Hoofdstuk IX
uit “Het geslacht van Sandick”, 1960
Aemilia Henriette Wilhelmina van Haren 1738-1800
Van deze zeer bijzondere en opvallende vrouw is veel bekend, zodat men een zeer duidelijk beeld van haar heeft, ook letterlijk door het portret van Spinny, vlak voor haar huwelijk in 1758 gemaakt. Aardig en tekenend is de episode, die Halbertsma (Letterkundige Naoogst, 2de deel blz. 459) verhaalt:
„De kinderen van Onno Zwier speelden eens in de zomer van 1754 in Oranjewoud met de kleine prins (later Willem V) en zijn zusje Caroline. Bij een wandeling nu, die wat lang uitviel, gebeurde het dat de kleine prins een hevigen dorst kreeg en gelijk kinderen plegen, ieder ogenblik weer om drinken begon te dwingen. Er was nergens water in de omtrek en de lessen van geduld leschten den meer en meer brandenden dorst niet. Eindelijk komt men bij eene modderige veensloot, die wemelt van allerlei amphibiĆ«n. De kleine Prins krijgt nauwelijks het water in de oogen of vliegt toe en wil met beide handjes scheppen. De hovelingen houden het kind; bidden en smeeken, maar de tegenstand verdubbelt de begeerte; de Prins worstelt zich aan de bevreesde handen los en zal drinken. In dit oogenblik schiet freule Amelia toe, zij plaatst zich voor de sloot, steekt den fieren nek in de hoogte, en den kleinen Prins met den dreigenden blik eener koninginne in de oogen ziende beval zij hem op hoogen toon, om niet aan het water te roeren. De kleine vorst, geheel van dat vreeselijk paar oogen verbluft had niets meer te zeggen, en wachtte geduldig tot men aan gezond water kwam.
Het was omtrent 40 jaar daarna, toen al de leden van Onno's gezin dit gevalletje bijkans vergeten waren, dat jonkheer Willem Anne eens zijn opwachting bij den Stadhouder maakte. De vertrekkamer zat vol menschen maar de Prins had toen, gelijk meermalen, lust om van de complimenten der sollicitanten adem te scheppen, door eenige oogenblikken over allerlei dingen met een vriend zijner jeugd te keuvelen. Zo van het een op het ander komende vroeg de Prins eindelijk: „Herinnert Gij U nog Haren, die wandeling, toen Uwe oudste zuster mij het drinken uit eene moddersloot verbood". Jonkheer Willem Anne, 5 jaar oud toen het gebeurde, herinnerde zich niets, maar de Prins, toen slechts een jaar ouder, wist hem de bovengenoemde omstandigheden hairklein te verhalen, eindigende met de woorden: „Nooit vergeet ik die oogen Uwer zuster. De dorst verging mij ervan."
Dat zij zeer intelligent was blijkt uit hetgeen van haar in ons archief is; zij was een zeer ontwikkelde vrouw, die haar kinderen, ook dus Onno Zwier, alle grondbeginselen geleerd heeft. Er is een door haar zelf geschreven cahier van 1765 (R.3a), toen zij dus twee jaar weduwe was, met het opschrift „Eenige vraegjes voor Kinderen uyt het Fransch overgezet. Ae. H. W. van Sandick, geboren van Haren", alleraardigste (en dikwijls zeer moeilijke) vragen en antwoorden over allerlei onderwerpen als: de Tijd (40 vragen), over de cosmographie (43 vragen), over de geographie (48 vragen), over de Historie met weer aparte vragen over het Duitsche, Turksche en Russische Keizerrijk.
Zij schreef een zeer duidelijke fijne hand, die men direct herkent, met rechtopstaande letters, misschien wel enigszins de hand van haar vader, die ook zeer duidelijk maar forser schreef.
Zij schreef ook voor haar kinderen gebeden over (R.3b): prières du soir, prières après et avant le repas, opmerkingen over opvoeding e.d. Ook is van haar bewaard gebleven een perkamenten boekje met aanhalingen uit schrijvers, hoewel ik betwijfel of dat door haar geschreven is (R.5b).
