Archief Stamboom Kalender Links Gastenboek Contact
Van Sandick
wapen

Andries Adriaan van Sandick
(1898-1962)

in het Biografisch Woordenboek

Het leven en werk van Andries Adriaan van Sandick zijn beschreven in het Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 1, 1979. De biografie van zijn vader Rudolf Adriaan is te vinden in deel 2 uit 1985. Reeds in het jaar van zijn overlijden was het Economisch-Historisch Jaarboek niet zuinig met woorden ter ere van de bankdirecteur.

Bron: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/sandinck:
Andries Adriaan van Sandick, bankier (Amsterdam, 21 oktober 1898 - Voorst, 14 mei 1962).
Zoon van ir. Rudolf Adriaan van Sandick, alg. secr. Kon. Inst. van Ingenieurs, en Anna Sophia van Schilfgaarde.
Gehuwd op 5 november 1924 met Suzanna Sophia de Mol van Otterloo. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Van Sandick, die met zijn later in de industrie werkzame tweelingbroer Joannes Catharinus een verwarrende gelijkenis vertoonde,1 was na zijn HBS-jaren te 's-Gravenhage aanvankelijk bestemd voor de opleiding tot zeeofficier, doch moest daarvan bij zijn intrede in de praktijk afzien wegens het feit dat hij hardnekkig last had van zeeziekte. Dank zij een persoonlijke relatie kon hij in 1917 een plaats vinden in het bankwezen als volontair bij R. Mees & Zoonen te Rotterdam. In 1925 werd hij benoemd tot chef van de wisselafdeling en economist bij de toenmalige Javasche Bank te Amsterdam. In 1929 werd hij secretaris van de directie van de Rotterdamsche Bankvereeniging met de opdracht nieuwe impulsen te geven aan de door hem te leiden economische afdeling. Door studie had hij zich mede bekwaamd in de wissel-arbitrage en in het bijzonder de goudhandel.

Van Sandick begon zich ook op wetenschappelijk gebied te bewegen en publiceerde van 1929 tot 1945 regelmatig beschouwingen in De Economist, tot 1932 in de rubriek 'De Internationale geldmarkt' en daarna in de 'Financiële Kroniek' in dit gezaghebbende tijdschrift. Hij nam ook actief deel aan het werk van de Vereeniging voor waardevast geld als geharnast tegenstander van de theoriën van de Rotterdamse hoogleraar J. Goudriaan. Voor de maatregelen, welke in 1936 leidden tot de depreciatie van de Nederlandse gulden had hij, zonder zijn gevoel voor realiteit te verloochenen, geen goed woord over. Daarnaast gaf hij in 1938 de nuchtere raad om een flink deel van de Nederlandse goudvoorraad veiligheidshalve te deponeren in de Verenigde Staten. Van zijn inzichten gaf hij niet alleen in de Economisch-Statistische Berichten maar ook in verschillende dagbladen blijk. Deze publicistische activiteit werd in 1942 de aanleiding tot een nieuwe wending in zijn levensloop. De directeur mr. H.L. Woltersom van de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver) gaf toen te kennen, dat hij - als voorzitter van de in de bezettingsjaren fungerende commissie voor de organisatie van het bedrijfsleven - voorafgaand toezicht op deze publikaties wenste uit te oefenen. Van Sandick aanvaardde dit niet en nam daarom zijn ontslag om de latere oorlogsjaren ambteloos door te brengen in nauwe vriendschap met de afgezette burgemeester van Rotterdam mr. P.J. Oud.

In 1945 toonde hij reeds terstond zijn intensieve belangstelling voor de grote vragen van die dagen door de publikatie van een brochure Herstel der maatschappij (Rotterdam, 1945) waaraan hij als motto een bijbeltekst meegaf: ‘Gij zijt duur gekocht: wordt geen dienstknechten der menschen’ (I Cor. 7:23). Hij bepleitte daarin het terugdringen van de in zijn ogen voortdurend toegenomen staatsmacht, inperking van de staatstaak en een daarmede gepaard gaand herstel van recht en vrijheid in hun volle omvang. Geleide economie was voor hem een modeverschijnsel, dat hem allerminst lag. Als de overheid zich nu bepaald met het economische leven meende te moeten bemoeien, dan behoorde zij er naar zijn gevoelen naar te streven de economische wetten zoals hij die meende te zien tot gelding te doen komen.

