Restante, want dan zouden ze kunnen blijven leggen, nu gaat het geregeld en gij kunt maar vrijuit schrijven wat ons zelfs aangaat. Was ik maar weer bij u, dat is het geduurige Refrein.

Nu lieve Jetje Poesien, des Heemels beste Zeegeningen zijn over U en Uw Vrugt.
Tout, tout à Vous Seule, O.Z.V.S.

Duizende groetenissen aan Broeders en Zusters en aan waarde Ouders, nu waarschijnlijk te Groningen. Gij had het wel geraaden dat No. 8 mij niet meer in Wetzlar zou vinden, maar nu zijn we doch lang Stil geweest. Nu vaarwel, van Snikkepit. Bien des choses a Elsje.

In de marge op:

Pg. 1: Deze vertrekt per Bode oover Giessen en Wetzlar. –Capitein Van de Poel is deezen ogtend vroeg met Hillers en 2 Compagnien met de Zijne en ondercommandant van Lt Collaert gemarscheerd van hier naar Amöneburg, een stadje 7 uur van hier, zijnde Maintsisch maar geleegen in het Hessische bij Marburg. Hij blijft daar Eenigen tijd.

Pg. 2: De Complimenten van Bartlo, die veel bij mij is, en nog veel met mij van U spreekt.

Pg. 3: Daar komt Sergeant Majoor van Straaten mij kennisgeeven dat hij een Brief heeft van Zwolle en dat zijn Vrouw wel en voorspoedig van een Zoon verlost is. – Was ik daar ook eens bij als dat van mijn Jetje gezegd word!


Brief no. 16 Ontfangen den 4 September 1800

Laubach, den 27 Augustus 1800 Woensdag avond

Deeze mijn waarde Henriëtte, zal u niet door den gewoonen Postweg toekoomen, maar per Extra Courier. – De Major van Berehuijs, wiens Vrouw zooals u bewust is vór U kraamen moet, en zooals Hij zegd, in de laatste Maand is, gaat zó daarvoor, als voor wigtige Familiezaaken die het welzijn van zijn Kinders aangaan, met Verlof naar Zwolle.
Ik had hem bij ons Vertrek uit het Camp van Eijndhoven, op zijn dringend Verzoek beloofd mij voor hem te zullen interesseeren indien er moogelijkheid was tot Verlof, en de Zaaken tusschen Hem en mij zó te schikken dat Hij weer terug was, teegen den tijd dat ik nog kon, ook weder op mijn Beurt gaan, en thuijs zijn vór Uw Kraamen. Intusschen zijn wij zooals gij weet al verder en verder opgemarscheerd, zoodat er meer tijd noodig is voor de Reys hén en wér; en nu was er voor hem nog voor mij geen tijd om ‘t langer uit te stellen of beyde zouden niet meer kunnen bereekenen van nog bijtijds te kunnen aankoomen: de toeneemende Gerugten en hoop van Vreede gaaven nu ook geleegentheid om met Eenig Vertrouwen op gunstig Antwoord Verlof te kunnen vraagen, en dus heeft hij het gerisqueerd en heeft aan den generaal Verlof gevraagd voor zes weeken.
Ik had niet gedacht dat hij het verkrijgen zou, zoo uit hoofde der Omstandigheeden, als wegens de gevolgen; en als Chef van mijn Battallion wil ik u ook wel bekennen dat ik het niet zou hebben durven nog willen vraagen /:in welke gedachten uw schrijven in Uw no. 8 waarin gij zegd dat gij niet zoud willen hebben dat ik zonder mijn Battallion kwam, en de Pligt vorderd dat ik er bij blijf, mij bevestigd:/; maar ziet! Daar zoo eeven ontfangt hij de Permissie en het Fiat van den generaal Dumonceau, en morgen ogtend vertrekt hij van hier naar Zwolle; Agt, 10 of 12 Dagen zal hij voor de Reys noodig hebben; dus hoop ik dat gij deeze spoediger als met de Post ontfangen zult, en dezelve U in goeden Welstand zal aantreffen.

Ik geloof dat hij de reys te Paard zal doen, en dat kan eenigsints ophouden.

À propos van Paarden, moet er bij het vertrek van ons Battallion iets onaangenaams tusschen de Major en Papa ten opzichte van mijn Paarden voorgevallen zijn, waaroover ik, gewigtiger Zaaken te schrijven hebbende, tot nu toe altoos vergeeten heb U van te melden: het moet zijn oover het al of niet laaten volgen van mijn Paarden, die de Major had willen laaten meedeneemen toen het Battallion uit Zwolle naar de Grave ging; waaromtrent ik den Major echter zelfs gezegd heb, dat ik de Ordre gegeeven en nog uit Maastricht aan Wouters herhaald had om ze ingeval van Marsch, niet meede te neemen maar te houden totdat ik zelfs zou koomen, of er naadere ordre zou geeven, omdat, zooals gij weet, ik op het bekoomen van Verlof staat maakte, en wel op een Campement van Exercitie, maar geenssints op een buitenlandsche Reijs reekende, en dierhalve niet noodig oordeelde mijn Paarden te behoeven te verplaatsen.
Het zij dan hoe het wil, er moeten daaroover Boodschappen over en weder gedaan zijn, die niet zeer vriendelijk waren, en mij zeer spijten, maar word er niet meer van gesprooken en blijft het daarbij berusten, zoo zal het mij zeer aangenaam zijn, en spreekt er dan ook maar niet meer oover, want gij weet dat ik een Vriend van Vreede en Eensgezindheid ben.
Nu genoeg hiervan, om te weeten hoe er U in te gedraagen.

Deezen ogtend, beste, ontfing ik Uw lieve Brief no. 9 dato Boswijk 16e deezes, die hoewel nog te Wetzlar geadresseerd, mij echter schielijk is geworden, en in elf dagen over is geweest. Deeze was zeekerlijk in een vroolijker luijm geschreeven als de voorige, en ik zie er met oneijndig veel genoegen in dat gij mijn waarde U van de Nood een Deugd hebt gemaakt, en met zoo veel raisonnement als maar moogelijk is, uw Partij genoomen hebt. Dat is braaf en prijsselijk! De Heemel geeve U verder kragt en vermoogen om U in ons lot te schikken: hoop om voor het kraamen nog weer bij U te zijn voede ik altoos nog, omdat er de moogelijkheid toe is; maar is het zoo niet, kan het niet zijn en word het mij uit hoofde van mijn staat en Pligt niet vergund, O! dat dan mijn vuurige Smeekingen verhoord mogen worden, en ik het genoegen maar mooge hebben U mijn geliefde Vrouw met ons kleintje mij tegemoed te zien koomen! O! die gedachte dringd mij een Traan uit de Oogen! Amen! Zeg ik op dien Wensch! En intusschen zij des Heemels Zeegen ten vollen oover U!

Papa heeft dan nog goeden moed op onse terugkomst, dat Hij den weddenschap met U voor de Waafelpartij op ons retour teegen den 1e October heeft durven waagen. Ik mag van harten lijden dat gij het verliest, want hoe eerder terug hoe liever; maar het is een verre reys en zoo met een geheel Corps, als het onze, marscheert men niet schielijk, en niet zoo de kortste weg als iemand allén. Dus kan men bijna op Een Maand reekenen tot het retour, en den eersten September begind al te naaderen. – wie weet ook of wij, als er eens een Landing plaats had /: waarvan de Couranten zoo wat vermelden :/ wel eens zoo direct weer naar Zwolle zouden kunnen koomen! Maar dat zou men zeggen moest teegen dien tijd gedecideerd zijn, want het saisoen begind al te verloopen.
Van Landing gesprooken, weet gij wel beste, dat het heeden de Verjaardag is van de fameusen 27e Augustus en van mijn Blessure? Wij hebben er heeden nog veel van gesprooken, en ons alle omstandigheeden daarvan herinnert. De Verjaardag is wat rustiger voor ons afgeloopen en wat heb ik, in het bijzonder, niet Stof van danken?

Ik hoor met genoegen dat de toegestaane Pensioenen aan de weduwen der te dier tijd gesneuvelde Officieren, met eenige Vermindering der eerst geaccordeerde Gratificaties, gecontinueerd zijn: dat is goed voor mevrouw Geevelaer de Dogter van Capitein Oudendijk: die Capitein is nu ook altijd bij mij, bij den Staf omdat er een ordre is gekoomen dat de Leeden van den Raad van Administratie, die bij het Veldbattaillon maar uit mij als President en 2 Capiteins /: Van Ingen en Oudendijk :/ bestaat, met de quartiermeester, altoos bij de Staf moeten weezen omdat men veeltijds de Compagnien afgedetacheerd heeft en het dan moogelijk is als er iets te teekenen valt.
Bartlo is ook altijd bij mij, en heeft mijn Vertrouwen gewonnen door zijn manier van handelen en gedrag. Hij is ongelukkig geweest met zijn gouverneurs en opvoeding want weet niet veel, maar heeft Aanleg en lust genoeg om te leeren, dus heb ik nu goede hoop op hem.

Bij het vertrek van Uw No. 9 had gij, zoo als ik bemerk, mijn no. 11 van de 10e uit Butzbach geschreeven, nog niet ontfangen, waarin ik u de komst van Berehuijs en Bartlo melde, anders zoud gij u over hun lang uitblijven niet verwonderen, maar de reys was groot en zij hadden veel omwegen gedaan om ons op te zoeken.
Bartlo, die al in Duitschland geweest was, en ’t Hoogduitsch beeter als ’t Neederduitsch spreekt, is aan Berehuijs op die reys van veel Nut geweest.

Het boek van Ewald is dan eyndelijk ook gearriveerd, en heeft u dus dubbeld genoegen gegeeven. Dat is mij lief, ik had er u express niet meer van gesprooken omdat ik het stil besteld had en kon al niet begrijpen waar het bleef?
Dank, hartelijk dank voor de lieve Vaarsjes die gij er mij van zend, en die zoo recht de gedachten en gevoelens van het Hart van mijn geliefde Henriette uitdrukken. – Ik wist niet wat ik zag toen ik die Dichtreegels onder ’t oog kreeg, maar zij deeden mij veel Plaisier. En daar Gij de moeite hebt genoomen van mij in uw Brief de Tytel van dat Boek zoo geheel in zijne uitgebreidheid uit te schrijven, kan ik niet naalaaten u de gedachten hier neder te stellen die de vier daarin voorkoomende verscheyde Benaamingen, op de herdenking aan u mijn waarde mij hebben ingeboezemd, en u te zeggen:
Mijn Jetje is reeds geacht in drie hoedanigheden,
Die me in dat Boek beschreeven vind;
En om ook Eeven goed de Vierde te bekleeden,
Vergund de Heemel ons een Kind!

Studeert nu maar vlijtigjes, moedertje, in Ewald’s Boek; gij weet en kunt vertrouwen, dat uw man zich verzeekerd houd dat gij zonder er eens in te kijken, een recht goede moeder zult zijn.
Welk genoegen voor mij te verneemen dat gij zoo wel zijt: volhard alzoo en maar goeden moed; nietwaar lieve Zuster Elsje? Alles zal wel gaan en op uwe goede zorg voor onze lieve Jetje vertrouw ik zonder de minste ongerustheid. Was ik nu en 3e bij u beyde, dan was ’t Pret, altijd Pret! Maar maar nu is ’t zoo niet en eevenwel moet het ons als godswil zijnde, goed zijn!

Nu lieve Vrouwtje en lief Zusje, Uw Sandick omhelst u van ganscher harte.

In de marge op:

Pg. 1: Hartelijke groeten aan lieve Ouders en Familie en Vrienden.
Hierneevens een Blaadje Basilicum voor Vrouwtje, het is gering maar van uw Sandick.

Pg. 3: Wij zijn nog altoos wel hier te Laubach, maar mij dunkt het duurt er niet lang meer: adresseerd echter altoos nog maar au quartier general a Friedberg.

Op los blaadje (datering moet zijn 28 Augustus 1800):

Donderdag ogtend, den 28 July 1800. 5 uur

Ik heb vergeeten, in mijn brief van gisteravond U te melden, dat Wouters mij verzogd heeft om Vier Gulden Hollandsch aan zijn vrouw te doen geeven, die hij hier bij mij laat staan en afbetaald; gelieft het haar dan met den eersten te geeven, beste Henriette, en teeken het maar aan om af te reekenen. Vaarwel, beste, de Major zal zó gaan vertrekken; mogt ik met hem mêé, maar dat kan niet! T à Vs.


No. 17 Ontfangen den 17e Sep 1800

Laubach, den 1st September 1800 maandags, Verzonden dinsdag naamiddag

De Major van Berehuijs van ons 2e Battaillon, mijn waardste Henriëtte, heeft mij Uw Brief no. 10 van den 19e Augustus van Boswijk geschreeven, zoo spoedig moogelijk overgebragd, want Donderdag ogtend den 28e ontfing ik hem, zijnde mij door de Lt. Col Faure van Friedberg /: waar het 2e Battaillon legd :/ toegezonden en nog had ik hem een dag vroeger moeten ontfangen indien de Bode tusschen daar en hier zich niet onderweegs opgehouden had want den 27e ’s morgens had Faure ze reeds afgezonden, dus is de Major van Berehuijs van den 20e tot den 26e oovergeweest dat zeer spoedig is, en Uw Brief heb ik dan voor het eerst in den korten tijd van 9 dagen gehad.
Ik zie uit denzelven dat gij toen, op den 19e, mijn no. No. 11 van Bulzbach den 10e geschreeven, nog niet ontfangen had, waarin ik U kennis geef van de Aankomst van Lt van Berehuijs en Bartlo, en van den ontfangst van uw no. 4. Echter hoop ik dat de Post van woensdag de 20e u dezelve zal gebragd hebben, zooals ook alle mijne volgende tot deeze toe, waardoor gij zeeker met genoegen de rigtige overkomst van alle de Uwen van 1 tot 10 zult vernomen hebben.

Veel lijd mijn hart dat dit alles zoo langsaam gaat maar thans moet gij eevenwel daaromtrent gerustgesteld zijn, en verzeekerd zijn dat ik de Uwen eevenzoo goed en wel ontfangen heb als gij de mijne.
De Major van Berehuijs die den 28e van hier naar Zwolle met een Verlof van zes weeken vertrokken is, brengd U mijn voorig no. 16 van woensdag, de 27e augustus. En zoo onze Major al eens niet mogt deurreijzen of terugkeeren op de tijdingen die hij op Reijs zal verneemen, zoo zal hij zeekerlijk de Brieven die hij met zich heeft aan de Post te Keulen of ergens onderweegs afgeeven om ze rigtig ter hunner Bestemming te doen overkoomen. De tijd zal leeren wat hiervan zij.

Intusschen moet k u hartelijk danken voor uw Naarstigheid in het schrijven aan mij. Zeer spoedig hebben uwe laatsten zich op elkander gevolgd; en met eeven veel genoegen heb ik ze geleezen. Wat kan er voor man en vrouw die zich zoo hartelijk liefhebben als wij, aangenaamer zijn als men zoo vreed van elkander gescheiden is, als in beijder Brieven over en weeder Eenigen Troost tenminste te vinden. Uw liefdens verzeekeringen, mijn waarde, zijn thans voor uw Sandick het grootste genoegen dat hij kan ondervinden en vans gelijken weet ik, dat de oogenblikken der Aankomst van mijn Brieven voor mijn lieve Jette de aangenaamste zijn.

Het wonderd mij niet dat het gewoel de Voorige weeken op Boswijk u verveeld heeft en dat gij veel meer de teegenwoordige Stilte met Elsje allén bemind, want in uw gesteldheid kan al dat bruyante niet aangenaam zijn. Ik hoop maar dat de groote droogte bij u ook met het Eijnde der Hondsdagen opgehouden zal zijn, en de reegen de velden, weiden en tuinen verkwikt zal hebben.

Alles is dan ook zooals ik van u verneem nu in gereedheid, wieg, vuurmande en luijermande; en nu manqueerd nog het voornaamste, naamentlijk het Kindje. Jaa zeeker is het veel beeter dat gij in Zwolle bij uw lieve ouders zijt tegen den tijd van het kraamen als te Maastricht, en ik ben desweegens, zooals gij wel denkt en ook in uw laatste no. 10 schrijft veel geruster. Kon ik er nu ook maar wezen, maar ……. daar is niet op te reekenen, want er schijnt geen Apparentie vooralsnog tot ons retour – de hoop op Vreede, daar men zich meede gevleid had, verdwijnd hoe langs hoe meer, en waarschijnlijk hebben u de Couranten bij het ontfangen van deeze Brief reeds de tijding meedegedeeld van het ophouden van den Waapenstilstand. Terwijl sommige echter nog beweeren dat het er niet toe koomen zal, en men het nog voor den bepaalden tijd van 7e September zal eens worden, of dat dit maar is geschied om zooveel te zeekerder de zaak tot Vreede te brengen. Ontrust u dierhalve nog niet, mijn Beste, en gelooft vooral geen bloote gerugten: gij weet dat ik u altijd de zuivere waarheid meld, en dus: slaat geen geloof aan soldaatenwijven Praatjes vooral, want dan zoud Gij veel te doen hebben. Ook niet aan andere gerugten die veelal of te groot of verzonnen zijn door andere lieden; gaat alleen maar af op wat ik u schrijf.

Bartlo is ook nu bij mij, en zoo ik vertrouw mij zeer geattacheerd, hetwelk in alle omstandigheeden ook nog al een geruststelling is, want hij kan altoos en voor mij zorgen en ook wel eens een woordje schrijven, als ik altemets door Beezigheeden daarin verhinderd wierd.

Wij zijn altoos nog hier, en vooralsnog geheel niet naabij den Vijand want het is veel dieper in Duijtschland bij den Donau en de Inn dat de groote Leegers staan. Zeekerlijk zullen wij echter niet lang meer hier blijven, want den waapenstilstand opgezegd zijnde, zooals ons aangekondigd is op de ordre, zoo zal ons Bataafsch Corps ook in de Cantonnementen niet verstrooid blijven maar zich vermoedelijk hier ergens in de environs vereenigen in een Camp of meer in een geslooten Cantonnement, om in alle gevallen gereed te zijn.
Hoe en waar men ageeren zal en of men ageeren zal is, kan ik u verzeekeren, nog onbekend. Het Hoofdquartier blijft nog te Friedberg, dat blijft uw adress alsnog zoo als te vooren au quartier general du general Dumonceau à Friedberg, près de Francfort ou autre Part.
Ik zal u altoos zooals ik gedaan heb tot nu toe zooveel en zoo dikwijls mogelijk schrijven en u van wat mij betreft dat ook geen ander aangaat, en geen Belang heeft als voor u onderrigten, opdat u de Brieven altoos rigtig overkoomen, de Politique tijdingen aan de Couranten overlaatende.

Was ik nu in de republiek gebleeven, dan was ik waarschijnlijk doch ook niet Present bij U, mijn waarde, want dan zou ik wel, eevenals alle andere nog thuys zijnde Trouppes aan de ……. moeten zijn ter Defentie derzelven: nu ben ik wel is ’t waar veel verder van U af, en minder in staat van Spoedige tijding van u te bekoomen, maar en daar, en hier en overal ben ik in de Hand van den Algoeden Alwijzen beschikker van ons Lot, die zoowel voor u als voor mij en alle zijne Schepselen alles ten hunnen besten bestierd en beschikt.
Deze beproeving is hard voor ons. Ik beken, en gevoel het! Al onze vooruitzigten op geluk door bij zijn bij elkander te genieten, vervallen voor dit oogenblik in een tijdstip waar wij zoo gaarne wenschten bij elkaar te zijn, en wij het gemis wederzijds, zoo leevendig gevoelen, maar wij hebben er niets toe gedaan, het is Godes Bestemming en Wil en waarom zouden wij het kwaade zoo wel niet als het goede van Zijne hand ontfangen. Onderwerping dan, lieve, beste Vrouw! Dat moet ons woord zijn; God geeve u maar sterkte van Geest en van Lighaam om een gelukkige moeder te worden, en dat alles wel afloopen zooals gij mij hoop er toe geeft. – O welk een verlangen zal ik teegen die tijd hebben teegen het midden of Eynde van October; Papa zal mij immers aanstonds schrijven, of zuster Elsje; dat vertrouw ik. Want om teegen dien tijd te zijn, daar hebt gij gelijk van u niet meer op te verlaaten, en de Heemel zij gedankt dat Gij u in die gedachten hebt gesterkt en nu vast voorgesteld dat ik er alsdan niet zijn zou. Want ik durf er niet meer op reekenen.

Dinsdag ogtend en naamiddag 2 September. Nog tot besluit eenige reegels. Lieve lieve Vrouw. Ik dank u dat gij mijn Bijbeltje bij u hebt genoomen, het is niet mooi, maar het is van mij zegd gij, en hoeveel is dat niet voor mij gezegd! Ik schrijf klein om er meer op te brengen, maar dan schrijf ik langsaamer. Een brief onder Couvert kost meer als een andere, ook schrijf ik op Papier zonder Zwarte Randen om geen oog te geeven aan de Posten, en de Nieuwsgierigheid niet gaande te maaken. Het is mij lief dat gij het horologie van onze lieve moeder draagd. Wijders keur ik alles ten vollen goed wat gij mij schrijft gedaan te hebben. Echter moet ik u waarschuwen, de Coupons niet te lang te bewaaren, maar ze bij Fernhout of Cantelaar of Papa tot geld te maaken en af te geeven, opdat ze ter Vertooning te Amsterdam inkoomen, want er zijn zeekere bepaalde tijden waarop die Betaalingen geschieden en anders verloopt de tijd en men komt te laat, dus maakt er nu maar voort geld van en dat kunt gij altoos bewaaren of employeeren, dan is dat afgedaan. / En ik ben er gerust oover. /Daar ik wel weet hoe gij omtrent de Zwolsche Vroedvrouwen denkt, en het er niet groot op hebt, zoo wensch ik van harten dat er goede Attestatien van die van Haarlem in moogen koomen, en dan neemt ze maar aan. Want uw eygen vertrouwen erop is mij veel waard. Daar is mijne hospita de kastelyn zijn vrouw gister naamiddag hier in huys zeer gelukkig in de kraam gekoomen, in een half uur alles afgedaan om half vijf dronk zij nog de Coffy met Frederik en om vijf uur was het kind daar. Zie dat is een Exempel voor mijn JettePoesien. Doed het ook zoo. Dit was een meysje ik heb deezen ogtend moeder en kind gezien, beyde waren wel. O de Traanen kwaamen mij in de oogen toen ik het wurmpje zag.

Gij weet wat ik dacht, en wat ik gevoelde, want gij leest, dit leezende, in het hart van uw Eeuwig getrouwen, U eenig uitermaaten liefhebbenden en hoogachtende Sandick.

In de marge:

Pg. 1: Daar komt Van de Poel bij mij een Visite doen, op het moment van het sluiten deezes. ’s Maandags om half vijf uur. Hij is wel en blijft morgen met zijn Compagnie nog leggen, maar ik marscheer morgen de 3e van hier naar Lich, 3 uur van hier weer bij een Prins van Solms, zoals ik aan Elsje melde. Wees maar gerust!

Pg. 3: Mijn Adres blijft altoos hetzelfde aan ’t Hoofdquartier Gen. Dumonceau. Nu Adieu beste, al nog hoop op Vreede!

Op los blaadje:

Laubach, den 2e September 1800, Dinsdag namiddag

Ik moet, en wil ook gaarne, beste Jette, hier nog een kleyn Aanhangsel bijvoegen, om U te zeggen dat ik een Brief van Mathieu van Maastricht ontfangen heb waarin hij mij vraagt om de Papieren die zooals gij u misschien herinneren zult, uit de Blikke doos aan hem hadden moeten terhandgesteld worden, om ze te laaten vernieuwen, maar de Doos reeds onder in ’t Koffer ingepakt zijnde door ons beloofd wierd die ten spoedigste te zullen zenden of zelfs weer meedebrengen als ons voorstellende spoedig te zullen terugkoomen: Maar dat is niet gelukt, en de Papieren moeten er weezen omdat als ze niet alle 3 maanden vernieuwd worden, en opnieuws opgesteld eeven alsof het geeven van die som waar ’t questie van is, eerst kortelings door ons geschied was, zoo zou men risqueren infal van overlijden die Boer, dat het geld weg was of ten minsten aan Proufen bloot staan, hetwelk diend vermijd te worden. De zaak is een somma van, ik meen, vijfduizend guldens Luijks, die mijn moeder uitgezet heeft bij Zeekeren Boer genaamd Denis Vervier woonende te Bombaij in het Vaderland van Mathieu, waarvan zoo als gij weet, de Renten door Mathieu getrokken worden en infal van mijn vooroverlijden ook de Som in Capitaal aan hem begeeven is. De obligatie hiervoor door gen. Denis Vervier gepasseerd, is niet gerechtelijk, maar onderhands, en moet dus alle 3 maanden vernieuwd worden.
Ik verzoek U dierhalven om in de Blikke Doos in te zien en daaruit te zoeken een fransch geschreven Papier in Folio zijnde gemelde Obligatie of Schuldbekentenis van Denis Vervier aan mijne moeder, maar zoo ik mij niet bedrieg zijn er in die doos de 2 laatste bij malkander, en het is alleen de laatste, namentlijk die van den laatsten Datum die wij hebben moeten, en dezelve verzoek ik u in een enveloppe of Couvert naar Maastricht te zenden aan het Adresse van Mathieu de Lang Domestique à la Maison de feue Madame Schmid, rue large à Mastricht, met een woordje daarbij waar mede gij hem dit stuk zend en recommandeerd zorg te draagen voor renouvelleeren daarvan op de behoorlijke tijd.
Hij schrijft mij dat hij er U over geschreeven had, maar gij geantwoord had die Papieren niet te kunnen vinden, en niet weeten waar ik ze gelegd had, dierhalve verzoek ik u om ze hem over te zenden en er antwoord op te vraagen dat hij ze ontfangen heeft. Mij dunkt men behoeft die zaak niet aan Santheuvel ter kennis te brengen, anders zou ik hem het Papier laaten addresseeren en verzorgen, maar dat zou maar meer Verbittering geeven en zij zijn malkaar al reeds niet zeer geneegen.
Wijders meld Mathieu dat alles wel is, in ’t huijs. Daar moet nu alles blijven staan en kan niets gedaan worden. Ongelukkige Verwijdering voor mij in alle opzichten. Maar: geduld! De Heemel schikke alles ten besten! Voor u en mij!
In mijn Voorige heb ik u verzogd om aan Vrouw Wouters f. 4.- te geeven die de man hier bij mij had laaten staan, maar ik geloof dat ik in mijn no. 10 uit Wetzlar geschreeven, vergeeten heb om ook u te verzoeken haar vijf guldens, die hij ook bij mij had laaten staan, te geeven, en dit niet geschied zijnde, gelieft het dan met den Eersten …… te maaken, de quartiermeester zal het wel aan haar afdragen als gij het hem geeft.

Nu vaarwel lieve JettePoesien. Duyzend kusjes zend ik u hierbij.

In de marge op:

Pg. 2: Ik ben volmaakt welvaarende; en leef hier zeer stil, meestentijds thuijs. Het wêer is best, niet te koud nog te warm.


Brief no. 18 ontvangen den 17e sep 1800

Lich, den 4e september 1800 Donderdag avonds en verzonden uit het Camp Sondag den 7e.

Gisterogtend mijn Waarde Henriette ben ik met de Staf en Grenadiers van Laubach naar Lich gemarscheerd, 3 uurtjes ver, schoon weer en goede weg, hier vond ik nog de groote Staf van Colonel Gelderman. Wij aaten aan ’t Hof bij de prins van Solms Lich, een goed oud man, met 2 Bejaarde ongetrouwde Dogters en een Zoon. Wandelden en ik ging vroeg te bed. Sliep wel en ontfing heeden weer de ordre om morgen den 5e September het Camp bij Friedberg te gaan betrekken, tusschen Ober en Nieder Wittstadt. Dat gaf mij door de Bezorging van alles veel Beezigheeden. Wij aaten weer aan het Hof heeden, en nu thuys gekoomen, meld ik u dit en zal deeze verzenden zoodra ik er geleegenheid toe heb: naa alles weer wat ingepakt te hebben gaa ik naar bed en hoop nog eens wel te slaapen. Morgen zal het op stroo zijn! Dit is hier een aardig stadje, iets grooter als Laubach. Nu goeden Nacht, lieve, beste Vrouwtje. Hebt maar geen ongerustheid over mij, en houd goeden moed!

Zaterdag den 6e September. ’s Namiddags uit het Camp bij Oberwittstad. Daar schrijf ik u reeds uit mijn Hut, waarde Henriette! En ben reeds volkoomen aldaar ingerigt. Gister ogtend zijn we met goed weer, en zelfs nog met Maaneschijn vroeg om half vier uur, wegens de warmte van den Voorigen Dag, van Lich vertrokken, en door Ulpha marscheerende waar de moeder van onzen graaf van Solms van Laubach woond, maakte ik haar een Visite om dat ik veel van haar door haar Zoon en anderen gehoord had; het is waarlijk ook een hupsche Vrouw die zeer resoluut maar ook wellevend en verstandig is, en zich in al de omstandigheeden van den oorlog wel door heeft moeten te redden hoewel zij seedert haar 19 jaar reeds Weduwe met 2 kinderen was. Teegen de middag kwaamen wij in het Camp alhier aan, en daar de behoorlijke klaarigheid nog niet tot alles daar was, zoo werd het Avond eer wij ons Hout tot het bouwen van onze Hutten en het Stroo ontfingen, en dus bleeven wij wat men hier Bivouacquiren noemt, dat is de Nacht onder den blooten Heemel doorbrengen. En tot ons ongeluk veranderde het goed weer dat wij zoo lang gehad hadden, juyst dien Dag, en met een Dondersbuij kreegen wij verscheide Zoomerse regenbuyen die bij lange niet aangenaam waren. Ik passeerde die Nacht op wat Stroo onder de Fourgon of Bagagewagen van ‘t Battaillon daar ik ten minsten wat droog buyten de groote reegen lag, en dus, niet in huys gaande maar in het Camp blijvende, hadden de overigen van het Gezelschap niets te zeggen, maar wij waaren alle zeer verheugd dat de Nacht om was; en den volgende dag van heeden was het weer allerbest goed warm weeder, zoo dat alles goed droogde en dat alles weer vergeeten is.