Zij kende haar talen uitstekend. Zij schreef meest Frans, doch dan echt Frans en niet het Frans, dat in de 18e eeuw dikwijls in ons land geschreven en gesproken werd, dat niet anders dan vertaald Nederlands was, zoals b.v. zelfs de stadhouderlijke familie het schreef en O. Z. van Haren ook, hoezeer hij zich ook op zijn Frans beroemde. - Trouwens ook haar zoon O. Z. van Sandick schreef (en sprak natuurlijk ook) uitstekend Frans. Ook haar Nederlands is volkomen zuiver en dan ook zonder Franse woorden of gallicismen, een goede eigenschap, die men dikwijls kan opmerken juist bij degenen, die uitstekend een andere taal naast het Nederlands gebruiken. Bij Aemilie en haar zoon Onno komt men ook geen Hollandse woorden tussen de tekst tegen zoals anders zo dikwijls, omdat de schrijver het Franse woord niet kent. Wel gaan zij beiden in hun brieven aan Onno's vrouw Henriette Feith zo nu en dan ineens over naar het Nederlands (of omgekeerd) wat een aardig effect geeft.
Aemilie heeft haar kinderen niet alleen Nederlands en Frans, maar ook Duits en Engels en zelfs Latijn geleerd; dit blijkt ook uit een Latijnse brief, die Onno op zijn 8e jaar aan zijn moeder schreef ter gelegenheid van haar 30e verjaardag, en de twee Duitse brieven (die alleraardigst zijn), toen hij circa 10 was aan zijn stiefvader Generaal Schmid, een Zwitser van geboorte (R.5).
Een zeer bijzondere kijk krijgt men op haar door de 11 bewaard gebleven brieven (R.2) die zij in 1799-1800, dus in het laatste jaar van haar leven, schreef aan de aanstaande vrouw (later in dat jaar de echtgenote) van haar enige zoon Onno. Haar handschrift is in die 40 jaar niets veranderd. Zij was toen 61, maar was ernstig lijdende aan dikke en open benen, waardoor zij zeer vermagerd was, zoals Onno op 22 april 1799 (R.9) aan Henriette Feith te Zwolle schrijft, waar hij toen als overste in dienst was, terwijl zij zelf ook in Zwolle woonde ('s zomers buiten op Boswijk): „Oui ma chère Henriette, je suis profondement attristé; ma pauvre mère souffre et souffre beaucoup" zoals hij juist uit een brief van haar gehoord heeft ... „elle qui est si active et toujours agissante pour son mari malade (haar tweede echtgenoot Schmid was toen 84) et son ménage. Elle me dit qu'elle sent qu'elle dépérit a vue d'oeuil, qu'elle maigrit (elle, qui avait beaucoup d'embonpoint)".
Maar in haar brieven aan haar (toekomstige) schoondochter klaagt zij zeer weinig; zij is buitengewoon verheugd, dat haar 40-jarige enige zoon, ja enig kind (want haar dochter Lucie was 8 jaar voordien in 1791, op 33-jarige leeftijd, kort nadat zij ten tweede male een doodgeboren kindje had gekregen, na een tweejarig huwelijk met Adriaen van den Santheuvel, overleden) thans een bruid gevonden had.
„Mademoiselle" begint haar eerste brief, de enige die ongedateerd is, „c'est avec un vrai et sensible plaisir que je commence aujourd'hui une correspondence avec celle qui peut repandre tant de consolation sur le reste de mes jours...."
„J'ai comme vous mademoiselle suivi une espèce de ceremoniel pour cette 1re lettre", maar voortaan wil zij dat het slechts zal zijn: ma chère amie ou ma chère Henriette. Haar eerste brief ondertekent zij nog: Votre très humble servante Ae. H. W. Schmid, née de Haren, maar de verdere steeds: votre bien bonne amie, of: Uw allerbeste vriendin. Zij spreekt in haar brieven aan HenriĆ«tte van: le cher Sandick, elders van: ce bon et digne Sandick (al zal zij waarschijnlijk tegen hem zelf wel Onno gezegd hebben, maar brieven van haar aan hem zijn niet bewaard gebleven, hoewel Onno zelf deze toch zeker bewaard moet hebben). - Op de verdere inhoud van de brieven kom ik nog terug, omdat daarin juist valt de periode dat hij van Zwolle naar Noord Holland moest wegens de inval der Engelsen, waarbij hij ook gewond werd. Naar aanleiding van hun huwelijk (dat echter wegens deze inval uitgesteld moest worden) schrijft zij aan haar zoon, of feitelijk aan beiden: „U geluk maekt het mijne. Ik heb U een gezegende gezellinne gewenscht, gij hebt ze uytgezogt, indien nu die lieve God er zijn zegen op nederzendt wat kunnen wij beyde dan beter wenschen. Nu lieve Kinderen, dit Bladt is voor U beyde geschreven; tijd nog omstandigheden laten mij toe aan Henriette een brief apart te schrijven. Gij zult dit immers saemen lezen. Mijn opregt moederlijk hart meent al wat het U wenscht en zegt en bij deze gelegentheyd en alle dagen van U leven. Moge het lang en gelukkig zijn. Och met welk eene ontsteltenis schrijf ik dit alles! Mijn leven loopt ten eynde. Ik zal er niet lang meer zijn, og mogt dan nog mijne gedagtenis bij U in zegening blijven en moogt gij dan nog eens zegen, al dat goede dat wij te saemen genieten, heeft die oude lieve moeder ons zo hartelijk gewenscht en van den Hemel voor ons afgebeden. Dit is mijn Enigsten troost en daer mede eyndige ik zijnde voor altoos U teedere en liefhebbende moeder Ae. H. W. Schmid."