In zijn Rotterdamse jaren verwierf hij zich reeds de reputatie van een betrouwbaar en evenwichtig man met aangename omgangsvormen, waardoor hij verschillende functies in besturen op sociaal, literair en economisch gebied vervulde. Ook had hij grote belangstelling voor de wijsbegeerte tot uiting komend in zijn contacten met prof.mr. B.M. Telders.

In 1946 verliet Van Sandick het hem zo vertrouwd geworden Rotterdamse milieu om in Amsterdam directeur te worden van de Nederlandsche Handel Maatschappij. Daar bereikte hij in 1957 als president een topfunctie in het Nederlandse bankwezen. Hij werd lid van de Bankraad en op breder terrein ook lid van de Sociaal-Economische Raad. In het organisatieleven was hij sedert 1952 bestuurslid van de Nederlandsche Bankiersvereeniging, waarvan hij, zo hij in leven gebleven ware, voor de voorzittersstoel bestemd was. Sinds 1956 bekleedde hij reeds het voorzitterschap van de Amsterdamsche Bankiersvereeniging. Het algemene belang diende hij van 1950 tot 1958 als Christelijk-historisch lid van de gemeenteraad van Amsterdam. Ook maakte hij in die stad deel uit van het college van Kerkvoogden van de Nederlands-Hervormde gemeente.

Van Sandick was zeker geen figuur voor het ontplooiien van schitterende welsprekendheid. In zijn geschriften echter formuleerde hij zeer zorgvuldig en duidelijk. Hij was een man van groot menselijk medegevoelen, zich vooral uitend in de moeilijke jaren na het verlies van de bank- en cultuurbelangen in Indonesië. Terwijl hij de zaken daar zo lang en zo goed mogelijk gaande trachtte te houden, ging zijn zorg ook uit naar de veiligheid en de verzorging van de daar werkzame employé's en hun gezinnen. Als voorzitter van de Ondernemingsraad streefde de president naar persoonlijk contact met het personeel, daarbij geholpen door zijn zin voor enerzijds naar het sarcastische neigende, doch anderzijds ook milde humor, welke in de menselijke omgang vaak bevrijdend werkte. Als vakman was hij het type van de klassieke commerciële bankier, rustig en nuchter, die zijn gedegen vakkennis trachtte te benutten om de bloei van zijn instelling te bevorderen, niet geneigd tot wilde sprongen, maar ook bereid tot ombuiging van het beleid, als hij eenmaal overtuigd was van de wenselijkheid daarvan. Zonder alle nieuwigheden in de bedrijfsvoering toe te juichen aarzelde hij dan niet hervormingen door te voeren. Het maken van reclame lag hem niet zo, doch overtuigd van de groeiende noodzaak van meer publiciteit schikte hij zich daarin toch. In de jaren van heroriëntatie na het verlies van de Nederlandse koloniën in Azië werkte hij ook intensief mee aan de eerste fase van de fusie met De Twentsche Bank, hoezeer hij ook betreurde dat dientengevolge het klassieke imago van de Nederlandsche Handel Maatschappij verloren moest gaan.

Vanzelfsprekend heeft het bedrijfsleven in brede kringen een beroep gedaan op de deskundigheid en karaktervastheid van Van Sandick. Hij was onder meer commissaris van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij, de Nederlandse Scheepvaart Unie, Nederlandse Dok Maatschappij, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Havenwerken, de Nederlandse Lloyd, de Nederlandse Wol Maatschappij, de Verenigde Touwfabrieken, de Amsterdamse Superfosfaatfabriek en Werkspoor.

Van Sandick stierf volkomen onverwachts op betrekkelijk jonge leeftijd.

W.F. Lichtenauer
© ING - Den Haag. Bronvermelding naar de gedrukte versie van deze biografie: W.F. Lichtenauer, ‘Sandick, Andries Adriaan van (1898-1962)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979). URL: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/sandinck

Het Economisch-Historisch Jaarboek is een uitgave van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief.

Bron: www.iisg.nl/ondernemers/pdf/ehjb29-sandick.pdf:

A.A. van Sandick

Amsterdam, 21 oktober 1898 - Twello, 14 mei 1962

Op 14 mei 1962 overleed Andries Adriaan van Sandick, president van de Nederlandsche Handel- Maatschappij NV (NHM), die van 1957 af deel uitmaakte van het bestuur van onze vereniging. Met hem ging een markante figuur uit het Nederlandse bankwezen, dat reeds sedert zijn 19e jaar het hoofdterrein van zijn werkzaamheden vormde, heen. Hij ontviel ons twee dagen voor de dag waarop hij naar mocht worden verwacht tot voorzitter van de Nederlandse Bankiersvereniging zou worden gekozen, nadat hij sedert 12 mei 1952 deel had uitgemaakt van het bestuur van deze organisatie en van 11 oktober 1956 af voorzitter was geweest van de Amsterdamse Bankiersvereniging. Wanneer men Van Sandick als bankier zou willen typeren, dan zou men hem een klassieke commerciële bankier kunnen noemen, beschikkende over een gedegen vakkennis en bezield met het streven om door het in acht nemen van conservatieve liquiditeits- en solvabiliteitsnormen de bloei van de instelling, waarin hij een leidende rol speelde, te bevorderen. Wanneer men echter zou veronderstellen, dat de behoedzaamheid die hem kenmerkte er toe leidde, dat hij niet met zijn tijd meeging, vergist men zich. Degenen, die in de gelegenheid waren hem in zijn dagelijks werk van meer nabij gade te slaan, weten dat hij weliswaar niet geneigd was om een beleid, dat hij juist achtte, van de ene dag op de andere om te buigen, maar dat hij zeker niet iemand was die tegen de stroom inging. En was hij eenmaal overtuigd van de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een andere politiek, dan aarzelde hij niet deze door te voeren. Financiering van de export van kapitaalgoederen, middellange kredietverlening aan het bedrijfsleven, persoonlijke leningen en spaarrekeningen, welke in de vijftiger jaren in het werkterrein der algemene banken in Nederland werden opgenomen, werden ook bij de NHM ingevoerd en krachtig gestimuleerd, ook al beschouwde Van Sandick sommige zaken (met name b.v. de persoonlijke leningen) niet direct als tot het bedrijf van een grote bank te behoren. Hoewel hij op grond van zijn karakter niet iemand was, die aan de weg timmerde, en zodoende ook critisch stond tegenover exuberante publiciteit, realiseer de hij zich dat ook de banken niet zonder reclame kunnen. Van Sandick kenmerkte zich bij de vervulling van zijn verantwoordelijke functie door een grote mate van soberheid en nuchterheid. Hij was wars van overdrijving en hoewel de spanningen en zorgen, die de leiding van een bank met een groot en internationaal georiënteerd bedrijf meebrengt, hem niet onberoerd lieten, bleef hij veelal bijzonder rustig en wist hij dikwijls door verrassende uitingen van humor de spanning te breken en het besef van de betrekkelijkheid der dingen te doen herleven.