Zondagogtend, den 7e September 1800

Nu, beste Jetje, is de Nacht beeter geweest als de Voorige. Gister is mijn Stek klaargeraakt, en best in ordre gekoomen. Frederik, Wouters en mijn ordonnants Stufaar, die ik bij mij heb en een beste jongen is genaamd Johannes Dewald, een Leyenaar, hebben daar hun kunst aangetoond, en ik heb er al voor eerste keer best in geslaapen. Ik ben er zoo wel niet als in de Tente van het Camp bij Eyndhoven, maar kan mij er doch wel in behelpen. De Hut is goedgedekt en uitgegraaven zijnde is zij ruym genoeg; agter is er een Bedje van Stroo en binnen staan de kleyne Battallion …. en mijn Coffertje welke tot een zitplaats dienen. Nu schrijf ik u op een stoeltje van Aarde en vór mij heb ik tot taafel en Lessenaar de kleijne Battaillon ……. en daarop het Trommeltje van Mevrouw Dequaay geleend in de graaf, en daarop weer mijn schrijfkistje van zwart leer U bekend, zoodat ik wel en zeer gemakkelijk aan mijn Vrouwtje schrijven kan. Wij zijn nog stil en vreedzaam hier bij malkaar in ’t Camp de Bataafschen Trouppes alle bij malkaar. En men verneemt dat de waapenstilstand, tenminsten niet, zooals gezegd was, nog met heeden zal ophouden maar nog weer eenige dagen duuren zal. Wij zijn, al hieuw de Zelve op, nog bij nog omtrent geen vijand, maar doen den Dienst te Velde evenals als of wij voor den Vijand stonden. Wij koomen altoos vroeg met den Dag in ’t geweer, en straks toen iemand van het Hoofdquartier hier kwam, hebben wij de aangenaame tijding ontfangen, dat in ons Vaderland, den 2e September, nog alles wel was, hetwelk ons, uit hoofde van loopende gerugten, zeer veel genoegen gegeeven heeft. Of wij hier lang blijven zullen is ons onbekend en niemand kan daar iets van zeggen; dus moeten wij het afwagten en al goede hoop hebben op onze weeder Vereeniging.
Heeden hoop ik met de uit Friedberg gewagt wordende Post een Brief van Vrouwtje te bekoomen want seedert dien met den Major Van Berehuys van het 2e Battaillon ontfangen, heb ik er geen gehad en dat is nu al eenige Dagen geleden. En intusschen is de Verlangst naar Tijding van Huys zeer groot. Jaa beste, lieve wijfje, die wensch naar weder vereeniging met U is mijn geduurige gemoedsbeezigheid. Niemand is in staat dat te beoordeelen, als iemand die in hetzelfde geval is, en dan nog moet hij denken eeven als wij, en ook eevenzoo gevoelen!
Honderd maal heb ik reeds in ’t heen en weer wandelen door ‘t Camp gezegd aan mijn Camaraaden: O! hoe gaarne wilde ik al dat geweemel eens aan mijn Vrouw laten zien, als zij maar eens hier was! Maar dit is een onvoldoenbaere wensch, die maar hersenschim is. En helaas niet moogelijk is. Want al waart Gij niet zwanger dan kond gij mij immers in ’t Camp niet volgen. En wijders, al gingen wij nu in ’t oogenblik weer terug naar ’t Vaderland, dan zoud Gij nog uw weddenschap moeten winnen, want dan zou het niet wel moogelijk zijn om voor den 1e October weer thuys te zijn.

Ik hoop dat Gij mijn laatste No 17 wel zult ontfangen hebben en Elsje mijn daarbij ingeslooten Brief, en Vleye mij bij voortduuring geleegentheid te behouden U te kunnen schrijven. Mijn adres blijft altoos au quartier general du Lt Gen. Dumonceau a Friedberg ou autre Part. De Tambour Major gaat deeze naar Frieberg op de Post brengen en de onzen daar vandaan haalen.
Wij zijn een uurtje zuidwaarts van Friedberg op de weg naar Francfort gecampeerd, in een schoone Vlakte. Onze officiershutten van mijn Battaillion staan zeer aangenaam geplaatst, onder eenige Appelboomen. Wij doen met eenige officiers te saamen Menage, een marketenster kookt ’s middags voor ons en zoo eeven hebben wij daar saamen in mijn hut Coffie gedronken, met een Broodje voor ons dejeuné.
Van Ingen, v.d. Poel, Thooft en Bartlo, die alle zeer wel zijn en U groeten zooals ook alle Kennissen en Vrienden. Nu is het bij 9 uur en ik gaa mij wat wassen en kleeden, en heedenmiddag bij Col. Gelderman eeten te Oberwilstadt agter ons Camp. Hij heeft mij straks verzorgd.

Nu vaarwel lieve beste Vrouw! Eenige Geliefde van uwe getrouwen Sandick. Ik omhels u in gedachten 1000 maal. Groet hartelijk onze lieve ouders, Broeders en Zusters.

In de marge op:

Pg. 3: Eenige Soldaatenvrouwen zijn van Laubach weer naar Zwolle vertrokken omdat men meende dat wij verder gingen. Gelooft niet wat zij allemest mogten vertellen, van Schrikbaarende Tijdingen. En houd u aan wat ik u zelfs melde. Wij hebben eenig Volk door desertie verloren, maar niet zeer erg.


Brief no. 20 Ontfangen den 24 Sep. 1800

Saalmunster in het Fuldasche. Sondag ogtend, den 14e september 1800

Heb ik het U niet altijd gezegd, lieve Henriëtte, houd maar goeden moed en weest niet ongerust over ons!? Zie daar nu mijn Verwagting bewaarheid! Gister naamiddag wierden wij door eene Ordre van het Hoofdquartier van den Lt Generaal Dumonceau verwittigd, dat de Waapenstilstand tot naaderen Ordre verlengd is, en dat er geen Vijandelijkheeden mogten gepleegd worden. Reeds was dit ons eenige uuren vroeger door een afgezonden vijandelijke Maintsische Hoofdofficier van wegens den Commandeerenden Keyzerlijken Generaal uit Fulda aangekondigd, dan wij hadden er van onzen generaal nog geen officieele tijding van, totdat in de Naamiddag boovengenoemde ordre ons ook van onzentweegen bekend gemaakt zijnde wij er geen twijfel meer aan konden maaken. En alzoo op het oogenblilk dat men eerstdaags meende handgemeen te zullen worden, vernieuwd zich de gegronde hoop tot Vreede want het is niet te denken, dat de waapenstilstand verlengd of vernieuwd zou geworden zijn indien niet de Vreede zeer nabij was en daadelijk volgen zou. Wij tenminsten waren nu volkoomen gereed en alles toebereid om aan te vallen.
Seedert mijn laatste No 19 uit Altstadt, den 11e deezes aan U geschreeven, heeft ons Corps d’Armée van Augereau een groot mouvement voorwaarts gemaakt, waardoor wij reeds tot in het Fuldasche gerukt zijn. Donderdag naamiddag den 11e verzond ik gen. Brief aan u over Francfort, en vrijdag ogtend, naadat wij volgens gewoonte om 4 uur onder ’t geweer waren gekoomen en onze Positien genoomen hadden, ontfingen wij bij het weeder inrukken in Altstadt eene Marschordre en braaken daadelijk op van daar om ons met het geheele Corps in Beweeging te zetten en ons tot het gemelde Mouvement voorwaarts te posteeren. Wij moesten om op onze destinatie te koomen goede Agt uuren afleggen, en marscheerden over Verscheide Dorpen te Gelnhausen de Kintzig over, en kwaamen des Avonds om 10 uur alhier te Saalmunster aan, alwaar wij zooals ook op de omliggende Dorpen militairement geposteerd en half gecantonneerd zijn. Dit District is toebehoorende aan de Bisschop van Fulda, van welke stad wij nog 10 uuren af zijn, en daar de Keyzerlijken zich op onze Aannaadering geretireerd hebben, met de Maintzische Trouppes die bij hun zijn, zoo hebben wij nog geen Vijand te zien gekregen en dus geen geleegentheid gehad om iets vijandelijks te doen.
Ik ben hier weer best gelogeerd bij den Amptman, in een soort van oud kasteel of groot gebouw met een groote binnenplaats: en heb een goed gemeubileerde groote kaamer, gehavisierd met wit en blaauw gestreept Papier en reedelijk modern. Chaveau en Bartlo, met onze knegts en Paarden zijn ook hier bij mij in ’t huys gelogeerd en het Bataillion van Carteret, met de Jagers van Chassé zijn hier bij ons in ‘t Plaatsje dat echter niet zoo groot is als Altstadt en nu opgepropt vol volk is.. Het is niet te denken dat wij hier lang blijven zullen, want men zegd dat de waapenstilstand met zich brengt dat de Trouppes weder haare Positien die zij de 8e deezes hadden zullen moeten herneemen en dan gaan wij weer naar de Environs van Friedberg. Dit kan ik U echter niet verzeekeren als hebbende het maar van hooren zeggen en dus is deeze voornaamentlijk maar, lieve Henriètte, om u te verzeekeren dat gij nu maar buyten alle Vrees van gevaar voor uw Man kunt zijn en gij alle Ongerustheid voor Accidenten, door Vijandelijke ontmoeting veroorzaakt, volkoomen moet terzijde stellen. Dit zal, twijfel ik niet, veel tot uwe tevreedenheid toebrengen en in onze Scheiding u nog tot eenige Troost verstrekken. Kon ik nu maar daarbij u de hoop tot ons spoedig retour geeven, dan was alles allerbest, maar daaromtrent is ons nog niets bewust en wij leeven nog maar in de Verwagting zonder eenige Zeekerheid. De Heemel geve het spoedig en schikke, zooals tot dusverre dankbaar moet erkend worden, alles nog wijders ten beste voor ons! Laat ons maar goeden moed houden en op den Algoeden vertrouwen!
Vuurig bid ik daagelijks om een goede uitkomst en reeds is mijn Gebed in zooverre verhoord dat gij mijn beste niet meer voor Uwen Sandick, wegens krijgsgevaar behoeft bevreesd te zijn. Wie weet of ik nog niet, door thans nog onbereekenbaare Voorvallen, het geluk mag hebben van bij u te weezen ten tijde van uw kraamen en dan is alles immers volkoomen naar onzer beijden wensch uitgevallen. Ach mogt ons dat vergund worden! Zondag naamiddag 4 uur. 14e Septer. Straks zal deeze Vertrekken en dus meld ik u nog dat wij van hier staan te vertrekken, en zoo eeven de ordre daartoe gekomen is. Wij zijn hier en hieromtrent te veel bij malkaar en te digt opeen ingequartierd, zoowel voor het Volk als voor de Inwoonders, en derhalven gaan wij ons meer uitbreiden, en dat wel dieper naar het Fuldasche in, naader bij de stad Fulda zelfs waarvan wij hier 10 uuren verwijdert zijn, maar nu 6 uur digter bij koomen. Want wij zijn gedestineerd naar Flieden en Rückerts en environs, dorpen die nog 4 uur van Fulda zijn geleegen en waar wij cantonneeren zullen. Dus koomen wij voor eerst in plaats van naaderbij nog wijder af van ons land, maar dat is niets want als wij eens naar huys gaan is een marschje van eenige uuren min of meer niets op zulk een verren weg.
Het is moogelijk dat wij daar in de Environs van Fulda, als in Vijandsland zullen blijven leggen totdat de Vreede daar is, want alle andere hieromstreeks leggende Neutrale landen als ….. Darmstadsche, en Solmsche, hebben alreeds veel geleeden, en zijn bijna uitgegeeten. Voor het teegenswoordige kan ik u dus geen Adres geeven om U Brieven te verzenden, maar bij mijn aanstaande zal ik u weeder het Adres van het hoofdquartier van Dumonceau opgeeven waar de Brieven kunnen geadresseerd worden. Daar ik nu seedert uw Brief van de 19e Augustus door den majoor Van Berehuys van ons 2e Bataillon overgebragd, geen tijding meer van u ontfangen heb, zoo vertrouw ik dat ik in korten een geheel Paquet Brieven van u ontfangen zal, want zeekerlijk hebt gij in dien tusschentijd geschreeven en denkelijk zullen de Brieven hier of daar zijn blijven leggen, vooral indien gij daarop hebt gezet Poste Restante, want dan blijven ze leggen aan het Postcomptoir totdat iemand ze komt afhaalen, en daartoe hebben wij thans niemand omdat wij te ver af zijn. Zet dus die woorden van Poste Restante niet meer op uw Brieven en dan is er nog kans dat zij doorgaan en naagezonden worden zooals ik daar heeden nog een Brief van Santheuvel van de 13e Augustus heb ontfangen, die te Vilbel op de Nidda bij Francfort geaddresseerd was, en door iemand van Maastricht naar een correspondent van Francfort verzonden was. Daarin was een Briefje van Mathieu dat alles wel was in ons huys en veel Zeegenwenschen daarbij. Maar seedert heb ik veel laatere Brieven van hun beijden. Daar de maand van September nu bijna ten eynde is en ik hier niet veel geld noodig heb, zal ik aan de quartiermeester Eijmael ordre zenden om u tweehonderd guldens van mijn Tractement vervallen de 28e September deezes uit te betaalen, zoodat gij niet geldgebrek zult hebben. Want mijn Jette Poesien moet ik wel en behoorlijk verzorgen. Nu beste lieve waarde Vrouw, ik groet en omhels U met de hartelijkste wensch van Zeegen en Welvaaren en blijf Uw getrouwen man O.Z.V.S.

In de marge op:

Pg. 3: Groeten aan lieve Ouders, Broeders, Zusters en Elsje. Chaveau verzoekt dat gij met een Briefje aan zijn Vrouw gelieft te melden dat hij wel is en op dat hij de 14e september zich hier bij mij bevind, gereed om nog deezen Avond met de koelte / want het is weer zeer warm geworden / nog een uur of zes te marscheeren.


No 21.Ontvangen den 28 sep 1800

Flieden in het Fuldaasche, woensdag den 17e september 1800

Zondag den 14e deezes, naa dat ik mijn Voorgaande No. 20 aan U mijn waarde Henriëtte verzonden had, zijn wij uit Saalmunster gemarscheerd, om ons meer naar de kant van Fulda uitgestrekt; wij marscheerden omdat het door den Dag vrij warm was geweest eerst des Avonds, en met Sterren en vervolgens maanlicht, kwaamen wij over Ahl, Steinau, Niederzellen en Schlüchtern des morgens om 8 uur hier te Flieden aan, alwaar ik logeer bij een Doctor in de Medicijnen, dat een hupsch man is, ongetrouwd en zelfs bij een Bakker inwoonende, aan wien ik door mijn Ampteman van Saalmunster gerecommandeerd was. Ik ben hier op dit Dorp met de Staf en 2 Compagnieen en Chaveau is, als fungerend Major met de 6 overige gedetacheerd te Rückerts, een dorp een half uur van hier.

Wij zijn hier nog vier uuren van de Stad Fulda af en zullen die misschien ook nog wel eens te zien krijgen, naadat de Zaaken zich decideeren, want dat zal veel van Vreede of oorlog afhangen en er zijn veel reedenen om te denken dat deeze groote Vraag binnen korte tijd beslist zal zijn: zoo dat men dan eens zich met Bedaardheid en eenige Zeekerheid zal kunnen beraadslaagen en eenen bepaaling maaken voor veele thans nog vlottende Zaaken. Ik stel mij altoos nog de moogelijkheid om u spoedig weer te zien voor, en kan het niet zijn, dan zal ik er mij in moeten schikken en geduld hebben.

Mijn dienst werkzaamheeden zijn thans wat drukker en actiever als tevooren, zoodat men weinig rust heeft en veel op de Been of te Paard is, maar het weêr is bij aanhoudendheid goed, en ik ben altoos zeer welvaarende, dat een groote Zeegen is. Eergister en gister had ik geen tijd om U te schrijven. Heeden vertrekt de Post of is er tenminste geleegentheid om deeze met de Post van een naabuurig Postcomptoir te verzenden en ook heb ik nu, naadat ik reeds eene wandeling van eenige uuren te Paard gedaan heb, juyst wat tijd om aan mijn Jetje te schrijven. Dit ziet gij, beste, dat ik vlijtig doe, zooals ik er maar een Oogenblik toe heb, terwijl anderen of Slaapen of zich anders amuseeren. Het genoegen ’t welk ik weet dat gij bij het ontfangen van mijn Brieven ondervind, steld miij schadeloos voor alle rust die ik bij het schrijven ontbeeren, want in dit opzicht bedrieg ik mij niet en wenschte maar verzeekerd te zijn dat van hier op deeze meer verwijderde Afstand de Brieven zoo rigtig overkoomen moogen als toen wij nog niet zoo verre in Duitschland waren. Gij schrijft mij ook, dat stel ik vast, maar wat de Reede is waarom uw Brieven nu zoo traag aankoomen, kan ik niet bezeffen, terwijl de laatste van u ontfangen nog altoos die van de 19e augustus is, door den Majoor van Berehuys van het 2e Batallion overgebragt. Waaarschijnlijk is de continueele Verplaatsing van het Hoofdquartier van den Lt Generaal Dumonceau daar schuld aan, want telken reyze als de Armée eene Beweeging doed, zoo déplaceert zich het Hoofdquartier gemeenlijk ook, en misschien leggen er nu nog te Friedberg Brieven voor ons. Ik moet mij dan maar Vergenoegen met de hoop en het vertrouwen dat mijn Vrouwtje wel is, en gezeegend in haare Zwangerschap voortgaat.

De Hemel ondersteune haar en geeve haar Lighaams en Ziels krachten om deeze beproeving door te staan! Daagelijks bidde ik daarom!

Wie weet hoe gij, mijn waarde, u niet reeds bedroefd zult hebben, over de tijding van het opheffen van den Waapenstilstand, en u verontrust met de gedachten dat wij nu misschien al weêr handgemeen waren met den Vijand, terwijl wij echter tot dus verre zeer gerust en buijten schoots geweest zijn, en zooals ik u reeds geschreeven heb, de Waapenstilstand, eer dat dezelve verstreeken was, weêr verlengd en dat wel onbepaald verlengd is geworden. En men altoos nog hoop en moogelijkheid tot Vreede koesterd. O hoe gelukkig als ik u eens daarvan de tijding geeven kon! Maar was het anders, ook dan zoud gij u moeten in lijdzaamheid bezitten. Jaa liefste Henriëtte, dan hoop ik dat gij uit bezef van Verpligting tot Zorg voor Uw en Uw Kind, voor dat gewenschte Pand onzer liefde, de geduurige ongerustheid, zooveel als moogelijk is zult verbannen en eene betaamelijke bedaardheid aanneemen, maar ook daar in moet gij van den Algoeden gesterkt worden en ik bidde dat u daartoe moed en kracht ingeboezemd worde. Maar, ik verzeeker u dat er alsnog goede hoop op Vreede is en dus nog geen Elende voor den tijd, zoals mijn Spreekwoord is.

Het is nu middag en daar doed zich een middel op om deeze veylig oover te doen koomen op de Post, dus moet ik eyndigen. Ik hoop dat gij te Boswijk eeven zoo schoon weer hebt als wij thans hier, want dagelijks is het allerliefst, zelfs eer te wam als te koud, maar de Nachten zijn koud. De wegen zijn zeer goed hier omstreeks, maar het Land nog altoos zeer bergagtig. Wij zijn hier op de groote Landstraat of Chaussée die van Francfort naar Leipzig en Rusland gaat, dus is er een geduurige Passage van groote Vragtwagens oover en weer, dag en nacht door, in dit Dorp, en mijn quartier is juyst aan de Chaussée, zoodat ik woeling genoeg heb, zooals ook doortrekken van Vreemden die van de Francforter naar de Leipziger Messe reyzen. Ik heb nu een Boovenkamer en juyst zoo wel niet als de voorige te Saalmunster maar ze is ruym genoeg en ik kan het er wel in doen. Roos is thans niet bij ons maar aan eene andere Zijde meer zuydoostwaarts van ons bij de Voorhoede onder Colonel Grass, en ik ben hier met dezelfde die ik u reeds genoemd heb. Onze Major zal nu wel thuys zijn en alweer op zijn terugreys moeten beginnen te denken. Ik heb tot dusverre geene ordre om hem te doen opkoomen, dit kunt gij hem zeggen als gij hem mogt zien, of hij u iets mogt vraagen. Groet hem en alle andere Vrienden, Familie en bekenden. De quartiermeester ontfangt ordre om u Tweehonderd guldens uit te tellen, die ik hier wel missen kan.

Dag lieve Vrouw, ik druk u in geachten aan mijn hart dat geheel voor u slaat. Zeegen zij oover u en allen de onzen, dit is de hartenwensch van Uwen O.Z v.S.


No 22. ontvangen den 5 oct. 1800

Flieden in het Fuldasche, Vrijdagogtend den 19e September 1800.

Eijndelijk heb ik weer eens het geliefde Schrijvens van mijne dierbaare Henriette gezien, En dat wel Twee dagen agter Elkander; Eergister uw No 12 van den 30e Augustus doormiddel En onder Couvert Van de goede Tante Van Hohenlohe /: die ik daar recht lief voor heb :/ En gister Avond door het Retour Van onzen major Van Berchuys, die Zeer wel varende alhier bij ons is aangekoomen, En mij aanstonds uw No 15 Van den 8ste deezes overhandigd heeft, En gezegd u welvaarende gezien te hebben. – O! nu ben ik weer gerust, En geniet Eene Tevreedenheid, die mij onbetaalbaar is: – Vrouwtje is wel! – En gaat gezegend in hare Zwangerschap Voort; – alles voorspeld haar Eene Voorspoedige Verlossing! – Zij weet zich met onderwerping En geduld te Schikken in de omstandigheden, En zig gemeen te maaken met de gedachte Van Ver Van haaren liefhebbenden En beminden Echtgenoot te Kraamen! – O! dat alles is voor mij Van oneijndig Veel waarde! – Vaart aldus voort lieve beste Vrouw, En de Heemel geeve Er Zijn beste Zeegen toe! – dat wenscht uw Sandik Van harten! – met de grootste greetigheid heb ik uw beijde gemelde Brieven geleezen, En als opgegeeten Van drift; want in Zoo langen tijd had ik niets Van uw Hand Van die Geliefde Hand ontfangen! – Van der 29e Augustus dat ik door van Major Van het 2de Batt. Uw No 10 ontfing, tot eergister den 17e September, dus bijna Eene geheele maand Zonder iets Van mijn JettePoessien te ontfangen, En daar Komt dan Eergister Avond de Adjudant Van Col. Gelderman alhier terug uit het Hoofdquartier Van Dumonceau Van Seijlof bij Aschaffenburg waar hij in Commissie was geweest, En brengd mij een dik Paquet Van den Quartiermeester waarin Brieven voor Verscheyden Van ’t Batt., lijsten … Verzonden, den 7e Sept. En daarbij Een Brief Voor mij Van Sieverts weegens Batt. Zaaken; – En dan nog Eene Van Eene onbekende Hand, die ik Vond te Zijn Van de Heer Fred. Aug. Schifflin & Comp. Negocienten /: Zooals ik hoor in laakens :/ te Francfort die mij de Brief Van Tante Van Hohenlohe toezenden, met Vriendelijke dienst Aanbieding ter bezorging Van het Antwoord indien ik het Verkies, En onder Een dun Couvert Van háár, waarin Zij recht deelneemend in Korte woorden ons beklaagd wegens onze Scheiding En hoopt dat deeze haare Pooging tot ons besten wel gelukken moogen, Vond ik dan uw lieve lekkere lange Brief No 12, daar ik feestelijk dank voor Zeg, En waarin ik Zooals ook in den Volgende No 15 die Vertrouwelijke, gemeenzaamen uiting Van uw gedachten aantreffen die mij Zoo onbeschrijfelijk aangenaam is, die mij u Zoo onder het Schrijven En leezen, als bij mij, op mijn Schoot doed denken, Zoo als wanneer wij tesaamen aldus, onze belangrijkste Zaaken Verhandelden, En ons geluk wisten te waardeeren: – O mogt die tijd Spoedig weer dáár Zijn, dat wij het werkelijk weer Konden doen! – Hoe Vuurig wenschen wij dat! – En wie weet, of het ons nog niet Vergund word! – maar laaten wij Er intusschen geen Staat op maaken, En ons maar Voorstellen dat Er vooreerst nog geen retour voor mij opzit, want het is beeter Zich het aldus voor oogen te stellen, als anders, alzoo men niet weeten kan hoe het uitvaldt. – In korte daagen denk ik dat het beslist Zal Zijn, En men voor Zeeker weeten Zal of het Vreede of Oorlog word. – Dus nog Een weinig geduld. – Ik bemerk nu uit de Numeroos Van uwe Brieven, dat Seedert No 10, het No 11 maqueert, En tusschen 12 En 15 de 2 Nummers 13 & 14; wàr die in de Waereld Zijn gebleeven of omdoolen is mij Volkoomen onbewust, En Zal niet ligt uittevinden Zijn, ten Zij ik weet werwaarts Zij geadresseerd Zijn: … gij mij per Eerste melden Kunt En als wanneer ik onderzoek daar naa Zal kunnen doen. – Intusschen is het dubbeld Vriendelijk Van Tante Van Hohenlohe om Zig aangebooden te hebben tot het Verzenden Van uw Brief, En dubbeld aangenaam Voor mij Van daardoor weer Eens tijding van Vrouwtje bekoomen te hebben. – Ik wil Er haar ook Veelmaals Voor bedanken: – Die Correspondent Van haar te Francfort is waarschijnlijk iemand die de Zaaken Van het huis van Hohenlohe aldáár waarneemt, En onder hun Couvert Zal Er misschien geleegentheid Zijn om meer aan ons te Schrijven; – ook is Er nog het huijs Van Gebrüder Bethman waaraan onze Neef Willem mij geadresseerd heeft, En waardoor ik ook Brieven Van u Zou Kunnen ontfangen. – het Slimste is maar dat ik dan bij Elke marsch of Plaats Verandering Verpligt ben om Kennis Van onze Verplaatsing aan Zulk huis te geeven, En dat als Er intusschen Een Brief Van hun Voor mij op weg of afgezonden is, die mij naa moet gezonden worden hetwelk op Boerendorpen Zoo als hier Zeer moeyelijk En bijna ondoenlijk word, terwijl het Hoofdquartier altijd meer bekend En op beeter & grooter Plaatsen legd, En dat gemakkelijker te Vinden is. Daarom heb ik u altijd het Hoofdquartier van Gen. Dumonceau tot adress opgegeeven, En ik kan niet begrijpen hoe die No. 11, 13 & 14 tot nutoe niet aangekoomen Zijn. Ik hoop dog dat Ze wel terecht Zullen koomen, En daar ik nu laater tijding van u heb, kan ik er beeter naar wagten. – Ik meen ten besten te raaden met maar te Continueren aan het Hoofquartier van den Lt. Gen. Dumonceau te addresseren, thans te Seijlof bij Aschaffenburg par Francfort. Want alle weeken moet iemand van het Batt. daarheen om Geld Voor ’t Batt. te haalen En die kan de Brieven dan met neemen En het Port daarvoor afbetaalen, dat wij dan gaarne weerom geeven. – thans is Oudendijk daar weer naartoe, maar nu Zijn wij Er 16 uuren van af. Ik bedank u Zeer, Vrouwtje Voor de Details die gij mij geeft in beyde uwe laatst gemelde Brieven, wegens de Schikkingen voor uw Kraamen gemaakt. – Het Bed beneeden geplaatst, En dat Bed geprefereerd boven een Nieuw, omdat wij daar Saamen in geslaapen hebben; – matten gelegd in die kaamer; – Kaggel genoomen bij Van Eerde; Turf, Booter En Aardappelen opdoen, dat is alles wel, Zeer wel naar mijn Zin gedaan En heeft den Volkoomen goedkeuring Van uw man; – Meene te houden tot meij is ook wel gedaan. – dus alles alles Keure ik goed dat Vrouwtje hierin gedaan heeft. En aan geld Zal het haar ook niet ontbreeken alzoo de quartiermeester haar Zoo als ik reeds in mijn Voorige gemeld heb, f 200 hollands naa ontfangt der Eerst Van hier Vertrekkende Brieven En Lysten Van Van den Berg Zal uitbetaalen, die gij dan maar voor alle voorvallende onkosten of Provisien moet gebruiken. – rigt alles maar in Zoo als gij het liefst hebt, En naar uw meeste gemak; En Spaart daar niets toe, dat bidde ik u dog Vooral; – want ik ken u genoeg om Verzeekerd te Zijn dat ik het alles goed En wel Zal Vinden, als ik Eens het geluk heb Van weer bij u te Zijn. – Vrouwtje word dan nu Eyndelijk mooy Zwaar En rondjes, En dan Zal Zij nu Eyndelijk niet meer Er aan twijfelen dat Zij Zwanger is; – dat is goed, En moet Zoo Zijn; Zag ik het maar! – O daar Verlang ik naar, dat het onbegrijpelijk is. En dat Stoute Kleijntje dat Zig Zoo woelig gedraagd; – foey dat is Een Stout Persoontje! En dus Zou ik ook wel denken dat het Een ……… Meisje Zal Zijn /: Vast had gij gedacht dat ik hier Een Jongetje Zou gezegd hebben, maar dat wil ik nu om reedenen niet doen, want de meisjes Zijn immers ook altemets wel Eens Stoute Wezentjes! – Nu het Zij wat het wil, als het maar wel gevormd, En Een braaf Kind word, En mama gelukkig Kraamt, Spoedig herstelt En ik het Spoedig verneemen mag, dan ben ik tevreeden; – maar ik wenschte dat ik hem of haar, dat Nacht Spartelen Kon afleeren of Verbieden, want dat is nu ongepermitteerd Van een goede mama die Zoo Veel Van ons houd, de Nachtrust te beneemen, En als ik Er was Zou ik Er wel dugtig opkijven dat het het hooren moest al wou het of niet. – Als het Er is moet het En tikje daarvoor hebben. – En dat Vrouwtje ook goed zelfs Zal kunnen Zuigen, is ook een groot genoegen voor mij; waaraan ik Echter nooit getwijfeld heb, om reedenen. – Zien, jaa dat wenschte ik wel hartelijk;! Jaa Zoo Vuurig dat gij het maar naar u Zelfs moet afmeeten. – En dat is genoeg gezegd. – Dat historietje van Mathieu is foeij leelijk; – En heeft Zeer mijne desapprobaties. – Ik heb u in mijn No 17 reeds daarover geschreeven, En Zeekerlijk moet het Papier in Maastricht Zijn om Vernieuwd te worden op Zijn tijd, maar ik beken het u, ongaarne wilde ik Santheuvel daarin bemoejen of Kundig maaken, En Echter Verdiende Mathieu dat het niet in handen had: – als gij mij Copij Van Zijn Brief gezonden hebt Zal ik er hem de ooren over wassen. – Nu Zal het reeds gedaan Zijn, want ik denk dat gij het na ontfangst Van mijn No 17 aan hem of aan Santheuvel Zult gezonden hebben; – En het smart mij dat ik Zelfs oorzaak hiervan ben geweest met het u niet Vroeger te melden. Ik ben Zeer Kwaad op hem, En laat hij het Eens probeeren om de Reijs op Zijn Eygen houtje te doen! – De roosjes zijn dan uitgebloeid En het Kroontje Van ridderspooren is om menagement Van Port niet ingeslooten; ik had Er al Zó naagezogd; – Nu dit Een ander maal. – Dit Papier is wat groot formaat, maar destemeer gaat Er op. – Bedankt Tante V. Hohenlohe Zeer Voor mij Voor het Verzenden Van den Brief. En groet alle onze Vrienden Ouders, En Familie hartelijk Van uwen Sandick.