Voordien, op 14 juli 1799, dankt zij Henriette voor „ce délicieux pot de beurre" die zij van haar en haar zuster Elsje gekregen heeft: „cela fait mes délices tous les soirs et surtout le matin à mon déjeuner; o, dan smul ik daer zoo lekker van! en dan denk ik met erkentenis aan die beyde Lieve susjes, die mij dat bezorgd hebben en die mij, hoewel nog onbekend, Vriendschap en Liefde zoeken te bewijzen. Hier nevens een klein doosje van onze vermaerde Maestrichter Confituren voor Mejuff.en Elsje en Henriette" -.
En als zij, nadat de Engelsen zijn weggetrokken en van Sandick hersteld is, op 1 december 1799 te Zwolle trouwen, waarvoor zijn moeder niet uit Maastricht kan overkomen, schrijft zij nog enkele brieven. 6 December schrijft zij: „Aujourd'hui j'ai 2 petits gastes à l'honneur de St. Nicolas, une petite Caroline de Santheuvel agée de 5 ans et une Fritz, agée de 31 1/2 ans (kinderen uit het derde huwelijk van haar schoonzoon van den Santheuvel met Truitje van Hogendorp, dochter van haar zuster Caroline van Hogendorp, dus een zuster van Gijsbert Karel; (deze „Fritz" was een meisje, Frédérique Amelia, dus genoemd naar het echtpaar Schmid), waarop dan een toespeling op een gehoopt spoedig grootmoederschap volgt. - In de op een na laatste brief schrijft zij o.a.: „Hoe vergenoegd ben ik als 't geen ik U kan toezenden U aengenaem is. Een ieder heeft altoos mijne kanten mooy gevonden. Vinde ze Jetje ook mooy en kan zij er nog eens gebruyk van maken, 't zal mij hoogst aengenaem zijn. De hedendaegse modens kan niemant die eenigszins wel denkt approbeeren, zij werden in ons land gebragt door het allerslegtst soort van, vrouwen dat de legers volgt, en hoe veragtelijk moet het niet zijn, ja zelfs allerdroevigst in de oogen van een brave moeder wanneer haere dogters alle die veragtelijke sotheden willen nae apen. Mijn goede Lucie heeft nooyt dergelijke gedagten gehad en mogt ik nog eens zeggen kunnen: mijne lieve Henriette ook niet. Denkt hoe groot het onderscheyd is tussen een jong meysje en de vrouw van een deftig en bejaard (40!) man, zoals gij nu zijt, jae een man die voor zig zelfs ook nooyt naer modens maer na nettigheid en ordentelijkheid in zijne geheele kleeding gestaan heeft. Zegt hij het U al niet terstond, hij zal het nog niet minder gevoelen. Dat kleden zonder rokken en dat opbinden van de borsten, die spencers & &, Lieve Jette dat past U niet meer, nog voor U gezondheid nog voor de gezonde reden, nog veel min indien gij eens swanger wierd." - Zo gaat zij nog even door en raadt haar aan: „goede warme rokken, een dag zooals den ander gekleed, goede warme mantels voor kerk en voor reyzen, dat moet gij hebben en daer moet gij U van nu aen vastelijk aen zoeken te gewennen."