Het liet zich aanvankelijk niet aanzien, dat Van Sandick zijn levenstaak in het bankbedrijf zou vinden. Hij was namelijk bestemd voor een carrière bij de Koninklijke Marine en bracht in verband daarmede van 1916 op 1917 een jaar als adelborst door op het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder. Op zijn eerste grote reis had hij echter zodanig van zeeziekte te lijden, dat hij besloot een ander werkterrein, t.w. dat van het bankwezen, te kiezen. Van Sandick ving zijn carrière in het bankbedrijf aan in 1917, toen hij in dienst kwam bij R. Mees & Zoonen in Rotterdam. In 1925 werd hij benoemd tot chef van de wisselafdeling en economist bij de toenmalige Javasche Bank te Amsterdam. In 1929 trad hij in dienst bij de Rotterdamsche Bankvereeniging, waar hij de functie kreeg van secretaris van de directie. In 1942 verliet hij genoemde instelling om redenen, die kenmerkend voor hem genoemd konden worden. Hij verschilde namelijk op een belangrijk punt diepgaand van inzicht met zijn directeur, de heer Woltersom, en trok daaruit de consequenties. In 1946 werd Van Sandick benoemd tot directeur van de NHM. Deze benoeming betekende voor hem het afscheid van de Rotterdamse sfeer, waarin hij zeer vertrouwd was, en de overgang naar de in zoveel opzichten van Rotterdam verschillende hoofdstad. Dit verschil heeft hem niet belet zich geheel in de Amsterdamse gemeenschap in te leven, niet alleen wat het financiële, doch ook wat het politieke terrein betreft. In 1950 werd hij namelijk voor de Christelijk- welk jaar hij om gezondheidsredenen genoodzaakt was zijn werkzaamheden te beperken. In 1957 werd Van Sandick benoemd tot president van de NHM, een functie waarin hij zijn brede kennis van het geld- en bankwezen volledig tot haar recht kon doen komen. Met name nam hij zeer actief deel aan het overleg tussen de directie van De Nederlandsche Bank en het bestuur van de Nederlandse Bankiersvereniging over problemen vallende binnen het kader van de Wet Toezicht Kredietwezen, zomede aan het overleg in de Bankraad, waarvan hij deel uitmaakte. Het is bekend dat zijn opvattingen en adviezen over monetaire problemen aan de Oude Turfmarkt grote aandacht verkregen. Hoewel Van Sandick grote belangstelling had voor de politiek en in de partij, waarvan hij deel uitmaakte, een actieve rol speelde, kon hij geen politicus in de echte betekenis van het woord genoemd worden. Dat lag ook niet in zijn aard. Maar hij had een intensieve belangstelling voor de grote vragen van de dag en had daarover zeer bepaalde opvattingen, die hij ook niet onder stoelen of banken stak. Een voorbeeld daarvan is wel zijn brochure Herstel der maatschappij (A. A. van Sandick, Herstel der maatschappij, W. L. & J. Brosse NV Rotterdam 1945), waarin hij zich in het bijzonder bezig hield met het verschijnsel, dat het verdwijnen van de Duitse bezetting in ons land niet gepaard was gegaan met het uitbannen van nationaal-socialistische ideeën en strevingen en waarin hij trachtte aan te geven in welke richting het herstel der maatschappij z.i. gezocht moest worden. Tekenend is het motto voor deze brochure, dat ontleend was aan 1 Corinthe 7 : 23 en luidde: "Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der menschen". Niet minder tekenend was, dat hij de weg tot herstel der maatschappij zag in de terugdringing van de voortdurend toegenomen staatsmacht, in de inperking van de staatstaak en een daarmede gepaard gaand herstel van recht en vrijheid in hun volle omvang. Aan zijn gedachten op dit gebied gaf hij op niet mis te verstane wijze uitdrukking. Zo zei hij o.a.: "Waar reeds tal van jaren de politiek in ons vaderland is gericht geweest op de overwoekering van de maatschappij door den staat, waardoor de maatschappij haar eigen aard en veerkracht heeft verloren en de staat zijn gezag als rechtsinstituut heeft zien wegkwijnen, doordat hij, steunende op zijn macht, niet als arbiter, maar als monopolist en schepper van monopolies, zich in den maatschappelijken belangenstrijd heeft geworpen, is het duidelijk, dat allereerst een bevrijding van de maatschappij van de dwingelandij van den staat geboden is. Dit is niet slechts een eisch van economische doelmatigheid, maar tevens een noodzakelijke voorwaarde om het recht in zijn oude glorie te herstellen en den staat zijn gezag te doen herwinnen." Het is verleidelijk uit genoemde brochure meer saillante passages aan te halen, omdat zij Van Sandick's persoon en ideeën zo goed typeren. Het gevaar bestaat dan echter, dat een te eenzijdig licht valt op zijn werk als schrijver over algemene maatschappelijke problemen. Vergeten mag namelijk niet worden, dat hij zich ook in zijn schrifturen vooral op financieel terrein bewoog. Een belangwekkend getuigenis daarvan geven zijn beschouwingen in De Economist van de jaren 1929 tot 1945, aanvankelijk (tot november 1932) in de rubriek De internationale geldmarkt, daarna in de Financiële Kroniek.