In de marge op pagina 3:

Wij Zijn altoos Stil hier te Flieden, 4 uur Van Fulda, En nog altoos duurt de waapenstilstand, maar wij hebben het hier druk met Velddienst. – het weer is best En wij alle welvaarende. – Bulthuys is aan ’t Hoofdquartier. Dag lieve JettePoessien.


No. 24 ontvangen den 10 Decem: 1800

Flieden, Maandag den 29ste September 1800

Eyndelijk, lieve Henriette, begint de Tijd te naaderen waarin ik mij Vleyen Kan met de Hoop Van U haast weder te Zien, En juyst met het Volle Tweede Douzijntjes van mijn Brieven durf ik U van dit voor ons Zoo heuschelijk Zoo genoegelijk oogenblik met Eenige meerdere grond van Vertrouwen Spreeken. – Ik Zeide u met Een ingeslooten Briefje, in mijn laatste No. 23 Dat de waapenstilstand weder voor 45 Dagen Verlengd was; – de ordre, En dus de Zeekerheid daarvan Kwam juyst nog vór het Sluiten van mijn Brief En ik kon het u alzoo nog melden; – hetzelve heeft Zich Seedert Volkoomen bevestigd, Zooals gij uit de Couranten, En daarin te Vindene, wederzijds getekende Artikelen thans Zeeker reeds geleezen Zult hebben: – Het was wel te denken dat daarop voor Eerst Eene teruggaande Beweeging der wederzijdschen Armeën Zoude Plaats hebben, En dit Staat ook werkelijk te geschieden, want reeds Seedert Eenige dagen hebben wij ordre om ons gereed te houden tot den marsch, En daarzoo Eeven Komt werkelijk de ordre om op morgen den 30ste Van hier te marcheeren terug naar Saalmunster /: alwaar wij reeds waren in het hierheen Koomen :/ En aldaar naadere ordres af te wagten: – Ik heb alle reedenen om te Vermoeden dat wij tot naar de Kant Van Francfort En maijnz Zullen terug trekken, En daaromstreeks, Noordwestwaarts, Van Eerstgenoemde Stad provisioneel Zullen Cantonneeren op de Dorpen. – Geen Vijandelijkheeden als nu Voor Zeeker op handen Zijnde, Kon ik Vrij Zonder de minste Blaam, de Permissie Vragen om mij te moogen Absenteeren, als hebbende, buyten uw aanstaande Kraam reedenen genoeg om wegens de Zaaken der Naalaatenschap Van wijlen mijne moeder als reeds aan de generaals bekende Zaaken, Verlof te moogen Vraagen; – En ik heb dan ook geen oogenblik Verzuijmd om het te doen, En mij om Permissie voor den tijd Van den waapenstilstand geädresseerd, maar mij is geantwoord, nog te moeten wagten tot dat wij onze Beweeging rugwaarts Zouden gedaan hebben, welke mij waarschijnlijk ook naaderbij huijs Zoude brengen, En ik alsdan met het Batt. Nog Zoo Ver meede Zoude gaan het welk beeter was, En waarschijnlijk ook aangenaam voor mij Zoude Zijn, als Zeer aan het Batt. En deszelfs welzijn geattacheerd Zijnde. – Daaraan moest ik mij onderwerpen, En dus moet ik nu wagten tot dat wij in onze aanstaande Cantonnementen aangekoomen Zullen Zijn, Zoodaat mijne hoop nu maar is, dat wij Er Spoedig in arriveeren, om alsdan Voort te Kunnen Vertrekken.

Maandagnaamiddag voor het Afzenden. – Nu, lieve Henriette, de Eerste weezenlijke Stap tot mijn Verlof gedaan; – Ik had wel in mijn Voorneemen om al het moogelijke daartoe aan te wenden, Zoo als ik Er maar geleegenheid toe Zag want Er legd mij Zoo Veel aangeleegen om bij tijds En Vór uw Kraamen bij u te Zijn, dat ik daartoe niets onbeproefd wilde laaten, En dus Van de morgen mijn Kans goed dunkend te Zijn, heb ik het Request daartoe overhandigd, En het Vertrekt heeden naar de Gen. Dumonceau, die ik ook al daarvan Verwittigd heb, En ik wil hoopen dat hij mij niet ongeneegen Zal Zijn: – dan is het moogelijk dat de Col. Gelderman het binnen Eenige Dagen weer terug Krijgt En alsdan Vertrek ik Voort, met Frederik, waarschijnlijk; En Zal te Paard of met de Postwagen of Extra Post Zooveel Spoed maaken als moogelijk is, om in de liefde Armen Van mijne Henriette te Vliegen; – O! dierbaare dat nu maar niets tusschen beyde Koome, dan ben ik haast weer bij u; – mijn hart, hand, En geheel Aanzijn beeft En gloeit Van ontroering op die gedachtes. Wat Zal mij de tijd lang Vallen! En welke Zeegenrijke bestiering der Voorzienigheid, om daar alle hoop daartoe bijna reeds opgegeeven was, Echter nog het aldus te bestieren, dat ik nu hoop heb om misschien nog Vór deeze Brief bij u te Zijn: Komt deeze Brief Echter, Zooals ik hoop, nog Vooraf; dan maatigt, mag ik u bidden uwe gemoedsbeweging; – Zorgd doch voor u Zelfs En Voor ons Kleintje! En Schrikt doch Vooral niet, hetzij bij ontfangst deezes, hetzij als gij hoort dat ik, dat uw Man Komt, of gekoomen is. – gij Zult alsdan, denk ik, reeds in de Stad Zijn; En onze waarde ouders ook; – Zij Zullen ook wel blijde Zijn dat ik kan overkoomen: – En nu hoop ik maar dat Er geene Reedenen Van weijgering Zullen Exteeren, want dan was ik in de Noodzaakelijkheid, En onaangenaame Verpligting U de blijde hoop weer te ontneemen: – Zie dat Zou fataal Zijn! Echter is het moogelijk, want ik kan niet weeten welke dugtige Reedenen de Gen. Altemets Kan hebben om het Verlof te weigeren, En hij is niet Verpligd om Zelfs Eenige reedenen aan mij daarvan te geeven, want dienst, blijft dienst: – Ik had dat Verkoozen, om U Van mijne Aanvrage nog niets te melden tot dat het mij gëaccordeerd Zou geworden Zijn, indien ik Kans gezien had, om u alsdan nog met Een Brief te waarschouwen Voor dat ik aangekoomen Zou Zijn, maar dit is, op deeze Afstand, En bij den langzaamen Voortgang der Posten, niet moogelijk; dus moest het dus, En niet anders Zijn. Nu, de Heemel Schikke alles ten besten, En ik maar Spoedig mag Kunnen Vertrekken! – Schrijft mij nu niet meer naa ontfangst deezes, want als ik ongelukkig mogt moeten hierblijven, En niet Kunnen overkoomen, dan Schrijf ik het u met den Eersten, En dat ik niet hoop :/ dan geef ik u weer Een adress aan het Hoofdquartier dat waarschijnlijk te Höchst aan den maijn bij Francfort koomen Zal. Ik heb u Seedert Voorleeden Woensdag niet kunnen Schrijven, om dat ik in Commissien ben geweest van hier naar Fulda, welke Stad ik dus ook Eens gezien heb, En ben dus het wijdste Van alle onze Bataaven in Duitschland geweest: – want wie weet of Er weder geleegenheid Komt om Zoo ver Voort te rukken, Al Zoo men Zich Veel Vleijd met de Vreede, die waarschijnlijk op de nu weder Vernieuwde Waapenstilstand Volgen Zal; ten minsten is het teegen dien tijd dat Ze ophoud, winter; En dan moeyelijk om in deeze oorden te oorlogen, want reeds teegenswoordig, dat het nu maar Eenige dagen Sterk heeft begonnen te reegenen, is het overal Zoo drekkig, En de weegen Zoo morssig En Zoo Slegt dat wij Een kledderige marsch Zullen hebben: als het dan maar droog blijft Vanbooven, dan is het nog al te behouden. Saalmunster is 6 uuren van hier en wij Vertrekken morgen met den Dag, om half Zes uur, dus Zullen wij Er wel in de Naamiddag Zijn. Het is Spijtig voor mij dat misschien ook het Hoofdquartier van Dumonceau dat hier 16 uur Vandaan is, Eerstdaags op marasch gaat om Verlegd te worden, En dat daardoor alles in Beweging Zijnde, mijn request misschien lang omdoolen of Verlegd of misgezonden Zal worden, maar ik wil het niet hoopen, En wenschen maar op Spoedige Expeditien, het Zal doch wel ten minsten Agt dagen aanloopen Eer ik Antwoord ontfang, En dan gaat het Schielijk uit hoofde der tegenwoordige omstandigheden. – dan ook Agt dagen ten minsten Voor de reys, dus geef de Heemel maar, dat gij nog Zoo lang wagt, want het word ruijm half october Eer ik thuijs Kan Zijn; – was deeze gunstige Verandering van Zaaken, maar Vroeger gekoomen; maar geen Klagten! Het is nu wel, En ik leef in hoop; – O lieve Jette: mogt ik nog in tijds Koomen! dan word de Eenige wensch Vervuld van uwen Sandick, die met het Vuurigste Verlangen Zijn liefde Armen naar Zijn Vrouw En kind Uitstrekt. – wat Zal hij gelukkig Zijn u weer te Zien! Amen Amen! En gij, beste, welke Vreugde voor U!

In de marge op:

Pg. 1: Hierneevens Eene Aria die ik onderweegs opving En die mij in de hoop van u weer te Zien, frappeerde En wel aanstonds: dich an meinem Busem drücken, Jaa dat Zal waarlijk nach der Trennung Een weezentlijk Entzücken voor ons Zijn. Ach was het maar alreeds Zoo. – Veel Veel maal de groetenis aan waarde ouders, Broeders En Zusters, Present en Absent.

Pg. 2: Ik zende U hierneevens ingeslooten ook nog Een Wissel Van driehonderd guldens op Rotterdam, die gij bij Vernhout Zoud Kunnen trekken, En ik daarom direct op hem geschreeven heb aan Zijn ordre, om dat gij Er geen moeite mee Zoud hebben. Dat Zult gij Volgens mijn belofte in mijn Voorige gedaan, buiten alle Zorg Van geldgebrek Zijn: Joseph Kan Er het geld op ontfangen als gij hem de Commissie geeft.

Pg. 3: Kon ik nu Zoo Schielijk mijn Verlof ontfangen als Berehuys het Zijne ontfing, dat was best, maar ik durf Er mij niet met Vleyen: En het Antwoord moet noodwendig lange uitblijven: – nu wilde ik wel Vliegen Kunnen om Zelfs alles te bezorgen. – Ik omhels u reeds in Voorraad. Adieu à revoir! Dieu te benisse ma chère.


No 25. ontvangen den 12 oct. 1800

Altstadt, Saterdag Avond, den 4e october 1800.

Verzonden Van Ock Carben den 5e dito.

Hoezeer ik gehoopt had, lieve Henriette, dat mijne Voorige de laatste Zou geweest Zijn, die ik u Van hier uit Duitschland geschreeven Zou hebben wil ik Echter, nog deeze waagen, om, ingeval ik nog niet Zoo Spoedig mogt ooverkoomen, U niet in de ongerustheid te laaten, nog in de onzeekerheid omtrent mijn Verblijf: - Ik Verkeer Echter nog altoos in de aangenaame hoop Van Verlof te bekoomen, En Spoedig En mogt het lukken, nog voor uw Kraamen weer bij u te Zijn. – Maar ik moet u bekennen dat ik Er nog geen Zeekerheid Van heb: - al wat ik Er Van weet, is dat mijn request van den Col. Gelderman, aan den Lt. Gen. Dumonceau gezonden is, En dat Col. Gelderman mij gezegd heeft dat het Door Dumonceau aan den Gen. En Chef Augereau is gezonden; - waarop nog geen Antwoord is gekoomen, nog heeft kunnen Koomen, omdat juist in dit oogenblik Zoo als ik u gezegd heb, de geheele Armée weder in Beweeging is: - Zal Augereau het mij nu accordeeren, of niet; - dat is de Groote Vraag Voor mij En Voor U mijn waardsten! – Als Chef de Corps, is de Zaak altoos bedenkelijk, En dus Staa ik in Bedenking wat ik Er Van gelooven moet. Ten minsten is Er met het Verlof Van den major En het mijne dat onderscheid, dat het aan den major door Dumonceau direct is toegestaan Zonder naadere Aanvraag aan den Gen. En Chef, En dat het hier nu voor mij Eerst ter Zijner Approbaties moet Koomen; - waarschijnlijk omdat ik Een Graad hooger ben, ofwel omdat Er misschien andere ordres daaromtrent gegeeven Zijn: wat Er Van Zij, ik wil alsnog het beste blijven hoopen En wensche maar dat het Spoedig koomen: - Deeze Beweeging Van alla de Hoofquartieren En Particuliere Corpsen, weer agterwaards, naar de Kant Van de Nedda is oorzaak dat het met de Correspondenties langsaam moet gaan, En als Ze maar wéér Eens Eenegsins Gefixeerd Zullen Zijn, dan hoop ik op Spoedige Decisies. – Want lieve Henriette, ik Verlang Zoo Sterk naar U, dat het niet uit te drukken is!
Nu Een woord Van onze weeder rugwaarts hervatten marsch. – maandag den 29e August. Schreef ik U mijn no. 24 uit Flieden. – Dingsdag den 30e marscheerden wij s’morgens daarvandaan, met den Dag /: half Zes uur; naar Saalmunster, door Een geduurigen Sterke Reegen, die ons allen /: buijten mij En die Een Mantel hadden :/ tot op het Vel natmaakte; - de marsch was van Zes uur, En ik Kwam te Saalmunster weeder bij mijn Amptman te logeeren waar ik de Voorige Reijs toen wij Er doorheen passeerden ook geweest was: - Aldaar bleeven wij de Nacht oover En ook woensdag den 1e Sept. En ik had het Er Zeer druk alzoo ik Commandant de la Place wierd doordien dat mijn Collega Carteret die ouder is als ik niet wel was, En Chassé die ook ouder is, met Zijn jaagers te Orbe Zijdwaarts Van ons gedetacheerd was. – Donderdag morgen braken wij Van daar op En de Battaillons die tot dus Verre bij malkaar geweest waren, Verdeelden Zich; ik ging met het mijne van Saalmunster naar Wechtersbach, de Residentie van Een der graven Van IJsenburg, alwaar het Batt. In het Stadje En ik met Bartlo op het Kasteel of Slot bij den Graaf gelogeerd werd, bij de welke wij alle de officieren van het Batt. S’middags ter Taafel onthaald werden. – Hij is weduwenaar met Vier Kinders En Zijn Zuster /: Bejaard, Zooals hij ook :/ woond bij hem. – de weg die wij Van Saalmunster naar Wechtersbach hadden, hoewel maar ter distanties van nog geen drie uuren gaans, was Een der Slimsten die wij gehad hebben, door het opklimmen Van Een hoogen En Steijlen Berg, allermoeyelijkst Vooral voor de Canons En Caissons. – van daar Zijn wij gister ogtend, den Vrijdag 3de Sept. Gemarscheerd naar Büdingen, weer Een distantie van 3 uuren, En Vonden ons daar weer in de Residentie Van Eene andere Branches Van de graven Van IJsenburg, alwaar wij de Capt. En hoofdofficiers weer S’middags gedineerd hebben, En ik geleegenheid heb gehad om Veel Van Papa En Van U te Spreeken, alzoo Papa daar bekend was, uit hoofde dat de gravin Van IJsenburg Büdingen gebooren is Bentheim Steinfurt, En Eene Zuster is van die graaf waar gij En Papa mij Veel Van Verteld hebt. – buyten haar was Er bij hun nog Eene ongetrouwde Zuster van hem gelogeert, die Veel werk Van Papa maakt En het Hollands leest, En Reedelijk Spreekt: -O! hoe aangenaam was mij dit, Van u beyde te Kunnen Spreeken, En dat met Zoo Veel Achting! – Eyndelijk Zijn wij dan deeze ogtend weer van Büdingen naar hier gemarscheerd, wederom 3 à 4 uuren, En hier logeer ik bij den Amptman, En niet bij den Doctor Van waar ik u laatst geschreeven heb toen wij voormaals hier waren, omdat ik nu de Eerste Persoon ben; -terwijl Gelderman met Zijn hoofdquartier vooruit is. – Nu morgen hebben wij weêr Een kleine marsch van 3 à 4 uur En als dan Kom ik te Ock Carben, En de overige Compagnieën te Gros En Klein-Carben. – waarnaa ik denk dat wij nog Eene marsch Zullen hebben Eer wij in onze Provisioneele Cantonnementen quartieren Zullen inrukken. – Intusschen doen wij Kleine marschen, want waar wij in ’t voorrukken Eenen Dag over gemarscheerd hebben, besteeden wij nu drie dagen. – maar de wegen beginnen door de geduurige Regens Vrij Slegt te worden, En Zoo modderig dat men Er Zich ijszelijk Vuil bij maakt. – maar wat Zou mij dat weynig Scheelen als ik maar over Kon Koomen. – Hoor, lieve Jette gij moet nu nog maar wat wagten met Kraamen, want ik Voede nog altoos Een Stille hoop dat ik bij u Zal kunnen Zijn teegens dien tijd: - wij naaderen nu naar den kant Van Francfort, waar wij morgen maar 3 uuren meer Van af Zullen Koomen te liggen: En waar deeze Vermoedelijk op de Post Zal gedaan worden: - In Agt dagen hoop ik dat gij hem hebben Zult, dan is het den 12e En dan Kan de tijd Van uw bevalling naabij Zijn! – O! dat altoos; maar als dan Vooral des heemels gunstrijke bescherming, hulp En Bewaaring u nabij Zij, dit is de hartenwensch Van uw teederlievenden man uw Sandick die Zijn lieve lieve Jette P. hartelijk omhelst.

Ingeval ik Voor uw Kraamen niet mogt Koomen, Zoo Verzoek ik Papa Vriendelijk de Bekendmaking van Zoon of Dogter in de Haarlemsche Courant te willen naamens mij doen Plaatsen. – Ik groet u allen hartelijk.

In de marge op pagina 3:
Zoo gij of Papa nog Schrijven wilde ik Er nu geen ander Adres op te geeven als au quartier Gen. de la Division Batave du Lt. Gen. Dumonceau par Francfort au Main. – alle Dagen kan ik nu bij u Koomen, maar het Kan mij ook geweigerd worden. – dus flakeerd u niet Veel. Vaartwel Eenige.

Los blaadje:

Sondag middag den 5de October 1800 te Ock-Carben

Hier Zijn wij Zoo Eeven Van Altstad gearriveerd; - En ik Vind hier de ordre om morgen den 6e te marscheeren op OberUrsel, En overmorgen den 7e op Soda; alwaar wij Provisioneel daar En daaromstreeks Zullen blijven Cantonnieren, dat is 3 uuren Noordwaarts Van Francfort; En het Hoofquartier Van Dumonceau Komt te Höchst bij Francfort waar de Brieven Kunnen geadresseerd worden.
Hierkoomende word ik Verheugd met uw No. 17 Van den 21e September die mij Van het Hoofdquartier gezonden is. – de Heemel Zij gedanke beste, lieve Vrouw, dat gij Zoo wel Zijt En blijft: mag alles nu maar ook wel afloopen! En ik nog bij u Zijn Eer het gebeurd. – wagt nu maar tot het Eynde Van de maand october dan heb ik hoop bij u te Kunnen Zijn. Maar mogt het Voor mijn Komst gebeuren, dan Verzoek ik Vriendelijk aan Papa om het Kindje Johan Alexander of Amelia Henrietta Wilhelmina voor mij ten H. Doop te willen houden: - En de Bekendmaking in de Couranten Van Haarlem te willen doen plaatsen. – met het Nicht Van Huls Zal Er niets Kunnen geschieden als dat gij haar meld dat gij de Brieven Van haar Voor mij bewaard, En hoopt dat ik Spoedig Koomen Zal; Zooals gij mij Schrijft te willen doen, dat is voor Eerst het beste: - Ik verheug mij dat gij wel tevreeden waart over Roemer, En wil in alles het beste hoopen. – Ik heug mij Zeer wel Van de Datums Van den Almanach; - En wensch nu maar dat het nog wat Duurd. – Als Augereau maar wist hoeveel Er mij aangeleegen legd hij accordeerde Spoedig mijn Verzoek tot Verlof, En de Vreede Zou ook Schielijk daar Zijn als ik Er wat in te Zeggen had: - Nu nog 2 Dagen, dan ben ik in mijn Cantonnement En hoop daar mijn Verlof te ontfangen. Vaartwel lieve, lieve Henriette! – Ik Zend deeze naar francfort nog heeden op de Post.
Berehuys & Chaveau komt bij mij te Soda, En Van de Poel Komt te Cronenburg met Bulthuys.


No 26. ontvangen den 20 Oct:

Cantonnement te Cronenburg, den Saterdag 11e October 1800, En Verzonden den Zondag 12e dito

Heeden, mijne lieve beste Henriette, was de Dag dat mijn lot, ten opzigte Van het al of niet naar ’t Vaderland Koomen, beslist Zou worden. – reykhalzend Zag ik denzelven te gemoed, En angstig was ik over het besluit daaromtrent /: - dit Kunt gij wel begrijpen, want Van hoeveel gewigt was het niet Voor mij, Verlof te bekoomen of niet! – Eyndelijk helaas! Is het dan beslist! ----- En dit begin reeds, Zal U doen bemerken welke den uitslag was. – Altoos Voedde ik nog hoop, altoos meende ik nog bij U te Zullen Kunnen wezen als gij in de Kraam Kwaamt; - maar nu! – nu Kan ik Er niet meer op reekenen! lang teleur gesteld! – lang, Zooals men Zegd om den tuin geleid; met beloften, met hoop gepaaijd, drong ik Eyndelijk om Een beslissend Antwoord aan, En Ziet toen Kwam Er het hooge woord uit, dat ik geen Verlof Kon bekoomen, om dat Er Zoo Veele om vroegen En men het den Eenen niet Kon accorderen En aan den anderen weigeren, dus dat de generaal had moeten resolveren om niemand hoegenaamd naar ’t Vaderland te laaten gaan tot dat de Armeé retourneerde waartoe Echter Veel hoop was! – Zie daar de Substanties Van den Brief die ik deezen middag Van het Hoofdquartier Van Col. Gelderman, naamens den Lt. Gen. Dumonceau ontfing! – waarlijk Eene ontzettende En droevige tijding voor mij, die mij Zoo gevleid had. – gij Kunt u ligt voorstellen waarde Vrouw, hoe mij dat getroffen heeft: - daar ik thans de bewustheid heb Van niet bij u, mijn beste, te Kunnen Zijn, in dat Critique oogenblik Waarin gij moeder Zult worden! – had ik Er u, nog mij, maar in ’t geheel niet meede gevleyd, dan was het beeter geweest; - maar wie had ook Kunnen denken, dat Er , daar het nu weder Voor Zeeker waapenstilstand, En alle Hoop tot Vrede was geen mogelijkheid Zou geweest Zijn om Verlof te obtenieren! – Vergeeft het mij, lieve Henriette, dat ik u 2 Brieven in deeze blijde hoop geschreeven heb, En U dus misleid heb. – Mijn Hart ijlde Zoo gaarne, Zoo Volijverig het Uwe te gemoed; In gedachten Snelde ik wat ik maar kon in uwe Armen, om u bij te Staan, op te beuren, En met de teederste liefdezorg op te passen, En nu, nu, Kan ik niet anders als U mijn waardste, der Zorge Van Uwe lieve ouders, En der Bescherming des allerhoogsten op te draagen En toe te Vertrouwen, En dat doe ik dan ook uit grond Van mijn hart! – Bitter, jaa allerbitterst is het mij , af te moeten Zien Van die Zorgen die ik Zelfs Voor U met Zoo innerlijk Een genoegen Zoude hebben Vervuld. – Wie op de waareld Kan dit ook Zoo doen als Een man die Zijn Vrouw Zoo Zeer acht En bemind als ik. – waarlijk Een droevig noodlot heeft mij hier in Duitschland Zoo Ver Van u afgevoerd, En houd mij hier gekeetend; - nimmer is mij den Dienst En mijn Pligt Zoo hard gevallen als op dit oogenblik; - het is als of mij het hart toegevrongen word als ik denk dat ik in deeze omstandigheden daar gij u in bevind, hier moet blijven, daar hier niets te doen is En wij maar Van het Eene Dorp op het andere Sukkelen ----- maar lieve Jette, het word mij bevoolen, En gehoorzaamen is, Zoo als gij weet de Eerste Pligt der militairen. – Ik heb alles gedaan wat moogelijk was, om het Verlof te Verkrijgen: - Zóóals de Verlenging Van den waapenstilstand op de ordre aangekondigd was, heb ik mij geadresseerd; toen wierd ik tot onze Eerste agterwaardsche Verplaatsing in de aanstaande Cantonnementen Verweezen; - inmiddels Schreef ik Preparatoir aan den Lt. Gen. Dumonceau, Van wiens Hoofdquartier wij als toen 16 uuren Verwijderd waren En waar ik toen niet heen kon gaan: - Kort daarop gaf ik mijn request in dat Voort Verzonden wierd Van laager tot hooger tot bij den Gen. En Chef, geen Antwoord Koomende vervoegde ik mij zoodra wij hieromstreeks naderbij het Hoofdquartier kwamen bij den Lt. Gen. Dumonceau, die mij Eerst hoop gaf maar weer naar mijn Brigadecommandant wees, En deeze op gister naar ’t Hoofdquartier geweest Zijnde, naadat ik Eergister ook bij hem geweest was, gaf mij dan Eyndelijk heden het bovengenoemde Antwoord, waarnaa mij niets meer als onderwerping, En lijdzaamheid overblijft: daarin moet gij dan, lieve Henriette, met mij, meer als ooit deelen, En daartoe moet ik U dan, Zo Veel ik Kan, aanzetten: - Er Zijn Zoo Veele militairen Vrouwen thans in hetzelfde geval, En die niet Zoo als gij hunne geliefde En Zorgdraagende ouders bij hun hebben; grijpt dan moed Vrouwtje! – houd u Standvastig. – Verduurd geduldig wat ons den Voorzienigheid oplegd. – Voor uw man hebt gij thans niets hoegenaamd te Vreezen, Ik ben Godezijdank bij uitstek welvaarende, En hoever ook van u Verwijderd, altoos in gedachten bij U, maar bekommerd Voor U, Zijn beste Schat, Zoo Sterk als gij u Verbeelden kunt, omdat wat u Staat te overkoomen. – O! dat alle goede Vooruitzigten En Kenteekens doch bewaarheid moogen worden, En gij Voorspoedig En wel Verlossen moogt: ons Kind welvaarend behouden mag blijven, gij Spoedig hersteld, En ik dat alles maar Schielijk gewaar mag worden, dit is nu mijn Eenige wensch, En de Heemel Verhoore dien, Zoo gunstig als ik hem Van grond mijnes hartens doe! Amen: Jaa Amen! – Heeden of morgen Agt dagen, tegen den 18e of 19e als deeze, bij u aankomt, wie weet of gij dan niet reeds Zeer nabij de Verlossing Zijt! Tegendientijd had ik nog juyst bij U kunnen Zijn, als het Verlof had kunnen geäccordeerd worden En nu Kan ik geen andere hoop Voeden, als die Van, indien Zooals algemeen geloofd word wij nog voor Nieuwjaar terugkoomen :/ Vrouwtje met ons Kind op den Arm mij tegemoet te Zien Koomen. – laaten wij ons dan alleen nu bij dat Vooruitzigt weder bepaalen, En ons op Nieuw /: daar men dan toch bij de hoop moet leven :/ ons daarmede Vleijen! – Ik Voeg hierbij de Lijst En Adressen der Persoonen, aan dewelke ik Vermeen dat wij Van mijn Kant dienden Communicatie te geeven, waartoe ik dan nogmaals Papa Vriendelijk Verzoek de moeite wel te willen neemen; Van uw Kant weet gij het genoeg, het gaat immers, Eevenals met de huwelijks Communicatiën, niet Verder als Broeders En Zusters, Grootpapa en Oomes En Tantes. – Ik had dit eerder gedaan, indien ik niet altoos de hoop had gehad om nog Zelfs over te koomen, En een ander dus daar niet mede lastig behoeven te Vallen. – Had ik Er u in mijne 2 laatste Brieven maar Zoo niet meede gevleid, dan was de teleurstelling nu niet Zoo bitter: - maar hoegaarne gelooft men niet wat men Zoo reykhalzend wenscht!

Zondagogtend den 12 oct.