In maart 1800 komt het jonge paar de moeder in Maastricht opzoeken, terwijl de hartewens van haar vervuld is: Henriette verwacht haar eerste kind. Na het bezoek op 11 april 1800 (op rouwpapier, want generaal Schmid is de 10e dag van de nieuwe eeuw gestorven, gelukkig nog vór haar, zodat hij - wat Onno had gevreesd - niet alleen als stokoud en enigszins kinds man achterbleef) schrijft zij: „Met hoe groot en hartelijk verlangen verwagte ik niet een brief van mijn Lieve! Lieve! Lieve dogter Henriette, eyndelijk kwam die brief en dien heb ik al tienmaal doorgelezen.... dus maar dankbaer voort gegaen in U swangerschap, en dan hopen dat er een gezonde vrugt uyt zal voort komen. Alle dag van mijn leven wensch ik dit voor U. Mogt ik het nog mede beleven!" - Doch dat was haar niet gegeven, 2 maanden later, 26 juni, was zij overleden en 25 oktober werd haar kleinzoon Johan Alexander geboren, terwijl de vader op een veldtocht in Duitsland was.
Over het overlijden zijn geen brieven, zodat aan te nemen is dat zoon en schoondochter rond het sterfbed der zo geliefde moeder hebben gestaan. - Ook Halbertsma, die in zijn aantekeningen zeer betrouwbaar schijnt, vertelt: „Henriette Feith heeft mij verhaald dat zij bij het sterfbed van hare schoonmoeder present is geweest, hetwelk zo voorbeeldig naar haar zeggen was dat haar man Onno zeide: „Zulk een sterfbed als dat van moeder mocht ik ook hebben." - Op een andere plaats schrijft hij echter dat een zuster van Henriette aan Mevrouw W. A. van Haren (geb. van Heemstra, de heldin van Een vergeten proces) verteld zou hebben, dat zij een ongerust, een boven beschrijving ijselijk sterfbed had gehad. De eerste mededeling zal wel de juiste zijn, de tweede zal wel thuishoren bij de praatjes: zeker nog bedoeld als Gods straf. - Halbertsma schrijft ook dat - toen zij op haar laatste krankbed lag - haar zoon en zijn vrouw naar Maastricht overkwamen. Zij was verrukt haar zwangere schoondochter te zien en telde op haar vingers de maanden die zij nog leven moest om de eerstgeborene van haar zoon te zien, welk geluk haar echter niet beschoren was.
Ook Halbertsma vertelt van haar wenk aan haar schoondochter over hare kleding; dit heeft dus Henriette Feith aan Halbertsma verteld en hem misschien de brief laten lezen. Doch er is meer van Aemilie van Sandick (Schmid) van Haren bekend. Node haal ik aan hetgeen haar vader Onno Zwier van haar in zijn Deducties zegt, doch volledigheidshalve wil ik dit doen. Op blz. 5 zijner eerste deductie voert hij ook haar ten tonele: „met een bloedend hert, tot zijn leedwezen, de oudste dogter, Mevr. Sandick". Op de bij hem gebruikelijke wijze wijdt hij uit over de zorgen van hem en van zijn vrouw, aan haar opvoeding besteed, zegt dat het huwelijk „met haar volkoomen vrije wille en eygen keur is gesloten". - „Naar haar trouwen, wanneer het wonderlijk humeur, en singulier caracter van de Hr. Sandick zig wat klaarder begonden te openbaaren, hebben de Deducent en zijn vrouw ten eersten de partije genoomen van in Den Haag te koomen woonen, op hoop van door haare tegenwoordigheid, voor te komen dispuuten, die maar al te dikwijls tusschen man en vrouw reezen, en die tusschen twee driftige humeuren een spoedige verzoening vereischten." - Kenmerkend is het enige verhaal dat hij omtrent Aemilie aanhaalt: Volgens hem had zij kort tevoren geopperd om met haar gehele huishouden in het huis van haar vader te Wolvega te gaan wonen, waarop van Haren haar geantwoord zou hebben: „Aemilie dat is goed voor een jaar want om U meester te laaten voor altoos van mijn huys en plaats, dan moet ik eerst uit de weg zijn..., op welke woorden Mevr. Sandick in een diepe mijmering verviel zonder iets te antwoorden." - Men voelt de bedoeling van van Haren. Kenmerkend voor hem!