In deze van maand tot maand met grote zorg en deskundigheid geschreven korte artikelen, dikwijls gekruid met uitlatingen van milde humor en bijtend sarcasme, heeft hij alle belangrijke gebeurtenissen op financieel gebied, zowel in buiten- als in binnenland, de revue laten passeren. Hij heeft hierbij, zoals hem eigen was, zijn mening niet onder stoelen of banken gestoken, en het was zodoende ook voor hen, die het niet met hem eens waren, steeds de moeite waard om van zijn opvattingen kennis te nemen. Interessant was b.v. zijn reactie op het besluit van de Nederlandse regering om op 26 september 1936 de uitvoer van goud stop te zetten, hetgeen betekende opheffing van de gouden standaard in Nederland en een flinke depreciatie van de Nederlandse gulden inleidde. Hij had er geen goed woord voor over, maar hij was toch realist genoeg om niet te verwachten dat de gevolgde politiek rampzalige gevolgen zou hebben. "Zoo zeilen wij dan vlak voor den devaluatiewind, in het vertrouwen dat ons schip, zóó voortgedreven, in een goede haven zal terecht komen. Dat wij op de klippen zullen stranden, verwacht ik geen oogenblik", zegt hij in de slotpassage van zijn kroniek van 12 oktober 1936, doch hij wees er tevens op, dat "de werkelijke verbetering (. ...) uiteraard (moet) komen van een algemeenen terugkeer tot gezonde economische beginselen." In de Financiële Kroniek geeft hij ook blijk van een vooruitziende blik. In De Economist van 8 maart 1938 drong hij er b.v. sterk op aan om een flink deel van de Nederlandse goudvoorraad in de U.S.A. te deponeren met het oog op het dreigende oorlogsgevaar. "Zouden wij rechtstreeks betrokken worden in een gewapend conflict, dan zou er nog meer reden zijn ons gelukkig te prijzen indien wij een groot deel van ons goud elders hadden gedeponeerd, want een exorbitant groote goudvoorraad zou ook op anderen een bijzondere aantrekkingskracht kunnen uitoefenen." Toen Nederland in de oorlog betrokken raakte, zette hij zijn beschouwingen in de Financiële Kroniek voort en hoewel hij gereserveerder in zijn uitlatingen moest zijn, bleef hij blijk geven van een critische instelling, terwijl soms toch een zeker sarcasme doorbrak, getuige b.v. zijn opmerking, dat de ambtenaren na het uitschakelen van onze volksvertegenwoordiging zoiets als hun wittebroodsweken beleefden, omdat zij ongeremd door de bemoeienis van de werkgever zo vruchtbaar (sic!) konden werken, waardoor b.v. op één dag 5 ingrijpende besluiten op fiscaal gebied in het Verordeningenblad konden verschijnen. De bundel Financiële Kronieken, die Van Sandick liet bijeenbrengen toen hij deze rubriek vaarwel zei, bevat ook een niet verschenen beschouwing over de opheffing van de deviezengrens tussen Nederland en Duitsland, waarop consciëntieus en voor de historicus interessant is aangetekend, dat Mr. H.L. Woltersom, toenmaals voorzitter van de door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied ingestelde Organisatiecommissie voor het bedrijfsleven "het ongeschikt achtte, dat dezerzijds werd nagepleit over de opheffing van de deviezengrens". Deze kwestie was het die Van Sandick aanleiding gaf om zijn functie bij de Rotterdamsche Bankvereeniging neer te leggen. In juni 1944 brak de reeds door de omstandigheden trager verschijnende reeks van Financiële Kroniekartikelen af en daarna verscheen nog slechts een Financiële Kroniek van Van Sandick's hand, t.w. die van 30 september 1945, zoals steeds getuigend van realiteitszin. Zo merkt hij op, dat het "eigenlijk (zoo) moest gaan, dan wij Duitschland de rekening presenteerden en dat de realia, die Duitschland ons zou moeten leveren weder werden ingeruild tegen geld dat hier gedurende de bezetting in omloop is gebracht. Deze weg is onbegaanbaar en daarom zit er niets anders op dan ons vooralsnog op het standpunt te stellen dat wij hier met een interne kwestie te maken hebben, die ook intern moet worden opgelost".

Niet alleen in de Financiële Kroniek van De Economist, doch ook in verschillende andere artikelen in hetzelfde tijdschrift, zomede in Economisch-Statistische Berichten en o.a. van tijd tot tijd ook in dagbladen (Algemeen Handelsblad, Nieuwe Rotterdamse Courant, De Telegraaf) heeft hij zijn visie op monetaire en daarmede verwante vraagstukken gegeven en, het kan zonder overdrijving worden gezegd, steeds op een wijze, welke het de moeite waard maakte om daarvan kennis te nemen. Ik meen het hierbij te moeten laten, ook al ben ik mij bewust, dat zeker nog geen volledig beeld gegeven is van de markante persoonlijkheid die Van Sandick was.

Ik stip nog slechts aan zijn actieve deelneming aan het werk van de Vereeniging voor Waardevast Geld, zijn lidmaatschap van de Sociaal-Economische Raad, in welk college hij zeker niet de indruk wekte voorstander van de geleide economie te zijn en, om op een geheel ander terrein te komen, zijn lidmaatschap van het college van Kerkvoogden van de Hervormde Gemeente van Amsterdam. Vergeten mag ook niet worden zijn belangstelling voor de wijsbegeerte, die echter niet tot uiting kwam in publicaties, doch wel in een uitgebreide correspondentie met Prof. Mr. B. M. Telders. Met Van Sandick verloor ons land een goed burger gekenmerkt door gedegenheid, zin voor vrijheid en recht, en zeker niet te vergeten door een warme sociale belangstelling.

D.C. Renooij

Bron: Economisch-Historisch Jaarboek 29 (1961-1962) 335 –339.

Noten

  1. ^ De beide broers staan op de familiefoto uit 1951.

Herinneringen aan De Bazel - en A.A. van Sandick
vanSandick.com