Nu, lieve Henriette, moet ik doch nog Zeggen waar ik thans in de Weereld ben, En wat Er gepasseerd is Seedert mijn laatste Van den 4e En 5e deezes van heeden Agt dagen van Altstadt En OckCarben geschreeven. – maandag den 6e deezes marscheerde ik met mijn Batt. Van OckCarben naar Oberursel, maar aldaar aaten wij blootelijk S’middags En Ontfingen Contre Ordre om weer wat terug te marscheeren, Zoodat wij S’Avonds weer digt bij ons Voorig Nachtquart. te Ober Erlebach Kwaamen Slaapen. Den 8e In Plaats Van naar Soden te Koomen wierd ik in het Dorp Eschborn met de Staf En 9de Comp. Geplaatst; hier was het Ellendig, want thans met de meenigVuldig gevallene Regens Zijn alle de Dorpen waar geen Steenstraat is, allermorsigst En waaren dreknesten. – Ik bleef daar maar 2 Dagen, ging den 8ste naar Höchst bij den Gen. Dumonceau dat maar Een uur daarvandaan was, En den 9e naar Soden bij Col. Gelderman, ook in de Buurt, En Verkreeg om den Zelfden Dag nog met mijn Staf Van Eschborn, naar hier te Cronenburg bij de 3 reeds hierzijnde Compagnieën Van mijn Batt. te Kunnen Koomen. – Dus ben ik dan nu hier te Cronenburg provisioneel gecantonneerd, En ben hier taamelijk wel; tenminste het is Een Stadje, ouwerwets, maar doch nog al reedelijk bebouwd: De Hooge militaire Verschaar of Krijgsraad te Velde is hier geplaatst; dus nog als meer Conversatie als in andere Cantonnementen; - Van de Poel En Bulthuis Zijn hier bij mij; - En ik ben met Capt. Bondam die ook lid van de Krijgsraad is gelogeerd in het Zelfde huys, Zijnde Een Logement genaamd de Zwarte Adelaar, waar ik Een goede ruyme booven Kaamer heb met 3 Vensters, En Een goed Bed. – Ik heb hier als Secretaris Van gem. hoogen Krijgsraad aangetroffen den Burg. Brandt, Een Hagenaar die die Post bekoomen heeft En Zeer goed Vriend is met onze Broeder Piet in den Haag, naast wien hij woond, En die Zich Zoo de mans als de Vrouwen dagelijks Zien. – Broer Piet had hem wel van mij gesprooken, dus waren wij Voort in Kennis; - Het Schijnt Een hupsch, bedaard mensch te Zijn: - Die Echter ook al Eeven als ik, En wij alle Sterk begind te Verlangen naaar ’t retour in’t Vaderland: - Kwam doch Eens die blijde Tijding! Maar Ach Wanneer? – mag ik ook wel met U Zeggen, wanneer?
Gister middag, tegelijk met de onaangename tijding der weigering van mijn Verlof, ontfing ik, met het Pak Van den quart. Meester Eymaal uw lieve Brief No. 18 van den 20ste September gelijktijdig geschreeven En Verzonden, met No. 17 die ik Voorleden Zondag reeds, Zijnde den 5de deezes, te Ockcarben ontfing, dus is die Van de quart. Meester Veel langsaamer gereisd dan de uwe alleen; - maar men had ons reeds gezegd dat Er Veel militaire Brieven te Francfort, waar wij maar 2 a 3 uuren Vanaf Zijn, op de Post voor ons lagen, En daar wij thans Zoo in de Buurt Van die groote Stad Zijn, Zullen waarschijnlijk de Brieven nu Spoediger overkoomen, dat mij bijzonder wel Zal dienen, als gij Eens bevallen Zijt. – Ik zie uit uw beyde laatste Brieven /: voor dewelke ik u nogmaals om u Vlijtigheid hierin beweezen hartelijk dank Zegge :/ dat gij nog altoos Zoo welvarende Zijt, En dit geeft mij het weezenlijkste genoegen, daar ik alsnu Vatbaar Voor ben. – maar wel Smart het mij te Verneemen dat onze waarde Papa Zoo Veel uitstaat aan Zijn tanden! Mogt dit doch Schielijk weer beteren, En hij Zijn Voorige gezondheid weer genieten! – Het is al Singulier dat de Neefjes Metelerkamp in mijn Tent in Camp te Zuydlaaren geweest Zijn; want het Kan in geene andere dan de mijne geweest Zijn, aslzoo ik alleen Van alle de Officiers Een Tent had, En de ooverige alle Strooye Hutten hadden: Er kwaamen dus Zoo Veele Vreemdelingen om Ze te Zien dat ik mij Zelfs niet weet te herinneren Juyst de Nigtjes gezien of geremarqueerd te hebben maar ik bedenk mij wel Verscheyde onbekenden ook maar Voor een oogenblik bij mij op Een Kijkje gehad te hebben, waaronder Zij dan Zeeker ook geweest Zijn. Ik hoop naader geleegenheid te hebben hun kennis te maaken, En Verzoek Zus de groetenis aan hun En aan de overige Familie. – wat is die arme mevrouw Van de Poel nu ongelukkig met haar Kinderen. Nu weer een Verlooren! – Hij was hier juyst bij mij gister toen hij die droevige tijding van het overlijden van ’t jongste in den Brief meede in ’t Paquet Van den quart. Meester ingeslooten ontfing, En Verzocht Zoo aan u als aan Zijn Vrouw En onze familie Zeer Zijn groetenis. – Het is mij lief dat gij de Coupons heb laaten wisselen, En ik begrijp wel dat gij Voor Turf En andere Zaaken al veel moet uitgeeven, daarom heb ik u ook in mijn Voorlaatste in No. 24 die wissel van f. 300 op Rotterdam gezonden, tot goedmaaking der Kosten van Kraam als andersins En gij moet Ze ook maar Voort Verdebiteeren bij Verschout, dan Zijt gij hoegenaamd niet in Verleegenheid, En ik kan u altoos nog meer bezorgen, Zonder dat het mij Eenigsins hinderd. – O dat gij doch maar Van de roodvonk niet aangetast word dat hoop ik! – En wat Verheug ik mij dat gij u Zoo wel Schoont voor tocht En Verkouwenheid, Zie, dat is wel gedaan, Zoo voor moeder als voor Kind. – gaat Zoo maar Voort: thans Zijt gij in de Stad! – En Zoo niet in de kraam, doch naabij als deeze Komt; dus misschien heb ik te Veel geschreeven Voor Een Kraamvrouw om alles op Een maal te mogen leezen, want dat zelfs moet in die omstandigheden fatigueeren En dus Zal Papa, mama en Elsje oordeelen of, En hoeveel Vrouwtje tegelijk Zal moogen leezen, dit Zullen Zij kunnen doen, maar uitdrukken of beschrijven hoezeer uw man uw bemind En hoezeer hij Godes Zeegen over U in uw moederschap afsmeekt En toewenscht, dat Kan niemand als uwen Sandick Zelfs ten besten beveelen!

In de marge op pagina 1:
Mijn Provisie van Postpapier haast op Zijnde, heb ik Er nog met Zwarte randen gevonden, dat ik Eerst gespaard had, En daarom is deeze En waarschijnlijk de Volgende weer met Randen.

In de marge op pagina 2:
Met genoegen Verneem ik dat Papa weer Een Zilveren madaille Van ’t Haagsche genootschap ontfangen heeft, En wensch hetzelfde Voor de aanstaande Verhandeling die Lindenberg begonnen had. – Ik gaf Er wat om dat hij Ze had kunnen afschrijven En dat te Zwolle, dan was ik ook niet uitlandig in dit gewigtig tijdstip. – Er blijft altijd goede hoop op Vreede.

In de marge op pagina 3:
De major Van Berehuys heeft hier de tijding ontfangen dat Zijn Vrouw op den 22e Sept. Van Een Zoon wel En Voorspoedig bevallen is. – Ik bragt hem de Brief meede van Soden En het was mij ook Zeer aangenaam. – maakt het ook Zoo Voorspoedig.

In de marge op pagina 4:
Het Adres is nu Quart. Gen. du Lt. Gen. Dumonceau à Höchst près de Francfort au main ou ailleurs. Ik recommandeer mij bij Papa En Elsje om mij doch als ’t maar Een woord Spoedig te Schrijven, of ’t Een Sander of Eene Amelie is, En hoe Vrouwtje zich bevind. – En gij, lieve Jetje, houd u doch wel Stil naa ’t Kraamen. – Stilte en rust Kan ik niet genoeg aanbeveelen! Adieu lieve lieve Eenige Vrouw!


No 30. Cronenburg, Dinsdag Avond den 28e Oktober 1800,

Verzonden per Francfort woensdag ogtend vroeg, den 29e

Zoo eeven, lieve Henriëtte, was ik op het Appel dat ’s Avonds om 5 uur gehouden word voor de hier leggende Compagnieen van mijn Battallion, en met de Officiers praatende oover den Cours der Posten, bereekende ik dat er nu haast Antwoord kon koomen op mijn schrijven naar Zwolle dato den 12e deezes, zijnde mijn fataal No. 28 aan U en Papa /: want de Correspondentie en de relatien met het Vaderland en onze Families maaken al dikwijls en meest het Stof van ons discours:/ en ziet, aan mijn huis terugkoomende komt er een Ordonnans van het Hoofdquartier van H…. die mij, met andere Brieven voor meer Officiers, de Uwe no. 20 onder Couvert van die van Papa, beyde dato 21e deezes, dus van heeden Agt dagen, ter hand steld, en die mij door den Adjudant Beekman /: als bewust van het Belang dat de Hollandsche Brieven thans voor mij kunnen hebben :/ direct naa ontfangst toegezonden word.

Ik geloof het wel, lieve beste Henriëtte, dat u dat afzeggen van mijn komst daar wij ons beyden zoo meede Verheugden, oneyndig moet getroffen hebben. Ik weet zoo wel uw liefde voor mij te waardeeren en ik bemin u ook zoo hartelijk dat wij oover en weeder best kunnen bezeffen wat wij in dit oogenblik missen van niet bij elkaar te zijn: dat kan mij nooit, nooit vergoed worden dat ik thans niet bij u ben. En ik dorst het u niet zelfs direct melden, om u niet te verschrikken of teveel te bedroeven, maar Papa heeft het dan zoo voorzigtig weeten te doen als men het maar immers kon bedenken, en ik heb er Hem den grootste dank voor! Welk een voorregt, lieve, zulke voor ons zorgende Ouders te hebben! O! dat is mij thans zoo veel waard en moet meede in onze daagelijkse dank erkentenis voor al het goede dat wij, zelfs temidden in ons leed, nog zoo onverdiend genieten, nimmer van ons vergeeten worden. Traanen van hartelijke aandoening hebben oover Uwer beijde Brieven onder het leezen derzelven uit uw Sandicks oogen gevloeid!

Beevend brak ik het Couvert van Papa’s lieve hand oopen … is zij bevallen? … en hoe is het met haar? … waren mijne angstige gedachten, maar een Brief van uw eijgen Hand die ik voorts daarbij bemerkte deed mij doch wel aanstonds denken dat het nog niet zoo verre was. Maar … nu … den eersten die ik nu weer ontfang en niet van Uw, van mijn Henriettes Hand, dan zal het méér spannen, dan zal het er méér op aankoomen want gij meend immers zelfs dat het nabij is, en wie weet of op dit oogenblik waarin ik u thans schijf, gij niet reeds Uw Sandick in Uw Hart en gedachten als Vader begroet en verwelkomt hebt! Nu maar als het dan zoo is, zoo zij God onzen algoeden Behoeder gedankt. Maar ook dan moet ik Vrouwtje en Moedertje niet te veel aandoening verwekken. En dan zal Lieve mama en lieve zuster Elsje die ik dunkt mij om u heen zie staan, u deeze met blijdschap voorlezen.

Spoedig ziet gij beantwoord ik uw laatst ontfangene Brief! want deeze Avond kreeg ik hem en direct vat ik de pen op, want morgen ogtend is het Francforter Vertrekkende Post en hem deezen avond nog afmaakende, brengd hem morgen vroeg een Soldaat van mijn Battallion naar de Post aldaar, en dan: Hop Hop! In haast naar mijn Jetje toe, dat zij hem doch spoedig ontfange!

Kon ik nu zoo onvermerkt eens in den Postillion zijn Valies kruipen en rijden méé naar U toe, dan bragt ik den Brief zelfs op de Post en nam mijn kans wáár!! Maar dat zit er niet op en ik moet het Papier alléén laten vertrekken.

Ik bedank u voor het zenden van de Brieven van de beyde Tantes, daar valt veel oover te praaten en ik geloof wel dat Gij er mij zelfs gaarne oover gesprooken had. Nu, dat hoop ik mettertijd nog te doen en dan zullen wij dat alles wel schikken. Intusschen kan ik u verzeekeren dat oover die kleêren geen mensch, met mijn wil tenminsten, zal disponeeren als mijn Jettepoesien, dat is bij mij vast beslooten en ik weet ook wel hoe de Eygenaresse daar oover dacht. Met Tante zal ik het wel maaken, met het uitblijven van den Brief en het Antwoord daarop, dat is ligt te doen, met Excuus op de Vertraaging der Posten, geduurige Verplaatsingen etc etc. geen nood daarvoor. Het Clavier zou zeeker de Vragt niet waard zijn, en dus kan er wel wat anders dat ook te Pas komt uitgevonden worden, maar ik doe daar niets aan zonder U en zooals ik zag wij zullen dat wel eens bepraaten. Had ik het Clavier hier in Duitschland, dan zou men het nog wel kunnen verpapen want ik heb er hier op de Dorpen wel aangetroffen die bijna een dito waren en daar doch al op gesspeeld werd, want de Musiek word hier nogal gecultiveerd bij de Pastooren, Amptlieden en Voornaamsten van den Lande.

Het smert mij dat gij juist mijn No. 24 van de 29e september van Flieden, met de wissel van F. 300,-- op huidig niet ontfangen hebt. Dat is nu geheel mis met het geld dat ik u had vermeend te zullen bezorgen en anders zoo net van Pas gekoomen zou hebben om u buiten alle Verleegenheid te stellen. Ik hoop nog dat hij terecht zal gekoomen zijn maar een ander kan er doch ook niets meede doen. Ik heb den Brief bij mijn vertrek van Flieden aan mijn Doctor Hinckelbein gelaaten om ze te bezorgen en ik heb geen reeden om te denken dat hij het niet zou gedaan hebben, want hij was mij nogal geneegen en had al mijn voorigen, geduurende mijn Verblijf bij hem rigtig bezorgd. In alle geval sluit ik hier een Nieuwe gelijkluidende wissel in als voorgaande en gij kunt dezelve voor …. door Joseph of iemand anders bij …. zenden met mijn groetens, die zal er u wel geld op geeven, met korting van wat hij er voor het overmaken voor moet hebben, verondersteld een quart ten honderd. Komt de andere dan nog nàà, zoo verbrand gij hem maar direct en komt deezes de laatste en dat de andere met mijn No. 24 intusschen aangekoomen en genegocieerd is, dan gaat deeze ten Vuuren.

De voornaame inhoud van dat no. 24 was dat mijn request tot Verlof toen ingegeeven, en aan den generaal verzonden was. Mijn Vreugdebetuiging oover die (ijdele) hoop. De kennisgeeving van onze terugmarsch die wij ’s anderendaags gingen aanneemen, en dat ik in Commissie te Fulda was geweest, eenen dag heen en den andren weerom, dus ik die Stad ook gezien heb , maar wat baat mij dat? Veel, jaa oneyndig veel liever zag ik de Kraamkaamer van mijn Vrouwtje als al de schoonste Steeden van Duitschland. Met welk genoegen zou ik dat alles examineeren dat zeeker zoo netjes in order geschikt was om het aan Manlief te laaten zien! Dat kan ik mij zoo leevendig verbeelden. Jaa zelfs tot mijn Horologe was opgewonden! Ziet dat zijn van die fijne Attenties daar wij mannen met onze grover zintuigen niet in staat toe zijn! En dat alles tevergeefs en dus moet onze troost zijn dat Vaader dan het wiegje eerst zal zien, als er reeds het kindje zal inleggen! Dat geeve de Algoede mij spoedig te moogen ondervinden!

Ieder een verwagt een verlenging van Waapenstilstand omdat het Congres schijnt te beginnen. Ik heb u wel begreepen, lieve Henriette met wat gij meend, dat gij mij nog zooveel te zeggen had eer gij in de Kraam kwaamt, en meer andere Passages uit uw Brief, maar ik wensch en hoop dat gij, mijn waarde mij dat alles nog eens met ons Kindje op Uw Schoot zult breedvoerig vertellen.

Nog iets dat ik vergeeten had u te schrijven is, dat ik vertrouw dat gij thans gebruik maakt van mijn Cabinet dat in de beneedenkaamer staat, om er ook uw goed in te leggen dat gij bij u noodig hebt. En dat gij Joseph maar gebruijkt om Boodschappen te doen, dat hij gaarne voor mij zal verrigten.

Nu mijn allerwaardste Vrouwtje. ’s Heemels beste zeegen en bescherming zij volkoomen oover u en ons kindje. Denkt dat uw liefhebbende man bij en om u héén zweeft.

In de marge op:

Pg. 1: Hierneevens een Briefje voor Papa. Dag lieve lieve Vrouw!

Pg. 3: Hartelijk groet ik onze waarde ouders, zuster Elsje en onze vrienden en Buuren Hogerwaard, Ik hoop dat het Kind van de Kastelijn het nog te booven zal haalen. Ik omhels u 1000 maal in gedachten.


No 31. Cronenburg, Saterdagavond den 1e November 1800,

verzonden over Franc-Fort, den 2e dito

Gij zegd mij in uw laatsten Brief No. 20, mijn lieve Henriëtte, dat hoezeer gij mij waarschijnlijk nu vooreerst niet zult kunnen schrijven, en gij mij zooals gij belooft ook niet schrijven zult of gij zult reedelijk wel weder hersteld weezen, ik doch maar vlijtig moet schrijven; nu dat gebod wil ik ook trouw naar koomen, en ik doe het zoo gaarne dat het mij zeer gemakkelijk valt om te volvoeren. Was ik nu bij U, dan zou ik zelfs op uw wenken praten en gij zoud niet eens behoeven te spreeken, maar daar wij ons op zulk een verren Afstand van elkaar bevinden, is de eenigste manier waarop ik u dit vergoeden kan, die, van u tenminsten met mijn Brieven, die ik weet dat u zoo aangenaam zijn, eenige vergenoegde oogenblikken te verschaffen.

Thans op het oogenblik dat ik u dit schrijf, zijt gij waarschijnlijk reeds bevallen, en wat kan er seedert Dinsdag Agt dagen den 21ste deezes toen gij mijn voorlaatsten schreef, niet veel Belangrijks voor mij te Zwolle voorgevallen zijn! Daar speelen mijne gedachten onophoudelijk op en in mijn geduurige Veronderstellingen en Bedenkingen, die alteniets wel eens ook zeer treurig zijn, eijndige ik veelal met mij vast te houden aan die gronden van onderwerping en Vertroosting, die mij Papa in zijn laatsten Brief zoo welmeenend en hartelijk meededeelde, en die voornaamentlijk daarop neêrkoomen, dat gij mijn waarde, zoo volmaakt gezond waart als ooit een Vrouw in uw omstandigheeden was, dat gij zoo als yder zegd naar ’t aanzien zeer gemakkelijk kraamen zult; dat gij met zooveel liefde en zorg als ooit iemand opgepast zult worden /: nu dat laatste wist ik wel voorzeeker :/. En dan, dat ik mij op den Post bevind, waarin de Voorzienigheid mij buiten mijn toedoen op gesteld heeft, dus wij onze Belangens veilig in Gods vaderlijke handen, met de hoop op Vreugd naa Smart, kunnen toevertrouwen.

Dit alles ook bezeffende, vinde ik mij dan ook weer wat opgebeurd, en dit moet u dan ook troosten, mijn veel geliefde Vrouw! – De aanmerking die Papa erbij voegd is ook zeer gegrond, naamentlijk dat er zoo veele Mans zich in mijnzelfde geval bevinden wier Vrouwen in een vreemde Plaats in eeven dezelfde omstandigheden als gij zijn, maar aldaar geheel alleen zonder Vrienden of Familie zijn en boovendien nog in een behoeftigen staat. En wij dus hierin weer grooten Zeegen booven anderen genieten, terwijl het ons daaraan niet ontbreekt. Dit overweegd gij buyten Twijfel ook, mijn waarde, en met terugzien op andere meer ongelukkigen dan wij zelfs, moeten wij ons dan zoeken te troosten.

Dit alles moet ik mij zoo gedurig voor oogen stellen, en inprenten om mijn te dikwijls murmureerende geest te bedwingen en ter neer te zetten; en dan zeg ik weêr meer gerecht

Ziet nu ook eens, lieve Henriette, welk een zegen dat ik u dit alles nog zoo gerust, en bedaard kan schrijven, want hoe ligt zou niet ook de Compagne reeds seedert onze komst in Duitschland direct hebben kunnen doorgegaan zijn en wij ons in plaats van stil alhier, in een geduurige activiteit van velddienst hebben kunnen bevinden; terwijl in teegendeel nu alles naar Vreede helt, en men dagelijks weer met alle grond van zeekerheid de verlenging van den waapenstilstand tegemoed ziet. Want daar het Congres zich verzameld te Luneville, zoo wagten wij eerstdaags de Ordre van die Verlenging, en al komt die ook niet, zoo gaat ze stilzwijgend dóór. – Mijn Compagnien van het Battalion verwisselen nogal altemets van Cantonnementen van het ééne Dorp naar het andere, op kleine distanties van één of twee uuren, maar ik blijf met de Staf nogal doorweg hier leggen en heb het er wel; voor eenige dagen meende men dat er, om zich wat meer te verbeeteren, eene Beweging zou plaats hebben, maar het schijnt weer voorbij te zijn. Wij hebben thans ook dagelijks veel mist en reegens, zoodat de wegen niet veel droogen kunnen en de zon ziet men nu zelden. Ik gaa dikwijls te Paard mijn Cantonnementen bezigtigen en Visiteren, dat gaat dan over Berg en Dal, want de landstreek is hier zeer Bergagtig en de Dagen worden te kort om veel in een Dag af te doen. In de Laagtens en Dorpen is het zeer morssig, en om de lange kleeren niet de bekladden en tevens echter warm te hebben, heb ik mij een Blaauwen duffelsche Spencer, met ligt blaauwe kraag en opslagen en voering laaten maaken, dat wel wat singulier staat maar te Paard /: en anders draag ik het ook niet :/ een Excellent meubel is. Ik wou gij zaagt het, lieve Jettepoesien! Nu hoop ik ook, lieve, dat mijn laatste met de wissel, beeter en spoediger zal ooverkoomen na mijn No. 24 met de vermiste wissel, en zoekt er dan maar voor het geld van kan maaken om alles te kunnen betaalen wat er uit te geeven is. Ik weet niet wel of ik u van het Betaalen van het op den 20ste September vervallende Vierendeel jaar huishuur aan den Pastoor gesprooken heb, zoo niet laat het dan bij geleegensheid eens aan hem uitbetalen, met f. 32-10-. Nog moet ik u lastigvallen met de betaaling van weer zes guldens aan de vrouw van Wouters, welk geld hij hier van zijn loon bij mij heeft laaten staan sedert het laatst door u uitbetaalde. Ook verzoek u door Joseph aan Vrouw Glasener de Vrouw van de soldaat Glasener van de 7de Compagnie die oppasser is van den Cadet Barthlo te laaten betaalen zes guldens die hij mij hier afdraagd. Zij woond, zoo hij zegd, buiten de Camper Poort in de Eerkersbeth. Excuus voor die Commissies, vrouwtje, maar het is om die arme luîj te helpen, en daar weet ik dat gij niet ongeneegen toe zijt, want dat bewijst mij nog uw laatste omtrent Tante. Ik denk daar, vrouwtje hoe gij het maaken zult zoo zonder Knegt of Oppasser, en mij dunkt gij moest er een hebben om Uw Boodschappen te doen of de Deur open te doen. Dit zou de quartiermeester Eymael U best kunnen bezorgen, of de Capitein Sieverts, als gij een militair woud neemen; of anders een huurknegt; doed het doch naar Uw Zin en om het u gemakkelijk te maaken. Gij moet niet op het geld zien in dit oogenblik, daarnaa kunnen wij eerder spaaren.

Nu ik houde u aan uw woort van u stil en bedaard te houden. Hoe is het nu? Is het Kleyntje er al, zuigd het al? En vooral, hoe is Mama? O gaauw! Gaauw! Zegd het mij, lieve zuster Elsje, gij weet mijn verlangen om daarvan onderrigt te zijn. Ik groet u alle, en Vrouwtjelief, Uw Sandick omhelst u hartelijk met het Kleintje en bemint u beijde teeder.

In de marge op:

Pg. 3: Onze waarde ouders groet ik van harten. O wat gaf ik niet om bij hen en U te zijn! Zeegen zij over u mijn lieve beste Vrouwtje, in al wat gij misschien thans voor mij lijdt. Mijn hart is bij U, de Algoede zij u nabij!!!


No 32. ontvangen den 12 Nov. 1800

Cronenburg, begonnen den Sondagavond 2e November 1800, verzonden den Dinsdagavond 4e dito

God zij gedankt, mijn teder geliefde Henriëtte, dat gij gelukkig bevallen zijt!

Deezen middag ontfing ik er de tijding van aan het Hoofdquartier van den generaal Dumonceau te Hörscht, niet door U zelfs of iemand van de Onzen, maar door den Major Van Berchuys die het uit de Brieven van Mevrouw van de Poel en Mevrouw Chaveau aan hun mans vernoomen had, en mij direct mijn ordonnantz Hussaar met een Brief zond, waarin hij mij die heuchelijke, die alleraangenaamste Tijding meede deelde, dat gij mijn waardste op den 25e Oktober voorspoedig van een zoon verlost waart en u met het Kind zeer wel bevond, zijnde alles in een half uur afgedaan geweest! Ik kan geen woorden vinden om U mijn Vreugd en Genoegen uit te drukken! Eén Handdruk of één Oogwenk van mij, als ik bij U was zou u duizendmaal meer te kennen geeven als ik in Staat ben om U in een Boekdeel te schrijven!
Ik bezef wel dat en Papa en Elsje te veel ontroerd, te veel beezig zullen geweest zijn om mij met de Post van dien Eygen dag te schrijven, en dat zij zich op de kennisgeeving van mevr. Van de Poel zullen verlaaten hebben. Ook is het door háár zo stellig en omstandig gemeld, dat ik er geen twijfel aan maak. Zij zegd ’s morgens 9 uur, en dat het zoo een lieve jongen is! Dat men hem ’s anderen daags aan de Borst zou zoeken te krijgen, dat de Arbeid maar één uur geduurd had en mevrouw Chaveau confirmeerd dat alles: dus is het wel zeeker en uw Sandick heeft alle reedenen om er zich in te verheugen!
Bij den generaal, waar ik was gaan eeten /: gij begrijpt wel om welke oorzaak alzoo de Waapenstilstand weêr waarschijnlijk staat verlengd te worden :/ kon ik niets als mijn genoegen gevoelen en uiten. En ik werd voorts naa de kennisgeeving algemeen met welmeenendheid gefeliciteerd, - dáár moest ik mij nog bedwingen maar thuyskoomende heb ik God op de knieën hartelijk met traanen gedankt dat Zijne goedheid mij door U tot zulk een gelukkig man en vader had gemaakt. En heb u, mijn beste en ons Kind Zijne Almagt en Goedgunstige verdere Voorzorgen met geheel mijn Ziel opgedragen. O! dat mijn wensch en Zeegen oover u beyde, mijne dierbaaren, volkoomen mooge bevestigd worden en het zal u beyden altoos, hier en Eeuwig wel gaan! Amen – jaa Amen!

Maandagavond, den 3e November. Heeden lieve Henrëtte is dan wel gereekend reeds de 9e Dag van Uwe bevalling, die algemeen gezegde Critique dag voor een kraamvrouw!
O wat verlang ik naar naadere tijding van U, en wat moet er nog een tijd verloopen eer ik die kan bekoomen! Maar morgen hoop ik echter van iemand der onzen de bevestiging van Uwe gelukkige Bevalling en eenige omstandigheden te verneemen, want voorleeden Dinsdag den 28e October ontfing ik ook Uw laatste No. 20 van de Postdag van Dinsdag tevooren, den 21e geschreeven. En dus maak ik staat om morgen Dinsdag den 4e November ook de kennisgeeving van Papa of van Elsje, van voorl. Dinsdag den 28e gedateerd, te zullen ontfangen. Dan zal ik het eerst oopentlijk op de ordre aan mijn Battallion kunnen laaten bekend maaken maar intusschen, daar mevrouw Van de Poel aan haar man schrijft: zegd het aan de Overste, zoo kan ik er niet aan twijfelen en hier ook twijfelt er niemand aan of het is zóó, temeer daar mevrouw Chaveau het ook schrijft en ook nog de Vrouw van onzen sergeant majoor van Giesen. En hoe gaarne geloof ik het ook, dat begrijpt gij mijn waarde!
Al de hier zijnde officiers zoo van mijn Battallion als van den Krijgsraad te Velde kwaamen mij gister voort bij mijn retour feliciteeren, onze Musicanten kwaamen mij op 9 uur met een Ah ca Ira! Verassen, en heeden op de Parade wenschten mij al onze onderofficiers ook hartelijk geluk met mijn jonge Zoon. Terwijl die van de gedetacheerde Compagnien hetzelfde doen, naa maate zij hun rapporten inbrengen. Ik behoef U niet te zeggen hoe streelend dit voor mij is, hoe zeer ik met al mijn hart instem in alle de wenschen die ik van een yder voor spoedige herstelling van Moeder en voor gelukkige opwassing van Kind hoor uiten, en hoever al dat wat anderen kunnen zeggen of wenschen beneeden dat geene blijft wat Uw teederlievenden man onophoudelijk voor zijn Vrouw, en zijn Kind wenscht en begeerd! – O, dat ik u dit in zulk een tijdstip maar schrijven moet, en het u niet zeggen kan! ……. Maar laat ik mij niet te buiten gaan! Dankbaarheid is wat ons thans alleen past, dankbaarheid moet ons geheel vervullen en vertrouwen op Gods Vaderlijke en algoede bestiering in al onze lotgevallen!
Wat zullen onze waarde Ouders ook vergenoegd zijn! Wat zal zuster Elsje en onze Broeders, de Familie van Hogerwaard en al die eenig deel aan ons neemen, verheugd zijn, dit kan ik leevendig gevoelen! O, als nu maar alles verder wel gaat, dat is nu weer mijn bekommering; maar ook daarin wil ik alweer het beste hoopen en vertrouwen.

Dinsdagavond den 4de November.

