Archief Stamboom Kalender Links Gastenboek Contact
Van Sandick
wapen

Hoofdstuk XIX
uit “Het geslacht van Sandick”, 1960

Rudolf Adriaan van Sandick
6 december 1855 - 25 januari 1933

Deze tekst is niet compleet.
Rudolf Adriaan van Sandick.

Het is niet de bedoeling hier een enigszins volledige levensbeschrijving te geven van mijn vader. Dit lange leven - hij stierf op 77-jarige leeftijd, tot het laatst toe zijn werk verrichtende - was zo veelzijdig, het terrein zijner werkzaamheden zo uitgebreid, terwijl hij zijn leven lang zo enorm veel heeft gepubliceerd op allerlei gebied, dat een uitvoerige studie - en meer plaats dan in deze „familiegeschiedenis" past - hiervoor nodig ware. Helaas is nooit een wat uitvoerige levensbeschrijving van hem verschenen, ook niet na zijn overlijden, hoewel men deze in „De Ingenieur", in welk weekblad hij zovelen zo voortreffelijk had herdacht, wel had mogen verwachten. Zijn opvolger, Ir. Wouter Cool, volstond met een kort „Ter herinnering" in De Ingenieur van 3 februari 1933 (zie C.C. 1). Diens voornemen om een uitvoerig levensbericht voor de Nederlandsche Maatschappij voor Letterkunde te schrijven bleef achterwege. Wel waren bij diverse jubilea korte levensbeschrijvingen van hem in De Ingenieur verschenen, o.a. in 1923 (De Ingenieur 1923 no. 4, 17/8 - zie C.C. 1) bij zijn 25-jarig jubileum als algemeen secretaris van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (dat ik verder zal noemen „het Instituut", zoals het bij ons thuis steeds genoemd werd); bij zijn aftreden als zodanig in januari 1932 (De Ingenieur 1931 no. 52 en 1932 no. 1-3 - zie C.C. 1) - op 76-jarige leeftijd! - waarna hij nog één jaar honorair adviseur was. - Men zeide dat een levensbericht daarom zo moeilijk was, omdat door zijn veelzijdigheid niemand capabel zou zijn dit levensbericht te schrijven. Wél maakte zijn trouwe secretaresse, Mej. C. Ch. G. Burck, die hem van 1901 tot zijn dood toe terzijde stond, voor intern gebruik in 1923 een levensbericht op (zie C.C. 1), waarvan al zijn kinderen in 1943 een doorslag ontvingen. Bij het origineel in ons archief is gevoegd een lijst van de honderden artikelen, die hij in de loop der jaren in De Ingenieur schreef. (Zie ook zijn eigen biographische notities in map C.C. 1; slechts lopende tot circa 1905).

Rudolf Adriaan, genoemd naar zijn grootvader R. A. Mees (de familieleden Mees noemden hem Ru, maar zijn vader de dominé hield niet van afkortingen dus werd hij thuis Rudolf genoemd), werd 6 december 1855 in Terborg, gemeente Wisch, geboren als oudste kind uit het tweede huwelijk van Ds. van Sandick (met M. C. A. Mees). - Hij volgde de dorpsschool in Terborg, vervolgens de Lagere School van Campert te Zutphen, ging daarna (in 1867) naar een bekende kostschool (van de Jong) in Nijmegen en deed in 1869 admissie-examen voor de 3de klas der H.B.S. te Deventer (de H.B.S. was toen een nog nieuwe instelling, gevolg van de wet van 1863), deed te Deventer in 1872 eindexamen en werd op 16-jarige leeftijd student aan de Polytechnische School te Delft, waar hij het eindexamen voor civiel-ingenieur deed in 1878, dus 'na 6 jaar, wat voor die tijd niet zo bijzonder snel was. Hij was dan ook een joyeus student, was lid van de Senaat en van de Almanak-redactie, had als student al veel belangstelling voor sociale vraagstukken, dank zij Prof. Mr. B. H. Pekelharing en diens studenten-debatingclub. Hij woonde Oude Delft 62 bij juffrouw van der Pijl, wier dochter Jans haar moeder hielp. — Zijn zoon Onno (die 39 jaar later als student aankwam) woonde daar ook. Het dochtertje van toen, inmiddels een vrouw op leeftijd, placht te zeggen als deze Onno soms eens enige overlast bezorgde: „ach, ik denk maar, het is een kind van zijn" —.

