 |
Verkeersrecht 7/8 - 2004
In onze tijd worden werk en verkeer steeds meer en op allerlei manieren gecombineerd. Vanouds is er de chauffeur, voor wie het vervoermiddel (taxi, bus, vrachtauto) zowel werk als werkplek is. Ook ander werk kan de noodzaak van vervoer meebrengen. Men moet zich verplaatsen van de ene werkplek naar de andere, of de werkplek zelf is zo groot dat vervoer per auto nodig is. Of men pakt de auto om naar vergaderingen, cursussen of bedrijfsuitje enz. te gaan. En natuurlijk niet te vergeten: de forensen. Velen van hen geven de voorkeur aan de auto boven de trein. Het gebruik van de auto en deelnemen aan het wegverkeer houden echter bepaalde risico's in. Deze risico's betreffen natuurlijk ook de werknemer die zich te voet of op de fiets in het drukke verkeer naar het werk begeeft of zich voor zijn werk verplaatst. Als er maar enig verband is met het werk zal de benadeelde zich na een verkeersongeval afvragen of hij (ook) degene voor wie hij werkt tot vergoeding van de schade kan aanspreken. Zoekend naar een antwoord op deze vraag zal hij merken dat de wetgever hem royaal verschillende grondslagen aanreikt waarmee hij zijn geluk kan beproeven. Komt het tot procederen, zal hij vervolgens merken dat de rechter—zeker bij ernstige schade—welwillend is. Hoever zal de rechter met hem meegaan?
|
|
 |
|