Nu weet ik het dan echt en stellig! En eyndelijk heb ik dan de kennisgeeving van Papa en Elsje, met hun Brief van de 25ste en Uw begonnen en door Elsje afgemaakte No. 21 ontfangen. De Brieven zijn Saterdag den 25ste geschreeven en gelijktijdig met die van onze Dames van ‘t Battallion verzonden, maar ongelukkigerwijze, ik weet niet, en niemand kan ’t bezeffen hoe, twee dagen laater hier aangekoomen!! Dit is onbegrijpelijk, maar het zij hoe het wil, ik zie dat en Papa en Elsje al het moogelijke hebben gedaan om mij ten spoedigste te verwittigen van wat mij het belangrijkste in de waareld was, en ik kan niet dan hen beijden ten hartelijkste te bedanken. De generaal Dumonceau had mij heden weder laaten vragen om bij hem te Höchst te koomen eeten om op het vroegste de tijdingen te kunnen ontfangen die hij wist dat voor mij zoo interessant waren, en ook dáár ontfing ik de Brief van Papa en uw boovengen. No. 21 door Elsje afgemaakt.
Duyzend Duyzend maal dan geluk mijn waarde, lieve Henriette, met onzen zoon! En hoe kan ik, hoe zal ik God genoeg danken voor uw voorspoedige verlossing! O, dat gaat alle verwagting te booven!
De opeenstaapeling van gedachten die mijn hart overstelpen en zich naar U heen wenden is zoo groot dat ik op dit oogenblik van zeekerheid en bewustheid van Uw behoud, mijn waarde Vrouw, geen uitdrukkingen kan vinden om ze te uiten.
Het is waar, lieve, wij zijn van elkaar gescheiden en dit is, vooral thans, bitter hard voor ons beyden, maar moeten wij echter niet uitroepen! Wat zullen wij de Heere vergelden voor zijne weldaaden! En jaa, dit doe ik ook en gij zeeker met mij! Hebben wij niet het toppunt onzer wenschen bereikt? Hebben wij niet zoo dikwijls om een kind gewenscht en nu hebben wij een Zoon bekoomen.

Dierbaare Henriette, hoe veel nauwer zijn wij nu niet aan elkaar verbonden. Hoe veel sterker is nu niet onze betrekking op elkaar geworden? Een derde weezen dat, naast God, aan ons zijn aanzijn verschuldigd is, haalt de banden onzer liefde nog sterker aan dan ooit. Niet alleen zijn wij Man en Vrouw, maar ook Vader en Moeder! O, kon ik, kon ik in de Verrukking die mij deeze gedachte veroorzaakt, mijn vrouw en mijn kind in mijne liefde Armen sluyten en u beyde aan mijn hart drukken. Welk genoegen voor mij! Maar ook dat zal mij hoop ik ook nog eens geschonken worden. En dan liefste Jette, is al ons leed vergeeten. Nu doe ik het met geheel mijn ziel in gedachten, en draag u beyden der Goddelijke Voorzieningheid ter bewaaring op!

Gij hebt dan de Smerten van het baaren doorstaan, die van het eerste zuigen van het Kind waarschijnlijk ook. En al wat verder aan Uw stand verknogt is, liefste Henriette wat al leed en gevaar! En dat al doch, ben ik verzeekerd geduldig voor Uw Sandick verduurd! Nogmaals zij God gedankt voor het goede aan U beweezen! Welk eene geruststelling voor mij al dat te leezen wat Papa en lieve zuster Elsje mij schrijven! O zooveel maal heb ik het al oovergeleezen en ik lees het met dies te meer genoegen, daar zulk een gelukkig begin ons verder een goede Voortgang beloofd. De naaste Post brengd mij zeeker nu nog verder gunstige tijdingen, die ik doch reikhalzend tegemoed zie. Wat genoegen dat men zoo tevreeden is met Roemer! O jaa, geef hem maar de Tien Ducaaten in goud, die kan men altoos als men wil weêr bekomen. En kunnen ze wel bij een beeter geleegentheid uitgegeeven worden? Dit blijft dus bepaald. Wijders gedraag ik mij aan mijn No. 28 van de 21ste dezes om wegens fooijen of Betaalingen alles te doen volkoomen naar gewoonte te Zwolle en in de familie. Wat Uw huishoudelijke inrigting geduurende de Kraam aangaat, neem ik genoegen in hetgeen gij mij wildet schrijven en door zuster Elsje is volvoerd. Alleen hoop en verwagt ik dat gij, zooals gij mij reeds geschreeven had, uw Eeten weer van de Kasteleyn zult laaten haalen en ook voor Elsje, ofwel zelfs laaten voor U kooken en voor de Baaker, want dat kan doch op den duur niet gaan om van onze ouders verzorgd te worden, of dat gij daar in de winter dagelijks gingt eeten. Ik laat u gaarne echter daarin meester, maar gij weet wel, mijn beste, dat ik het gaarne zóó heb dat er niet oover gesprooken kan worden en dat wij wel hebben om ordentelijk ons eygen Eeten te kunnen doen.

De quartiermeester zal u zeekerlijk de f. 140 uitbetaald hebben en de wissel van f. 300 zult gij nu ook wel ontfangen hebben, het spijt mij maar dat die eerste uitgebleeven is. ‘t Is zoo fataal met die langsaame Correspondenties.
Nu zult gij mijn No. 29 met het roozemarijn takje ook wel ontfangen hebben. Wij schreeven ons dan nog wederzijds op dien zelfden 24e October en dus heb ik het genoegen om van Uwe Hand nog iets tot zoo kort voor uwe bevalling te bezitten!
Nu, moedertje lief, houd u verders wel, zorgd doch wel voor u en voor het kleintje. O, dat het ons gespaard mag worden en wij ook aan de Verpligting die op ons nu als ouders legd, wel mogen beantwoorden en voldoen.

Dit zou een lange Brief zijn om te leezen voor een kraamvrouw, maar als ze aankomt, hoop ik is mijn Vrouwtje reeds weer aan de beeterhand, en dan geeft zij misschien wel onder het leezen aan onzen Sander de zoen, de hartelijke zoen die Vader hem door Moeder toezend, en die ik ingedachten met duizenden op Vrouwtjes lieve lippen druk. Vaarwel lieve, meld mij spoedig met één enkel woord dat gij hersteld zijt, dan vermeerdert gij oneyndig het Genoegen. Van Uwen getrouwen en liefhebbende Sandick.

In de marge op:

Pg. 1: De heer Brand, die mij een lief Vaars gezonden heeft, dat ik u afschrijven zal in een naadere Groet, en feliciteerd zuster Elsje met haar Neefje. Ik wou dat ik het haar eens op den Arm zag hebben! Ook veel groeten en dankzegging aan mevrouw van de Poel. Wij zijn hier alle welvarend.

Pg. 4: Nog een woordje aan de Baaker /: die ik groet :/ dat zij mij mijn Sander goed bezorgd! Daar heb ik juist geen verstand van maar dat moet wel in order geschieden! Ach had ik doch bij het kraamen kunnen tegenswoordig zijn, welk genoegen was dat voor ons beyden geweest. Zegd mij doch is hij dan volkoomen, geheel wel geschaapen? En zend mij aan een Draadje gaaren zijn grootte in Uw brief.


No 41. ontvangen den 21 Dec. 1800

In het camp of ... tot beleg der citadelle van Wurzburg, dinsdag den 9 December 1800

Nog altoos, mijn waardsten Henriëtte, bevinden wij ons hier met ons battaillon en al de bij ons zijnde Bataafschen Trouppes, geleegerd rondom de citadel van Wurzburg die wij beleegeren, en die altoos nog stand houd. De stad is, zoo als ik u reeds in mijnen voorgaande gemeld heb, bij capitulatie seedert den 30te November aan ons overgegaan, en door onzen Trouppes bezet, alwaar dan een bataillon om.. andere, ons .. ... voor drie of 4 dagen ingequartiert word, en bij de burgers aldaar gebilletteerd word voor die tijd, waarna zij weder in het camp koomen. Maar tot nu toe is de .. niet aan ons gekoomen, zoodat wij nu seedert onze komst voor deeze stad, naamenlijk seedert den 29 November en dus heeden den 10e dag en 9e nacht in het oopen veld hier liggen. Terwijl het intusschen reeds winter begint te worden. Toen ik u mijnen laatsten schreef was het weer reedelijk schoon weder geworden, maar seedert den 6e deezes, heeft het weer zoo sterk begonnen te sneeuwen, dat alles wijd en zijd om ons heen wit is,en het vriest nu ook s’ nachts al vrij sterk, dus moeten wij dag en nacht vór of in onzen hutjes vuur maaken, en daartoe zooveel hout aan doen voeren als maar te vinden is, en ook met ons zoo veel mogelijk te dekken tegen de koude zien te bewaaren. Jammer is het maar dat de nachten zoo lang zijn – want met den dag kan men zich nog al redden. Wij bekoomen hier vleesch, brood en aardappelen en het volk kookt in hun veld... thans veeltijds met gesmolten sneeuw omdat het water veraf moet gehaald worden ... op de hoogten gelegerd zijn. Ik doe menage met den majoor Van Berchuys, en Bartlo en wij laaten door onze oppassers beurt om beurt in het agter ons liggende Dorp Höchberg kooken en ons het middageeten, meestal in een soup met vleesch, groenten, kool of aardappelen daarin ... brengen, dat dan hier aan ons vuur opgewarmt, en met smaak gegeten word. S’morgens een warme melksoep met brood daarin, en s’avonds een stuk brood met vleesch en zoo doen de meeste bataillons want hier laat het zich behelpen. En altoos maar goeden moed hebben, en geeven. Ik wenschte wel dat gij hier eens een oogenblik waart om onze colonie te zien. Het is even ... als de afbeeldingen die men maakt van de Siberische of Kamschadaalschen ...Gij weet dat ik niet goed tegen de koude kan maar hier word ik het wel gewoon. Wat het gevaar betreft, dat is hier voor ons zoo veel als niets want onze positie is zoodanig dat wij vrij van het geschut der citadelle zijn, en geen koogel nog hauwitzer bij ons komt dus liggen wij in dat opzicht zeer zeeker en gedekt door de voor ons zijnde hoogten. In het eerste was onze artillerie nog niet geärriveerd maar nu is zij gekoomen, en de batterijen zijn tegen de citadelle aangelegd zoodat gister ogtend door onze en Fransche canonniers begonnen is met de vesting te beschieten en wij hoop hebben dat zij zich weldraa zal overgeven. De commandant is een oude Keizerlijke Generaal, D’ allLaglis genaamd. Een Italiaan van geboorte die zijn pligt doed maar alle hoop van secours is door hem afge... omdat de ... hier bij ons zijnde Keizerlijken ... Genre Augereau die met een gedeelte zijner Trouppes ... bij Bamberg geslaagen is, en wij daarenboven de officiële tijding ontvangen hebben dat de Genre Moreau den 3e deezes de Keizerlijke groote Armée volkomen geslagen en in déroute gebragt heeft met gevangen neeming van 8 a 10 duyzend man, eenige generaals en veel geschut hetwelk wij hoopen dat ons de vreede zal bezorgen eerder als de congressen. Ik schrijf u deezen in het hutje van onzen adjudant want gister is de mijne bij ongeluk terwijl ik naar het dorp was een visite bij den ... doen, afgebrand en nu word er weer een anderen voor mij gebouwd die deezen avond gereed zal zijn. Ik heb daar niet veel bij verloren want onzen bagage van het geheele battaillon is met den .. quartiermeester Van den Berg te Remlingen een dorp 4 uur van hier agtergebleven. En dus hebben wij weinig of niets bij ons, al wat wij op het lijf hebben. En een verschooning. En er is mij niets verbrand als mijn grijze ogtend jas waarin mijn oude muilen en mijn bonnet de Police. Uw laatste brieven had ik bij geluk in mijn zak bij mij zoodat die behouden zijn. En als ik te Wurzburg kom zal ik ligt weer een paar muilen en een ogtend jas kunnen laaten maaken die ik hier thans niet nodig heb. En dan is het weer als of er niets gepasseerd was. Ik ben altoos zeer gezond, en wel, en houd mij cras. Voor mijn S. Nicolaas heb ik op den 6 deezes uw lieve brieven No 27 & 27 van 18 en 22 November ontvangen zoo als ook uw 2 enveloppen ... met de ingeslootenen voor Wouters, Frederik en Van der Poel, hartelijk dank lieve vrouwtje voor al de Détails die gij mij geeft omtrent U zelfs de onzen, en onzen Alexander. Ik keuren ... goed wat mijn ... gedaan heeft. En gaat maar zoo voort. Van ... is dat stukjes ... met mevr Van der Poel. En het is ongelukkig dat men tegenwoordig zoo weinig goede dienstbooden vind. Laat ze maar ...gaan, en dan ziet u ... maar om naar een goede andere meid. Laat Alexander maar s nachts zuigen als ge er meede tevreede zijt. En als zijn vader weer bij u en hem is zal hij zig daar wel in schikken, was hij er maar opdekoop. ... O! welk eene zaligheid voor hem! De hemel geeve het spoediger als wij het vermoeden kunnen. Het is nog gelukkig dat er te Boswijk niet meer schaade met dien zwaaren storm geweest is . Santheuvel schrijft mij dat ons huys ...aan ’t dak veel aan de leyen geleeden heeft: daar heeft de storm zeer sterk gewoed. Met broer Piet is het een aardig geval met die schoorsteenen. En ongelukkig dat van Kankelaar. Ik geloof wel lieve vrouwtje dat gij zoo veel en dikwijls alleen thuys zijt, o dat smart mij, u geen gezelschap te kunnen houden maar ! onderwerpen wij ons aan Gods wil en hoopen wij op Zijne goedheid tot onzen weder vereniging! Wat verheug ik mij over uw herstelling en het welzijn van onzen Alexander. Spreek mij altoos veel van hem, en dat ik u en hem.. spoedig mooge weerzien! Groet alle de onzen. Zeg hun mijn bataillon nog in geen vuur en in geen... nog gevaar is geweest, dat nog geen officier van onze Armée gekwetst is dat wij alle wel zijn, en, ...omhels u en onzen zoon van al mijn hart: eeuwig uw Sandick

In de marge op pagina 1: Op den 5’ deezes bij een uitval die de bezetting der vesting deed, maar waaraan mijn batt. geen deel nam is het garnizoen toen weer terug geslaagen met verlies. En wij hebben een Keizerlijke Capt. en een officier krijgsgevangen gemaakt, wijders is er niets gepasseerd. Chaveau is wel, Boukeyt ook en vdPoel is geld haalen te Wertheim. Adieu lieve belle! Penijs

In de marge op pagina 2: Met ... moeten wij het maar op zijn beloop laaten. Hij zorgd bij ... wel voor ons en houd er de ... die al ... En bibliotheek hadden willen in bezit neemen. Als gij eens aan Santheuvel schrijft, zoo zeg hem dat zij bij hun oude voorige ... moeten blijven. En niet meer.

In de marge op pagina 3: Terwijl ik u schrijf speelt het kanon geduurig zoo uit als naar de vesting. Ik hoop dat zij zig .. zal overgeven, opdat wij wat tot rust koomen, en uit de sneeuw. Blijft maar adresseeren als van ouds...


No 45. ontvangen den 4 januari 1801

In het camp voor de citadelle van Wurzburg, Zondagmiddag, den 28te Dec 1800

Daar wij heden bij de ordres naaricht bekoomen hebben, dat er eene Veldpost bij de Armée alhier in werking is gebragt, waarmede wij des Sondags de Brieven vanhier naar den Haag zullen kunnen zenden, van waar zij naar de verscheidene verblijfplaatsen der Dépots der Bataillons zullen gezonden worden, en de Inwoners der republiek eveneens des Vrijdags uit den Haag hun Brieven naar de Armée zullen kunnen verzenden, zoo wil ik, liefste Henriette direct van deeze Post gebruyk maaken, en zend er u deeze meede, in de hoop dat zij u spoedig, en zeeker, en dat wel heeden oover agt dagen zal toekomen, want heeden moeten wij voor den Avond onze Brieven ten Closterzellen aan het Hoofdquartier van den generaal Dumonceau inzenden, morgen maandag den 29e vertrekken zij van daar, en vrijdag den 2e januarij moeten zij in den Haag arriveeren, dus kunnen die van Zwolle /: direct uit den Haag verzonden wordende :/ Zondag den 4e bij u te Zwolle zijn, zoo als ik hoop en wensch – Nu kunt gij bij vervolg ook altoos van deeze post gebruik maaken om aan mij te schrijven, want die courier of Postillon moet zich altoos direct aan ons Hoofdquartier begeeven, en dan risqueert men het omzwerven der Brieven niet. – Gij behoeft nu maar enkel uw adres aldus te maaken, aan den Lt. Col.: Van Sandick, Chef van het 3e Bataillon der 9de Brigade bij de Bataafsche Armée in Duitschland; Aftegeeven op de Veldpost in Den Haag. – En wilt gij, voor de eerste maal, tot meerdere Zeekerheid, uw Brief aan uw Broeder Piet addresseren met verzoek om hem direct op de Veldpost /: die hij zal weeten of bevragen kunnen :/ dan is het volkoomen zeeker. – En als gij dan met uw Dingsdags avonds of Woensdag morgens de Post van Zwol naar Den Haag schrijft, dan is het zeer wel moogelijk dat wij in veertien Dagen regulier antwoord op onze Brieven hebben. – Ik verheug mij dat deeze inrigting is gemaakt want nu behoeven wij u niet altijd de verblijfplaats van ons Hoofdquartier van Dumonceau optegeeven, dat dikwijls varieeren kan, zoals wij het nu zoo dikwijls ondervonden hebben, dat eer de Brieven volgens opgaaf overkwaamen, het Hoofdquartier reeds verlegd was. – Nu is het waar schijnen wij voor die Citadelle van Wurzburg voor eenigentijd gevestigd te zijn want de Commandant derzelven schijnt in ’t geheel niet gedisponeerd te zijn om ze overtegeeven, maar veel eer om ze zoolang te houden als ’t maar moogelijk is, en dat deed ons al nog hier blijven, en daardoor ook dateer ik altoos nog van uit het camp voor de Citadelle waar ik mijn residentie als nog in mijn Hutje houde, met den Major EnBartlo die met ons eet En drinkt, maar bij gebrek aan Plaats niet bij ons slaapt. – op dit oogenblik Echter, ben ik, dit schrijvende, niet in het Camp, in het Dorp Van Hochberg, Een quartiertje agter hetzelve geleegen, van waar ik u reeds meermalen geschreeven heb, En van waar ik u dit maal ook weer Schrijf uit de Kaamer Van Capt. Chaveau, die hier naast mij ook aan Zijn Vrouw Zit te Schrijven: – Hij heet het agrement van als Commandant Van dit Dorp hier Zijn kaamer en wooning te hebben, En behoeft dus niet bij En met ons in het Camp in onze Strooijen En naauwe Hutjes te woonen, maar men gewend Zich aan alles, En ik Verzeeker u heilig mijn besten, dat ik op mijn Stroo, En geheel gekleed, al Zeer goed kan Slaapen; En ik mij bij aanhoudendheid Zeer welvaarende bevinde. – Echter doet het Zeer Veel Plaisier als men Zich nu En dan Eens kan gaan Verschoonen, goed wassen, En Schuren En het Haar laaten opmaaken, Zooals ik nu daar ZooEeven heden, hier bij Chaveau, in Een goede warme Kaamer gedaan heb! – O! dat Verfrischt Zoo; – daarnaa gaa ik Zoo als ik gewoon ben, om den anderen Dag bij den Colonel Gelderman of Crass Eeten, En dat doed ook goed, hoewel ik het heel wel met mijn frugaal Diné, dat ons anders in ons Camp door onzen Oppassers uit het Dorp gekookt gebragd word, Zeer wel Kan Stellen. – Wij hebben nu Eenige Dagen Dooy weer gehad, waardoor wij magtig in den Drek En in de Kleij gezeeten hebben, maar deeze Nacht heeft het zich weer tot Sneeuw En Vorst gezet, dat Veel gezonder En aangenaamer is, ook hebben wij de Kortsten Dag En langsten Nacht nu reeds gehad, dat ook al weer genoegelijk is, En Eijndelijk blijft ons altoos nog de goede hoop op Vrede bijblijven, door de gestaadig Voortduurende Voordeelen der grooten Armée Van Moreau. – Mogten wij die tijding Eens voor Een NieuwJaars Present bekoomen! O! Welk een Zegen Voor de Menschheit! – God geeve het ons Eens! – dan zou men ten minsten Zich Verzeekerd kunnen houden, dat die geenen welke ons het dierbaarste Zijn, buiten Zoo Veel Zorgen voor ons Zouden kunnen wezen! En dat Er Eenige Stellige hoop op ons retour te vestigen was! – Welk Verschil Van het Voorleden NieuwJaar, met dit! – Toen wenschte ik het u EygenZelfs En nu moet ik het van ZooVerre doen! – Echter welk een Zegen dat ik het Zoo Volmaakt gezond kan doen, En ook Vertrouwen mag dat gij En onzen lieven Alexander het ook Zijn! – liefste, dierbaare Vrouw, de Heemel Zeegene u beyde Zoo volmaakt als het uw man u kan toewenschen! – En Vergunne ons doch Eene Spoedige VerEeniging, dat is de beste wensch die ik u En mij doen Kan! Zegd aan onze lieve ouders, Broeders En lieve Zuster Elsje alwat uw Hart uw bestens Voor hun ingeeft Van mynentwegen, En gedenkt mij ook in uw NieuwJaarswenschen aan uw Ooverijs Familie, En aan alle onze Zwolsche bekenden En Vrienden. – heugt het uw nog VoorledenJaar dien Avond toen wij de fransche SchoolDames bij ons hadden, En die Vapeurs voor den Dag kwamen toen de klok Sloeg en het musiek begon? – Sedert uw no. 30 van den 6e deezes heb ik geen meer Brieven Van U, maar no. 29 heb ik nog niet, dat waarschijnlijk met Serg. Defuur Koomen Zal: – ook hoop ik Er Eerstdaags weer van u mijn attestatiën te ontvangen. – Bartlo laat u Zeer bedanken voor het luchten Van Zijn goed. – onze Bagage is thans te Wurtzburg, in Bewaaring, met den Lt. Van den Berg. – Gister in den Vroegen ogtendstond is Er door het garnisoen van de Citadelle Een Uitval gedaan, maar wij hebben Ze Voor den middag weer terug En in hun Sloth gedreeven, met Veel Verlies. – ons grenadier Batt. En het 2de Van onze 9de Brig. Zijn het meeste in het Vuur geweest, En de Capt. Papet is doodgeschooten. – Van mijn Batt. is Enkeld 2 Detachementen met de Lt. Van Berchuys, Hillers, En Smit, met de wagten van de Lt. Stronok En Mus in de geleegentheid geweest om Eenige Schooten te doen, En niemand als Lt. Hillers is ligt aan het Been door Een Schapschoot, dat niet Veel te beduiden heeft, op de Scheen geblesseerd met 1 Corp., 1 Tamboer En 2 man. Ale onze Trouppes hebben Zich Dapper gehouden En Er Zijn Verscheidene Keyzerlijke Officieren Gevangen genoomen. – Ik ben met mijn Batt. In reserve gebleeven, dus heb ik geen gevaar geloopen. Nu is weer alles Stil En ik denk niet dat Zij het weer Zullen risqueeren. – Hebt met mij goeden moed, Vertrouwd op de Almagtigen Bescherming, En laat ons het beste blijven hoopen. Vaarwel lieve beste Vrouw, Kuscht onze Zoon hartelijk van weegens Zijn Vaader, En ontfangt Voor U Zelf de hartelijkste omarming Van uwen Sandick, die u Zoo Zeer bemind!

In de marge op pagina 3: Het Zal best Zijn uw Brieven voor de Veldpost, tot den Haag te franqueeren, naar ik denk ook dat deswegens wel Een Avertissement in uw Couranten Zal geplaatst geworden Zijn, Adieu très chère.


No 46. ontvangen den 11 januari 1801

Cantonnement te Höchberg, Dingsdag Avond den 30e December 1800

Allerbeste goede tijding mijn waarde Henriëtte! – Zoo op het oogenblik ontfangen wij de tijding van het Hoofdquartier Van den Lt. Gen. Dumonceau dat de wapenstilstand tusschen de Rhijn Armée En de Keyzerlijken door den gen. Moreau En Victor als gevolmagtigten der Fransche Republiek En den Aartshertog Karel als gevolmagtigte Van den Keizer geteekent is, En dat dien ten gevolges, alle Vijandelijkheeden daadelijk Zullen ophouden, maat tog reeds direct de Oordres aan alle de Corpsen van onze Bataafsche Divisies gegeeven Zijn: Zoo als er ook Communicaties Van gegeeven is aan den Keizerlijken Commandant der Vesting van Wurtzburg D’Allagles, Intusschen gaat reeds nog deezen Avond het Hoofdquartier van den gen. Dumonceau Van Closterzell naar Wurtzburg En daarop Zal waarschijnlijk aan onze Trouppes die rondom de Citadelle liggen, gemakkelijkere En betere Verblijfplaatsen in Cantonnementen in de Naabuurige Dorpen bezorgd worden. – Er is niet te twijfelen of deeze waapenstilstand Zal Spoedig door de Vreede agtervolgd worden, want anders had men daarin niet toegestemd, En dit Verleevendigd Zich de aangenaame hoop Van onze aanstaande terugkomst! – God Zij dank dat het Zoo Verre is! – Gij Kunt u ons genoegen En tevreedenheid niet Voorstellen, want het Verblijf hieromstreeks wierd door het fataal ingevallene Dooi En reegen weder aller Elendigst. – gestaadige Reegen die nu Seedert 24 uuren onophoudelijk Voortduurt maakt de grond in de Kleylanden waar onze hutten Staan, Zoo doorweekt, dat men Er tot bijnaa aan de Knien inzinkt, bijna geen Vuur meer aan kan houden, En het waater in alle de hutten Staat; – maar ik met mijn Bat. ben weer gelukkig Jantje Van Schevelingen, want Sedert gisterogtend ben ik, Van den Berg waar wij met ons Camp stonden door het 3de Bat. der 6e ½ Brigade Van Carteret afgelost, En ben in Cantonnement in het Dorp alhier ingerukt, waar mijn Volk in Een groot huis dat Verlaaten was, ingequartierd En de officiers in andere huizen ingebilleteerd is, om weer Eenige dagen ten minsten onderdak En niet onder den Vrijen heemel te logeeren. – Ik ben met den Major Van Berchuys En Bartlo in Een goed quartier gebilleteerd, bij Een Jood, die de wijk naar Wurtzburg genoomen, maar Zijn meiden en knegts hier gelaaten heeft, En waar wij Zeer wel Zijn, wij hebben 2 Kaamertjes die wel gemeubileerd Zijn, ijder Een goed Bed, En Bartlo Een op de grond. – wij meenden voorleden Nacht reeds goed daarop uit te Slaapen, maar gister Avond naa het Soupé kwam er weer rapport Van Een waarschijnlijken Vijandelijken Aanval langs dan Main Kant, En dus moesten wij weer den halven Nacht Alert Zijn; En het Slaapen wierd ons tot diep in den Nacht belet: – het was Echter Zonder Eenig gevolg, En alleen Een loos Alarm, Zoodat ik doch nog Een goed Slaapje deed, En heeden weer geheel uitgerust was. – het Zoo aangenaam Van Zich weder Eens Vrij in Een Kaamer te Kunnen Vertreeden want in de hut is men Zoo gegeneert En altoos gebukt, En gedrongen dat men Er bijna krom Van Zou worden. – Nu komt deeze goede tijding er bij, En dus Zijn wij uitermaten Vergenoegd! Ik haaste mij dan ook om Ze u, mijn beste, meede te deelen, want al had gij Ze Van te Vooren, En Eerder als de Aankomst van deeze door de Couranten of door Particuliere tijding ontfangen, dan Zal de Bestiging daarvan, u door mij Zelf meede gedeeld , u nog altoos meer gerustheid En tevreedenheid geeven! – morgen ogtend den 31e gaat deze op de Post te Wurtzburg, waar onze Tambr. Major onze Brieven heenbrengd, En gij kunt Vrij uit deezen heuchelijke tijding aan onze waarde ouders En alle Dames van ons Bat. wier mans, misschien nog niet mogten geschreeven hebben, meededelen, als


No 50 (ontvangen) Zwolle den 25 januari 1801

Dettelbach, den 17e vervolgd en verzonden Zondag den 18e januari 1801

Reeds een 50-tal brieven aan U, mijn waarde Henriette, geschreven! Wie had dat gedacht, dat wij Zoo lang van elkander verwijderd gebleven zouden zijn! O kwam doch eens die blijde tijding van onze terugkomst en van onzen afmarsch! – dan was ons Verlangen vervuld! – Nu dat wij weer in Ruste zijn gaan de gedachten weer oneijndig sterker naar ’t Vaderland heen als toen wij steeds in Beweging, in Angstbezigheden, wisten dat er eene onmogelijkheid van retour was! Dagelijks wagten wij nu naar Eene Afkondiging der geteekende Preleminairen van Vrede en ook nimmer, blijkt het uit alle de omstandigheden, dat het Zoo nabij is geweest als teegenswoordig. Dus al goeden moed, en al nog een weinig geduld. Dag en Nacht wensch ik mij bij U ..... En ik heb al nog goede hoop om in dit Voorjaar weer bij U te zijn! – Deze week was het geen goede week voor mij, want ik had geen Tijding van Vrouwtje. – geen Brief meer van Haar, sedert haar no. 36 van den 27e December van voorleeden jaar, van voorleeden Eeuw, die ik daar nog voor mij heb liggen! En waar de jonge Burger Alexander met Zijn lieve moeder mede overgekomen is. Nu, daar kwam juyst op Een en Dezelfde tijd zoveel goeds en aangenaams, dat men wel weer eens een weinig geduld kan hebben maar – van iemand die men liefheeft kan men niet genoeg horen en ontfangen. En ik wenschte wel te weeten hoe het met Uw Zog is, of het niet weer wat toegenoomen heeft, naa de goede tijdingen van Waapenstilstand, van ophouden van Vijandelijkheden en gevaar en van aanstaande Vrede! – O dat hoop zo met geheel mijn Hart! Moeder plagt mij altoos te schrijven als ik haar zoo iets goeds had gemeld: .. du Baume dans mon Sang! – maar dit zal het ook voor u geweest zijn, zooals ik vertrouw: – als die Brief met de melding daarvan maar schielijk overgekomen is, om uwe soort ongerustheid en bekommering te doen Eyndigen! Of dat de Couranten of andere particuliere tijdingen het spoedig te Zwolle hebben doen weten! – Bijna kan ik er nu al Antwoord van u op hebben, maar het is mijn Eygen Schuld dat ik U eerst verkeerd de Dag van het Vertrek der Veldpost uit den Haag heb opgegeven, want daardoor zal ik uwe Brieven, echter onwetend, waarschijnlijk vertraagd hebben. Morgen echter of Maandag met de aankomende VeldPost verwagt ik er voorzeeker van U. Wij zijn nog altoos hier in onze zelfde Cantonnementen en ik voor mij heb het deze week zeer druk gehad. Want heden met de Post vertrekken er Elf Brieven Van mij aan mijn differente Correspondenten, zijnde voornamelijk naar Surinamen, wegens eene aldaar tedoene Verandering van Administratief lieden, die geen uitstel meer kon lijden, alzoo Rocheteau, een hunner aldaar Zeer ziekelijk is; zoals Hudig het mij meld en er bijtijds raad moet geschaft worden. Ik heb daarover Procuratie alhier voor ’t Gerecht moeten papieren dit moest en kon niet anders als in ’t Hoogduitsch geschieden, en nu moet het te Rotterdam weer in ’t Nederduitsch overgezet worden door Een gezworen Translateur, ziet eens wat een moeiten, buiten de Kosten: dus ook al weer een uitwerksel van mijn gedwongen Verblijf alhier! – dat moet ik ook eerst stellen want wat weten die Luyden hier van diergelijke acsent, en Modellen heb ik niet, dus moet ik het zoo maar uit mijn hoofd halen, en gelukkig dat ik er nog Zoo de Stijl van in mijn memores heb! – Brieven uit de Colonie hebben wij ook ontfangen: het is alles wel, maar het manqueert er aan Scheepen om de Producten naar Europa over te brengen. Echter is er 20 Duyzend coffy van Monbijoux voor ons afgezonden, en ik verwagt eerstdaags de tijding van de goede Aankomst daarvan in London, dan zal de jaarlijksche Betaaling voor ons ook volgens, maar dan komt het gekibbel met Santheuvel, om te weten wat wij, en hij ervan zullen hebben. Konden wij maar eens vertrouwd weer over diergelijke Zaken praaten! – Dat van Steeneman heb ik per Wissel naar Amsterdam bij Willem overgemaakt en laatstgenoemde verzogd een gelast om mij weer wat aan te koopen, daar ik hoop een goed speculatie mede te doen. Van meer overige restantjes heb ik ook informaties ingevraagd, om ... met Voordeelen te beleggen en hoewel Ver af, Zoo zoek ik, Zooveel ik kan, ons Voordeel te betragten, maar dat alles geeft mij ook veel te doen, en als Een ander Zich gaat amuseren, Zit ik thuys te Schrijven, want, Ziet, als men een Kind heeft, moet men op de Kleintjes passen: vooral als men, zoals mijn geval is, er nog meer hoopt te krijgen. – Hoor je wel Vrouwtje?? Ik meen op het Laatste – want Zuinig zijn, dat behoef ik U niet te recommenderen, als Gij U maar Zelfs niet teveel behelpt, zoals van Zonder Meid te willen blijven; – dat hoop ik dat gij nu geheel uit uw gedachten gesteld hebt, en dat gij er veeleer een goede Zult Zoeken te bekomen: – neen Beste Vrouwtje, gij moet geen Slavin zijn, maar U goed laaten bedienen; – Zegd mij doch ook of gij geen Kleed noodig hebt van halve rouw of Zijde of Zooiets, dan maak ik het te doen, en Zegd mij maar wat het kost, of betaald heb, en Zegd mij als gij geld noodig hebt, ik zal het u, zonder de minste moeite direct bezorgen, want ik kan er oover disponeeren.