Natuurlijk haalt de vader telkens in zijn deducties bij de beschrijving der gebeurtenissen zijn oudste dochter aan, terwijl zij natuurlijk ook vele malen genoemd wordt in de Verdediging van J. A. van Sandick en Mr. W. van Hogendorp, de schoonzoons. Men krijgt de indruk van een intelligente en niet zeer verzoeningsgezinde vrouw, die waarschijnlijk zeer verontwaardigd was over de houding van haar vader jegens haar jongere zusters. Dat de houding van de vader jegens haarzelf nooit van dien aard is geweest, staat wel vast. Dat wordt en is ook zelfs nimmer beweerd. Kennelijk is hij pas, toen zij al getrouwd was, in die richting gegaan.
Over de familie-onlusten zelf zijn van de jaren 1760-1761 geen stukken in ons archief overgebleven, behalve de twee bovenaangehaalde brieven van J. A. van Sandick aan zijn vrouw en de enkele in de inventaris genoemd, wat ook begrijpelijk is omdat - zoals wij later zullen zien - de weduwe van Onno Zwier van Sandick omstreeks 1823 vrijwel alle stukken verbrand heeft. Wel is er een dossiertje over (N. 1) betreffende de onterving van Onno Zwier van zijn twee dochters Aemilie, toen Mevrouw Schmid, en Caroline van Hogendorp. Toen nl. 2 september 1779, dus bijna 20 jaar na het uitbarsten van het familieschandaal, van Haren op 66-jarige leeftijd te Wolvega stierf, bleek het dat hij zijn twee dochters onterfd had, terwijl zijn weduwe een gedrukte rouwbrief (N. 6) rondzond, waarin zij met de toen gebruikelijke, thans ietwat gezwollen aandoende termen kennis gaf „dat haar teeder geliefde echtgenoot, den Hoogwelgeboren Baron 1) Onno Zwier van Haren uit hare Liefde armen was weggerukt." - „In Hope dat U in deese mijne grievende smart, alsmede die van mijne agt kinderen wel deel zult willen nemen" etc. Hierin werd dus van acht kinderen gesproken met volkomen negatie van deze twee dochters, immers er waren toen tien kinderen.
Zeer volledig zijn bewaard gebleven de stukken betreffende de pogingen die de twee dochters hebben gedaan om een afschrift van het testament te verkrijgen, gepaard gaande met een poging tot verzoening met hunne moeder. Met veel moeite is het gelukt een afschrift van het testament door middel van tussenpersonen te ontvangen (de weduwe weigerde aanvankelijk zelfs dat), doch elke poging tot verzoening werd zonder meer afgewezen. - De intelligentie van Aemilie blijkt uit de correspondentie met hare raadslieden. Zij verdiepte zichzelf bijvoorbeeld in het in Friesland ter zake van onterving geldende recht, schreef stukken uit het standaardwerk van Huber (Hedendaagsche Rechtsgeleertheyt) over en copieerde ook het testament, alles zorgvuldig, volledig en keurig, zonder enige verbetering.
Halbertsma vertelt in zijn genoemde aantekenboekjes ook veel over Aemilie. Hij vertelt dat het echtpaar van Sandick wegens het proces tegen de ouders weinig gezien was in Den Haag en daarom een buitengoed bij Maastricht, het Canjel, kocht, omgeven met grachten, waar Mevrouw de Friezin 's winters rijden kon op schaatsen. „Zij was rank van gestalte, tot de 6 voeten hoog. Fijn, teder van gelaatstrekken en de geestigste, fierste en schoonste mond, die ik ooit gezien heb." (Hij heeft haar dus blijkbaar wel persoonlijk gekend, wat ik echter betwijfel want hij leefde van 1789-1869 en was dus 11 jaar toen Aemilie stierf.) - Hij verhaalt dan van het onderricht van haar vader aan haar en door haar zelf aan haar zoon: „Haar vader had haar schrijven geleerd, wiens hand volkomen op de hare geleek" (dit is betrekkelijk). Hij memoreert hoe Aemilie in haar eerste huwelijk binnen de twee jaar twee kinderen had, in haar tweede huwelijk na vier jaar weduwschap geen kinderen kreeg bij Schmid die veel ouder was (bij hun trouwen in 1767 was hij 52, zij 29). „Schmid" zegt Halbertsma „was een schoon man, de schoonste man uit de armee, en Amelia een schoone vrouw, beiden van een rijzige statuur, zodat de menschen uit kwamen om dit paar