Dispuutgenoten van Rudolf of „Sam", zoals hij in Delft genoemd werd (er waren toen niet de gewone jaarclubs zoals later; zijn dispuut heette O.K.W.: Oefening Kweekt Wetenschap) waren o.m. Goedkoop van Nelle en Nieuwenhuys.

Als student (in 1876) verbond hij zich om na zijn ingenieursexamen als waterstaatsingenieur naar Indië te gaan.

Ook nog als student ging hij in de zomer van 1877 practisch werken aan een waterstaatswerk te Genemuiden, terwijl hij na zijn ingenieursexamen (er was toen niet direct plaatsingsmogelijkheid in Indië) in 1879 buitengewoon opzichter werd van de Rijkswaterstaat aan de Hoek van Holland (beide malen onder ingenieur Leemans). In 1879 ging hij (op 23-jarige leeftijd) naar Nederlands Indië als adspirant-ingenieur, in 1882 werd hij ingenieur 3de klasse. Hij was in Indië werkzaam bij irrigatiewerken in Kendal (bij Semarang), bij wegenaanleg in Bantam (Lebak) en bij bevloeiingswerken in de Afd. Indramajoe bij Cheribon.

In 1883 werd hij overgeplaatst naar Sumatra's westkust, maakte op het s.s. Loudon de uitbarsting van de Krakatau mee, werd in Padang wegens malaria afgekeurd voor de Tropen en vertrok voorgoed naar Holland. - Na 4 jaar was zijn Indische carrière afgelopen; zijn grote liefde en belangstelling voor Indië bleef zijn gehele verdere leven. Hij zag Indië tweemaal terug, in 1912/3, dus na 30 jaar, toen hij voor de Perlak-Petroleum Mij (Gebrs. Deen) naar Indië ging in verband met de Djambi-concessies, en de laatste maal in 1920 voor de opening van de T. H. te Bandoeng (die voor een belangrijk deel zijn werk was) en het ingenieurscongres te Batavia.

 

Bewaard zijn gebleven alle brieven, die Rudolf vanaf zijn prilste jeugd (toen een donker jongetje met zwart kroeshaar, zie het foto-album no. A.Z. 1) aan zijn ouders schreef, evenals toen hij student was en later uit Indië tot 1884); alleraardigste brieven. - Omgekeerd heeft Rudolf ook alle brieven bewaard, die hij van zijn ouders ontving. Hierbij zijn ook de brieven, die zijn ouders bij zijn geboorte in 1855 ontvingen. - Zie hierbij ook (map CC 13) Delftsche en Indische herinneringen, o.a. in Indië van vrienden en familieleden ontvangen brieven.

 

In Nederland teruggekeerd werd hij in 1884 leraar in de wis-, natuur- en werktuigkunde aan de H.B.S. te Deventer, waar zijn ouders toen nog woonden (beiden stierven kort daarop), dezelfde H.B.S. die hij 11 jaar tevoren verlaten had.

 

8 Jaren was hij leraar in Deventer. Het leven in een provinciestad beviel hem maar matig, terwijl ook het leraarschap hem niet bevredigde. Een voordeel vond hij de lange vacanties; de eerste dag van de zomervacantie vertrok hij, zolang hij ongetrouwd was, voor een buitenlandse reis.

Tot zover de eerste 10% van het hoofdstuk...

Oprichtingsbrief van de van Sandick Stichting
vanSandick.com