Zijn Uw 300 gld al op, van die laatste wissel van Vernhout, me dunkt dat moet ten Eynde zijn. – O! beste Jetje, wat wilde ik u gaarne alle die moeite van dat finantieele Spaaren, maar hoe kan ik tegen die Ballingschap van mij, die Zich Zoo verlengd. – Á propos van rouw, zegd mij eens word het nu niet tijd voor U om niet meer op Papier met Zwarte randen te schrijven, en enkel Zwart op Snee te gebruiken? – Op den 26e December is het half jaar van Moeders rouw om geweest, geeft dat niet een Verligting daaromtrent? – Ik weet het niet en laat het aan U oover volgens gewoontes van Familie of Stad. – Gij weet dat ik er mij in het geheel niet aan heb kunnen nog kan binden, omdat ik ’t Papier moet neemen zooals ik het krijgen kan, en bij voorbeeld nu teegenswoordig, vrij Slegt. – Van Nieuwjaaren heb ik U ook vergeeten te spreeken, maar ik vertrouw voor zeker dat gij die volgens Uw gewoonte of beste weeten uitbetaald zult hebben en misschien zult gij echter nog wel omtrent het militaire in Verlegenheid geweest zijn, indien de Brievendraager of Tambour die dat waarneemt, of Joseph of Zoo iemand bij u geweest is. Excuus dat had ik U vooraf moeten Zeggen, maar als ik u schrijf, is de Brief altoos Zoo gauw vol dat er wel eens wat Vergeeten word, en dan is (....), zooals nu hiermede, de tijd voorbij: nu dat zal zich doch ook wel gered hebben. Toen Joseph nog bij mij was gaf ik hem een 3 gulden Nieuwjaar, en nu heb ik aan Frederik en Wouters Een Kroon, zijnde 56 Stuyvers Hollands voor hun beyden gegeeven. – Hoor eens, lieve, ik heb ook reeds een Paar lieve goude oorringen voor Elsje gekogt, in de Smaak als de Uwen maar iets minder fijn gewerkt bij occasie van een Koopman met galanterie waaren die hier doorkwam met zoo een draagkraam van Francfort, gij Zult er best over oordeelen.

Nu Bonsoir, bonsoir, ma Chère, que tu sois près de moi. Quand le destin Prospere, me rendra t’il á toi, Daar heb je een klein papieren plaatje.

Zondagogtend 18 Januarij, om 7 uur; – daar ben ik alweer aan mijn Schrijftafeltje, lieve Henriette, en Zeg u goeden morgen. – tegen de middag brengd de Tambour Majoor deze, met de Elf andere Brieven van heden, zonder de daarbij geschreevene Stukken te reekenen, naar de VeldPost bij Wurzburg, en komt morgen met de Ontfangene weer terug. – Heden zult Gij, belle, in de kerk gaan. En ik kan het niet doen, want hier in het Wurzburgsche is alles roomsch, en hoewel ik de Kerk vlak teegen mij over heb, zoo dat ik het preken duidelijk hooren kan, kan ik er geen gebruik van maaken. – Ik las in een uwer Voorige met veel genoegen dat gij ten H: Nachtmaal was geweest, en dat met Zooveel Aandoening! Ik geloof het gaarne. Eveneens zoude het mij gaan als ik er gelegenheid toe had! – Ach wanneer zullen wij weer eens te Saamen en met Eén Hart onze pligtpleeging aan ‘t Opperweezen bewijzen? En ter Tafel des Heeren gaan? – O spoedig hoop ik! En dan, welke Stof van danken zullen wij dan niet hebben, – daar wij nu reeds temidden in Zijn Kastijding: want zeeker is onze langdurende en verre Scheiding er Eene voor ons: nogtans zooveel goeds en weldaaden genieten! Mischien zult gij wel denken, liefste Vrouw, dat ik mijn godsdienstige Pligten verzuim, – Neen! – Bidden kan men altoos en overal maar leezen, dat is dikwijls, temidden in het tumult der waapenen, en vooral als men zijn Bagage niet bij Zich heeft of op Marsch is, niet moogelijk. – Maar nu ik ter ruste ben, kan ik het Eevenals te Cronenburg weer doen: – dan denk ik, nu doet mijn Vrouwtje hetzelfde als ik: – thans ben ik aan 1 Samuel.. Jacobus 5: en de Psalmen uitgelezen, dus aan de gerijmde 10 Geboden. Waar zijt gij nu aan? – gij weet dat ik de roode Fransche Bijbel van moeder, heb meedegenoomen van Maastricht en die bewaar ik trouw. – ik leef hier heel Stil, en buiten de Parade en Appellen altoos thuys in Bezigheid. – Het weer is thans zeer Zagh, bijna geen koude. Een eergister heb ik ’s namiddags geëxerceerd met de te hierzijnde Compagnien – op den berg voor de Citadelle was het wat kouder.

Tante van Hogendorp heeft mij een Vriendelijke Nieuwjaaarsbrief geschreeven, en gezegd, Zij schreef u ook, dus hebt gij weer een Brief van haar gekreegen! – Ik antwoord haar ook heden, aan Willem heb ik gemeld dat hij in Geld of Papier f 670 van u zou ontfangen. – Die Tante is wat nieuwsgierig, zelfs tot Militaire Zaaken die haar niet aangaan: Nu ik zeg haar niet meer als ze weten moet. Met ongeduld wacht ik de Eerste Brief van Vrouwtje, in de hoop dat Zij nu wat getrooster en beter zal zijn.

Uw getrouwen Man omhelst u teeder. En ook Alexander.

In de marge op:

Pg. 1: In het begin van deze week heb ik het genoegen gehad 2 oude vrienden hier door te zien trekken die er beyde ook wel afgekomen zijn. Eene is Lt. Col. Witte van het 1e Batt. Jaagers, en de andere ...Heilman, weet gij wel, die met verlof in Apeldoorn was verleeden jaar toen het zoo waaijde boven ... Zij kwaamen met verlof van Augereau en gingen met genoegen weer naar onze Eijgen Bataafsche Divisie van Dumonceau

Pg. 2: Hillers zit nog altoos te Wurzburg met zijn been in ’t kussen, maar zoo ik verneem mindert de Pijn. Echter kan hij er nog niet op gaan. – De jonge Eijmaal zijn wonde is ook nog niet geheel toe ... anders zijn wij wel. – Ontfangh de groeten van all onzen officieren. Uw Banque de Polie wordt algemeen geadmireerd.

Pg. 3: Ik geloof dat ik tot dus verre vergeeten heb u te bedanken voor en in naam van Bartlo voor het luchten van zijn goed. – thans is hij apart gelogeerd zooals yder van ons is. – dus eet ik nu ook s‘middags en s’ avonds alleen. Zooals vrouwtje konden wij onze 2 couverts weer teegen over malkander geplaatst zien; dat was lief, niet?

Pg. 4: Hier in ditzelfde logement waar ik nu logeer heeft gedurende de voorige Waapenstilstand en tot Ende November onze Neef Van Hohenlohe zoon van Tante van Wolvega, die in rijksdienst Capiteyn is, ook gelogeert. Nu zijn zij agter Nurenberg bij het Corps van generaal Simbleven. Ik meende wel dat hij hier om ... was. En dagt ... op de citadel maar daar was hij niet. Hartelijke groeten aan waarde ouders, zuster en ...


No. 51 ontvangen den 1. februari 1801

Cantonnement te Dettelbach, begonnen Vrijdag en Voleijnd Zondag 25 Januari 1801.

Ik had mij dan in mijn voorige No. 50 niet vergist, mijn beste Henriette, toen ik zei dat ik dien dag of de volgende Brief of Brieven van U ontfangen zou: en hoe zou ik mij ook omtrent hetgeene mijne Henriette betreft vergissen kunnen? Want dienzelfde Middag reeds, Zondag den 18e deezes naadat de Tambour Major naar Wurzburg vertrokken was, ontving ik van het Hoofdquartier met retour van mijn rapports Boodes, Uw brief No. 35 van den 1e van dit Jaar – en den Dag daarna, maandag den 19e met de Veldpost uw No. 36 van den 6e, en daarbij in het Paquet van den Quartiermeester Eymail Uw No. 37 van den 10e. – de eerstgen was nog te Höchth geadresseerd, en was vandaar retour gekoomen, dus zoo veel langer onderweg gebleven, maar de andere met de Veldpost ziet ge dan, evenals de onze naar U toe, in Agt dagen overkoomen, dus hebben wij reeden om daarmeede genoegen te neemen, en kunnen – zoolang het nog noodig zal zijn – daarvan blijven gebruik maken, zoo als ik doen zal en er U ook toe raade, omdat het secuur is!

O hoe rijk en vergenoegd maakten mij die drie Brieven, bijna tegelijk, van mijn Jette Psa! Nu voort daarop achtereen geantwoord: dank lieve Waardste Vrouw voor Uw hartelijke Nieuwjaarsfelicitaties; Gij deed dan ook zoals ik, en schreef aan Uw Echtgenoot op dezen Eersten dag des Jaars en der Eeuw, en wij beyden schreeven en dachten eenstemmig dat onze weedervereeniging het wenschelijkste en aangenaamste zou zijn! O dat onze Wenschen en Beden spoedig verhoord mogen worden! Ik meer in de Eenzaamheid (tenminste wat Familie en Vrienden betreft) en meer mijn Eigen Meester, kon meer en langer aan U dien Dag schrijven als Gij aan mij, echter bepaalde het zich doch ook maar tot den morgen, want het overige van den Dag .... Wij tesaamen onder ons officiers der Brigade van Enby Gelderman, en zooals het veeltijds op zulke Partijtjes gaat, kwam er nog dispuut tussen 2 van ’t Gezelschap, waar ik nog tusschen beijde moest komen, en dat mij onaangenaamheid gaf – ’t is te lang en te weinig interessant om het te schrijven, en dus dat overgeslaagen.

Gij ziet uit mijn Brief van dien Dag dat ik ook nog wel om de voorige oudejaarsavond gedachten had! O zoo daagelijks herinner ik mij die Verjaaringen, waarvan er Veele Zoo belangrijk voor Uw Sandick zijn, als gij er meede in begrepen zijn, of het U aangaat. Deze oudejaarsavond heb ik zo stil mogelijk doorgebragd, want naa met de Majoors Van Berchuys en Bartlo op onze kamer gesoupeerd te hebben, zijn wij, ik geloof om of voor 10 uur naar Bed gegaan, en om 12 uur werd ik door ons Musiek wakker gemaakt. – Nu weer aan Uw Brief! – Die eerste Uitgang van onzen Alexander aan Papaa’s Huis, deed mij zeer veel Plaisier, – dat is reeds beleefd, en heet Zijn Waarde kennen van Zoo op Nieuwjaarsdag zijn eerste Uitgang en Visite in Zijn Leven, aan zijn grootouders te doen! – Dit hebt gij, Vrouwtje, zeer wel en aardig overlegd, en de Surprise zeer wel gemenageerd. – Pas op, dat daar Gij Zoo voor de Surprises zijt, ik, om niet en reste met U te blijven er u ook eens eene kom doen met U iemand te vertoonen, die gij gaarne Ziet.

Nu dat was dan wel een ongelukkige Nieuwjaarsdag bij U te Zwolle. De goudvink overleeden; – De Arme Vrouw van Stegeren een Val gedaan; – Vrouwtjes rouwwaaier verloren. – Haar gouden oorring Verlooren, en vertrapt, Zus Elsje haar kleed verbrand en de 2 meiden op Hol! – welk een opeenstapeling van onaangenaame gebeurtenissen! Echter zoo erg niet of het is wel te overkomen, vooral wijl Vrouw van Stegeren volgens uw laatsten weer beeterd: zegd haar dat ik veel deel in haar ongeluk neem, en haar spoedig herstel wensch. En de overige Zaaken zijn ook te herstellen, want ik hoop dat de Zilversmit uw oorring weer zal kunnen terechtbrengen, hoewel het zooals gij weet moeijelijk is, om dat Draadwerk of filagramme: maar er zijn er nog meer in de weereld! Zooals ook kleeren, en Waaijers, hoewel dat ik meen, deeze laatste kwam nog van Moeder. Het ergste is de Goudvink, want dat is weezenlijk een gemis voor Papa en ik condoliere hem van harten daarover. Er was zekerlijk niets minder als de onverwagte komst van onzen Alexander noodig om de gezichten, door Zoo veel rampen onklaar geraakt, weder in de Plooy te brengen. Jaa ik had er bij moeten wezen, om van de vreugde over zijn komst getuige te zijn. – En dat Blauwe Tulbandje met Sabel, daar had ik Sultan Alexander wel eens mee willen zien, Ik dank er mevrouw Chaveau over: ä propos kapitein Chaveau is thans seedert omtrent 8 dagen te Escherndorff in Zijn Cantonnement wat onpasselijk aan een Rumatique koorts, dat eevenwel niet veel te beduiden heeft, de Doctor Haberlyt gaat hem nu en dan bezoeken, en het is al wat aan de beetere hand; maar als hij daar zelf niets van aan zijn Vrouw schrijft, zoo spreekt er Haar ook niet van om ze niet ongerust te maaken. Ik maak er enkeld en alleen ook maar melding van opdat gij mij niet zeggen zoud, zooals van Van de Poel dat ik er niets van schrijf, echter was dat ook zoomaar een Zinking of rumatique Koorts, niet veel te beduiden had, en daarom heb ik er niet van gesproken. Die beyde Burgers, eeven zooals Oudendijk hebben op Verre naa zoo lang niet op den Berg gebivouacqueert als ik en echter zijn zij ziek geworden en ik niet. Ziet dus eens welk een taay Kaareltje van een Ventje gij tot Uw Man hebt, en welk een Zeegen van God dat ik zulk een goede gezondheid heb ‘t welk ik niet genoeg kan erkennen, want waarlijk, buiten een Hoofdverkouwendheid die schielijk los was en zich alleen tot veel snuiten – met Permissie – bepaalde heeft mij tot nu toe niets hoegenaamd gemanqueerd, en ik ben springleevendig, was ik maar bij mijn Jette Psa om er haar van te overtuigen, want ik merk dat Gij daar nog altoos ongerust over zijt. Uw gezondene Leere Borstlap draag ik en heb nu de andere weer laaten wassen, die ik tot daartoe gedraagen had, en ik verzeeker u dat ik ze niet zal aflaaten.

Het is mij zeer aangenaam dat broer Piet ook een Zoon heeft bekomen, en bij occasie verzoek ik U hem en Haar hartelijk van mijnent wegen te feliciteeren. – Als Papa of iemand onzer schrijft: ik heb hun kort voor Nieuwjaar, door de Hr Brand die ik te Wurzburg rencontreerde laaten groeten, en laaten zeggen: want het was toen reeds stilstand van Waapenen, dat ik er wel afgekoomen was.

Gij hebt mij groot Plaisier gedaan, Vrouwtje van U de Saabel om den Hals te koopen, ik neem er het grootste Genoegen meede, en f 20 is niet te veel als Zij maar goed is. Gij ziet in mijn laatste Brief, dat mijne Verlangen was om U een Kleed of iets dat gij mogt noodig hebben, aan te koopen, nu ben ik blijde dat gij die Saabel gekogt hebt: maar niettemin blijft mijn gezegde in Zijn waarde, en als gij een Kleed, halve rouw of iets diergelijks mogt noodig hebben, zoo schaft het u maar aan, zonder ’t minste schroomen.

Ik bedank u voor uw accuratesse met de opgaaf van ‘t geen wij van Heineman moeten hebben, telkens te herhaalen, tot gij er berigt van mij omtrent kreeg. Ik heb u gezegd dat ik er reeds over gedisponeerd heb, en die zaak dus afgedaan is.

Ik gevoel levendig die Angsten die gij, lieve. Voor ons hebt uitgestaan, Ach dat ze maar geen naadeelige gevolgen voor U, Uw Zog, of de kleine Jongen hebben moogen, of gehad hebben! Wie kon dan, zulke ongegronde gerugten, zoo vals verzonnen als kwaadaardig verspreid, ten opzigte van mij of van anderen uitvinden of vertellen? En hoe kwaamt Gij eragter? Zeekerlijk uit Nijd of haat, of genoegen in andermans Leed! – dit was ook altoos onze meesten Angst; en ons herhaalde Wensch, ten minsten de mijne die ik zoo dikwijls naa uitgestaan gevaar of ongemak, of wel temidden in hetzelve zitten, was: ach wist mijn Vrouw maar hoe wel het met mij is, hoe wel ik er afgekomen ben of hoeveel minder ik lijde, als zij denken kan!

Het sterk gelijkenen van een jonggebooren Kind, naar een mensch van meer Jaaren, heeft mij altoos een weinig suspect voorgekoomen, maar nu gij mij zegd dat Alexander misschien nog wel bruine oogen zal krijgen, en dat Serrurier die gelijkenis ook gevonden heeft zonder dat hij kon weeten U daarmeede Plaisier te doen, zoude ik het wel beginnen te gelooven: hierin moet hij mij echter niet in gelijkenis of naavolgen, dat wanneer hij met eene Vrouw getrouwd zal zijn die hij zoo zeer acht en bemind als zijn vader zijne Henriette, dat hij zich in t geval steld om groote 6 maanden van haar afwezig te blijven, want dat valt al te hard voor beyden en wij doen er helaas de droevige ondervinding van! – Nu’, nog maar goeden moed; het loopt nu doch op het laatste want nu is dan doch de Vreede naabij!

Zoo is u dan voorzegd, Vrouwtje, dat gij weer een Zoon zoud krijgen, wel, wie is die waarzegster of waarzegger? Ik geloof ik raade het; was het er maar weer eens aan toe!! Want alleen zult gij hem doch niet krijgen; – en, dan Patientie als het er weer een is! Maar hoor eens, als het waarzeggen wat afdoed, dan zullen er onder 12 die er moeten koomen, doch ook wel een meisje of wat zijn, daar wij dan Moeders naam en naamen kunnen aangeeven, en dan raaken wij op het laatst nog Verleegen om Naamen te vinden; – maar ik kan niet zooals Papa mijn Toevlugh tot Boijle’s Dictionaire neemen om er daar een tot Naam Piet uit de Familie op te zoeken, zooals het met Everhard gegaan is. – Nu dan, komt tijd, komt raad. Ik heb nog Ergens zoo een oud geslagh Register, daar halen wij er dan wel een uit. Maar geen 3 tegelijk zooals vrouw Wouters! Dat zuster Elsje, terwijl gij aan mij schreeft, met Alexander op den Arm door de Kaamer huppelde, en zij dus veel van den kleinen Knaap houd, is mij zeer lief, en is recht zusterlijk van haar gedaan; en dat er dan daarbij zoo wel eens een gedachte in haar opkwam, had ik er ook eens zoo eenen van mijzelf van een man die ik zoo lief had als Jette de haare, ziet dat zou mij ook niet heel vreemd voorkomen. Maar! Dit onder ons en dat zegd gij haar niet weer maar groet ze vriendelijk van mijnenswegen.

Ik geloof wel dat de Postdagen U van Aanbelang zijn; nu er vaste dagen zijn, word hetzelfde Verlangen bij ons gebooren, maar eer de Veldpost in werking was, toen was het onzeker en wisselvallig – mij dunkt ik zie u met u met u Vieren de Bel afwagten als gij weet de Post aan is. Ik groet de Dames gezaamenlijk. Ik zie gaarne dat gij met mevrouw Pfenninger kennis hebt gemaakt. Mij dunkt het is een zachte lieve Vrouw, haar man is nu zoo veel ik weet te Kitzingen 2 Uuren van hier Zuijdwaarts, ook aan den Main. Jetty Chaveau moet niet teveel op Alexander verlieven. Die arme Staal en de Verdere Lieden die gij mij opnoemd koomen er wel ongelukkig af met die hr. Pabst: foey dat is een Zeer Slegh Stukje, zoowel ten opzigte van de Schuldenaars als van Vrouw en Kinderen. – wat moet zoo een man zichzelf tot last zijn! – Uit uw No. 37 van den 10de zie ik dat de Waapenstilstand U toen moet bekend geweest zijn: – maar weet niet of u mijn No. 46 van den 30e met de aanzegging daarvan van onzentwegen op de ordre van de Armée afgekondigd, reeds toegekomen was? – Ik dank u Vrouwtje dat gij mij ook met de ovatie van Eymail een extratje geschreven hebt. – Gij kunt vrij zeggen aan diegenen die U daarmede plaagen dat wij hier dagelijks met de mooije Wurzburger meisjes zouden dansen, dat er niets van aan is. – Ik heb op geen ander Bal geweest als daar ik u van geschreeven heb te Wurzheim in Voorleeden November, en daar heb ik niet, in het geheel niet gedanst, maar ben enkel Spectateur geweest, en tussenbeyde met den Franschen Commandant gaan soupeeren. Dat er mooye Vrouwen of Dames zijn te Wurzburg en zij zich wel kleeden, zooals Van der Poel en Chaveau schrijven, is waar; Chaveau had het mij ook gezegd dat hij het aan zijn Vrouw geschreeven had; waarschijnlijk omdat hij weet dat zij van Opschik en Ik heb er U niets van gemeld, omdat geen van beyde deeze reedenen voor mij existeren, en het mij ook niet gefrappeerd heeft, alzoo ik die Kleeding ook al meer gezien had. – de Incroyabele Dametjes zijn al eeven zoo gekkelijk opgetooid als bij ons, en als gij ze te Maastricht wel gezien hebt: dit hebben wij in al de Duitschen Steeden, waar franschen geweest zijn, aangetroffen. – Buijkjes, Krulkopjes, Breede Shawls, en bijna geen rokken aan, maar ’t lugtig Kleedje acth Schijnt over ’t hemd. Nu draagt men echter te Wurzburg ook algemeen iets, dat ik daartegen weer zeer approbeer, zijnde een gekleurde Zijden Mantel, die met mouwen gemaakt is en van binnen gewatteerd, en die de Dames zoo oover alles heen doen om uit te gaan of meede te gaan wandelen: in de winter is het excellent, het gaat bijna tot op de grond, en diende evenals voor ons een Schanslooper of ruime jas, en kleed goed: maar bij ons is het niet in ’t Gebruik en men zou het wonderlijk vinden. – Andere moogen, wijders, aan hun Vrouwen, oover meer vreemde Zaaken schrijven; ik lieve Henriette ben verzekerd dat niemand zijn Vrouw meer van wat hem zelfs betreft geschreeven heeft, als ik aan U, en dat is, geloof ik, wel het interessantste voor Vrouwtje: gij hebt immers een volleedig journaal van mij, in mijne Brieven, en hebt mij als op den Stap kunnen volgen overal waar ik geweest ben – hier is mijne leevenswijs weer zeer eenvormig. De Dagen beginnen nu al te lengen; – 1/4 voor 7 uur staa ik dagelijks op, Expedier mijn rapport aan den Colonel Crafs. – Scheer, kleed, kap mij en drink mijn 3 kopjes coffij met een Broodje daarin gesopt: want Boter is hier weinig, en slegh, als zijnde dit een wijnland: dan rapporten ontfangen of Schrijven of milite Zaaken. Om elf uur gewaapend Appel en Parade: daarna coffijhuis in een der Kaamers van mijn wooning, waar de officieren bij malkaar komen en men een Pijp rookt. Om 1/2 1 of een uur Eeten: ik alleen Vis á Vis de mes graces (???). Namiddag weer Schrijven of te Paard rijden als ‘t goed weer is, om 4 uur weer appel, en altemets bij mij of bij een ander Thee drinken, de majoor v.d. Poel, de Doctor en Ik, maar meest weer thuijs en de geheel Avond bij mij op de Kaamer alleen te schrijven. En om 1/2 8 soupeeren, want men Eet hier in ’t Stadje algemeen zeer Vroeg, ’s middags om Elf en ’s avonds om 6 uur dat is de gewoonte onder de Burgers: dan, om 9 uur 1/2 10 of uiterlijk 10 uur gaa ik te Bed. Mijn huislieden, Zyn, de Hospes dat een knap jong man is die te Wurzburg als jurist gestudeerd had, en hier met de weduwe van de Voorige Kasteleijn getrouwd is. Zij is wat ouder als hij, en dan is er nog een lief Nigtje bij hun in huis, buiten de meid, knegh, en een kleine jonge van een jaar of 4 die mij dikwijls Visite in mijn Kaamer komt geeven, en een aardig Snaakje is: dan denk ik: zag ik onzen Alexander ook al zoo eens herom loopen! Nu daartoe is goede hoop als hij, zooals gij Zegd, zoo stevig en recht is. Mijn Kaamertje is klein, maar warm en met 3 kleine Vensthers op Straat uitziende. Goed Bed, maar, zooals hier ooveral, met een zwaar dekbed, en zonder gardijnen.

Nu nog Antwoord op Uw Vraag, wanneer wij weêr koomen, en op Uw Project van Reijs herwaarts! – dat zijn twee gewigtige Zaaken; en die wel reflecties verdienen. Wij zien de Vreede voor zoo goed als geslooten aan; ten minsten alles duid aan, dat het nu niet manqueren kan; en dan moet Duitschland door Fransozen en Bataaven geruimd worden: dus, dan koomen wij naar huis; en daar dit, volgens alle Voorteekens nog in dit voorjaar zal geschieden, zou het thans hier heenkomen van U, niet raadzaam zijn.

Thans is weg en weêr, het slimste van ’t geheele Jaar, want het is, en blijft al slodderig laf weer, dan regen, dan Sneeuw, maar geen Vorst; en ik wilde u voor nog zooveel niet op reis weeten met een klein kind, en op zulk een langen weg. – Ik besef wel dat het U te Zwolle ijsselijk begint te verveelen mijn hier ook niet minder, maar hebt nu nog een weinig geduld. – Dagelijks wagten wij de Bekendmaking van de teekening der Preliminairen, en dan koomen wij alle weer, of (onder ons) ik heb alle kans om Verlof te bekoomen, en dan durf ik het, hoewel ik Chef de Corps ben, gerust Vraagen. Nimmer heb ik zulk een goed Vooruitzicht gehad als tegenswoordig om U spoedig weerom te zien: Spreekt er niet van als in algemeene Bewoordingen, zó dat wij vast denken dit Voorjaar nog weerom te repatrieeren, waarop reeds Weddenschappen gedaan zijn: en houd u verzeekerd, lieve, dat ik al het moogelijke zal aanwenden, om ten Schielijksten weer bij mijn Geliefden te zijn.