te zien wandelen." - Elders schrijft hij: „Aemilie had achtereenvolgens verscheidene huizen en kastelen in en om Maastricht. Zij leefde op een vorstelijken voet; ik heb de grondtekening van de wijnkelder bij haar schoondochter Feith te Zwolle gezien, verdeeld in vakken waar de wijnen lagen en daarin de soorten aangeduid. Een koning behoefde zich zulk een kabinet niet te schamen. - In dezen zelfden kelder woonde zij gedurende het beleg en bombardement van Maastricht van 1793. Haar getrouwe Matthieu liep den ganschen dag door het huis zonder eenig gevaar te vreezen en was noestig bezig om de tapijten uit te trappen, kleine branden van hout of behangsels, door de bommen veroorzaakt, te blussen. Op een goede morgen - men meende dat er relache kwam - zou Mevrouw met de familie eens boven gaan ontbijten om frissche lucht te scheppen. Nauwelijks had zij de kelder verlaten of een grote bom sloeg de zwaarste keldertrap te morsel, waarvan het spattend puin haar, was zij in de kelder geweest, onfeilbaar zou vermorzeld hebben. - Zij sloot zich digt aan haar zoon en zijn vrouw omdat zij alleen stond en aan den kant van de van Harens geen heil vond. - Zij schafte na de dood van Schmid boden af; én vroeg de reden en horende dat zij dit moest doen om haren staat te verminderen, zeide hij: als er geen andere redenen zijn Mevrouw zal ik U om niet blijven dienen. De verkleefdheid van Matthieu is tot het einde een voorbeeld der zeldzaamste trouw geweest."
„Aemilia praetendeerde dat de hoogmoed het ongeluk van haar vader gemaakt had. Was hij niet teruggekomen in Den Haag om zijne ambten te behouden, zijne kinderen waren hem niet lastig geweest. - In het laatst van haar leven woonde Amelia dipt bij Maastricht op een dorp, befaamd door een kluft bokkenrijders, die op het kruis een verbond met den duivel gesloten hadden. Na den dood van van Sandick ging Aemilia, wier haring in Den Haag niet braadde, naar Maastricht. Zij heeft ook in die omstreken gewoond op huize Reckem, hetwelk thans in een bedelaarshuis verwandeld is. Daar of in de omstreken moet de historie met de bokkenrijders plaats hebben gehad (die werden voor de ramen van het kasteel opgehangen, doch verspreidden zulk een walgelijke stank dat Generaal Schmid ze op zijn kosten liet begraven."
In het begin van zijn aantekeningen zegt Halbertsma, dat hij van de dochters van van Haren (er waren er zes) in zijn Fragmenten gezwegen heeft omdat het grote carognes waren. - Wat Aemilie betreft klopt dit zeker niet met wat wij van haar weten en wat Halbertsma verder van haar vertelt. Trouwens uit het feit dat haar zoon Onno zo aan haar gehecht was en zo over haar in zijn brieven spreekt, blijkt toch ten duidelijkste dat de qualificatie van Halbertsma te haren opzichte niet klopt, evenmin als de voorstelling, die vader van Haren van haar geeft.
Halbertsma zegt ook nog dat de twee dochters na de dood van hun vader copie van het testament hebben gevraagd en daar zij niet in appèl zijn gekomen, zij stilzwijgend in de redenen der onterving hebben berust. Deze conclusie is, zoals uit de stukken uit ons archief blijkt, onjuist.
Halbertsma schrijft voorts dat hij enige tirades heeft getrokken uit Emilie's letteren aan hare dochter Lucie, welke hij dan aanhaalt. Inderdaad komen deze passages voor in no. R. 4 b, wat dus kennelijk uittreksels uit brieven van haar aan haar dochter Lucie zijn en waarschijnlijk door Lucie zijn overgeschreven en na haar dood door haar moeder zijn gevonden. Aan de achterzijde van een van de bladzijden staat met de hand van Aemilie geschreven: Pour le general Schmid à Maestricht. Het is onbekend of de originele brieven nog bijvoorbeeld bij de familie van den Santheuvel bestaan.
Noten
- ^ Voorzover bekend gebruikte van Haren voor zichzelf nooit die titel, doch die van jonkheer. In zijn dichtwerken noemde hij zich „Friesch Edelman". Na 1815 is officieel de titel van Baron verleend.