Nu heb ik nog niet uitgepraat; nog niet op alle Uwe Artikelen geantwoord, nog niet alles gezegd wat ik te melden had! – Dus al voort. – En Eer ik het vergeet verzoek ik u wederom aan Vrouw Wouters vijf gulden te willen doen betaalen, die haar man (de getrouwen Oppasser van Coco en van Figaro die thans, de laatste vooral zoo dik zijn als Beeren) van zijn oppassersgeld bij mij heeft laaten staan.

Gij hebt zeer wel gedaan, lieve Henriette, van bij ’t Nieuwjaar aan de beyde Tantes van Hogend. & Hohenl. Geschreeven te hebben. – Ik approbeer het zeer, en bedank er U voor. – Ik hoop doch niet dat onze waarde ouders het mij kwalijk zullen genoomen hebben, dat ik aan hun geen Nieuwjaarsbrief geschreeven heb: maar juyst op dien tijd was onze Marsch, en Verhuizing van Höchberg naar hier, en dat ik altoos van zooveel druktens vergezeld voor mij, dat er waarlijk geen tijd toen overbleef. En zij kennen immers mijn goed hart voor hun; en staan op geen Complimenten.

De ritmeester Blok is met zijn Dragonders bij de Franschen generaal Treillard geweest, en het is mij lief dat hij er zoo wel is afgekoomen. De onzen worden in ’t algemeen door de franschen zeer geroemd. – Als mevrouw Blok te Zwol komt, zoo doed haar de groetens van mij, en wensch haar Evenzoo goede Kraam als gij gehad hebt. – Zij zal ook wel naar Vrede verlangen. Caatje de Lille zal er nog wel weêr doorkoomen, die is dat Sukkelen zoo gewend: Veel groetens van mij aan Hun Huisgezin: – wat Gij mij meld van sedert Uw terugkomst nimmer bij Eenig Toeval tegenwoordig geweest te zijn, is mij Zeer aangenaam: – daar heb ik al dikwijls in mijn Eygen, gedurende Uwe Zwangerschap oover gepeinsd en Angst gehad. Was er doch maar Geneezing voor haar op. – maar – maar – ik Vrees! –

Bartlo bedankt U Zeer feestelijk voor de Zorg voor zijn Linnen en ander Goed genomen. Wat jammer dat die Jonge Zoo weinig Leer lust heeft! Ik heb niets aan hem tot hulp in ’t Militaire! Anders is hij goed.

Hoor eens Jette Psa! Ik heb nog wat op ’t hart om te zeggen: ’t is U zeker ontgaan, maar ik wenschte het doch te weeten, en dat is – dat Gij mij nimmer Eenig Detail hebt gegeeven van het Doopen, en de Doopceremonie van onzen Alexander. – anders hebt gij mij alles gezegd en omstandig verhaald, maar dat niet, en doch is het zeer Interessant voor mij. – hebt gij het kanten Pakje gebruykt of niet? Wie is er mee geweest? En in welke Koets? Zegt mij dat Eens! – Niemand Uwer die in die tijd geschreeven heeft, heeft er mij iets van gemeld.

Nu nog iets aan U te melden. In de Blikke Doos, daar moeten ook nog een Pakje Obligatien bovenop, die van mij zelfs zijn, dat is te zeggen door mij zelfs aangeschaft; die Bataafsche subsripties liggen die ik voorleeden jaar gekogh heb, en daarvan meen ik dat een Coupon thans moet Verscheenen zijn: dit kunt gij zelfs wel naa zien, want den Inhoud van ’t Coupon wijst het vanzelfs, alzoo de Vervaldag daarin duidelijk gespecificeerd staat: dit zoo Zijnde, kunt gij het geld er bij yder een op ontvangen, en dan houden want ik meen immers dat wij afgesprooken hadden, van er een Stuk meubel voor de Koopen. Ik geloof ook nog dat er ..... bij liggen die geconverteerd moesten worden, maar dat is te omslagtig om U daarmeede te belasten, en moet tot mijn komst wagten.

Ik heb een Brief van Santheuvel van den 1e deezes; hij heeft de Betaaling voor de registratie der Erfenis van Moeder nog bijtijds voor mij kunnen doen, en verder ook de NieuwJaaren aan onze Domestiquen uitgedeeld. ook Eenige Reekeningen van Reparaties aan ’t huis betaald; – ook de huur ontfangen van 6 maanden van de Langrunes. Maar alzoo dat Capitaal van die wijnkooper nog niet afgelost is, zoo is hij nog in ’t Verschot. Mathieu zend mij een Nieuwjaarswensch op Zijn Manier geschreeven, die Comiecq is, en ik bewaar om ze U te laaten leezen. Hillers zit nog al te Wurzburg met het Been in ’t Kussen; hij moet slegh heel Rustig hebben, maar nu mindert de Pijn doch. Als gij, Liefste, nu ook maar weer braaf veel Zog krijgt, om de kleine Jonge te doen groeien, en tot bewijs dat gij weer wat geruster zijt: doch is het goed dat hij dat Bouillon Pap ook lust. – Papa – Neen Vader, lust zijn Natje en Zijn droogje ook vrij goed, en is er niet maager op geworden, maar wel wat grijzer van Haar. – Nu dat is geen Wonder, voor van zijn JP Vrouwtje, een geheel en waarlijk getrouwen Man omhelst U en ons Kind van harten.

Nu vaarwel Vrouwtje! Ik voeg hierbij Een Brief voor Tante van Hohenl., leest hem, en doed ze dan met een Ouwel toe en expedieert ze per Steenwijk. – Ook Eene voor onze lieve Ouders, daar ik nog tijd toegevonden heb, en dat lag mij op ’t hart, ik had hun in Zoo lang niet geschreeven. – Nu, in ’t begin of teegen 10e februarij Vreeden! En dan naar huis.

In de marge op

Pg. 5: Ik heb aan Chaveau in ’t geheel niets gesproken. Van Uw Reis Project, nog ook aan iemand anders. Hem heb ik zelfs in geen veertien dagen gezien. Dus wat ik er u van zeg is volkoomen Eygen Beweeging. Gij begrijpt wel dat, als naa het afkondigen der Vreede ons retour met eenigen Zekerheid te wagten is, dat dan alle reizen overtollig worden, en onnodige kosten zijn, jaa zelfs niet zich mis zou kunnen loopen. –dus nog wat geduld

Pg. 8: Si souvent .. presque formellement je vais dire le bonjour à votre portrait. Tu jugez bien ma chère que....

Pg. 9: Gij schrijft mij laatst dat gij geheel weer hersteld was, zoo als te Vooren, dit alles weer ook Zoo als te Vooren, denk ik. Is ’t Zoo niet? – hoe dikwijls reeds weer .... was gehouden? Voorleden jaar om deezen tijd, maakten wij ons reisvaardig, naar Maastricht. Zou het heden 25e ook de Jaardag zijn van Alexanders wording? – misschien wel van jaa, of op reis..


No. 52 (datum ontvangst ontbreekt)

Cantonnement te Dettelbach, Vrijdag 30e Januarij, vervolgd en verzonden Zondagmorgen den 1st Februarij 1801

Met zeer veel genoegen, Waardste Henriette, zag ik uit Uw brief No. 38, van Zaterdag den 17e Januarij, die ik Maandagavond den 26e Jan alhier met de Veldpost ontfing, dat het thans weer beeter met U en met Uw Zog ging, en dat de kleine Alexander ook weer begon te groeien. De Hemel zij gedankt dat geruststellender tijdingen U weder Even Zielskalmte hebben gegeeven, die natuurlijk op Uw Lichaam invloed moesten hebben! – Daagelijks, kan ik U tot verdere geruststelling zeggen Vermeerderen de gunstige Uitzichten op Vrede, en weldra hoop ik zullen ze Volkoomen door eene Bekendmaaking op de Ordre van de Armée bevestigd worden, want eerder kunnen wij het niet voor Echt aanzien.

Ach, waren wij nu maar eens Eéns drie Dagen weer bij Elkaar, om over zooveelen voor ons van het Uiterste Belang zijnde Zaaken te spreeken! – Want zoo weinig kan men op dees afstand waarop wij van elkaar Verwijderd zijn, overleggen of Bepraaten. –

Vooreerst, wat het huis betreft, waarvan Gij mij spreekt, naamentlijk dat van Juffr. Paaschen waar Burgemeester van Eeckhout tegen November aanstaande uit zou gaan: – mij dunkt dat zou Juist onze Zaak zijn, want vór die tijd hebben wij er geen Noodig alzoo, verondersteld dat wij, zooals ik nu niet twijfel, in ’t Voorjaar weer thuijskoomen, en dan naar Maastricht den Zoomer gaan doorbrengen om daar alles te beredderen, dan bij ons Retour, dat Huijs zouden kunnen aanvaarden: Hoezeer Gij, zooals ik wel begrijpen kan, eene Soort van Affectie voor ons teegenswoordig huis hebt, en ik het om veele Reedenen ook wel lijden mag, zoo is het ons op den Duur doch te klein en te slegt, en daarom moeten wij naar een ander omzien, en als Juffr. Paaschen ons de voorkeur wil geeven, dan zou ik er wel vór zijn om het te bespreeken; – Gij zegd mij niet hoeveel het van Huur doed, maar ik denk wel 250 a 300 guldens. Die andere Huizen daar Gij mij van gesprooken hebt, als van Vaillant tegen oover ons, en van uit de Diezerstraat, zullen misschien al weg zijn, en tot November kunnen en willen wij ons teegenswoordige ook maar houden. –

Van blijven of vertrekken van mijn Bataillon uit Zwolle daar kan ik, nog geen Mensch ons Eeniger Vastigheid van geeven maar van zulk een Huijs als dat van Eeckhout kan men altoos nog wel afkoomen. En ik heb ook nog al hoop dat onze standplaats van ‘t Bataillon in Zwolle zal blijven. Waarlijk het is onaangenaam van altoos Zoo onzeeker in Zijne Existentie te zijn, en gij Ziet dat men in het Militaire bij geen mogelijkheid Eenig vast Project voor iets kan maaken. Kwam nu met de Vreede op ’t Vaste Land, ook maar de Vreede ter Zee, of de Algemeene Vreede, dan kon men Zich wat Rust en Stilte belooven, maar hoe en wanneer zal die volgen? – gij weet dat wij wel Zes maanden tijd Noodig hebben om alle de Zaaken te Maastricht in order te brengen, en hoe krijg ik dat Verlof voor Zoo langen Tijd, als ’t geen Vreede is? – Nu, dat zal zich ook al moeten redden; En – mijne Demissie neemen, als ’t met behoud van Eere kan geschieden, en wij buiten Dienst leeven kunnen, Zit er dan altoos voor ’t laatst ook nog op; – (Nu, dit geheel onder ons beiden) – maar, kon ik er maar eens vertrouwd met U oover spreeken, want dat laat Zich niet beschrijven. Nimmer heb ik er meer om gedacht als teegenswoordig dat ik Zoo verwijderd van U, mijn lieve, leeven moet, en U, zoowel als mij, zooveel leed veroorzaak! – maar het is dog ook een Stuk van groot naadenken. – Nu; haast zullen wij hoop ik, er oover saamen spreeken kunnen. – De Courant van Bamberg zegd dat te Weenen reeds het te Deum in de Kerken over de Vreede gezongen is; – in kort moet het Zich bevestigen. – was Weer en Wegen nu maar wat beeter, maar, Zó vriest het niet een Paar dagen met Sneeuw en Koude, Zoo dat men denken Zou, nu komt de Winter voor goed, dan voort daarop komt er weer dooy weer en men Zit ooveral in de Nattigheid: Zoo is het ons nu deeze week weêr gegaan: – dus een laffe Winter. – En Zoo ik merk bij U ook hetzelfde. –

Met Nicht Van Huls, zie ik, wijl zij u weer van geschreeven heeft, dat het zeer presseerd en zij niet meer wagten kan: ik weet het, zij hebben het Armoedig, maar meer als een wissel van honderd guldens kan ik haar niet wel geeven, vooral omdat ik Vermoede dat het jaarlijks werk zal worden. Ik zende hem u dan hieringeslooten toe en Verzoek U dezelve aan haar met den Eersten toe te Zenden; – anders of op een andere manier weet ik het niet te doen; en er is daarin dog Zoo iets Verneederends dat mij Eenigsins teegen Staat, anders had ik het al lang gedaan, want dit gaat nu Zoo publiek; omdat in Zoo een Wissel al de naamen der belanghebbenden voorkoomen: maar ik zeg het kan niet anders omdat ik Zoover van de hand ben. – was ik thuis dan was er Middel geweest om het op een meer bedekte of onbekende Wijze te doen. – Schrijft haar nu maar dat ik op Uw Schrijven U verzocht heb haar het ingeslootene toetezenden, en dat ik teveel Beezigheeden had om Zelfs te schrijven, maar U opdroeg om alle de haaren hartelijk van mij te groeten, en alle welzijn toetewenschen; – ook dat ik mij volmaakt welvaarende bevond.

Zij is eene volle Nicht van wijlen onze Moeder maar aangetrouwd, want haar man was Volle Neef, doordat Zijn Vader een Broeder was van mijn grootmoeder Van Haren, die van haar Eygen Van Huls heette: – dus is Zij, en haar Man, wat men heet Oncle et Tante à la Mode de Bretagne van mij. Zooals wijlen Du Peyrou ook van mij was. – À propos van die: – Vernede schrijft mij uit den Haag dat er zich Apparenties opdoed, om de 3 Plantagien van diens Boedel te Verkoopen, en ik hoop dat zulks lukken mag, wel te verstaan, zó dat er genoeg van komt, om mijn Schuld af te doen, en Zooals men Zegd, Zonder Kleerscheuren er vanaf te Koomen. – Ik geloof niet dat ik U dat nog ooit recht geëxpliceerd heb, en in een Brief is het te langdraadig, dus zullen wij het tot mijn retour uitstellen. – En om nog Eens van Nicht Van Huls te spreeken, wijl gij mij vraagd of het een hupsche Vrouw is, Antwoorde ik u van Jaa, maar zoo een weinig al te dik, en al reedelijk vrijpostig, zooals men veelal te Breda is. Moeder gaf haar jaarlijks altoos ook wat, dat weet ik; en zal het wel naa kunnen zien als ik weer bij mijn Boeken ben. – Haar man is seedert jaaren bijna geheel blind en dus buiten staat om iets te doen, jaa zelfs weet ik niet of hij niet gestorven is; – dit is al Singulier, zult gij Zeggen, maar waarlijk ik weet het niet voorzeeker, want met mijn Eeuwig omzwerven dan hier, dan daar raakt men uit zijn familie relaties, en dan speelt mij mijn Memorie fagebond. – Ik ben zeer blij dat gij Roemer betaald hebt zoo als mevrouw Metelerkamp, en niet als de Majoor, want daar zou van gepraat zijn, en nu is het wel geweest, zeekerlijk zal de Majoor zich bij iemand van geringer Classe geïnformeerd en daar naar gehandeld hebben. – Daar er geen Nieuwjaarsreekening van hem gekoomen is, is het ook niet teveel. – O! wat verlang ik om dat Nachtjakje te zien van onzen Alexander, vooral die gelijkenis van hetzelve met het Hemdje van Cora, dat altoos nog in weezen is, en zelfs op verre naa niet langer maar veeleer Korter geworden is, want mijn hembden zijn bijna geheel versleeten door het geduurige wassen en weinige Zorg die er voor kan gedraagen worden, zó dat indien ik geen spoedig retour voorzag, ik er nog Eenige Nieuwe zou moeten laaten maaken. – Met ons geduurig reizen en trekken, begrijpt gij wel, lieve, dat er niet veel Acht op kan geslaagen worden, en ook waren ze niet Nieuw toen ik in Campagne gong.

Het is mij aangenaam dat gij ’t Clavier van Zuster Elsje bij uw in huis hebt: en Nicolay hoop ik dat gij maar voortgenoomen hebt al was het 2 maal in de week. Ik twijfel niet of gij zult hem met uw grand Serieux wel op behoorlijke Distantie houden. – Het is mij lief dat gij u beeter als naar Verwagting bij Mevr. Vos geamuseerd hebt; – daaruit begrijp ik dat nu alle Uwe Kraamvisites geheel afgedaan zijn en dit maar een ordinaire Avondvisite was. – Dessener weet gij nu al dat hier is met al zijn Cadeaus, en dagelijks draag ik nu uw lieve Bonnet de Police, die mij zoo welkom was. Wat betreft het Briefje van uw notities weegens het Van Eymail ontfangene, daar is eene niet oovereenkomst in, met mijn gehoudene aanteekeningen, en gij hebt meer ontfangen of te veel aangeteekend; – ziet het nog eens naa JetteP hier neevens het Briefje weer terug, waarop ik heb genoteerd, wat ik meen U overgemaakt te hebben, en zooals het op de Lijsten van den Quartiermeester is van hier overgezonden. Ik heb er naast gemerkt de som die ik meen dat het is, en het nummer van de Brief waarin ik het u telkens gemeld heb. – daar waar ik niets bijgesteld heb, komt Uw genoteerde Som met de mijne overeen: het scheelt f. 90 dat gij U tekort zoud doen, Eens 60, & Eens 30. – daar onze militaire maand deeze keer den 26e January is uitgeweest, zult gij misschien de laatste door mij genoteerde Som nog wel ook in January ontfangen hebben..

Om niet met mijn JetteP in Gebreeke te blijven, terwijl zij oover Muisen klaagd, zo vond ik Eergister Avond toen ik van de Major, die zijn Broer van het 2e Battaillon te Visite had, thuys kwam, ook een muis bij mij in mijn Kaamer op Taafel zitten. – Men had het Brood vergeeten weg te neemen van het Diné en daar had het diertje zich aan verlustigd; het sprong voort van de Taafel en borg zich in een Holletje bij de Kaggel, en weg was het! – Toen ik het aan mijn hospes vertelde zeide hij mij dat het huis er vol van was! – ik heb er dog geen ander meer gezien; – Gij hebt wel gedaan een Val te koopen, en ik wensch u verder goed Succes op de Jagd. Ik meende Vrouwtje was er zoo bang voor.

Daar bij mij in Uw laatste meld, dat het Geld voor de Coupons reeds in Papaa’s Comptoir ligd, zoo zie ik dat het reeds in geld dáár is, en dus waarschijnlijk de volle f. 570 er zullen zijn, en welke nu waarschijnlijk op hetgeene ik U geschreeven heb, naar Amsterdam door U aan Willem van Hogendorp overgemaakt zullen zijn – en dan is het Wel. – Ik had hem geschreeven dat hij f. 470 ontfangen zou, maar nu is het f. 100 meer omdat die 2 Coupons van f 50 yder reeds ook gerealiseerd zullen zijn, die in february en maart vervallen of betaalbaar zijn.

Het staat mij zeer wel voor dat wij voorleeden jaar op den 7e February te Maastricht Papaa’s geboortedag ’s Avonds gevierd hebben: – kon ik nu de VeldPost om eénen dag vervroegen, dan kwam mijn felicitatie (die ik U verzoeke in mijn naam zeer hartelijk te doen) juist op dien dag bij U te Zwolle aan, maar nu is het Eén dag te laat, want Gij zult deeze eerst Zondag Avond, den 8e February kunnen ontfangen, en een weinig te laat is dus veel te laat. Niettemin draag ik u op, lieve Henriette, om onzen waardsten Vader van mijnensweege in dit zijn nieuw ingetreeden levensjaar allen moogelijken Zeegen toe te wenschen, en dat Hij haast ooggetuige mooge weezen van onzer beyden weder Vereeniging! Dat is naar U toegewenscht, zult gij misschien zeggen Vrouwtje, en dat is waar, maar wat kan mij naader aan ’t Hart liggen als U en ons Kind wedertezien. – zal nu Alexander niet reeds eenkennig tegen mij zijn? Dat vrees ik; tenminste ik ben een Vreemd Gezicht voor hem. En dat voor een Vader ! maar het was immers mijn Schuld niet dat ik niet seedert zijn Geboorte bij hem was ! – en het valt mij hard genoeg dat het Zoo moet zijn. – Niet heb ik U nog gezegd over zijn Eersten Lachje, dat gij mij laatst schreeft gezien te hebben. O wat moet dat Uw moederhart een genoegen gegeeven hebben! Onbeschrijfelijk! – Had ik daar maar bij kunnen weezen om het ook op te vangen! – Nu, de tijd naadert, hoop ik, dat ik U en hem omarm.

In de marge op

Pg. 4: Intusschen Sterke God uw gezondheid en die van de Kleine. – Vaarwel dierbaare lieve Vrouw! Zondagogtend bij het sluiten deezes, niets nieuws verders – al nog goede gerugten van aanstaande Vreede, maar nog niets op de Ordre bekend gemaakt, Hillers begint te beeteren en groet U en de familie, ik doe hetzelfde – en hier een kusje ʘ voor Alexander van zijn liefhebbende Vader, Uw Man.


Brief no. 53 ontfangen den 14e Februarij 1801

Cantonnement te Dettelbach, Saterdag 7e voleijndigt & verzonden, Zondagmiddag 8 Februarij 1801.

Nogal niets Positiefs gepubliceerd,wegens de Vreede, mijn Waardste Henriette. Dagelijks zijn er de Couranten Vol van; – Dan, is de Courier daarmeede aangekoomen te Weenen of te Parijs, of word hij aldaar Verwagt, zeggen de Bamberger, Augsburger, en Nuremberger Couranten, die almeede het naast bij Zijn, maar – telkens Confirmeert het Zich niet, en wij worden al weer in onze hoop teleurgesteld. – Daar men er echter in ‘t geheel niet meer aan twijfeld, is het maar als een lang uitstel aan te zien, en dan is IJdere Dag toch eene Naadering tot dat Zoo gewenschte tijdstip! – Ach mogt het spoedig koomen; – daagelijks word mijn Verlangen grooter, naar Vrouwtje en Kind; – Voor eenige Dagen zeijde de Fransche francforter Courant: d’ici au 16 Fevrier les Trouppes Bataves doivent retourner en Hollande! – was dat eens wáár ? Dan was het zeer naabij; maar het is zoo schielijk voor als nog niet te gelooven. – Nu, hoe eerder hoe liever, en zeekerlijk was het aangenaamer, veiliger en voordeeliger in zoo groot gezelschap te reizen als alleen.

Voorleden Maandagavond, den 2e deezes ontfing ik Uw No. 39 van Saterdag den 24e Januarij waarin ik met veel leedweezen zag, dat het laatstgebooren Zoontje van Broer Piet weer Zoo gevaarlijk Ziek legd dat er de Dood te Vreezen is. – Waarlijk dat is recht ongelukkig, en ik hoop nog dat het hun behouden zal worden. – Ziet eens lieve Henriette, hoe dat wij daaromtrent gelukkiger zijn, en hoezeer de Algoede Voorzienigheid alles naar Eevenreedigheid beschikt en bestierd; – Uw Broeder geniet alle de Voorrechten van het huiselijk geluk, zij hebben eene vaste bestendige woonplaats, en zijn altoos bij malkaar en in staat om zich onderling te troosten in de wederwaardigheden, die hun mogten overkoomen, maar – daarenteegen hebben zij nu weêr het ongeluk van reeds een Zoon verloren te hebben, en de 2e weêr ziekelijk, zoo niet reeds ook gestorven.

Terwijl wij beiden, van elkander afgescheurd, en reeds zoo langen tijd op zulk een verren Afstand van elkander verwijderd, zonder ons anders als door lang onderweegs blijvende Brieven te kunnen van onze omstandigheden onderrigten, daartegen weer het Voordeel hebben mogen genieten, dat gij zoo voorspoedig gekraamd hebt, en ons Kind zoo gezond is, terwijl ik ook in alle gevaar bevrijd, en altoos gezond gebleven ben. – En dus Ziet gij, Eene Wijze, Vaaderlijke Vergoeding van Kwaad en Goed, van aangenaam en onaangenaam, die altoos tot ons welzijn plaats heeft. – En terecht bemerkt Gij ook in uw laatste Brief hoe goed het is dat de Voorzienigheid, het toekoomende voor ons verbergd, want er zou ijsselijk tegenop gezien worden, wanneer wij bij voorbeeld onze reeds zoolang gerekte Scheiding hadden vooruitgeweeten, dat was niet te ooverkoomen geweest! – Jaa, voorleeden jaar om deezen tijd waren wij te Maastricht, en in de aanstaande week word het jaarig, dat eerst ik en toen gij mijn Jette Psn onpasselijk werd, maar bij U had het doch een andere Aerde als bij mij, want het zal u wel geheugen, dat het bij vervolg gebleeken is, dat het een gevolg was van Uw Zwangerschap, die toen begon. Nimmer zegd gij, lieve, had gij gemeend dat een Kind, zoo veel Zorgen aan eene moeder koste, als gij ’t nu ondervind; – O! dat geloof ik wel, en ik herrinner mij dat Moeder mij altoos zeide dat wij niet wisten welke Verpligting een Kind aan Zijne Ouders had, en het ook nimmer konden weeten of wij moesten zelfs Kinders hebben. – Ik kan U ook wel verzeekeren dat ik in Angst was, toen gij mij schreeft dat Uw Zog zoo verminderde, dat gij vreesde een Minne te zullen moeten neemen, want er lag mij zooveel aan geleegen dat mijn Eerstgeboorene zijns Eijgen Moeders Zog tot Voedsel had, en ook uw gezondheid zelfs merkte ik dat daardoor in gevaar was; – maar nu, Gode zij dank, zegd gij mij dat het vooral niet minderd, en dus ben ik weer geruster: – O! dat gij het doch zoo behouden moogt en ik dat genoegen doch schielijk mag hebben, dit Tafereel dat mijn oog /: zooals mijn grootvader terecht zegd :/ het meest zal streelen spoedig te aanschouwen: onzen Zoon, aan mijn geliefde Vrouw haar Borst! – O! lieve, lieve Henriette! – als ik daaraan denk, .. aan dat genoegen, dat mij dat gezicht zal geeven, .. aan die Tevreedenheid die gij, en ik daarbij zullen genieten! – dan ben ik als opgetoogen van Blijdschap! – en de Traanen komen mij in de Oogen! – Ik hoop met U dat de Voorjaarstijd onze Alexander goed zal doen, en als het dan goed, Zagt weêr is, moet hij ook maar braaf in de lucht koomen, al was het maar agter in ons tuintje.

Wat moet gij al niet veel Zorgen en Moeite met hem gehad hebben, daar roemer zegd dat gij nu al het slimste met hem door zijt! – Het schijnt alsof ons lot dat wij ondergaan hebben, van in ons eersten Huwelijksjaar, een zoo langen tijd gescheiden te zijn, en gij ver van mij en zonder mij hebt moeten kraamen alle gevoelige menschen treft, want wie ik het vertel neemt er deel in; –

Hier heeft zich seedert voorleeden week, eene familie koomen neerzetten, zijnde een oud militair, met zijn vrouw dat zeer hupsche lieden zijn, en daar ik kennis mee houde: – hij is een man bij de 60 jaar, die onder de keyzerlijken en laatst als Commandant van een Bataljon Frankische Jaagers gediend heeft, genaamd Seifferditz, en zij is van een goede Familie uit Wurzburg, ook al in de 50 jaar, dus geen jonge Lieden, want zij hebben al een Zoon die bij de Keyzerlijke Armée is, en Adjudant van den generaal Simbschen, en Verscheidene Kinders dood. – Daar hij naar rust verlangde heeft hij bij den Voorigen Waapenstilstand zijne retraite en Pensioen gevraagd en hetzelve bekoomen hebbende is hij zich met zijn Vrouw hier, om dat het hier goed hoopleeven is, koomen neerzetten, en zal hier zijn overige daagen in rust passeeren. –

Zij zijn in Holland ook geweest, en ook in Amerika en op ‘t Eyland St Eustatius, toen het nog Hollandsch was; – Ik gaa dikwijls bij hen Thee drinken die zij heel goed Schenken, op zijn hollandsch, want hier in Duijtschland doed men er altoos caneel in, en warme melk in Plaats van Koude. – Het zijn luijden van heele goede opvoeding en zeden. – En in een Plaatsje als dit, is het nog een verzet. Zij is ziekelijk en dus veeltijds thuijs, zij hebben een quartier of half huis hier gehuurd. – Donderdag was ik op een Baal te Kitzingen geinviteerd bij den Colonel Craps, maar ik heb bedankt en ben er niet geweest. – daarteegen ben ik met onzen Majoor Van Berchuys hier op een soort van Fête geweest, bij onzen Amtskeller of Landdrost van deeze Plaats, die hier de voornaamste Persoon is, en wiens Vrouw dien Dag of den Volgenden om beeter te zeggen, haar Naamdag was, want hier viert men de Dag tevooren, en niet den Dag zelfs. – Er was niemand als de Familie, en de voorgenoemde Major Von Seifferditz met zijn Vrouw. – De Pastoor Kappellaan, en zoowat van de Stadsregeering in soorten. – Om 7 uur half 8 ’s avonds aan Taafel, veel eeten, op zijn Duitsch, en oover Taafel ter Eere van Mevrouw de Amtskellerin, de Stadsmusicanten met onze Stafsmusicanten, Bartlo was er ook, en toen is er naa den Eeten gedanst, waar ik dan welstandshalve ook met de Dames wel eens moest meede dansen, en een Colonne met mevrouw de Amtskellerin, die er niet veel van vergeeten had, afgedanst heb, en om een uur ben ik naar huis gegaan.

Dinsdag, den 3e deezes, ben ik met de Major en Van de Poel te Paard naar ’t Cantonnement van Chaveau geweest, en nog naar dat van de 3e Compagnie die Marbach commandeerd, en vór den Eeten weer thuys; en dat is al wat ik in deeze week ben uitgeweest. – Gister is Van de Poel weer bij Chaveau geweest; en zegd mij dat hij nu wat begint te beeteren, maar hij blijft doch nog altoos thuijs, en houd zijn Kaamer. – Nu is het ook geen weêr want dagelijks reegent het hier: /: onder ons gezegd :/ ik heb gemerkt dat Chaveau zijn Vrouw afgeraaden moet hebben om naar de DansPartijen te gaan, niet voor haar, zoo hij zegd, maar om de Praat van de menschen. Nu zal het te zien staan wat zij doed!

Van Broer Jan was de surprise aardig die hij U alle heeft koomen doen. Ik hoop dat Papa nog agt dagen Verlof voor hem zal verkreegen hebben .– En ik ben zeer voldaan dat gij hem ook eens bij ons op een Avond onthaald hebt, en vind het zeer goed. – Groet hem vooral vriendelijk van mijnentwegen. – Dat was ook een raare Notitie die gij daar zoo laat kreegt van de Vrouw van Lieutenant Nolten. Het is waas die Vrouw is ongelukkig, en armoedig, echter maakt de man haar, seedert hij in Duitsland is, maandelijks zijn Tractement oover, en daar behoeft zij hem nu niet van te onderhouden, maar het 2e Lieutenants Tractement is gering; en de kinders hebben al veel van Nooden. – Gij hebt wel gedaan haar geld en de Kleeren te geeven, zooals gij mij schrijft, dat zal haar vrij wat goed doen. –

De oudste Zoon, die ook 2e Lieutenant in mijn Batallion was, heeft het op de Marsch herwaarts met de Versterking van het Depot koomende weer zoo gortig gemaakt, en zulke Slegten Streeken aangevangen, dat hij hier weer in Arrest is gekoomen, en door den Commandant van dat Versterking Corps de ………. Aan den generaal Dumonneau rapport is gedaan, hetwelk van dat effect is geweest, dat hem Ordre is gegeeven zich naar Den Haag te vervoegen, en aldaar bij den Agent Ordres te ontvangen en met de laatsten Post van voorleeden Zondag hebben wij reeds het berigt ontfangen dat het uitvoerend Bewind genie 2e Lieutenant J. Nolten, op Voordragt van den Agent van Oorlog, wegens zijn Slegt gedrag, zijne Demissie uit ’s Lands Dienst had gegeeven. – dus is hij nu seedert den 22e Januarij gedemitteerd, en geen officier meer. – Wat zal hij nu gaan doen? Het beste dat er voor hem op is, is te gaan Vaaren, of in een Vreemde Dienst te gaan als soldaat. Ik heb het hem genoeg gezegd, en hem zoo dikwijls gewaarschouwd, maar er was niet aan te doen, en zijn Inborst deugt niet. – Voor de Vader en Moeder spijt het mij, maar hij verdiend het wat hem ooverkomt. – Elendig is het voor Ouders zulke Slegte Kinderen te hebben, maar zeeker, zooals gij zegd, Opvoeding, en Voorbeeld doed er veel toe.

Ik bedank u voor het verzenden van ‘t Geld voor de Coupons en der 2 Coupons van Febr. & Maart: naar Amsterdam. – Willem van Hogendorp heeft mij met de Post van Voorleeden Maandag reeds den ontfangst dier f. 570 gemeld, en dat ze mij in reekening waren gesteld, dus behoefd gij er niet meer ongerust oover te zijn, en gij kunt het ook aan Papa zeggen dat ze wel oovergekoomen zijn: Ik begrijp niet hoe Papa meend dat Hogendorp daar een half of een quart percent op zou kunnen winnen, want dan vald door hem op het incasseren dier Penningen geen Winst, alzoo min als voor mij, Verlies op; – het is betaalbaar te Amsterdam, en word ook aldaar ontfangen, dus is er geen remise van geld op, en Willem bereekend mij als Vriend en familie geen Courtage, maakelaardij, nog Provisie, dus wat het geld, of ’t Papier, Eén en hetzelfde. – Als ik weer bij U ben wil ik u dat finantie werk gaarne leeren; – maar dan hoop ik dat gij het voor eerst niet meer noodig zult hebben, om het allén te doen, en wensch dat ik dan bij u blijven mag en het Zelfs doen.

Van mevrouw Pfenninger weet ik u niets meer te zeggen, als wat ik in mijn voorige schreef; – dat het mij voorkomt een zachtaardige Vrouw te zijn, en meer weet ik er niet van, nog ten goede nog ten kwaade, alzoo ik er nooit niets van gehoord heb: en ze ook nimmer gekend voordat ik ze bij ’t Battaillon gezien had. – Ik geloof ze is van Breda, en men zegd dat hij zeer jaloers op haar was; dan of het met, of zonder Reede is, ignoreer ik.

De verjaardag van Papa heb ik onthouden, maar die van Mama op 28 januarij, was juist voorleeden jaar den Dag naa ons Vertrek uit Zwolle naar Maastricht, en dus mij door het hoofd gegaan; Nu heb ik u verzogd Papa te feliciteeren en onze goede mama niet; dat is onvergeeflijk, en hoe maak ik dat weer goed? Mijn beste Jette Psn zal dat voor mij moeten schikken anders weet ik er geen weg op. Ik groet haar, Papa, en Elsje van harten. Met de ooverige Broers ook. Nu, Vaarwel, hartelijk geliefde Vrouwtje. Weest 1000x omhelst van Uw getrouwen man.

In de marge op

Pg. 1: Willem van Hogendorp zal u eerstdaags aan uw Adres aangeteekend met den beursman, toezenden 2 Bataafsche Aescriptien, yder van Tweeduijzend guldens, die mij toehooren; Betaald er het Port maar van; teekend in het Vragtboekje en legd ze maar in de BlikkeDoos bij de andere Obligatien van ons.

Pg. 2: Totdus Verre betaalen wij hier hoegenaamd niets voor de Brieven die wij met de Veldpost ontfangen. Beeter koop kan het niet zijn. Maar de Brieven worden genummeroteerd, en dus ook word er Nota en Boek van gehouden, zoodat het secuur gaat. En of ze dik of dun, groot of klein zijn, dat is hetzelfde. – Het was mij lief dat gij ’t Nieuwjaarsversje lief vond.

Pg. 3: Voici une Lettre, pour Elsje, avec bien des Amitiés pour Elle. Le Mot de la Charade dont je lui parle est: Rétournez . Mais vous l’auriez bien déviné sans que je le dite. – Adieu très Chere, je suppose que Vous n’oubliez pas votre francais et que vous le parlez et le Lisez souvent pour l’entretenir. – Ici j’ai toute Occasion pour les 3 Langues, et même quelquefois pour l’Anglais. Adieu.

Pg.4: Het is mij zeer lief dat Vrouw van Steigeren weer beeterd; en ook dat Uw oorringen zoo wel weêr gemaakt zijn. – Onze quartiermeester Eymaal zal u van mijn gage vervallen den 22e deezes, uitbetaalen f. 120. – Zegd mij of gij meer noodig hebt?


Brief no. 54 ontf. Den 22 Febr. 1801

Cantonnement te Dettelbach, van Vrijdag den 13e tot Zondag den 15e Februarij 1801

Thans gaat de VeldPost, Zoo regulier, liefste Henriette, dat ik weer als naar gewoonte, Voorleeden maandag Avond, den 9e deezes Uw Brief no. 40 van den 31e Januarij ontfangen heb. – Niet alleen gij, maar onze meeste Officiersvrouwen, melden aan hun mans het Arrivement van de Capitein Heiligers en van den Ritmeester Blok in ‘t Vaderland, en zeekerlijk alle met de innerlijke Wensch dat hun mans ook eevenals die, oover mogten koomen! – Zeer natuurlijk is die Wensch, en weederkeerig is hij vast ook van onze Zijde, maar niet gemakkelijk om te vervullen. – Ziet eens wat het bij mijn Battaillon onder anderen zou worden als alle getrouwden Verlof wilden hebben, daar ik er Zoo veele heb; – En dan hebben wij nu seedert NieuwJaar alle dag in de vaste Verzeekering geleeft dat wij Eerstdaags de Ordre tot den Terugmarsch van het geheel Bataafsche Corps d’Armée naar ‘t Vaderland zouden ontfangen: – Jaa, toen ik te Wurzburg aan ’t Hoofdquartier van den Generaal Dumonceau was, kort náá NieuwJaar, eer wij hierheen marscheerden, scheen men onze terugreys naar ’t Vaderland aan te zien als een Zaak die zeer naa voor de deur stond, en als dusdaanig werd er zoo algemeen oover gesprooken, dat men meende er bijnaa niet aan te moeten twijffelen: – Niettegenstaande dat, is nu de geheele maand Januarij en half Februarij verloopen, en men verneemt eeven zoo weinig van de Publicatie van den Vreede als van ons Vertrek, maar wel van een Nieuwe Verlenging van den Waapenstilstand, die op den 3e deezes te Luneville door de Ministers der Fransche Republiek en Van den Keizer, voor 45 daagen en vorders onbepaald geslooten is.

Dus is en blijft men in het onzeekere, en loopen de Verlofgangers gevaar om eevenals de Major Van Berchuys, in voorleden Zoomer, direct weer opgeroepen te worden, zoo als zij thuys zijn aangekoomen. – Ik weet niet voor hoelang de Ritmeester Blok Verlof heeft bekoomen, want wij zijn in ‘t geheel niet bij elkaar geweest, zoo als hij U ook al gezegd zal hebben. En seedert voorleeden maand van July bij de Passage van den Rhijn bij Dusseldorff, heb ik hem niet meer gezien. – Weest zoo goed en maakt hem mijn Complimenten, zooals ook aan Mevrouw, en vraagd hem eens hoe hij de reis genoomen heeft, te Land, met de Postwagen, of met Schip den Rhijn af? – Thans zou het laatste bijnaa ondoenlijk zijn, want seedert drie à 4 dagen vriest het hier zoo sterk dat de Main al bijna toelegd, en er zeeker in den Rhijn ook al veel ijs zal zijn: – Die Koude komt laat, maar het is doch beeter als zulk laf winter weêr, en dit geeft hoop op een goed Voorjaar.

Ik begrijp ligt hoe verheugd Mevrouw Blok zal geweest zijn, haar man naa zooveel uitgestaane gevaaren welvaarend weer te zien; – en bezeftigt, hoe mijn lieve Henriette insgelijks blij zou zijn, als zij haar man weer zag! O! welke vreugde voor ons beyden! – maar Gij zegd en begrijpt ook terecht, beste, dat het Verlof bekoomen gemakkelijker gaat voor een mindere Officier als voor een Chef van een Corps: – dit heb ik reeds zoo dikwijls ondervonden, en in dit stuk is het Voordeel van den hoogeren rang, een Naadeel in het genoegen. – Was de Vreede maar eens daar! – dan had men Eenige Zeekerheid, maar zoolang als dat niet is, blijft alles in ’t onzeekeren, en men kan geen bepaaling tot niets maaken, zoo als ik U reeds in mijn voorige gezegd heb: – want zoolang het maar Waapenstilstanden zijn, risqueerd men altoos zijn Verlof niet uit te kunnen houden. Echter is, en blijft er nu meer als ooit nog, de beste hoop dat deeze Wapenstilstand, maar uit Politique Inzichten gemaakt is, en men het reeds al eens is omtrent de Vreede.

Daar heb ik deeze week een groote Schrik en oogenblikkelijke droefheid gehad: – dat ik U vertellen moet: want gij Zijt er ook in begreepen, mijn Jette Psn – Voorleeden maandag was ik met verscheide van onze Officieren te Paard gaan Eeten in Eene Abdij Schwartzach genaamd, aan de ooverzijde van den Mein, een uur van hier geleegen, waar Superbe Schilderijen in de Kerk te zien zijn. Het was reedelijk koud, en bij den Prélaat in de Kaamer koomende, trek ik mijn handschoenen uit, en Zie met groote Schrik, dat ik mijn ringetje /:het Schildpadde dat ik altoos draag :/ niet meer aan de Pink heb! – Ik zoek ooveral, maar op de grond, maar tevergeefsch. – Nu kunt Gij u mijn droefheid niet begrijpen; yder een meende dat het een Ring van groote Waarde was, maar men wist niet dat er nog zoo oneyndig veel aan geleegen was. – Eyndelijk bezin ik mij dat nog aan deeze Zijde van den Mein, wij ons een Oogenblik bij den Lieutenant Rogge die aldaar te Schwarzenau legd, opgehouden hadden, en ik dáár ook mijn Handschoen uitgehad had: Ik zend dus Wouters weer terug om er naar te zoeken, doch ik beken dat ik er weinig hoop toe had, en ik was intusschen IJsselijk bedrukt; – maar ziet, Wouters komt weerom en brengd mij in een Papiertje de ring die hij bij den Lt. Rogge op de Kaamer op de grond had vinden leggen, gelukkig terug. – Toen was Leyden ontzet, en Uw Sandick wel tevreeden. – Zeekerlijk heb ik met het Uittrekken van de handschoenen het ringetje laten afvallen, want gij weet dat het mij wat wijd is, en vooral met de Koude, dan zijn de Vingers dunder en het Kleefd niet: – welk een Geluk ook nog, dat het daar zoo lang /:ten minsten anderhalf uur:/ gelegen heeft, zonder Vertrapt te worden! – O! ik was zoo te Vreeden, dat ik Wouters een Brabandsche Kroon tot een fooy gaf. – Want ziet, ik stel er zulke Eene Waarde in, dat gij het U niet begrijpen kunt, en het gemis ervan was mij ondraagelijk. – Idereen zegt, doch, dat het duyzend wonder is, dat ik het niet allang Verlooren heb, omdat het mij zoo wijd is, of dat het niet gebrooken is, omdat Schildpad zoo broos van aard is: – nu hoop ik het nog lang te bewaaren!

Wat gij mij van Onzen Alexander meld, dat hij zoo aardig begint te lagchen, is mij aangenaam; Ach! Dat ik hem doch schielijk mag te zien krijgen! Wierd mij dat genoegen maar eens vergund! Maar dat den Burger stouter begint te worden is maar in ’t geheel niet mooy van hem. – Nu – gij moet denken het is een Jongen, en men zegd immers dat die altijd Stouter zijn, als ze kinders zijn. – De Kinders die ik nu Zie, zijn mij, eevenals U, thans veel interessanter als voorheen, want yder hunner, als ik er zoo een op den Arm zie draagen herinnert mij den Onzen. – Het zal U zeeker vreemd voorkoomen, liefste JettePsn als Uw Baaker weggaat, en gij alles zelfs zult moeten redden met den kleinen Jongen; maar Eeven daarom dunkt mij, moet gij op een goede Meid verdagt zijn. – Dat gij hem aan Miene niet wilt vertrouwen, omdat zij nooit met Kinders heeft omgegaan, is goed, en voorzigtig, maar Vrouwtje moet ook niet teveel op haar neemen en zich doch ook niet te veel verslaaven. – Dat wil ik niet! – en het wiegen ’s Nachts, daar moet gij hem doch niet teveel aan gewennen; dat zal mij ook vreemd voorkoomen, als ik eens weer bij U ben. – Zullen wij dat ook beneeden blijven slaapen; of weer naar booven gaan? Hoe denkt gij dat te schikken? – O! was ik er maar eens, dan zou zich dat alles wel redden. – Niet? – wat denkt gij? – gij meend dan, dat hij een teer Kindje zal blijven, dat is niets als hij maar gezond is; dan word hij ook alert en gaauw, meer als die lompe logge kinderen. – Een meisje, jaa, dat wilde ik nu ook wel hebben, en wie weet of God het ons niet beschikt; – dan had Vrouwtje haar Wensch, en het zou de Naam van Amilie hebben, naar onze lieve Moeder! O! die maanden van Juny en July van Voorleeden jaar, wat waren die Bitter voor mij, en voor U! Als ik zoo om alles denk, lieve Henriette, hier in mijn Eenzaamheid; wat heb ik dan niet Stof tot danken, dat in die tijd dat mij alles wat mij dierbaar is, ontrukt is, ik juyst toen, of zoo kort te Vooren weer zooveel weerom bekoomen heb, en in Plaats van mijn Ouders die ik verloor, U mijn beste tot Vrouw gekreegen en kort daarnaa, zelfs door U, Vaader geworden ben! En dus weer door Nieuwe, nog dierbaare Banden aan het Leeven gehegt ben geworden. Mogten wij nu maar het genot van het huisselijk geluk, in Stilte, Rust en Vreede met elkaar eens genieten? – O! daar wensch ik smagtend naa!! – De Heemel vergunne het ons Spoedig! – Wat hebben wij ook nog niet een Boel te Maastricht te beredderen, en dat moet doch ook gedaan zijn.

Als ik aan dat Maastrichter huishouden denk, dan ergert het mij, dat wij daar die onnoodige zal ik niet zeggen want zij moeten er zijn, maar om beeter te zeggen, leegloopende Personages daar moeten onderhouden, en dat gij U te Zwolle, zoo behelpt. – Want daar hebt gij nu Volstrekt niets aan, en waren ze bij U, daar wij ze doch betaalen moeten, dan had gij ten minsten een ordentelijke huishouding naar uw staat en rang. – Knegt, Keukemeid, Kamenier en Werkman had gij dan bij U; en teegenswoordig zijn ze u van geen Nut. Maar gij beseft met mij dat het niet anders kon, en dus moeten wij er ons in schikken, en hoopen maar dat wij het spoedig beeter tot ons gemak en voordeel zullen kunnen inrigten. – Kunnen wij ons huis, zoomaar eens met een Coup de Baguette van Eene of andere goede Fee van Maastricht naar Zwolle verzetten, met al wat er in is; dan was Vrouwtje wat Convortabeler gelogeert als zij thans is. Maar dat zijn Vrugtelooze Wenschen! En dus, daarvan afgezien!

Nu nog verder geantwoord op Uw laatste. Ik zie met genoegen dat gij de Huishuur van het Vierendel Jaar vervallen 20e December aan den Pastoor betaald hebt. Met het Nieuwjaar aan ’t Kind van Joseph hebt gij zeer wel naar mijn zin gehandeld. De wijn moet gij maar neemen bij Bodde naa dat gij noodig hebt, en U vooral niet laaten manqueeren. – Bederft ze met de flesschen neer te leggen, dan moeten wij ze maar in de mande laaten of overend zetten, dat houd misschien aan de Kelder.

Gij hebt nu zeeker mijn No. 52 ontfangen, en daarmeede mijn Wissel voor Nicht van Huls, zoodat gij bevonden zult hebben, dat ik u niet in Verleegenheid gesteld heb, met U aanwijzing te geeven op de 2 Coupons die in February en Maart vervallen; ik wilde dat niet in de onzeekerheid risqueeren, en prefereerde dus, u maar een Wissel voor haar te zenden. Dat is dus ook gered. – In den Haag heb ik bij Zeekere Notaris H. Indeweij, die Zaaken van moeder in handen had, weer nog f. 625,- tegoed, daar wij ook oover disponeren zullen; en dan ook nog een goed restantje te Rotterdam bij Hudig tegoed. – Ik wagt nu weer Brieven van Willem van Hogendorp oover eene Reflectie die ik hem gemaakt heb omtrent zijn jaarlijksche Reekening Courant die ik hier van hem ontfangen heb. En ben Nieuwgierig naar zijn Antwoord. Les bons Comptes font les bons Amis, zegd het Spreekwoord, en daar houde ik veel van. Ik heb hem maar Cordaat mijn meening geschreeven.

Chaveau beeterd weêr, en Hillers is ook bijna weêr klaar. D’Hauw, de mooie jonge is niet Daud, maar van Adjudant Major word hij Capitein in ‘t 2e Battaillon in Plaats van den gesneuvelde Papet, en is met Verlof, zoo men zegd om te trouwen in Noordholland. Root word naar alle gedagten Adjudant Major in zijn plaats en doed er reeds de functie van by den Colonel Crass.

Ik hoop dat broer Rhijnvis thans weer beeter zal zijn; – en het kindje van Piet ook weer mag herstellen. – Uw man, lieve Henriette, kan ik u verzeekeren dat zeer welvaarende is, en hem niets manqueerd als bij zijn Jette Psn te zijn. In de franse Courant van Francfort van gister Artikel uit den Haag stond ‘qu’on attendait incessament les Troupes Bataves de retour de l’Allemagne dans leurs anciens endroits de garnison. – Ag si cela se verifisch seulement! – Het doed mij Plaisier dat gij Nicolay weer hebt om u les te geeven. En het gezonden Airtje door hem ook geapprobeerd werd. – Het was meer voor de Woorden als voor het Musiek, dat ik het u gezonden heb. –

Als het bij U zoo koud is als hier,zal Alexander vooreerst nog niet uitgaan. – Hier een kusje ʘ

Voor hem, en Duizenden voor zijn beste Moeder, van weegens hem teederlievenden Vaader en altoos getrouwen man.

In de marge op

Pg. 1: Gij zoud niet gelooven, Henriette, hoe goed hier het publique onderrigt in de Schoolen ingerigt is. – En met welk Zorg de Educatie hier bewaakt word. – Alle Maanden is er eene ProbSchule, of Examen, der Schoolkinderen in Pretentie van den Magistraat, en deeze week ben ik daarbij teegenwoordig geweest, en was zeer voldaan, en verwonderd van de Vorderingen der Kinderen: – maar ook hebben de meesters een goede manier van Onderwijzen.

Pg. 2: Broer Jan heeft dan doch Prolongatie van Verlof verkreegen, wijl hij eerst Zondag den 1e Februarij naar den Haag weer vertrokken is. Het is mij lief dat gij met hem op ’t orgel geweest zijt, en weer eens aldaar gezongen hebt: – waarom zoud gij dat niet doen? Gij doed ook wel Uw zwartranden Papier maar eerst op te gebruiken. – Hartelijke groeten aan Papa, Mama, Elsje en onze Broeders; Everard en Bernard zullen wel gegroeid zijn.

Pg. 3: Zondagochtend Gister heb ik de Major Van Berchuys met Lieutenant Moelzberger en de officieren Major Pfenninger Van Helzingen bij mij te gast en ter visite gehad, alle drie zeer welvarende, en verzoeken haar Complimenten aan U en 1e en laatste aan hun Vrouwen. –Adieu liefste, braave, beste Vrouwtje!

Pg. 4: Dat geduurige wagten en Uitstel, begingt mij IJsselijk te verveelen. Had ik het geweesten dat het zoo lang zou duuren! Maar al had ik nu eens na Nieuwjaar Verlof gekreegen voor 2 maanden; – en dan had ik nu weer mij op de terugreis moeten begeeven, hetwelk zeer ergerlijk zou zijn: ik wou het gaarne zoo inrigten, als ik vooruit ging, dat ik de terugreys kon spaaren: vind gij dat ook niet? – Ydere dag is er doch eene naader tot ons retour.

Op los blaadje:

Zondag ogtend, den 15e Frbruarij 1801

Capitein Van de Poel die Eergister naar Wurzburg geweest is om geld te haalen en gister weer daarvan daan is gekoomen, verteld ons dat Capitein Heiligers van de jaagers al weerder terug is in Wurzburg en dus is zijn verlof van korten duur geweest; Intusschen heeft hem de reis oover de Tweehonderd en Sestig guldens gekost, dat wel te gelooven is, in het wintersaisoen.

Ik wenschte toch wel eens te weeten welk het Reis Project van Vrouwtje geweest is, daar zij mij eens over geschreeven heeft. En hoe zij het overlegd zou hebben, om zooVerre herwaarts te koomen? De generaal Augereau is van Wurzburg naar Parijs vertrokkken. Dit wierd mij laatst als een goed voorteken opgegeven tot ons retour naar `t vaderland dat namentlijk als de generaal vertrok, wij dan ook schielijk weêr terugzouden marscheeren. En God geeve dat het waar mag worden! – De koude is wat vermindert. Heeden is het zoo lief weêr! Ach kon ik nu met vrouwtje gaan wandelen! Wat verlang ik daarnaa! Adieu très chere, je te serre contre mon coeur.


Brief no. 55 (geen ontvangstdatum)

Dettelbach, den Vrijdag 20e en Verzonden Zondag den 22e Februarij 1801

Dubbele Goede Tijding, liefste Henriette! Vreede en Verlof!

Dit wierd mij tegelijk door den Colonel Crass, naamens den generaal Dumoneau aangekondigt! in den Nacht tussen den 18e en 19e deezes. Het eerste zult gij eerder als door mij reeds door de publique Nieuws Papieren ontwaar geworden zijn; want zeekerlijk zullen er ook Couriers met die gewigtigen Tijding naar den Haag afgezonden zijn; maar het 2e gaat ons alhier aan, en is ons van zoo veel waarde! – welke Vreugde en welk Geluk! Eijndelijk word het mij vergund U mijn geliefde te gaan zien, U, en ons Kind te omarmen! En wat meer is, ik heb het niet behoeven te vraagen, de generaal heeft het mij van zelfs uit zijn Eijgen Beweeging toegedacht! Gij weet dat hij bewust was van de Noodzaakelijkheid die er voor mij was, om Ordre op mijn Zaaken te gaan stellen; dat hij mij gezegd had: – in October toen hij ’t mij weigerde: – dat als hij kon, hij ’t mij dan ook direct geeven zou, daarnaa heb ik er ook niet meer om gevraagd; maar nu ook, zooals de Tijding van de tusschen de fransche Republiek en ’t huys van Oostenrijk geslooten Vreede daar was, zoo heeft hij voort aan mij gedacht en aan den Colonel Crass gezegd /: die juist dien dag te Wurzburg was :/ dat hij mij Verlof gaf; – en daarop ben ik gister naar Wurzburg geweest om hem te bedanken, en te zien of ik een of andere reis-Compagnon kon vinden, maar daar is niemand, die juist nu vertrekt, zoodat ik met Frederik alleen de Reis zal aannemen, en thans ben ik beezig om mijn preparatien te maaken. Alles in order te brengen om het Commando van het Battaillon aan den Major Van Berchuys over te geeven, en dan vertrek ik van hier, en Vlieg naar U toe. Gij wilt niet dat ik de reis Zoo schielijk, dag en Nacht door doe als de Ritmeester Blok, dus zal ik het wat langsaamer Opneemen, en wat meer Nachtrust onderweegs neemen. Om U geen ongerustheid te geeven, zeg ik u niet de Dag van mijn Vertrek nog de Vermoedelijke Dag van mijn Aankomst, omdat men volstrekt niet weeten kan wat er voorvalt en wat mé of tegen kan vallen, maar ik hoop niet in ’t geval te zullen koomen van U nog een Tweede Brief naa deeze te schrijven; – dus schrijft mij ook niet meer naar hier, naa Ontfangst van deeze Brief en ik hoop alsdan ook niet lang meer uit te blijven.

Onze Trouppes staan nu ook binnenkort naar ’t Vaderland te retourneeren, en mij weldraa te volgen, maar ik zal wat schielijker zeizen als of ik met het Battaillon kwam, en dan hebben wij ook nog wat meer tijd om onder ons, buiten het werk en de Bezigheeden van Commandant, te kunnen spreeken, en verkeeren.

Mijne Intentie is om van hier op Transport met Rijtuig te gaan, en van daar op Maintz, en neemen aldaar het Schip de Rhijn af tot Keulen, om verder met Postwagen of Rijtuig op Nymweegen te koomen en zoo, naar Zwolle – hoe aangenaam klinkt mij die Naam in de ooren!! – Schrikt en Ontsteld nu maar niet als ik kom, dat bidde ik U mijn JettePsn – want ik wil u niet als genoegen geeven. – het is mij veel aangenaamer het Verlof aldus ongevraagd ontfangen te hebben, dan als ik er om gevraagd had, en er is mij geen tijd bepaald, maar gezegd, dat als ik in de republiek was, ik mij verder als ’t noodig was aan den Agent van Oorlog kan wenden.

Dat zal zich alles wel schikken, als ik er maar eens ben, en daar is nu doch de beste kant toe: – gij zult u dus niet vergist hebben, met te zeggen dat Gij mij nu wagte zoo als Blok ook meende, dat ik komen zou.

Uw Brief No. 41 van den 7e deezes, heb ik weêr maandagavond den 16e ontfangen en ik bedank u voor al de gegeevene détails wegens het Doopen van Alexander; – alles, alles zoals gij het gedaan en bezorgd hebt approbeer ik zeer en ben er volkoomen met tevreeden. Wegens Mevr. P. heb ik U reeds in mijn Voorige gemeld dat ik ze niet kon, maar is het niet Pluis, zoo als ik bij naadere Informatie, nu ook al verneem, dan is het het Beste om dat maar zoo lansaamerhand te laaten slijten, en niet aan te houden. – Ik kan u verklaaren dat dit het eerste is dat ik er van hoor, en waarom zou men kwaad van iemand denken als men er geen Reede toe heeft? – wat gij mij van Alexander zegd, dat hij de Dauw Wurm zou krijgen, doet mij zeer leed. – Arme Jonge! – en gij zegd het staat afschuwelijk, dat is een IJsselijk woord! Ik ken het niet recht wat het is alzoo ik nimmer veel met kinders heb omgegaan, maar ik wil nog hoopen dat het schielijk vergaan zal. Ik weet ook niet of ik het in mijn kindsheid gehad heb, en herrinner mij niet het van moeder te hebben hooren zeggen, nog ook van mijn zuster. Enfin, is het zoo dan moeten wij er ons geduldig aan onderwerpen, en niet murmureeren, alzoo het voor zijn best kan zijn. De lijdende aan de Influenza of Griep wensch ik spoedige beeterschap en recommandeer u vooral om ze niet te krijgen. – Als de Baaker vertrekt en gij weer booven wilt gaan slaapen, is het mij lief, maar dan zie ik niets van uw arrangementen. Zoo als gij ze gehad hebt in mijne Afweezigheid, en, als ik nu kom heb ik geen Commando van het Battaillon, maar geloop zal er doch altijd zijn van lieden die mij koomen spreeken: en is de Verhuizing geschied vór dat ik kom, dan is dat al aan de kant, dus doed zoo als gij wilt. Maar neemt gij dan niet een meid in de Plaats van de Baaker want gij kunt immers altijd niet het Kind hebben.

Nu Adieu très chere, à revoir! Eyndelijk is het doch zoo verre. Mijn hart vliegd U teegen, en ik omhelze u al in gedachtenl Ik bezit mij niet van Blijdschap! Geheel Uw Sandick!

Chaveau is aan ’t beeteren
En Hillers ook bijna weer klaar.

In de marge op

Pg. 2: Wouters die met de Paarden en … naa zal komen, verzoekt weer aan zijn Vrouw vijf Guldens te betaalen die hij bij mij had laaten staan. – Het spijt hem dat hij voort niet mee kan gaan. Idereen hier is blijde over de Vreede, die Eyndelijk … aan Duitschland wedergeeft.

Pg. 3: Groet alle Vrienden, ouders en broeders en Elsje, en zegd hun dat ik overhaast hoop bij hun te zijn. En wat zal Vrouwtje nu blijde en in haare Schik zijn! – O! en ik ook! Tegen half Maart hoop ik er te zijn, en eerder als ’t moogelijk is. Duizend kusjes très chere met Alexander.


Kapitein O. Z. van Sandick in De Navorscher, 1889
vanSandick.com